← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag inzake het Internationaal Koude-Instituut, ter vervanging van het Verdrag van 21 juni 1920, gewijzigd op 31 mei 1937

Geldende tekst a fecha 1970-01-02

De Regeringen van de bij het Internationale Koude-Instituut aangesloten landen,

Overwegende, dat de wetenschap van de lage temperaturen zich voortdurend ontwikkelt, waardoor nieuwe perspectieven voor vooruitgang en welvaart worden geopend;

Overwegende, dat de toepassing van de kunstmatige koude zich tot nieuwe gebieden uitbreidt;

Overwegende, dat de uitwisseling van aan bederf onderhevige levensmiddelen tussen de verschillende naties ter wereld gestadig in omvang toeneemt, waardoor een steeds doeltreffender internationale samenwerking op het gebied van de voeding mogelijk wordt, doch waardoor voor de bewerking en verduurzaming van deze levensmiddelen het op grotere schaal aanwenden van koeltechnische hulpmiddelen noodzakelijk wordt;

Overwegende, dat het Verdrag van 21 juni 1920, gewijzigd op 31 mei 1937, waarbij het Internationale Koude-Instituut in het leven geroepen werd, niet voldoende beantwoordt aan de uit deze nieuwe omstandigheden voortvloeiende wetenschappelijke en technische eisen, noch aan de huidige economische toestanden;

Zijn overeengekomen als volgt:

TITEL I. Doel, titel, zetel, taak

Artikel I. Doel, titel, zetel
1.

De Verdragsluitende Partijen zullen nauw samenwerken bij de bestudering van de wetenschappelijke en technische op de koude betrekking hebbende problemen, alsmede bij de ontwikkeling van de toepassingen van de koude, welke de levensomstandigheden van de mens verbeteren.

2.

Te dien einde verbinden zij zich, het Internationale Koude-Instituut, hierna te noemen „het Instituut”, met zetel te Parijs, in stand te houden en te onderhouden.

Artikel II. Taak

De doelstellingen van het Instituut, voor al datgene wat verband houdt met de studie, de opwekking en het gebruik van de kunstmatige koude op internationaal gebied, zijn de volgende:

TITEL II. Leden

Artikel III. Landen-leden, toetredingen

Van het Instituut maken deel uit, in de hoedanigheid van landen-leden, met de rechten en verplichtingen omschreven in dit Verdrag:

Artikel IV. Categorieën van Landen-leden
1.

Om de landen-leden in staat te stellen, aan de werkzaamheden van het Instituut deel te nemen naar de mate van hun economische belangrijkheid en van hun belangstelling voor de problemen van de koude, zijn zes categorieën van landen-leden vastgesteld, hoofdzakelijk ingedeeld naar de mate van hun financiële bijdrage, het aantal stemmen bij de beraadslagingen en het aantal kosteloos ontvangen publikaties.

2.

Elk deelnemend land bepaalt, bij welke categorie het wenst te worden ingedeeld.

Artikel V. Opzegging, wijziging van categorie

Ieder lid heeft het recht het lidmaatschap van het Instituut op te zeggen of zich te laten indelen bij een lagere categorie, doch dient daartoe een termijn van ten minste een jaar in acht te nemen. Het overgaan naar een hogere categorie kan op elk tijdstip plaatsvinden door storting van de aanvullende bijdrage.

Artikel VI. Overdracht van rechten en verplichtingen aan een bevoegde instelling of organisatie

De landen-leden kunnen op eigen verantwoordelijkheid hun rechten en verplichtingen ten aanzien van het Instituut geheel of gedeeltelijk overdragen aan een bevoegde instelling of organisatie.

Artikel VII. Contacten met nationale organisaties

Ieder lid beijvert zich om in de werkzaamheden van het Instituut de belangrijkste wetenschappelijke, technische en culturele lichamen en vakgroeperingen te betrekken, die in de vraagstukken op het gebied van de koude belangstellen.

