← Geldende tekst · Geschiedenis

Statuut van de Internationale Organisatie voor Migratie

Geldende tekst a fecha 1989-11-14

Preambule

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

In herinnering brengend

de Resolutie die op 5 december 1951 door de Migratieconferentie te Brussel werd aangenomen,

Erkennend

dat het vaak noodzakelijk is op internationaal niveau migratiediensten te verlenen, ten einde het ordelijke verloop van migratiebewegingen in de wereld te verzekeren en de vestiging en integratie van migranten in het economische en sociale bestel van het ontvangende land onder zo gunstig mogelijke omstandigheden te vergemakkelijken,

dat soortgelijke migratiediensten ook noodzakelijk kunnen zijn voor tijdelijke migratie, remigratie en migratie binnen de regio,

dat internationale migratie tevens omvat migratie van vluchtelingen, ontheemden en andere personen die gedwongen zijn hun land te verlaten en die behoefte hebben aan internationale migratiediensten,

dat het nodig is, de samenwerking van Staten en internationale organisaties te bevorderen met het oog op de vergemakkelijking van de migratie van personen die naar landen wensen te migreren waar zij door middel van eigen arbeid in hun onderhoud kunnen voorzien en in waardigheid en zelfrespect met hun gezinnen kunnen leven,

dat migratie een stimulans kan zijn voor het scheppen van nieuwe economische mogelijkheden in ontvangende landen en dat er verband bestaat tussen migratie en de economische, sociale en culturele omstandigheden in ontwikkelingslanden,

dat bij de samenwerking en bij andere internationale activiteiten ten behoeve van migratie rekening dient te worden gehouden met de behoeften van ontwikkelingslanden,

dat het nodig is, de samenwerking van Staten en gouvernementele en niet-gouvernementele internationale organisaties te bevorderen ten behoeve van het onderzoek naar en het overleg omtrent migratiekwesties, niet alleen met betrekking tot het migratieproces, maar ook met betrekking tot de specifieke situatie en behoeften van de migrant als individueel menselijk wezen,

dat het vervoer van migranten zoveel mogelijk dient plaats te vinden met normale vervoerdiensten, maar dat er soms extra of andere voorzieningen nodig zijn,

dat er omtrent migratie- en vluchtelingenzaken nauwe samenwerking en coördinatie dient te zijn tussen Staten en gouvernementele en niet-gouvernementele internationale organisaties,

dat internationale financiering van activiteiten betreffende internationale migratie nodig is,

Richten hierbij op de Internationale Organisatie voor Migratie, hierna te noemen: de Organisatie, en

Aanvaarden dit Statuut.

HOOFDSTUK I. DOELEINDEN EN FUNCTIES

Artikel 1
1.

De doeleinden en functies van de Organisatie zijn:

2.

Bij de uitoefening van haar functies werkt de Organisatie nauw samen met gouvernementele en niet-gouvernementele internationale organisaties die zich bezig houden met migratie, vluchtelingen en de ontwikkeling van het menselijk potentieel, ten einde onder meer de coördinatie van internationale activiteiten op deze terreinen te vergemakkelijken. Deze samenwerking geschiedt met wederzijdse eerbiediging van de bevoegdheden van de betrokken organisaties.

3.

De Organisatie erkent dat de normen van toelating en het aantal toe te laten immigranten kwesties zijn die vallen onder de uitsluitende bevoegdheid van de Staten. Bij de uitoefening van haar functies houdt de Organisatie zich aan de wetten en voorschriften en het beleid van de betrokken Staten.

HOOFDSTUK II. LIDMAATSCHAP

Artikel 2

Leden van de Organisatie zijn:

Artikel 3

Een Lidstaat kan mededeling doen dat hij zich uit de Organisatie terugtrekt met ingang van het einde van het boekjaar. Een dergelijke mededeling dient schriftelijk te geschieden en dient de Directeur-Generaal van de Organisatie minstens vier maanden vóór het einde van het boekjaar te hebben bereikt. De financiële verplichtingen ten aanzien van de Organisatie omvatten voor een Lidstaat die mededeling van opzegging heeft gedaan, het gehele boekjaar waarin deze mededeling werd gedaan.

Artikel 4
1.

