Notawisseling tussen de Nederlandse en de Britse Regering inzake de uitoefening van rechten en verplichtingen welke ten aanzien van de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde Nederlandse militaire eenheden voortvloeien uit twee op 26 mei 1952 te Bonn gesloten en op 23 oktober 1954 te Parijs herziene Verdragen
(zoals gewijzigd bij Bijlage 11 bij het Protocol tot beëindiging van het bezettingsregime in de Bondsrepubliek Duitsland, ondertekend te Parijs op 23 oktober 1954)
De Verenigde Staten van Amerika, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, de Franse Republiek en de Bondsrepubliek Duitsland komen het volgende overeen:
Voor inwerkingtreding zie ook Trb. 1957/229.
DEEL EEN. – ALGEMEEN
Artikel 1. Definities
In dit Verdrag en de daarbij behorende Bijlagen worden aan de volgende uitdrukkingen de hierna vermelde betekenissen gehecht:
-
- Het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland: het gebied waarover de Bondsrepubliek rechtsmacht uitoefent, met inbegrip van zijn wateren en het luchtruim boven dat gebied en die wateren.
-
- De Drie Mogendheden: de Verenigde Staten van Amerika, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Franse Republiek.
-
- Andere staat van herkomst: iedere Mogendheid, met uitzondering van de Drie Mogendheden, welke krachtens een overeenkomst met de Drie Mogendheden of een van haar, op het ogenblik van inwerkingtreding van dit Verdrag krijgsmachten gestationeerd heeft op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland; en iedere andere Mogendheid welke in de toekomst eventueel krijgsmachten gestationeerd zal hebben op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland,
- (a). vóór het inwerkingtreden van de regelingen betreffende de Duitse Verdedigingsbijdrage: krachtens een overeenkomst met de Drie Mogendheden, of een van hen, voor zover die andere Mogendheid niet, met toestemming van de Drie Mogendheden, een afzonderlijke overeenkomst met de Bondsrepubliek Duitsland sluit inzake de rechtspositie van haar krijgsmachten, en
- (b). na het inwerkingtreden van de regelingen betreffende de Duitse Verdedigingsbijdrage: krachtens een overeenkomst met de Bondsrepubliek.
-
- De betrokken Mogendheid: die Mogendheid, welker rechten en verplichtingen bij een bepaald geval zijn betrokken, namelijk:
- (a). in het geval van een van de Drie Mogendheden: die Mogendheid;
- (b). in het geval van een andere staat van herkomst:
- (i). diegene van de Drie Mogendheden, welke genoemd is als de betrokken Mogendheid op basis van een overeenkomst, waarvan mededeling moet worden gedaan aan de Bondsregering, tussen de staat van herkomst en de Drie Mogendheden of een van hen; of
- (ii). de staat van herkomst zelf, voor zover deze, na zich vergewist te hebben van de inzichten van de Bondsregering, bij een met de Drie Mogendheden of een van hen gesloten overeenkomst tegenover de Bondsrepubliek alle of bepaalde rechten en verplichtingen, welke uit dit Verdrag voortvloeien, op zich neemt en de Bondsregering daarvan officieel mededeling doet; ten aanzien van de overige rechten en verplichtingen, een van de Drie Mogendheden, welke ingevolge punt (i) van (b) van dit lid aan de Bondsrepubliek moet worden genoemd.
-
- De krijgsmachten: de gewapende krijgsmachten van de Drie Mogendheden en van andere staten van herkomst, welke zijn gelegerd op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland.
-
- De autoriteiten van de krijgsmachten: de autoriteiten van de krijgsmachten van de betrokken Mogendheid.
-
- Leden van de krijgsmachten: De volgende personen worden beschouwd als „leden van de krijgsmachten”: gezinsleden die gehuwd zijn met of kinderen zijn van de onder (a) en (b) van dit lid omschreven personen, of naaste bloedverwanten die door zodanige personen worden ondersteund en voor wie deze personen recht hebben op materiële hulp van de krijgsmachten. De definitie „leden van de krijgsmachten” omvat slechts die Duitsers, die dienst hebben genomen bij, of zijn aangeworven door, of in dienstbetrekking stonden tot de gewapende krijgsmachten van de betrokken Mogendheid op het grondgebied van die Mogendheid en die op dat ogenblik òf aldaar hun vaste verblijfplaats hadden òf aldaar ten minste een jaar hadden gewoond.