Artikel VIII. Ereleden

In speciale gevallen kunnen personen die bijzondere verdiensten hebben op het gebied van de koude en de koude-industrie, alsmede de begunstigers van het Instituut, door het Uitvoerend Comité van het Instituut tot erelid worden benoemd.

Artikel IX. Toegevoegde leden
1.

Bevoegde personen, bedrijven en instellingen die deelnemen in de ontwikkeling van de koude-wetenschap of de koude-industrie en periodiek contributie bijdragen, waarvan de grootte en de wijze van betaling worden vastgesteld door het Besturend Comité, kunnen door dit Comité tot toegevoegd lid van het Instituut worden benoemd.

2.

Overeenkomstig de voorwaarden, vervat in het Algemeen Reglement voor de toepassing van dit Verdrag, ontvangen de toegevoegde leden de periodiek verschijnende publikaties van het Instituut en kunnen zij deelnemen aan de werkzaamheden van de Commissies en aan de Congressen, terwijl zij eveneens de bibliotheek van het Instituut kunnen raadplegen.

TITEL III. Organen en werkwijze

Algemene Conferentie

Artikel X. Bevoegdheden van de Algemene Conferentie
1.

Het Instituut wordt geplaatst onder het gezag en het toezicht van een Algemene Conferentie.

2.

De voornaamste bevoegdheden van de Algemene Conferentie zijn:

Artikel XI. Samenstelling en werkwijze van de Algemene Conferentie
1.

De Algemene Conferentie is samengesteld uit vertegenwoordigers, aangewezen door de landen-leden of door de bevoegde organen en groeperingen welke in hun plaats zijn getreden.

2.

Het aantal vertegenwoordigers van elk lid van het Instituut wordt vastgesteld op:

6 voor categorie 1
5 „ „ 2
4 „ „ 3
3 „ „ 4
2 „ „ 5
1 „ „ 6
3.

De vertegenwoordigers die verhinderd zijn een bijeenkomst bij te wonen, hebben het recht aan één van hun medeleden in de Algemene Conferentie volmacht te verlenen.

4.

De Algemene Conferentie houdt elke vier jaar een gewone zitting. Zij komt bovendien bijeen in een buitengewone zitting indien zij daartoe besluit of wanneer het Uitvoerend Comité dit verzoekt.

5.

De besluiten van de Algemene Conferentie worden genomen met een meerderheid van 2/3 der stemmen van de aanwezige vertegenwoordigers of hun plaatsvervangers. Voor de verkiezing van haar voorzitter, voor de verkiezing van de voorzitter en de vice-voorzitters van het Uitvoerend Comité en de leden van de Technische Raad, wordt echter beslist bij absolute meerderheid van stemmen van de aanwezige vertegenwoordigers of hun plaatsvervangers. Bij staking van stemmen heeft de voorzitter een beslissende stem.

6.

De directeur is rechtens secretaris van de Algemene Conferentie.

Artikel XII. De Voorzitter van de Algemene Conferentie
1.

Bij de opening van haar gewone zitting kiest de Algemene Conferentie haar voorzitter.

2.

Eenzelfde voorzitter kan slechts twee achtereenvolgende malen worden gekozen.

3.

Ingeval de voorzitter verhinderd is een vergadering te presideren, wordt hij vervangen door de voorzitter of een vice-voorzitter van het Uitvoerend Comité.

4.

De voorzitter van de Algemene Conferentie wordt uitgenodigd voor en neemt met adviserende stem deel aan de vergaderingen van het Uitvoerend Comité, de Technische Raad en het Besturend Comité.

Artikel XIII. Bevoegdheden van het Uitvoerend Comité

De uitvoerende macht van het Instituut berust bij een Uitvoerend Comité.

Deze besluiten moeten in de eerstvolgende zitting der Algemene Conferentie ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Artikel XIV. Samenstelling en werkwijze van het Uitvoerend Comité
1.