Indien een Lidstaat gedurende twee opeenvolgende boekjaren niet aan zijn financiële verplichtingen tegenover de Organisatie voldoet, kan de Raad door een met een tweederde meerderheid van stemmen te nemen beslissing het stemrecht en alle of een deel van de diensten waarop deze Lidstaat recht heeft, opschorten. De Raad is bevoegd dit stemrecht en de verlening van deze diensten te herstellen door een met eenvoudige meerderheid van stemmen te nemen beslissing.

2.

Een Lidstaat kan als lid worden geschorst door een met een tweederde meerderheid van stemmen te nemen beslissing van de Raad, indien hij bij voortduring inbreuk maakt op de beginselen van dit Statuut. De Raad is bevoegd het lidmaatschap te herstellen door een met eenvoudige meerderheid van stemmen te nemen beslissing.

HOOFDSTUK III. ORGANEN

Artikel 5

Als organen van de Organisatie worden ingesteld:

HOOFDSTUK IV. DE RAAD

Artikel 6

De functies van de Raad, naast die welke in andere bepalingen van dit Statuut worden genoemd, zijn:

Artikel 7
1.

De Raad bestaat uit vertegenwoordigers van de Lidstaten.

2.

Elke Lidstaat heeft één vertegenwoordiger en zoveel plaatsvervangers en adviseurs als hij nodig oordeelt.

3.

Elke Lidstaat heeft één stem in de Raad.

Artikel 8

De Raad kan, op hun verzoek, niet-Lidstaten en gouvernementele of niet-gouvernementele internationale organisaties die zich bezighouden met migratie, vluchtelingen of de ontwikkeling van het menselijk potentieel, als waarnemers toelaten tot zijn vergaderingen op de in zijn huishoudelijk reglement eventueel voor te schrijven voorwaarden. Deze waarnemers hebben geen stemrecht.

Artikel 9
1.

De Raad komt eenmaal per jaar in gewone zitting bijeen.

2.

De Raad komt in buitengewone zitting bijeen op verzoek van:

3.

De Raad kiest aan het begin van iedere gewone zitting een Voorzitter en andere functionarissen voor een ambtstermijn van één jaar.

Artikel 10

De Raad kan die subcommissies instellen die voor een juiste uitoefening van zijn functies noodzakelijk zijn.

Artikel 11

De Raad stelt zijn eigen huishoudelijk reglement vast.

HOOFDSTUK V. HET UITVOEREND COMITÉ

Artikel 12

De functies van het Uitvoerend Comité zijn:

Artikel 13
1.

Het Uitvoerend Comité bestaat uit vertegenwoordigers van negen Lidstaten. Dit aantal kan door een met een tweederde meerderheid van stemmen te nemen beslissing van de Raad worden verhoogd, mits het niet groter wordt dan een derde van het totale aantal leden van de Organisatie.

2.

Deze Lidstaten worden door de Raad voor twee jaar gekozen en zijn herkiesbaar.

3.

Elk lid van het Uitvoerend Comité heeft één vertegenwoordiger en zoveel plaatsvervangers en adviseurs als het nodig oordeelt.

4.

Elk lid van het Uitvoerend Comité heeft één stem.

Artikel 14
1.

Het Uitvoerend Comité komt ten minste éénmaal per jaar bijeen.

Indien nodig komt het bijeen voor de uitvoering van zijn functies op verzoek van:

2.

Het Uitvoerend Comité kiest uit zijn leden een Voorzitter en een Vice-Voorzitter voor een ambtstermijn van één jaar.

Artikel 15

Onder voorbehoud van toetsing door de Raad kan het Uitvoerend Comité de subcommissies instellen die voor een juiste uitoefening van zijn functies noodzakelijk zijn.

Artikel 16

Het Uitvoerend Comité stelt zijn eigen huishoudelijk reglement vast.

HOOFDSTUK VI. ADMINISTRATIE

Artikel 17

De Administratie bestaat uit een Directeur-Generaal, een Plaatsvervangend Directeur-Generaal en uit door de Raad vast te stellen personeel.

Artikel 18
1.

