Verdrag betreffende de wekelijkse rustdag in de handel en op kantoren
De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie,
Door de Raad van Beheer van het Internationale Arbeidsbureau te Genève bijeengeroepen en aldaar bijeengekomen op 5 juni 1957 in haar veertigste zitting,
Besloten hebbende bepaalde voorstellen aan te nemen met betrekking tot de wekelijkse rusttijd in de handel en op kantoren, welk onderwerp als vijfde punt op de agenda van de zitting voorkomt, en
Besloten hebbende dat deze voorstellen de vorm van een internationaal Verdrag zullen krijgen,
Neemt heden, de zesentwintigste juni van het jaar negentienhonderd zevenenvijftig het volgende Verdrag aan, dat aangehaald kan worden als het Verdrag betreffende de Wekelijkse Rusttijd (Handel en Kantoren), 1957:
Voor buitenwerkingtreding en inwerkingtreding van het Verdrag zie ook Trb. 2001/95.
Artikel 1
De bepalingen van dit Verdrag voor zover zij niet worden toegepast door middel van de wettelijke regelingen betreffende het vaststellen van lonen, collectieve arbeidsovereenkomst, arbitrage of op enigerlei andere wijze in overeenstemming met de gebruiken in het betrokken land, worden van kracht door middel van nationale wetten of voorschriften.
Artikel 2
Dit Verdrag is van toepassing op alle personen, met inbegrip van leerlingen, die in dienst zijn van de volgende ondernemingen, instellingen of administratieve diensten, hetzij van de overheid of particulier:
- a). handelsondelsondernemingen;
- b). ondernemingen, instellingen en administratieve diensten waarin de werknemers voornamelijk kantoorwerk verrichten met inbegrip van de kantoren van personen die een vrij beroep uitoefenen;
- c). voor zover de betrokkenen niet in dienst zijn van ondernemingen als genoemd in artikel 3 en niet vallen onder nationale voorschriften of andere regelingen betreffende de wekelijkse rusttijd in industrie, mijnbouw, vervoerwezen of landbouw:
- (i). de bijkantoren van alle andere handelsondernemingen;
- (ii). de bijkantoren van alle andere ondernemingen waar het personeel voornamelijk kantoorwerk verricht;
- (iii). gemengde commerciële en industriële bedrijven.
Artikel 3
Dit Verdrag is eveneens van toepassing op personen die in dienst zijn van die der hieronder genoemde bedrijven welke de Leden die het Verdrag bekrachtigen vermelden in een verklaring welke die bekrachtiging vergezelt:
- a). bedrijven, instellingen en administratieve diensten welke persoonlijke diensten verlenen;
- b). de posterijen en de diensten voor telecommunicatie;
- c). krantenbedrijven; en
- d). schouwburgen en plaatsen van publieke vermakelijkheid.
Ieder Lid dat dit Verdrag bekrachtigt kan vervolgens bij de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau een verklaring indienen waarbij de verplichtingen van het Verdrag worden aanvaard ten aanzien van de in het voorgaande lid vermelde bedrijven voor zover niet reeds in een vorige verklaring vermeld.
Ieder Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd vermeldt in zijn krachtens artikel 22 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie in te dienen jaarverslag in hoeverre aan de bepalingen van het Verdrag uitvoering is gegeven of in het voornemen ligt te geven ten aanzien van de in lid 1 van dit artikel genoemde bedrijven welke niet zijn gedekt door een overeenkomstig het bepaalde in lid 1 of 2 van dit artikel ingediende verklaring, alsmede welke vorderingen zijn gemaakt met betrekking tot de geleidelijke toepassing van het Verdrag in dergelijke bedrijven.
Artikel 4
Zo nodig wordt op duidelijke wijze aangegeven welke bedrijven wel en welke niet onder dit Verdrag vallen.
In gevallen waarin het twijfelachtig is of een bedrijf, instelling of administratieve dienst onder dit Verdrag valt, wordt hierin beslist hetzij door het bevoegde gezag na overleg met de betrokken organisaties van werkgevers en werknemers, zo deze bestaan, of op enige andere wijze die in overeenstemming is met de wet en de gebruiken van het betrokken land.
Artikel 5
Het bevoegde gezag of het daarvoor in aanmerking komende orgaan in ieder land kan maatregelen nemen om van de bepalingen van dit Verdrag uit te sluiten:
- a). bedrijven waarin slechts leden van het gezin van de werkgever werkzaam zijn die niet in loondienst zijn of niet beschouwd kunnen worden in loondienst te zijn;
- b). personen die een hoge leidinggevende positie bekleden.