- (a). personen die, uit hoofde van hun militair verband, dienen bij de gewapende krijgsmachten van de Drie Mogendheden of van een andere staat van herkomst, en zich op het grondgebied van de Bondsrepubliek bevinden (militair personeel);
- (b). andere personen die in dienst van zodanige gewapende krijgsmachten zijn of daaraan zijn toegevoegd, met uitzondering van personen die noch onderdanen zijn van een van de Drie Mogendheden noch van een andere staat van herkomst en werkzaam zijn op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland; met dien verstande dat zodanige andere personen die buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek of Berlijn zijn gevestigd, slechts dan als leden van de krijgsmachten worden beschouwd wanneer zij zich uit hoofde van hun functie op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland bevinden („Gefolge”).
-
- Duitsers: Duitsers in de zin van de Duitse wet.
-
- Onroerende goederen: gronden, met inbegrip van alle duurzaam daaraan verbonden eigendommen, en alle gebruiksrechten met betrekking tot gronden, met inbegrip van die eigendommen welke gebruikt worden of zullen worden door de krijgsmachten binnen het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland.
-
- Installaties: gronden, gebouwen, of delen daarvan en alle duurzaam daaraan verbonden eigendommen, welke ingevolge de bepalingen van dit Verdrag worden bestemd voor het uitsluitende gebruik of bezit („im ausschliesslichen Besitz”) van de krijgsmachten. Deze definitie geldt niet voor artikel 20 van dit Verdrag.
Artikel 2. Naleving van de Duitse wetten - Politieke activiteit
De leden van de krijgsmachten nemen de Duitse wetten in acht, en de autoriteiten van de krijgsmachten verplichten zich tot, en nemen de verantwoordelijkheid op zich voor de toepassing van de Duitse wetten op die leden, tenzij in dit opzicht anders wordt bepaald in dit Verdrag of in andere toepasselijke verdragen of overeenkomsten.
De leden van de krijgsmachten onthouden zich van alle activiteiten welke onverenigbaar zijn met de geest van dit Verdrag, en in het bijzonder van alle politieke activiteit.
Artikel 3. Algemene verplichtingen
Bij het gebruik maken van de hun krachtens de bepalingen van dit Verdrag toegekende rechten en immuniteiten, nemen de krijgsmachten de Duitse belangen, openbare zowel als particuliere, naar behoren in acht, in het bijzonder door rekening te houden met het vermogen van de Duitse economie en de noodzakelijke binnenlandse en export-behoeften van de Bondsrepubliek en West-Berlijn.
De Duitse autoriteiten oefenen de bevoegdheden welke zij op het gebied van de wetgeving, het bestuur en de rechtspraak krachtens de “Basic Law” bezitten, op zodanige wijze uit, dat de bescherming en de veiligheid van de krijgsmachten en hun leden en van de eigendommen van de krijgsmachten en hun leden, alsmede de bevrediging van de behoeften van de krijgsmachten en de nakoming van de verplichtingen van de Bondsrepubliek als bepaald in dit Verdrag worden verzekerd.
De bepalingen van Bijlage A bij dit Verdrag treden tezelfder tijd als dit Verdrag in werking. Zij zijn eveneens van toepassing op overtredingen, op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland begaan tegen de gewapende krijgsmachten van de Drie Mogendheden, welke zijn gelegerd in Berlijn. De Bondsrepubliek zal de wettelijke bescherming welke krachtens de bepalingen van deze Bijlage wordt toegekend niet verminderen.
De Duitse autoriteiten onderwerpen de krijgsmachten en hun leden, of de eigendommen van de krijgsmachten en hun leden niet aan een nadelige of minder gunstige behandeling dan die welke, in overeenstemming met het internationaal recht en de internationale practijk, met betrekking tot vreemdelingen die hun gebruikelijke verblijfplaats op het grondgebied van de Bondsrepubliek hebben, bij de wet is vastgesteld, noch zullen zij binnen het kader van hun bevoegdheden toestaan, dat de krijgsmachten en hun leden aan een dergelijke behandeling worden onderworpen.
Artikel 4. Wederzijdse bijstand en veiligheid
De autoriteiten van de krijgsmachten en de Duitse autoriteiten werken volledig samen en verlenen elkaar volledige bijstand om de veiligheid van iedere betrokken Mogendheid en van de Bondsrepubliek alsook van de op het grondgebied van de Bondsrepubliek gelegerde krijgsmachten en hun leden, en van de eigendommen van de krijgsmachten en hun leden te bevorderen en te waarborgen.
Deze samenwerking en bijstand zal zich uitstrekken tot het verzamelen, uitwisselen en beveiligen van alle ter zake dienende gegevens, op een wijze welke zal worden geregeld tussen de bevoegde autoriteiten.
