Overeenkomst inzake de oprichting van een Internationale Commissie voor de Internationale Opsporingsdienst
De Regeringen van het Koninkrijk België, de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, de Staat Israël, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika;
OVERWEGENDE dat een Internationale Opsporingsdienst werd opgericht te Arolsen teneinde vermiste personen op te sporen en gegevens over Duitse en niet-Duitse personen die in nationaal-socialistische concentratie- of arbeidskampen geïnterneerd zijn geweest, of over niet-Duitse personen die werden verplaatst tengevolge van de tweede wereldoorlog, te verzamelen, te classificeren, te bewaren en toegankelijk te maken voor de Regeringen en belanghebbende personen;
OVERWEGENDE dat de Geallieerde Hoge Commissie voor Duitsland de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen voor de werkzaamheden van deze Internationale Opsporingsdienst, welke verantwoordelijkheid vroeger berustte bij de U.N.R.R.A. en bij de Internationale Vluchtelingenorganisatie;
OVERWEGENDE dat krachtens artikel 1 (d) van Hoofdstuk VII van het Verdrag inzake de regeling van aangelegenheden voortspruitende uit de oorlog en de bezetting (zoals dit is gewijzigd bij Bijlage IV van het Protocol inzake de beëindiging van het bezettingsregime in de Bondsrepubliek Duitsland, ondertekend te Parijs op 23 oktober 1954) de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland zich heeft verplicht om de voortzetting van de thans door de Internationale Opsporingsdienst verrichte werkzaamheden te verzekeren;
MET HET OOG OP HET FEIT dat de Geallieerde Hoge Commissie heeft opgehouden te bestaan en dat de Regeringen van de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika, overeenkomstig de notawisseling inzake de voortzetting van de werkzaamheden van de Internationale Opsporingsdienst, zijn overeengekomen dat, als eerste daad tot uitvoering van artikel 1 (d) van Hoofdstuk 7 van genoemd Verdrag, de verantwoordelijkheid voor de leiding en het beheer van de Internationale Opsporingsdienst voorlopig voor een periode van vijf jaar te rekenen van de inwerkingtreding van bovengenoemd Verdrag af, aan het Internationale Comité van het Rode Kruis zal worden overgedragen;
Overwegende dat de Regeringen van de Helleense Republiek en de Republiek Polen nadien partij zijn geworden bij de Overeenkomst inzake de oprichting van een Internationale Commissie voor de Internationale Opsporingsdienst en derhalve lid zijn van de Internationale Commissie voor de Internationale Opsporingsdienst;
Geleid door de wens toegang te waarborgen, ten behoeve van onderzoek, tot de archieven en documenten die door de Internationale Opsporingsdienst worden bewaard, zowel ter plaatse als door middel van afschriften van de archieven en documenten;
Overwegende dat de Regeringen van oordeel zijn dat de bescherming van persoonsgegevens voldoende gewaarborgd wordt door de nationale wetgeving van elk van hen en dat zij verwachten dat bij het verlenen van toegang tot de bovengenoemde afschriften elke Regering rekening houdt met de gevoeligheid van bepaalde informatie die daarin vervat kan zijn;
VERLANGENDE de internationale samenwerking welke op dit gebied bestaat, te handhaven, de samenwerking te verzekeren van andere belanghebbende staten, de Westeuropese Unie en andere belanghebbende organisaties, en zorg te dragen voor de bescherming van de archieven en documenten;
ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:
Artikel 1
Vervallen
Artikel 2
Vervallen
Artikel 3
Vervallen
Artikel 4
Vervallen
Artikel 5
Vervallen
Artikel 6
Vervallen
Artikel 7
Vervallen
Artikel 8
Vervallen
Artikel 9
Vervallen
De Voorzitter van de Internationale Commissie voor de Internationale Opsporingsdienst, krachtens artikel 3 (a) van de op 6 juni 1955 te Bonn ondertekende Overeenkomst inzake de oprichting van een Internationale Commissie voor de Internationale Opsporingsdienst gemachtigd om op te treden namens de Regeringen van het Koninkrijk België, de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, de Staat Israël, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika,