Het Uitvoerend Comité bestaat uit gedelegeerden, aangewezen door de landen-leden of de hen vervangende instellingen en groeperingen op basis van één gedelegeerde per lid.

2.

Ieder lid van het Instituut, iedere instantie of groepering kan eveneens een plaatsvervangende gedelegeerde aanwijzen.

3.

Ieder gedelegeerde in het Uitvoerend Comité heeft ter Algemene Conferentie hetzelfde aantal stemmen als het door hem vertegenwoordigde land-lid vertegenwoordigers ter Algemene Conferentie heeft.

4.

De voorzitter van de Algemene Conferentie, de voorzitter en de vice-voorzitters van de Technische Raad, alsmede de voorzitters van de Commissies worden uitgenodigd tot de vergaderingen van het Uitvoerend Comité en beschikken daarin over adviserende stem.

5.

Het Uitvoerend Comité komt éénmaal per jaar in een gewone zitting bijeen. Het komt in buitengewone zitting bijeen wanneer zijn voorzitter dit voorstelt of wanneer het Besturend Comité dit verzoekt.

6.

De besluiten van het Uitvoerend Comité worden genomen met een meerderheid van 2/3 der stemmen. Indien op deze wijze, nadat tweemaal is gestemd, nog geen beslissing is gevallen, is - wanneer het de verkiezing van een directeur betreft - een absolute meerderheid van stemmen voldoende. Voor de andere verkiezingen welke tot de taak van het Uitvoerend Comité behoren, worden de beslissingen bij absolute meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen heeft de voorzitter een beslissende stem.

7.

De directeur is rechtens secretaris van het Uitvoerend Comité.

8.

Het Uitvoerend Comité stelt, indien nodig, binnen het kader van dit Verdrag en van het Algemeen Reglement zijn eigen huishoudelijk reglement vast.

Artikel XV. De voorzitter en vice-voorzitters van het Uitvoerend Comité
1.

De voorzitter van het Uitvoerend Comité en de vice-voorzitters ten getale van 3 tot 6, worden gekozen door de Algemene Conferentie in haar gewone zitting.

2.

De voorzitter en de vice-voorzitters kunnen niet meer dan twee achtereenvolgende malen voor dezelfde functie worden gekozen.

3.

Indien de voorzitter of een vice-voorzitter in de loop van een tijdvak van vier jaar ophoudt gedelegeerde te zijn in het Uitvoerend Comité of ontslag neemt, kiest het Uitvoerend Comité in zijn eerstvolgende vergadering een plaatsvervanger. De bevoegdheden van de opvolger lopen af aan het einde van het lopende vierjarig tijdvak.

4.

De voorzitter en de vice-voorzitters van het Uitvoerend Comité worden uitgenodigd tot de vergaderingen van de Technische Raad en hebben daar adviserende stem.

Besturend Comité

Artikel XVI. Bevoegdheden, samenstelling en werkwijze van het Besturend Comité
1.

Het Besturend Comité is, in de periode tussen de vergaderingen van het Uitvoerend Comité en overeenkomstig de besluiten van de Algemene Conferentie en van het Uitvoerend Comité, ermede belast, toe te zien op het functioneren van het Instituut, vooral op de financiële aangelegenheden, en de jaarlijkse begroting aan het Uitvoerend Comité voor te leggen.

2.

Het Besturend Comité wordt gevormd door de voorzitter van het Uitvoerend Comité, die rechtens voorzitter van het Besturend Comité is, drie leden die elke vier jaren door het Uitvoerend Comité worden gekozen, en drie leden die elke vier jaren door de Technische Raad worden gekozen. Deze laatste zes leden mogen niet meer dan twee achtereenvolgende malen worden gekozen.

3.

Het Besturend Comité komt op initiatief van de voorzitter ten minste drie maal per jaar bijeen.

4.

Het Besturend Comité beslist bij meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen heeft de voorzitter een beslissende stem.

5.

De directeur is rechtens secretaris van het Besturend Comité.

6.