Artikel 5. Liaison
De autoriteiten van de krijgsmachten en de Duitse autoriteiten nemen maatregelen welke er toe strekken een nauwe en wederzijdse liaison te verzekeren.
DEEL TWEE. — RECHTSPRAAK
AFDELING I. — Strafrechtelijke procedures
Artikel 6. Strafbare feiten: rechtspraak en toepasselijke wet
Tenzij in dit Verdrag anders is bepaald, oefenen de autoriteiten van de krijgsmachten bij uitsluiting rechtsmacht op strafrechtelijk gebied uit over de leden van de krijgsmachten. Op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland wordt geen doodvonnis ten uitvoer gelegd, zolang de Duitse wet een dergelijke straf niet kent.
Indien, volgens de wet van de betrokken Mogendheid, de militaire rechtbanken niet bevoegd zijn tot het uitoefenen van rechtsmacht op strafrechtelijk gebied over een lid van de krijgsmachten, kunnen de Duitse rechtbanken en autoriteiten rechtsmacht over hem uitoefenen met betrekking tot een feit dat strafbaar is volgens de Duitse wet en gepleegd is tegen Duitse belangen in overeenstemming met de hiernavolgende bepalingen:
- (a). Geen strafprocedure, met uitzondering van die bedoeld in artikel 7 van dit Verdrag of van een dringend, zo mogelijk na overleg met de autoriteiten van de krijgsmachten uit te voeren vooronderzoek, wordt door de Duitse rechtbanken of autoriteiten ingesteld dan nadat de bevoegde Duitse autoriteiten overleg hebben gepleegd met de autoriteiten van de krijgsmachten en laatstgenoemden in de gelegenheid zijn gesteld binnen een en twintig dagen na ontvangst van de mededeling inzake de betreffende feiten, protest aan te tekenen of aanbevelingen te doen ten aanzien van de invloed van een dergelijke strafprocedure op de veiligheid van de krijgsmachten; de Duitse rechtbanken of autoriteiten zullen deze protesten en aanbevelingen naar behoren in aanmerking nemen. Een dergelijk overleg is echter niet vereist indien volgens de Duitse wet de straf voor het ten laste gelegde strafbare feit slechts hechtenis van ten hoogste zes weken of een boete van ten hoogste DM 150 bedraagt („Übertretung”), tenzij de Duitse autoriteiten van mening zijn dat in het betreffende geval de veiligheid van de krijgsmachten in het geding komt of zou kunnen komen.
- (b). de Duitse rechtbanken en autoriteiten zullen binnen de hun door de Duitse wet toegekende vrijheid van handelen afzien van een vervolging in ieder geval waarin
- (i). dit volgens de Duitse wet geoorloofd is; of
- (ii). de dader voldoende is gestraft door middel van disciplinaire maatregelen vanwege de autoriteiten van de krijgsmachten;
- (c). de Duitse rechtbanken en autoriteiten nemen beslissingen ten aanzien van kwesties betreffende arrestatie, hechtenis en uitvoering van straffen overeenkomstig de bepalingen van de Duitse wet. De autoriteiten van de krijgsmachten zullen alle bevelen tot arrestatie en inhechtenisneming uitvoeren. Een beschuldigde die op deze wijze in hechtenis is genomen door de autoriteiten van de krijgsmachten, blijft onder hun bewaking tot hij op grond van een rechterlijke eindbeslissing („rechtskraftige richterliche Entscheidung”) wordt vrijgelaten of veroordeeld. De autoriteiten van de krijgsmachten nemen maatregelen welke er toe strekken om te voorkomen, dat het rechtsverloop op enigerlei wijze nadelig wordt beïnvloed („Verdunkelungsgefahr”). Zij houden een op deze wijze in hechtenis genomen beschuldigde ter beschikking van de Duitse rechtbanken en autoriteiten, verlenen de Duitse rechtbanken en autoriteiten te allen tijde toegang tot hem en geleiden hem op verzoek voor de Duitse rechter en autoriteiten in verband met het onderzoek, het proces en het ondergaan van het vonnis dat hem eventueel wordt opgelegd. Indien een beschuldigde niet in hechtenis wordt genomen, nemen de autoriteiten van de krijgsmachten maatregelen om te verzekeren, dat hij voor de bovengenoemde doeleinden ter beschikking staat van de Duitse rechtbanken of autoriteiten.
- (d). iedere opgelegde vrijheidsstraf wordt in een Duitse strafinrichting ondergaan.
In dit lid wordt onder de uitdrukking „een feit, strafbaar volgens de Duitse wet en gepleegd tegen Duitse belangen” verstaan ieder volgens de Duitse wet strafbaar feit dat niet is een strafbaar feit gericht tegen de krijgsmachten, hun leden of de eigendommen van de krijgsmachten of hun leden.