enerzijds,
en het Internationale Comité van het Rode Kruis,
anderzijds;
OVERWEGENDE dat de Regeringen van de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika als ondertekenaars van het Verdrag inzake de regeling van aangelegenheden voortspruitende uit de oorlog en de bezetting (zoals dit is gewijzigd bij Bijlage IV van het Protocol inzake de beëindiging van het bezettingsregime in de Bondsrepubliek Duitsland, ondertekend te Parijs op 23 oktober 1954) zijn overeengekomen, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, als zijnde een lichaam met een neutraal, onpartijdig, wereldomvattend en verantwoordelijk karakter, te belasten met het beheer en de leiding van de Internationale Opsporingsdienst;
OVERWEGENDE dat de Regeringen van het Koninkrijk België, de Staat Israël, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden belang hebben bij de veiligstelling en het onpartijdige beheer van de archieven en documenten van de Internationale Opsporingsdienst en hun voldoening hebben geuit over de regelingen waarbij het Internationale Comité van het Rode Kruis belast wordt met het beheer en de leiding van de Internationale Opsporingsdienst;
OVERWEGENDE dat de Regeringen van het Koninkrijk België, de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, de Staat Israël, de Italiaanse Reubliek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika een Overeenkomst hebben ondertekend inzake de oprichting van een Internationale Commissie, welke tot taak zal hebben, de samenwerking te verzekeren tussen de in de Commissie vertegenwoordigde Regeringen ten aanzien van aangelegenheden welke betrekking hebben op de Internationale Opsporingsdienst, en voor de werkzaamheden van de Internationale Opsporingsdienst richtlijnen te verstrekken ten aanzien waarvan overeenstemming is bereikt met het Internationale Comité van het Rode Kruis;
VERLANGENDE dat de toekomstige werkzaamheden van de Internationale Opsporingsdienst zodanig zullen worden verricht, dat de gegevens vervat in de archieven van de Internationale Opsporingsdienst, zoals dat in het verleden het geval was, ter beschikking zullen staan van de belanghebbende personen, organisaties en autoriteiten, zulks voor humanitaire doeleinden;
ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:
Voor inwerkingtreding zie ook Trb. 1956/1, Trb. 1961/111 en Trb. 1970/33.
Artikel 1
Onder voorbehoud van de met eenparigheid van stemmen verkregen goedkeuring van de leden van de Internationale Commissie, benoemt het Internationale Comité van het Rode Kruis een Zwitsers staatsburger tot directeur van de Internationale Opsporingsdienst en stelt, in overleg met de Internationale Commissie, de voorwaarden van zijn aanstelling vast. Deze Directeur, die bezoldigd wordt door het Internationale Comité van het Rode Kruis, treedt zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst in functie.
Artikel 2
De Directeur is tegenover het Internationale Comité van het Rode Kruis verantwoording verschuldigd voor de leiding en het beheer van de Internationale Opsporingsdienst en handelt volgens de voorschriften van het Internationale Comité van het Rode Kruis. Deze voorschriften moeten in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst en met de tussen de Internationale Commissie en het Internationale Comité van het Rode Kruis overeengekomen richtlijnen.
Artikel 3
Elk lid van de Internationale Commissie en elke verbindingsambtenaar benoemd door een van de in de Internationale Commissie vertegenwoordigde Regeringen, alsmede de vertegenwoordiger van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen of iedere andere instelling van de Verenigde Naties, die hem opvolgt in de uitoefening van zijn taak tot internationale bescherming der vluchtelingen en de door hem benoemde verbindingspersoon zijn gerechtigd tot inzage van alle archieven en documenten onder de berusting van de Internationale Opsporingsdienst in overeenstemming met de Directeur van de Internationale Opsporingsdienst en volgens de bepalingen van het navolgende artikel 5.
Artikel 4
De tekst van de vertaling is niet beschikbaar.