Artikel 6
Alle personen op wie dit Verdrag van toepassing is hebben - tenzij in de volgende artikelen anders is bepaald - recht op een ononderbroken wekelijkse rusttijd van niet minder dan 24 uur in de loop van ieder tijdvak van zeven dagen.
De wekelijkse rusttijd wordt, indien enigszins mogelijk, aan alle betrokkenen in een zelfde bedrijf tegelijkertijd gegeven.
De wekelijkse rusttijd valt, indien enigszins mogelijk, samen met de dag van de week die volgens de tradities of de gebruiken van het betrokken land of de betrokken streek als rustdag is erkend.
De tradities en gebruiken van religieuze minderheden worden voor zover mogelijk gerespecteerd.
Artikel 7
Indien de aard van het werk, het karakter van de door het bedrijf verrichte diensten, het aantal te bedienen personen of het aantal personen in dienst van het bedrijf het onmogelijk maakt de bepalingen van artikel 6 toe te passen, kunnen door het bevoegde gezag of vanwege het daarvoor in aanmerking komende orgaan in ieder land maatregelen worden genomen opdat, zo dit dienstig wordt geoordeeld, speciale regelingen voor de wekelijkse rusttijd kunnen worden getroffen ten aanzien van nader aangeduide categorieën van personen of nader aangeduide soorten van bedrijven voor zover zij onder dit Verdrag vallen, daarbij rekening houdende met alle hierbij van belang zijnde sociale en economische overwegingen.
Alle personen op wie deze speciale regelingen van toepassing zijn hebben in elk tijdvak van zeven dagen recht op een rusttijd waarvan de totale duur ten minste gelijk is aan het in artikel 6 genoemde tijdvak.
Op personen die werkzaam zijn op bijkantoren van bedrijven die onder de speciale regelingen vallen, welke bijkantoren, indien zij onafhankelijk zouden zijn, onder de bepalingen van artikel 6 zouden vallen, zijn de bepalingen van artikel 6 van toepassing.
Alle maatregelen betreffende de toepassing van de bepalingen van lid 1, 2 en 3 van dit artikel worden genomen in overleg met de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties, waar deze bestaan.
Artikel 8
Tijdelijke of gedeeltelijke vrijstelling (met inbegrip van opschorting of verkorting van de rusttijd) van de bepalingen van de artikelen 6 en 7 kan in ieder land door het bevoegde gezag worden verleend of op enigerlei andere door het bevoegde gezag goedgekeurde wijze voor zover deze in overeenstemming is met de wetgeving en de gebruiken van het betrokken land:
- a). in geval van een ongeval, acuut of dreigend, force majeure of dringende werkzaamheden aan gebouwen en inrichting, doch uitsluitend voor zover noodzakelijk ter vermijding van ernstige stagnatie in het bedrijf;
- b). in geval van een door buitengewone omstandigheden veroorzaakte abnormale drukte, voor zover van de werkgever normaal niet verwacht kan worden dat hij zijn toevlucht neemt tot andere maatregelen;
- c). ten einde te voorkomen dat goederen die aan bederf onderhevig zijn, verloren zouden gaan.
Bij het bepalen van de omstandigheden waaronder tijdelijke vrijstelling kan worden verleend overeenkomstig het bepaalde in de punten b) en c) van het voorgaande lid, wordt overleg gepleegd met de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties, voor zover deze bestaan.
In gevallen waarin overeenkomstig de bepalingen van dit artikel tijdelijk vrijstelling wordt verleend, worden de betrokkenen schadeloos gesteld door hun een rusttijd toe te kennen waarvan de totale duur ten minste gelijk is aan het in artikel 6 genoemde tijdvak.
Artikel 9
Voor zover de lonen zijn gebonden aan wetten en voorschriften of van overheidswege worden beheerst, wordt het inkomen van onder dit Verdrag vallende personen niet gekort als gevolg van de toepassing van krachtens dit Verdrag genomen maatregelen.
Artikel 10
Passende maatregelen worden genomen ter verzekering van de juiste toepassing van voorschriften of bepalingen betreffende de wekelijkse rusttijd, hetzij door middel van een doeltreffende controle of anderszins.
In gevallen waarin het strookt met de wijze waarop de bepalingen van dit Verdrag worden uitgevoerd, worden de noodzakelijke maatregelen in de vorm van straffen genomen, ter verzekering van de nakoming van deze bepalingen.