De Directeur-Generaal en de Plaatsvervangend Directeur-Generaal worden gekozen door de Raad met een tweederde meerderheid van stemmen en zijn herkiesbaar. Hun ambtstermijn is gewoonlijk vijf jaar, maar kan in uitzonderlijke gevallen korter zijn, als de Raad zulks met een tweederde meerderheid van stemmen beslist. Zij verrichten hun werkzaamheden op grond van door de raad goedgekeurde contracten, die namens de Organisatie worden ondertekend door de Voorzitter van de Raad.

2.

De Directeur-Generaal is verantwoording verschuldigd aan de Raad en het Uitvoerend Comité. De Directeur-Generaal oefent de administratieve en bestuurlijke functies van de Organisatie uit in overeenstemming met dit Statuut en met het beleid en de beslissingen van de Raad en het Uitvoerend Comité en de door deze vastgestelde regels en voorschriften. De Directeur-Generaal formuleert voorstellen met het oog op door de Raad te nemen maatregelen.

Artikel 19

De Directeur-Generaal benoemt het personeel van de Administratie in overeenstemming met de personeelsvoorschriften die door de Raad zijn aangenomen.

Artikel 20
1.

Bij de vervulling van hun taak vragen de Directeur-Generaal, de Plaatsvervangend Directeur-Generaal en het personeel geen instructies aan, noch ontvangen zij instructies van enige Staat of van enige autoriteit buiten de Organisatie. Zij onthouden zich van elke handeling die hun positie als internationale functionarissen nadelig zou kunnen beïnvloeden.

2.

Elke Lidstaat verbindt zich, de uitsluitend internationale aard van de functies van de Directeur-Generaal, de Plaatsvervangend Directeur-Generaal en het personeel te eerbiedigen en niet te trachten hen bij de uitoefening van hun functies te beïnvloeden.

3.

Geschiktheid, bekwaamheid en onkreukbaarheid zijn de noodzakelijke maatstaven bij het aannemen en het in dienst hebben van het personeel dat, behalve in bijzondere omstandigheden, wordt aangeworven uit onderdanen van Lidstaten van de Organisatie, met inachtneming van het beginsel van een billijke geografische verdeling.

Artikel 21

De Directeur-Generaal is aanwezig, of wordt vertegenwoordigd door de Plaatsvervangend Directeur-Generaal of door een andere aangewezen functionaris, bij alle zittingen van de Raad, van het Uitvoerend Comité en van alle subcommissies. De Directeur-Generaal of de aangewezen vertegenwoordiger kan aan de besprekingen deelnemen, maar heeft geen stemrecht.

Artikel 22

Tijdens de gewone zitting van de Raad na het einde van elk boekjaar brengt de Directeur-Generaal, door bemiddeling van het Uitvoerend Comité, verslag uit aan de Raad over het werk van de Organisatie, waarbij een volledig overzicht van haar activiteiten gedurende het afgelopen jaar wordt gegeven.

HOOFDSTUK VII. ZETEL

Artikel 23
1.

De Organisatie is gevestigd te Genève. De Raad kan met een tweederde meerderheid van stemmen besluiten de zetel elders te vestigen.

2.

De bijeenkomsten van de Raad en van het Uitvoerend Comité worden gehouden in Genève, tenzij tweederde van de leden van de Raad, onderscheidenlijk van het Uitvoerend Comité, ermede heeft ingestemd elders bijeen te komen.

HOOFDSTUK VIII. FINANCIËN

Artikel 24

De Directeur-Generaal legt, door bemiddeling van het Uitvoerend Comité, aan de Raad een jaarlijkse begroting voor, die de kosten van administratie en de werkzaamheden en de verwachte inkomsten van de Organisatie omvat, alsmede aanvullende voorzieningen indien deze nodig mochten zijn, en de jaarrekeningen of bijzondere rekeningen van de Organisatie.

Artikel 25
1.

De behoeften van de Organisatie worden als volgt gefinancierd:

2.

De Lidstaten dragen voor het administratieve deel van de begroting van de Organisatie bij in een omvang die wordt overeengekomen tussen de Raad en de betrokken Lidstaat.

3.

De bijdragen in de kosten van de werkzaamheden van de Organisatie zijn vrijwillig en ieder die bijdraagt voor het deel van de begroting dat betrekking heeft op de werkzaamheden, kan met de Organisatie de voorwaarden overeenkomen, verenigbaar met de doeleinden en functies van de Organisatie, waaronder zijn of haar bijdragen kunnen worden gebruikt.