Artikel 5
De Internationale Opsporingsdienst, de leden van de Internationale Commissie en de verbindingsambtenaren nemen alle daarvoor in aanmerking komende maatregelen om te voorkomen, dat omtrent een persoon of personen inlichtingen worden verstrekt, welke schadelijk zouden kunnen zijn voor de belangen van de betrokken persoon of personen of hun familie.
Artikel 6
De tekst van de vertaling is niet beschikbaar.
Artikel 7
De Directeur kan te allen tijde een lid van de Internationale Commissie verzoeken, zijn Regering te benaderen ten einde de originelen of kopieën van documenten waarvan de originelen of kopieën bij de Internationale Opsporingsdienst berusten of te eniger tijd hebben berust, en welke door of vanwege bedoelde Regering worden bewaard, voor de Internationale Opsporingsdienst toegankelijk te maken.
Artikel 8
Vervallen
Artikel 9
De tekst van de vertaling is niet beschikbaar.
Artikel 10
Vervallen
EN FOI DE QUOI, les plénipotentiaires ont revêtu le présent Accord de leurs signatures et de leurs sceaux.
FAIT à Bonn le six Juin 1955, en langues française, allemande et anglaise, les trois textes faisant également foi, en un seul exemplaire qui sera déposé dans les archives du Gouvernement de la République Fédérale d'Allemagne. Le Gouvernement de la République Fédérale d'Allemagne transmettra une copie certifiée conforme à chacun des autres Gouvernements signataires, des Gouvernements tiers au moment de l'acceptation par ceux-ci de la qualité de membre de la Commission Internationale, ainsi qu'au Secrétaire Général des Nations-Unies pour enregistrement, conformément à l'Article 102 de la Charte des Nations-Unies, et au Secrétaire Général de l'Union de l'Europe Occidentale.
Artikel 8bis
Vervallen
De Voorzitter van de Internationale Commissie voor de Internationale Opsporingsdienst, krachtens artikel 3 (a) van de op 6 juni 1955 te Bonn ondertekende Overeenkomst inzake de oprichting van een Internationale Commissie voor de Internationale Opsporingsdienst gemachtigd om op te treden namens de Regeringen van het Koninkrijk België, de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, de Staat Israël, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika,
enerzijds,
en het Internationale Comité van het Rode Kruis,
anderzijds;
OVERWEGENDE dat de Regeringen van de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika als ondertekenaars van het Verdrag inzake de regeling van aangelegenheden voortspruitende uit de oorlog en de bezetting (zoals dit is gewijzigd bij Bijlage IV van het Protocol inzake de beëindiging van het bezettingsregime in de Bondsrepubliek Duitsland, ondertekend te Parijs op 23 oktober 1954) zijn overeengekomen, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, als zijnde een lichaam met een neutraal, onpartijdig, wereldomvattend en verantwoordelijk karakter, te belasten met het beheer en de leiding van de Internationale Opsporingsdienst;
OVERWEGENDE dat de Regeringen van het Koninkrijk België, de Staat Israël, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden belang hebben bij de veiligstelling en het onpartijdige beheer van de archieven en documenten van de Internationale Opsporingsdienst en hun voldoening hebben geuit over de regelingen waarbij het Internationale Comité van het Rode Kruis belast wordt met het beheer en de leiding van de Internationale Opsporingsdienst;
OVERWEGENDE dat de Regeringen van het Koninkrijk België, de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, de Staat Israël, de Italiaanse Reubliek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika een Overeenkomst hebben ondertekend inzake de oprichting van een Internationale Commissie, welke tot taak zal hebben, de samenwerking te verzekeren tussen de in de Commissie vertegenwoordigde Regeringen ten aanzien van aangelegenheden welke betrekking hebben op de Internationale Opsporingsdienst, en voor de werkzaamheden van de Internationale Opsporingsdienst richtlijnen te verstrekken ten aanzien waarvan overeenstemming is bereikt met het Internationale Comité van het Rode Kruis;
VERLANGENDE dat de toekomstige werkzaamheden van de Internationale Opsporingsdienst zodanig zullen worden verricht, dat de gegevens vervat in de archieven van de Internationale Opsporingsdienst, zoals dat in het verleden het geval was, ter beschikking zullen staan van de belanghebbende personen, organisaties en autoriteiten, zulks voor humanitaire doeleinden;
ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:
Voor inwerkingtreding zie ook Trb. 1956/1, Trb. 1961/111 en Trb. 1970/33.