Het Besturend Comité stelt zo nodig zijn eigen huishoudelijk reglement vast, dat aan het Uitvoerend Comité ter goedkeuring dient te worden voorgelegd.

Technische Raad en Commissies

Artikel XVII. Bevoegdheden, samenstelling en werkwijze van de Technische Raad
1.

De technische en wetenschappelijke problemen welke tot het gebied van het Instituut behoren, worden bestudeerd door een Technische Raad en door Commissies.

2.

De Technische Raad bestaat uit een voorzitter, één tot drie vice-voorzitters, alsmede de voorzitters en vice-voorzitters van de Commissies. De functie van voorzitter van de Technische Raad is niet verenigbaar met die van voorzitter of vice-voorzitter ener Commissie.

3.

De leden van de Technische Raad, die verhinderd zijn de vergaderingen bij te wonen, hebben het recht aan één van hun medeleden volmacht te verlenen.

4.

De voorzitter van de Algemene Conferentie en de voorzitter en vice-voorzitters van het Uitvoerend Comité worden uitgenodigd tot de vergaderingen van de Technische Raad en nemen daaraan met adviserende stem deel.

5.

De voorzitter en de vice-voorzitters van de Technische Raad worden elke vier jaren gekozen door de Algemene Conferentie in haar gewone zitting op voorstel van de aftredende Technische Raad. Zij kunnen niet meer dan twee achtereenvolgende malen voor dezelfde functie worden gekozen.

6.

In de periode tussen de zittingen van de Algemene Conferentie gaat het Uitvoerend Comité over tot het vervangen van leden die aftreden of verhinderd zijn hun functie uit te oefenen; het mandaat van de aldus gekozen nieuwe leden eindigt gelijktijdig met dat van de andere leden.

7.

De Technische Raad komt eenmaal per jaar in gewone zitting bijeen. Hij komt in buitengewone zitting bijeen indien de voorzitter daartoe het initiatief neemt of indien een derde der leden dit verzoekt.

8.

De besluiten worden genomen bij absolute meerderheid van stemmen van de aanwezige leden. Bij staking van stemmen heeft de voorzitter een beslissende stem.

9.

De directeur is rechtens secretaris van de Technische Raad.

10.

De Technische Raad stelt zo nodig zijn eigen huishoudelijk reglement vast binnen het kader van dit Verdrag en van het Algemeen Reglement.

Artikel XVIII. Bevoegdheden, samenstelling en werkwijze der Commissies
1.

Het aantal en de bevoegdheden van de Commissies zijn vastgelegd in het Algemeen Reglement.

2.

Elke Commissie heeft één voorzitter, één of meer vice-voorzitters of één of meer secretarissen.

3.

De voorzitter en de vice-voorzitters worden door de Algemene Conferentie in haar gewone zitting gekozen. Zij kunnen niet meer dan twee achtereenvolgende malen voor dezelfde functie worden gekozen.

4.

Indien noch de voorzitter noch een van de vice-voorzitters van een Commissie tot het land behoort waarin het volgend Internationale Congres plaatsvindt, kan, op voorstel van de gedelegeerden van dat land, door het Uitvoerend Comité een vice-voorzitter aan de Commissie worden toegevoegd. Zijn functie eindigt met de werkzaamheden van het Congres.

5.

Rekening houdende met de aanbevelingen door de landen-leden gedaan, worden de andere leden van de Commissies benoemd door de Technische Raad, op voorstel van de voorzitters der Commissies.

De Technische Raad kan de voorzitter machtigen, tot tussentijdse benoemingen over te gaan.

6.

De secretarissen worden benoemd door de Technische Raad, op voorstel van de voorzitters der Commissies; de Technische Raad kan zijn voorzitter machtigen tot tussentijdse benoemingen over te gaan.

7.

Een lid van de Commissie, dat gedurende twee achtereenvolgende jaren de bijeenkomsten niet bijwoont en niet aan de werkzaamheden van de Commissie deelneemt, wordt geacht te zijn afgetreden.

Werkgroepen

Artikel XIX. Werkgroepen

Om de oplossing van bepaalde vraagstukken waarvoor het Instituut belangstelling heeft voor te bereiden, kunnen werkgroepen worden gevormd.

Beheer

Artikel XX. De directeur
1.

De directeur is belast met de dagelijkse leiding van het Instituut; hij wordt bijgestaan door vaste medewerkers en door hulpkrachten.

2.

De directeur wordt door het Uitvoerend Comité bij geheime stemming gekozen. Zijn plichten en bevoegdheden worden door het Algemeen Reglement vastgesteld.

3.

De directeur is rechtens secretaris van de Algemene Conferentie, van het Besturend Comité en van de Technische Raad.

Artikel XXI. Het personeel in vaste dienst en de hulpkrachten
1.

Het personeel in vaste dienst en de hulpkrachten worden benoemd en ontslagen door de directeur. Hun rechten en plichten zijn in het Algemeen Reglement vastgelegd.

2.

De benoeming van personeel in vaste dienst moet echter door het Besturend Comité worden bekrachtigd.

De Internationale Koude-Congressen

Artikel XXII. Internationale Koude-Congressen
1.

Het Instituut heeft tot taak om, in de regel elke vier jaar, een Internationaal Koude-Congres te organiseren.

2.

Het programma behoeft de goedkeuring van het Uitvoerend Comité en de organisatie kan worden toevertrouwd aan één of meer landen-leden.

Publikaties

Artikel XXIII. Publikaties
1.

De werkzaamheden van de Technische Raad en van de Commissies, zomede de door de directie verzamelde inlichtingen van elke aard, vormen het onderwerp van periodiek verschijnende publikaties, uitgegeven door het Instituut en geredigeerd in de officiële talen van het Instituut.

2.

Het Algemeen Reglement stelt de voorwaarden vast voor het verspreiden van een aantal gratis exemplaren van deze publikaties onder de landen-leden.

3.

Het Instituut kan gebruik maken van elke andere vorm van berichtgeving indien het zulks voor de uitvoering van zijn taak nuttig acht.

TITEL IV. Geldmiddelen

Artikel XXIV. Inkomsten van het Instituut

De voor het functioneren van het Instituut noodzakelijke uitgaven worden bestreden door:

Artikel XXV. Begroting
1.

Het Uitvoerend Comité controleert in zijn gewone jaarlijkse zitting de rekening en verantwoording over het afgelopen jaar. De begroting voor het volgend jaar wordt in de gewone jaarlijkse zitting door het Uitvoerend Comité goedgekeurd.

2.

Het Uitvoerend Comité kan het Besturend Comité machtigen, in de loop van het jaar in de begroting bepaalde wijzigingen aan te brengen.

Artikel XXVI. De gewone jaarlijkse bijdragen van de landen-leden
1.

De gewone jaarlijkse bijdragen van de landen-leden kunnen worden voldaan in Franse franken dan wel in deviezen verhandelbaar in Frankrijk, indien de inwisselbaarheid door het debiteurland wordt gegarandeerd. Zij worden vastgesteld in goudfranken van een gewicht van 10/31e gram met een gehalte van 0.900 fijn en naar de categorie waartoe de leden behoren, op de volgende basis:

Categorie Jaarlijkse bijdragen in goudfranken
1 .......................................... 9.600
2 .......................................... 7.200
3 .......................................... 4.800
4 .......................................... 3.200
5 .......................................... 1.600
6 .......................................... 800
2.

Elke vier jaar kan de Algemene Conferentie in haar gewone jaarlijkse zitting op een in het voorafgaande jaar aangenomen voorstel van het Uitvoerend Comité deze grond-bijdragen met een bepaalde coëfficiënt verhogen of verlagen, teneinde deze bijdragen aan te passen aan de werkzaamheid van het Instituut en aan de economische toestand van het ogenblik.

3.

Het nieuwe bedrag van de subsidies is van toepassing gedurende de volgende vier jaar.

Artikel XXVII. Achterstallige bijdragen

Landen-leden die meer dan twee jaar achterstand hebben in de betaling van hun jaarlijkse bijdrage, verliezen de voordelen aan het lidmaatschap verbonden, en in het bijzonder hun stemrecht, tot op het ogenblik waarop zij aan hun financiële verplichtingen hebben voldaan.

TITEL V. Diverse clausules

Artikel XXVIII. Betrekkingen met andere internationale organisaties

Het Instituut onderhoudt met de Gespecialiseerde Organisaties van de Verenigde Naties en met de andere internationale organisaties alle betrekkingen welke tot een samenwerking kunnen leiden, verband houdende met hun onderscheidene doelstellingen en met die van het Instituut.

Artikel XXIX. Juridische bevoegdheden, voorrechten en immuniteiten

Het Instituut geniet op het grondgebied van elk der landen-leden de juridische bevoegdheden en de status nodig voor de tenuitvoerlegging van zijn taak en voor het bereiken van zijn doelstellingen, op de voorwaarden welke in bijzondere overeenkomsten met de landen-leden zijn vastgelegd.

Artikel XXX. Officiële talen

De officiële talen van het Instituut zijn Engels en Frans.

Artikel XXXI. Wijzigingen in het Verdrag
1.

Wijzigingen in dit Verdrag, welke geen inbreuk maken op de fundamentele doelstellingen van het Instituut en de verplichtingen van de landen-leden niet verzwaren, treden terstond na goedkeuring door de Algemene Conferentie in werking.

2.

De overige wijzigingen moeten, wanneer zij door de Algemene Conferentie zijn goedgekeurd, aan de landen-leden ter bekrachtiging worden voorgelegd. Zij treden in werking na bekrachtiging door 2/3 van de landen-leden (met uitzondering echter van die welke worden bedoeld in artikel 27 hierboven) voor de landen-leden die de wijzigingen dan hebben bekrachtigd, en van de datum van bekrachtiging af voor de landen-leden die de wijzigingen later bekrachtigen.

3.

In alle gevallen moeten de ontwerpen van wijziging door de directeur aan de regeringen van de landen-leden worden toegezonden ten minste zes maanden voordat de betreffende wijzigingen bij de Algemene Conferentie in behandeling komen.

Artikel XXXII. Werkingsduur van het Verdrag

Dit Verdrag wordt gesloten voor een termijn van tien jaar, behoudens het recht om overeenkomstig de bepalingen van artikel 5 het Verdrag op te zeggen. Na het verstrijken van deze termijn wordt dit Verdrag iedere vier jaar stilzwijgend verlengd.

Artikel XXXIII. Geschillen

De Engelse en de Franse tekst van dit Verdrag zijn gelijkelijk authentiek. Elk geschil met betrekking tot de interpretatie van dit Verdrag wordt onderworpen aan de uitspraak van het Internationale Gerechtshof of aan een arbitrage-procedure op voorwaarden welke door de Algemene Conferentie worden vastgesteld.

Artikel XXXIV. Bekrachtiging en inwerkingtreding
1.

Dit Verdrag staat tot 1 juni 1955 open ter ondertekening voor de landen-leden van het Internationale Koude-Instituut.

2.

Dit Verdrag zal worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de regering van de Franse Republiek. Het Verdrag zal voor elk ondertekenend land in werking treden op de dag der nederlegging van zijn akte van bekrachtiging.

3.

De ondertekenende landen komen evenwel overeen, teneinde elke vertraging bij de tenuitvoerlegging te vermijden, het Verdrag onmiddellijk na de ondertekening voorlopig van toepassing te verklaren, voorzover hun grondwettelijke en budgetaire bepalingen zulks toelaten.

4.

Ten blijke waarvan de hiernavolgende gevolmachtigden, wier volmachten in goede en behoorlijke vorm zijn bevonden, dit Verdrag hebben ondertekend.

Done at Paris the1st December 1954.