De bevoegdheid van de Duitse autoriteiten om bij uitsluiting rechtsmacht uit te oefenen over personen die onderworpen zijn aan de Duitse strafrechtspraak, omvat mede die gevallen waarin het strafbare feit is gericht tegen de krijgsmachten, hun leden, of de eigendommen van de krijgsmachten of hun leden.
Met toestemming van de Duitse autoriteiten kunnen de autoriteiten van de krijgsmachten bepaalde groepen van gevallen, of speciale gevallen, ten aanzien waarvan zij krachtens de bepalingen van lid 1 van dit artikel bij uitsluiting bevoegd zijn aan de Duitse rechtbanken of autoriteiten voor onderzoek, behandeling en beslissing overdragen.
Met toestemming van de autoriteiten van de krijgsmachten kunnen de Duitse autoriteiten aan de autoriteiten van de krijgsmachten voor onderzoek, behandeling en beslissing bepaalde gevallen overdragen van de in lid 3 van dit artikel omschreven aard, waarin de verdachte geen Duitser is.
In de gevallen, bedoeld in de leden 1 en 5 van dit artikel, passen de autoriteiten van de krijgsmachten hun eigen wet toe. Indien het bij dergelijke gevallen gaat om daden welke strafbaar zijn volgens de Duitse wet doch niet volgens de wet van de betrokken Mogendheid, is de Duitse wet van toepassing.
In de gevallen, bedoeld in de leden 3 en 4 van dit artikel, is de Duitse wet van toepassing.
Artikel 7. Arrestatie, fouillering, huiszoeking en inbeslagneming
Leden van de krijgsmachten, die zich behoorlijk legitimeren door middel van een hun krachtens artikel 24 van dit Verdrag uitgereikt identiteitspapier, kunnen niet door de Duitse autoriteiten in arrest worden gesteld.
De Duitse autoriteiten kunnen echter een lid van de krijgsmachten in verzekerde bewaring stellen zonder hem te onderwerpen aan de gebruikelijke formaliteiten van arrestatie, teneinde hem met eventueel in beslag genomen wapens of voorwerpen onmiddellijk aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteiten van de krijgsmachten over te geven
- (a). indien zulks wordt verzocht door de autoriteiten van de krijgsmachten;
- (b). in de volgende gevallen, waarin de autoriteiten van de krijgsmachten niet in staat zijn met de nodige snelheid op te treden:
- (i). bij betrapping op heterdaad
- (1). bij het plegen of bij poging tot het plegen van een strafbaar feit, dat ernstige schade voor personen of eigendommen, of een ernstige inbreuk op andere wettelijk beschermde rechten („Rechtsgüter”) tot gevolg heeft of zou kunnen hebben; of
- (2). voor zover dit noodzakelijk blijkt om een einde te maken aan een reeds bestaande ernstige verstoring van de openbare orde;
- (ii). indien er gevaar van ontvluchting bestaat, bij het plegen of bij poging tot het plegen van spionage ten nadele van de Bondsrepubliek.
- (a). De Duitse autoriteiten kunnen een lid van de krijgsmachten fouilleren of de voorwerpen die hij bij zich draagt doorzoeken
- (i). indien zulks wordt verzocht door de autoriteiten van de krijgsmachten;
- (ii). indien hij overeenkomstig lid 2 van dit artikel in verzekerde bewaring wordt gesteld, voor zover fouillering of doorzoeking nodig is om hem te ontwapenen of om bewijsstukken van het strafbare feit waarvoor hij in verzekerde bewaring is gesteld, in beslag te nemen.
- (b). De bepalingen van de vierde zin van lid 5 van artikel 35 van dit Verdrag worden niet aangetast.
- (c). Het kwartier van een lid van de krijgsmachten of, bij gebreke daarvan, de woonruimte welke hij met toestemming van de autoriteiten van de krijgsmachten in gebruik heeft, mogen niet door de Duitse autoriteiten worden doorzocht, behalve op verzoek van de autoriteiten van de krijgsmachten. Indien een dergelijke woonruimte van het lid van de krijgsmachten geen installatie is, is ofwel zijn toestemming, ofwel die van de autoriteiten van de krijgsmachten tot het doorzoeken voldoende.
De Duitse autoriteiten stellen de bevoegde autoriteiten van de krijgsmachten op de hoogte van de arrestatie van iedere persoon, die in dienst is bij de krijgsmachten.
De bevoegde autoriteiten van de krijgsmachten kunnen
- (a). leden van de krijgsmachten in arrest stellen;
⋯
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.