Artikel 11
Ieder Lid dat dit Verdrag bekrachtigt sluit overeenkomstig het bepaalde in artikel 22 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie bij zijn jaarverslag in:
- a). lijsten van de categorieën van personen en de soorten van bedrijven waarop speciale regelingen betreffende de wekelijkse rusttijden als bedoeld in artikel 7 van toepassing zijn; en
- b). gegevens betreffende de omstandigheden waaronder tijdelijke vrijstelling overeenkomstig de bepalingen van artikel 8 kan worden verleend.
Artikel 12
Geen van de bepalingen van dit Verdrag doet afbreuk aan enige wet, scheidsrechterlijke uitspraak, gebruik of overeenkomst waaraan gunstiger voorwaarden ten aanzien van de betrokken arbeiders zijn verbonden dan in dit Verdrag zijn voorzien.
Artikel 13
De bepalingen van dit Verdrag kunnen door de Regering van ieder land buiten werking worden gesteld in geval van oorlog of een andere onvoorziene gebeurtenis welke een bedreiging vormt van de binnenlandse veiligheid.
Artikel 14
De officiële bekrachtigingen van dit Verdrag worden ter kennis van de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau gebracht en door hem geregistreerd.
Artikel 15
Dit Verdrag is slechts verbindend voor de Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie van wie de bekrachting door de Directeur-Generaal is geregistreerd.
Het treedt in werking twaalf maanden nadat twee Leden hun bekrachtiging door de Directeur-Generaal hebben doen registreren.
Vervolgens treedt dit Verdrag ten aanzien van ieder Lid in werking twaalf maanden na de dag waarop zijn bekrachtiging is geregistreerd.
Artikel 16
Een Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd, kan het opzeggen na verloop van een tijdvak van tien jaar na de dag waarop het Verdrag voor het eerst in werking is getreden, door middel van een akte welke wordt toegezonden aan de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau en door deze geregistreerd. De opzegging wordt eerst een jaar nadat zij is geregistreerd van kracht.
Elk Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd en niet binnen het jaar volgend op het verstrijken van het in het vorige lid bedoelde tijdvak van tien jaar gebruik heeft gemaakt van het recht van opzegging als voorzien in dit artikel, is opnieuw voor een tijdvak van tien jaar verbonden en kan daarna dit Verdrag, telkens na het verstrijken van een tijdvak van tien jaar, op de in dit artikel bedoelde voorwaarden opzeggen.
Artikel 17
De Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau geeft alle Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie kennis van de registratie van alle bekrachtigingen en opzeggingen welke hij van de Leden der Organisatie heeft ontvangen.
Bij de kennisgeving aan de Leden der Organisatie van de registratie van de tweede door de Directeur-Generaal ontvangen bekrachtiging, vestigt deze de aandacht van de Leden der Organisatie op het tijdstip waarop het Verdrag in werking zal treden.
Artikel 18
De Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau geeft de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, ter registratie overeenkomstig het bepaalde in artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties, kennis van alle bijzonderheden omtrent alle door hem overeenkomstig de bepalingen van de voorgaande artikelen geregistreerde bekrachtigingen en akten van opzegging.
Artikel 19
De Raad van Beheer van het Internationale Arbeidsbureau brengt telkens wanneer hij zulks nodig oordeelt aan de Algemene Conferentie verslag uit over de toepassing van dit Verdrag en onderzoekt of het wenselijk is de gehele of gedeeltelijke herziening ervan op de agenda der Conferentie te plaatsen.
Artikel 20
Indien de Conferentie een nieuw Verdrag zou aannemen, houdende gehele of gedeeltelijke herziening van het onderhavige Verdrag en indien in het nieuwe Verdrag niet anders wordt bepaald:
- a). heeft de bekrachtiging door een Lid van het nieuwe Verdrag, houdende herziening, ipso jure onmiddellijk opzegging van het onderhavige Verdrag tot gevolg, niettegenstaande het in artikel 16 bepaalde, indien en zodra het nieuwe Verdrag, houdende herziening, in werking is getreden;
- b). kan met ingang van de dag waarop het nieuwe Verdrag, houdende herziening, in werking treedt, het onderhavige Verdrag niet langer door de Leden worden bekrachtigd.
Het onderhavige Verdrag blijft in elk geval naar huidige vorm en inhoud van kracht ten aanzien van de Leden die het hebben bekrachtigd, doch het nieuwe Verdrag, houdende herziening, niet bekrachtigen.
Artikel 21
De Engelse en de Franse tekst van dit Verdrag zijn gelijkelijk authentiek.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.