5.

De raad ziet er op toe dat het beheer op een doeltreffende en economisch verantwoorde wijze wordt gevoerd.

Artikel 26

Het financieel reglement wordt vastgesteld door de Raad.

HOOFDSTUK IX. RECHTSPOSITIE

Artikel 27

De Organisatie bezit volledige rechtspersoonlijkheid. Zij bezit de wettelijke bevoegdheden die nodig zijn voor de uitoefening van haar functies en de verwezenlijking van haar doeleinden, en in het bijzonder de bevoegdheid om, in overeenstemming met de wetten van de Staat: (a) overeenkomsten te sluiten; (b) roerende en onroerende goederen te verwerven en er over te beschikken; (c) particuliere en openbare gelden te ontvangen en uit te geven; (d) in rechte op te treden.

Artikel 28
1.

De Organisatie geniet de voorrechten en immuniteiten die nodig zijn voor de uitoefening van haar functies en de verwezenlijking van haar doeleinden.

2.

De vertegenwoordigers van Lidstaten, de Directeur-Generaal, de Plaatsvervangend Directeur-Generaal en het personeel van de Administratie genieten eveneens de voorrechten en immuniteiten die nodig zijn voor de onafhankelijke uitoefening van hun functies in verband met de Organisatie.

3.

Deze voorrechten en immuniteiten worden omschreven in overeenkomsten tussen de Organisatie en de betrokken Staten of vastgesteld door middel van andere door deze Staten genomen maatregelen.

HOOFDSTUK X. DIVERSE BEPALINGEN

Artikel 29
1.

Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald in dit Statuut of in door de Raad of het Uitvoerend Comité uitgevaardigde regels, worden alle besluiten van de Raad, van het Uitvoerend Comité en van alle subcommissies met gewone meerderheid van stemmen genomen.

2.

Alle meerderheden, voorgeschreven in dit Statuut of in de door de Raad of het Uitvoerend Comité uitgevaardigde regels, hebben betrekking op het aantal aanwezige leden die hun stem uitbrengen.

3.

Een stemming is alleen geldig indien de meerderheid van de leden van de Raad, van het Uitvoerend Comité of van de betrokken subcommissies aanwezig is.

Artikel 30
1.

De teksten van voorgestelde wijzigingen van dit Statuut dienen door de Directeur-Generaal minstens drie maanden voordat zij door de Raad zullen worden besproken, aan de Regeringen van de Lidstaten te worden toegezonden.

2.

De wijzigingen worden van kracht wanneer zij door tweederde van de leden van de Raad zijn aangenomen en door tweederde van de Lidstaten zijn aanvaard in overeenstemming met hun onderscheiden constitutionele voorschriften, met dien verstande evenwel dat wijzigingen die nieuwe verplichtingen voor de leden inhouden, slechts ten aanzien van een bepaald lid van kracht worden, wanneer dit lid deze wijzigingen aanvaardt.

Artikel 31

Ieder geschil betreffende de uitlegging of toepassing van dit Statuut, dat niet door middel van onderhandelingen of door een met een tweederde meerderheid van stemmen genomen besluit van de Raad wordt geregeld, wordt overeenkomstig het Statuut van het Internationale Gerechtshof voorgelegd aan dit Hof, tenzij de betrokken Lidstaten binnen een redelijke termijn overeenstemming bereiken over een andere wijze van regeling van dit geschil.

Artikel 32

Onder voorbehoud van goedkeuring door tweederde van de leden van de Raad kan de Organisatie van iedere andere internationale organisatie of ieder ander internationaal lichaam waarvan de doeleinden en werkzaamheden binnen de doeleinden van de Organisatie liggen, de werkzaamheden, middelen en verplichtingen overnemen die in een internationale overeenkomst of in wederzijds aanvaardbare regelingen tussen de bevoegde autoriteiten van de onderscheiden organisaties worden vastgelegd.

Artikel 33

De Raad kan, met een meerderheid van stemmen van drievierde van zijn leden, besluiten de Organisatie te ontbinden.

Artikel 34

de Directeur hebben medegedeeld dat zij dit Statuut aanvaarden.