Artikel 1
Onder voorbehoud van de met eenparigheid van stemmen verkregen goedkeuring van de leden van de Internationale Commissie, benoemt het Internationale Comité van het Rode Kruis een Zwitsers staatsburger tot directeur van de Internationale Opsporingsdienst en stelt, in overleg met de Internationale Commissie, de voorwaarden van zijn aanstelling vast. Deze Directeur, die bezoldigd wordt door het Internationale Comité van het Rode Kruis, treedt zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst in functie.
Artikel 2
De Directeur is tegenover het Internationale Comité van het Rode Kruis verantwoording verschuldigd voor de leiding en het beheer van de Internationale Opsporingsdienst en handelt volgens de voorschriften van het Internationale Comité van het Rode Kruis. Deze voorschriften moeten in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst en met de tussen de Internationale Commissie en het Internationale Comité van het Rode Kruis overeengekomen richtlijnen.
Artikel 3
Elk lid van de Internationale Commissie en elke verbindingsambtenaar benoemd door een van de in de Internationale Commissie vertegenwoordigde Regeringen, alsmede de vertegenwoordiger van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen of iedere andere instelling van de Verenigde Naties, die hem opvolgt in de uitoefening van zijn taak tot internationale bescherming der vluchtelingen en de door hem benoemde verbindingspersoon zijn gerechtigd tot inzage van alle archieven en documenten onder de berusting van de Internationale Opsporingsdienst in overeenstemming met de Directeur van de Internationale Opsporingsdienst en volgens de bepalingen van het navolgende artikel 5.
Artikel 4
De tekst van de vertaling is niet beschikbaar.
Artikel 5
De Internationale Opsporingsdienst, de leden van de Internationale Commissie en de verbindingsambtenaren nemen alle daarvoor in aanmerking komende maatregelen om te voorkomen, dat omtrent een persoon of personen inlichtingen worden verstrekt, welke schadelijk zouden kunnen zijn voor de belangen van de betrokken persoon of personen of hun familie.
Artikel 6
De tekst van de vertaling is niet beschikbaar.
Artikel 7
De Directeur kan te allen tijde een lid van de Internationale Commissie verzoeken, zijn Regering te benaderen ten einde de originelen of kopieën van documenten waarvan de originelen of kopieën bij de Internationale Opsporingsdienst berusten of te eniger tijd hebben berust, en welke door of vanwege bedoelde Regering worden bewaard, voor de Internationale Opsporingsdienst toegankelijk te maken.
Artikel 8
Vervallen
Artikel 9
De tekst van de vertaling is niet beschikbaar.
EN FOI DE QUOI, les plénipotentiaires ont revêtu le présent Accord de leurs signatures et de leurs sceaux.
FAIT à Bonn le six Juin 1955, en langues française, allemande et anglaise, les trois textes faisant également foi, en un seul exemplaire qui sera déposé dans les archives du Gouvernement de la République Fédérale d'Allemagne. Le Gouvernement de la République Fédérale d'Allemagne transmettra une copie certifiée conforme à chacun des autres Gouvernements signataires, des Gouvernements tiers au moment de l'acceptation par ceux-ci de la qualité de membre de la Commission Internationale, ainsi qu'au Secrétaire Général des Nations-Unies pour enregistrement, conformément à l'Article 102 de la Charte des Nations-Unies, et au Secrétaire Général de l'Union de l'Europe Occidentale.
Artikel 1
Vervallen
Artikel 2
Vervallen
Artikel 3
Vervallen
Artikel 4
Vervallen
Artikel 5
Vervallen
Artikel 6
Vervallen
Artikel 7
Vervallen
Artikel 8
Vervallen
Artikel 9
Vervallen
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.