Artikel 35

*) De artikelen 34 en 35 werden tenuitvoergelegd op het tijdstip van de inwerkingtreding van het Statuut op 30 november 1954.De Regeringen die lid zijn van de Intergouvernementele Commissie voor Europese Migratie en op de datum van inwerkingtreding van dit Statuut de Directeur nog niet in kennis hebben gesteld van hun aanvaarding van dit Statuut, kunnen gedurende een tijdvak van één jaar, te rekenen van deze datum, lid blijven van de Commissie, indien zij bijdragen in de administratieve kosten van de Commissie overeenkomstig artikel 25, tweede lid, en behouden gedurende dit tijdvak het recht het Statuut te aanvaarden.

Artikel 36

De Engelse, de Franse en de Spaanse tekst van dit Statuut worden beschouwd als gelijkelijk authentiek.

De Regeringen, welke deze resolutie aanvaarden,

Overwegende

dat er in bepaalde landen van Europa een probleem bestaat tengevolge van overbevolking en de aanwezigheid van vluchtelingen, terwijl bepaalde overzeese landen gelegenheid bieden tot een systematische opname van bevolkingsoverschotten;

dat het probleem een zodanige omvang heeft dat het een ernstige hinderpaal vormt voor de economische levensvatbaarheid en samenwerking in Europa;

dat, terwijl een algemene verbetering van de economische omstandigheden en een verhoogde productie een verruiming met zich zouden brengen van de mogelijkheden voor tewerkstelling en vestiging in Europa, en door het vergemakkelijken van de migratie binnen Europa belangrijk zouden bijdragen tot de oplossing van het probleem, de verhoging van de Europese emigratie naar overzeese landen niettemin nog een noodzakelijk element blijft;

dat er een nauw verband bestaat tussen de economische ontwikkeling en de immigratie;

dat een internationale financiering van de Europese emigratie niet alleen zal bijdragen tot de oplossing van het bevolkingsprobleem in Europa, doch eveneens een stimulans zal zijn voor het scheppen van nieuwe economische mogelijkheden in landen waar gebrek aan arbeidskrachten bestaat;

dat, terwijl de technische bijstand in belangrijke mate kan bijdragen tot de oplossing van de economische problemen in de minder ontwikkelde landen, de ontwikkeling van alle bestaande of latente mogelijkheden van immigratie in deze landen eveneens een belangrijke factor vormt voor de oplossing van deze problemen;

dat de huidige omvang van de migratie onvoldoende is om te voldoen aan de behoeften van de emigratie-landen of om een volledig gebruik te kunnen maken van de door de immigratielanden geboden mogelijkheden;

dat het noodzakelijk is dat de daarvoor in aanmerking komende internationale organisaties alle migratie-werkzaamheden welke binnen hun bevoegdheid liggen, voortzetten;

dat het verschaffen van vervoersfaciliteiten voor migranten die zonder die faciliteiten niet vervoerd zouden kunnen worden, belangrijk kan bijdragen tot een verhoogde migratie;

dat, hoewel het vervoer van migranten zo veel mogelijk door de normale scheepvaart- en luchtvaartmaatschappijen dient te geschieden, samenwerking op dit gebied noodzakelijk is teneinde het vervoer van een zo groot mogelijk aantal migranten door die maatschappijen mogelijk te maken en verder te verzekeren dat de vervoersmogelijkheden welke de Internationale Vluchtelingenorganisatie thans ten dienste staan in die mate gebruikt worden, dat een groter aantal migranten vervoerd kan worden;

dat stappen ondernomen dienen te worden om vervoersgelegenheid te scheppen voor die vluchtelingen, die daarvan gebruik wensen te maken en die gelegenheid hebben om uit overbevolkte landen te emigreren; en

dat, dientengevolge, voorlopige intergouvernementele regelingen noodzakelijk zijn tussen de democratische regeringen welke deze resolutie aanvaarden of later zullen aanvaarden, teneinde personen te vervoeren, die de beginselen aanhangen welke door deze regeringen worden onderschreven, en die wensen te emigreren naar overzeese landen, waar van hun diensten gebruik kan worden gemaakt in overeenstemming met algemeen aanvaarde normen ten aanzien van arbeids- en bestaansvoorwaarden, met volledige eerbied voor de rechten van de mens;

Komen het volgende overeen: