Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland nopens het verloop van de gemeenschappelijke landgrens, de grenswateren, het grondbezit in de nabijheid van de grens, het grensoverschrijdende verkeer over land en via de binnenwateren en andere met de grens verband houdende vraagstukken, met Bijlagen en Slotprotocol (Grensverdrag)

Type Verdrag
Publication 2004-05-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland hebben overeenstemming bereikt over de volgende bepalingen:

HOOFDSTUK 1. Verloop van de grens

Artikel 1

Het verloop van de grens tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland wordt bepaald door de op 26 juni 1816 te Aken en op 7 oktober 1816 te Kleef ondertekende grensverdragen tussen het Koninkrijk Pruisen en het Koninkrijk der Nederlanden, het op 2 juli 1824 te Meppen ondertekende grensverdrag tussen het Koninkrijk Hannover en het Koninkrijk der Nederlanden en de tot uitvoering, wijziging en aanvulling van deze grensverdragen gesloten overeenkomsten, voorzover deze verdragen en overeenkomsten op 31 december 1937 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Duitse Rijk van kracht waren, en door de hiervan afwijkende regelingen van Bijlage A bij dit Verdrag.

Artikel 2

Nadat de grensbeken

zullen zijn genormaliseerd overeenkomstig de bepalingen van de §§ 2 tot en met 5 van Bijlage B bij dit Verdrag, zal de grens tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden verlopen, zoals in die bepalingen is vastgesteld. Elk van deze grenswijzigingen wordt van kracht op het tijdstip dat na de beëindiging der werkzaamheden wordt bepaald door een notawisseling tussen de Regeringen der Verdragsluitende Partijen.

Artikel 3
1.

Voor zover de in de artikelen 1 en 2 aangegeven grens afwijkt van de op 31 december 1937 bestaande Nederlands-Duitse grens, wordt haar nauwkeurig verloop ter plaatse vastgesteld door een Grenscommissie, die uit vertegenwoordigers van de Regeringen der Verdragsluitende Partijen bestaat. De kosten voor de afbakening worden door de Verdragsluitende Partijen elk voor de helft gedragen.

2.

Aan de Grenscommissie kan bovendien worden opgedragen, de afbakening van de grens, voor zover deze overeenstemt met de op 31 december 1937 bestaande Nederlands-Duitse grens, te onderzoeken, en, waar nodig, te vernieuwen, alsmede de gehele grens opnieuw op te meten en in een kaartwerk vast te leggen. Voor zover zich tengevolge van het bestaande grens verloop ernstig ongerief voordoet, kan de Grenscommissie voorstellen doen tot grenscorrecties van ondergeschikt belang.

HOOFDSTUK 2. Vraagstukken die verband houden met de overgang van grensgebieden

Artikel 4

Het Koninkrijk der Nederlanden doet afstand van de aan het Koninkrijk na de tweede wereldoorlog overgedragen rechten met betrekking tot de op 31 december 1937 tot het Duitse Rijk behorende gebieden waarin het Koninkrijk zulke rechten heeft doen gelden en die krachtens artikel 1 tot de Bondsrepubliek Duitsland behoren.

Artikel 5

Het Koninkrijk der Nederlanden doet afstand van zijn rechten met betrekking tot de gebieden die op 31 december 1937 tot het Koninkrijk der Nederlanden behoorden en die krachtens artikel 1 tot de Bondsrepubliek Duitsland behoren.

Artikel 6

De Bondsrepubliek Duitsland doet afstand van haar rechten met betrekking tot de gebieden die op 31 december 1937 tot het Duitse Rijk behoorden en die krachtens artikel 1 tot het Koninkrijk der Nederlanden behoren.

Artikel 7
1.

Het openbare vermogen met alle rechten, lasten en verplichtingen in de gebieden bedoeld in de artikelen 4 en 5 behoort toe aan de Bondsrepubliek Duitsland of aan de daarvoor in aanmerking komende publiekrechtelijke rechtspersonen in de Bondsrepubliek Duitsland.

2.

Het openbare vermogen met alle rechten, lasten en verplichtingen in de gebieden bedoeld in artikel 6 behoort toe aan het Koninkrijk der Nederlanden of aan de daarvoor in aanmerking komende publiekrechtelijke rechtspersonen in het Koninkrijk.

Artikel 8
1.

De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen regelen, voor zover mogelijk binnen zes maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag, in onderlinge overeenstemming de bestuursvraagstukken die verband houden met de overgang van de in de artikelen 4 tot en met 6 bedoelde gebieden, zoals de overdracht van akten, documenten en archieven.

2.

Voor zover de overdracht van registers van de burgerlijke stand, hypotheekregisters, akten van het kadaster of daarbij behorende bescheiden niet mogelijk is, worden gewaarmerkte afschriften verstrekt.

Artikel 9
1.

Aan Nederlanders die op 30 juni 1959 hun woonplaats of gewone verblijfplaats in de in artikel 4 bedoelde gebieden hadden, wordt kosteloos vergunning verleend voor een verblijf van onbepaalde duur in de Bondsrepubliek Duitsland.

2.

Aan Duitsers die hun woonplaats of gewone verblijfplaats op 23 februari 1948 en op 23 april 1949 in de in artikel 4 bedoelde gebieden en op 30 juni 1959 in Nederland hadden, wordt kosteloos vergunning verleend voor een verblijf van onbepaalde duur in Nederland.

3.

Indien de in de leden 1 en 2 bedoelde Nederlanders of Duitsers binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag hun woonplaats naar Nederland, onderscheidenlijk naar de Bondsrepubliek Duitsland, verplaatsen, zijn zij gerechtigd hierbij hun roerende vermogensbestanddelen alsmede de opbrengst van vervreemde onroerende vermogensbestanddelen vrij van in- en uitvoerverboden en -beperkingen en vrij van in- en uitvoerrechten en andere heffingen naar Nederland, onderscheidenlijk de Bondsrepubliek Duitsland, over te brengen. Voor zover zij deze onroerende vermogensbestanddelen niet vervreemden, blijven zij gerechtigd de vruchten daarvan, zoals oogsten, pachtsommen en huurpenningen, vrij van in- en uitvoerverboden en -beperkingen naar Nederland, onderscheidenlijk de Bondsrepubliek Duitsland, over te brengen.

Artikel 10
1.

Nederlanders die op 30 juni 1959 hun woonplaats of gewone verblijfplaats in de in artikel 4 bedoelde gebieden hadden en aldaar op dat tijdstip zelfstandig of onzelfstandig werkzaamheden uitoefenden, welke zij bij de inwerkingtreding van dit Verdrag nog uitoefenen, zijn gerechtigd hun beroeps- of bedrijfsuitoefening in deze gebieden voort te zetten en ontvangen de hiervoor eventueel vereiste vergunningen. Deze beroeps- of bedrijfsuitoefening is onderworpen aan de in de Bondsrepubliek Duitsland geldende wettelijke voorschriften.

2.

Duitsers die hun woonplaats of gewone verblijfplaats op 23 februari 1948 en op 23 april 1949 in de in artikel 4 bedoelde gebieden en op 30 juni 1959 in Nederland hadden en aldaar op dat tijdstip zelfstandig of onzelfstandig werkzaamheden uitoefenden, welke zij bij de inwerkingtreding van dit Verdrag nog uitoefenen, zijn gerechtigd hun beroeps- of bedrijfsuitoefening in Nederland voort te zetten en ontvangen de hiervoor eventueel vereiste vergunningen. Deze beroeps- of bedrijfsuitoefening is onderworpen aan de in Nederland geldende wettelijke voorschriften.

3.

Voor zover de in lid 1 bedoelde personen zelfstandig werkzaamheden uitoefenen, mogen zij gedurende tien jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag grondstoffen en halffabrikaten vrij van invoerverboden en -beperkingen en vrij van invoerrechten en andere heffingen over de Nederlands-Duitse grens invoeren, indien de daaruit vervaardigde produkten over de Nederlands-Duitse grens worden uitgevoerd. Deze faciliteit geldt voor grondstoffen en halffabrikaten van dezelfde soort als vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag werden betrokken, en voor een jaarlijkse hoeveelheid van ten hoogste 120% van het gemiddelde van de hoeveelheden die in de laatste drie jaren vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag werden betrokken. Op de naleving van de voorwaarden voor de vrijstelling wordt door de douane toezicht uitgeoefend in overeenstemming met de Duitse douanevoorschriften met betrekking tot het veredelingsverkeer. De uitvoer van de produkten over de Nederlands-Duitse grens is gedurende tien jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag vrijgesteld van uitvoerrechten of andere heffingen. Bij de berekening van de vergoeding van omzetbelasting wegens uitvoer wordt rekening gehouden met het feit, dat de grondstoffen en halffabrikaten vrij van rechten en heffingen zijn ingevoerd. Het bovenstaande sluit niet de mogelijkheid uit, dat verdergaande vrijstellingen of vrijstellingen voor andere grondstoffen en halffabrikaten worden verleend, indien die vrijstellingen toelaatbaar zijn volgens de Duitse douanevoorschriften met betrekking tot het veredelingsverkeer.

4.

De in de leden 1 tot en met 3 vervatte regeling vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van vennootschappen die op 30 juni 1959 hun zetel in de bedoelde gebieden hadden, alsmede voor aldaar gevestigde filialen en vaste inrichtingen. Onder vennootschappen worden verstaan maatschappen naar burgerlijk of handelsrecht, de coöperatieve verenigingen of vennootschappen daaronder begrepen, en de overige rechtspersonen naar publiek- of privaatrecht, met uitzondering van vennootschappen welke geen winst beogen.

Artikel 11
1.

Duitsers die hun woonplaats op 30 juni 1959 in de in artikel 6 bedoelde gebieden hadden en bij de inwerkingtreding van dit Verdrag daar nog hebben, kunnen binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag op de voet van lid 2 opteren voor de Nederlandse nationaliteit, mits zij op het tijdstip van de optie tenminste achttien jaar oud zijn en hun woonplaats in het Koninkrijk der Nederlanden hebben.

2.

De optie geschiedt door een verklaring ten overstaan van de bevoegde Nederlandse autoriteiten. Zij heeft verkrijging van de Nederlandse nationaliteit tot gevolg op het tijdstip van het afleggen van de verklaring. De verkrijging van de Nederlandse nationaliteit strekt zich uit tot:

3.

Wie ingevolge lid 2 de Nederlandse nationaliteit verkrijgt, is uit dien hoofde geen Duitser meer. Voor het wettige kind van een optant, dat naar Duits recht mede onder de ouderlijke macht van de moeder staat, geldt dit echter alleen, indien de moeder daartoe haar toestemming heeft gegeven. Indien de toestemming van de moeder ontbreekt, kan de Nederlandse Minister van Justitie aan de optieverklaring van de vader hetzij gevolg ten aanzien van de kinderen hetzij ieder gevolg ontzeggen.

4.

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden deelt aan de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland de namen en de personalia mede van hen die tengevolge van optie de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen.

5.

Duitsers die hun woonplaats op 30 juni 1959 in de in artikel 6 bedoelde gebieden hadden en bij de inwerkingtreding van dit Verdrag daar nog hebben, genieten de in artikel 9, lid 2, en artikel 10, lid 2, genoemde rechten. Wanneer zij, zonder de Nederlandse nationaliteit te hebben verkregen, binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag hun woonplaats overbrengen naar de Bondsrepubliek Duitsland, worden de bepalingen van artikel 9, lid 3, overeenkomstig toegepast.

Artikel 12
1.

Op Nederlanders die op 30 juni 1959 in de in artikel 4 bedoelde gebieden zelfstandig of onzelfstandig werkzaamheden uitoefenden, welke zij bij de inwerkingtreding van dit Verdrag nog uitoefenen, doch die in Nederland gevestigd zijn, zullen de Duitse wettelijke en administratieve voorschriften met betrekking tot de grensoverschrijding, het vreemdelingentoezicht en de zelfstandige of onzelfstandige uitoefening van werkzaamheden zo worden toegepast, dat deze voorschriften hen niet belemmeren in de uitoefening van hun beroep of hun bedrijf, tenzij redenen van volksgezondheid of van openbare veiligheid, orde of zedelijkheid zich daartegen verzetten.

2.

Op Duitsers die op 30 juni 1959 in Nederland zelfstandig of onzelfstandig werkzaamheden uitoefenden, welke zij bij de inwerkingtreding van dit Verdrag nog uitoefenen, doch die in de in artikel 4 bedoelde gebieden gevestigd zijn, zullen de Nederlandse wettelijke en administratieve voorschriften met betrekking tot de grensoverschrijding, het vreemdelingentoezicht en de zelfstandige of onzelfstandige uitoefening van werkzaamheden zo worden toegepast, dat deze voorschriften hen niet belemmeren in de uitoefening van hun beroep of hun bedrijf, tenzij redenen van volksgezondheid of van openbare veiligheid, orde of zedelijkheid zich daartegen verzetten.

Artikel 13

De rechten die Nederlanders en Nederlandse vennootschappen met woonplaats, gewone verblijfplaats of zetel in Nederland op 30 juni 1959 in de in artikel 4 bedoelde gebieden met betrekking tot het winnen van klei, zand of grint bezaten, worden niet aangetast. Gewonnen klei, zand en grint mag vrij van uit- en invoerverboden en -beperkingen en vrij van uit- en invoerrechten en andere heffingen naar Nederland worden uitgevoerd. De voor de winning benodigde werktuigen en de middelen van vervoer mogen vrij van in- en uitvoerverboden en -beperkingen en vrij van in- en uitvoerrechten en andere heffingen uit Nederland naar de in artikel 4 bedoelde gebieden worden overgebracht en weer naar Nederland worden uitgevoerd. Voor deze uitvoer van klei, zand, grint, werktuigen en middelen van vervoer verleent de Bondsrepubliek Duitsland geen vergoeding van omzetbelasting wegens uitvoer.

Artikel 14

In Nederland gevestigde ondernemingen tot vervoer van personen, welke op 30 juni 1959 voor de in artikel 4 bedoelde gebieden vergunningen bezaten, ontvangen vergunningen naar Duits recht. Deze worden zo geformuleerd, dat de ondernemingen de op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit Verdrag door hen verzorgde lijndiensten en andere vervoersdiensten in die omvang en tenminste voor die duur kunnen voortzetten, als was voorzien in hun vroegere Nederlandse vergunningen. Door Nederlandse autoriteiten aan Duitse ondernemingen opgelegde verboden tot het opnemen of afzetten van personen behoeven in de in artikel 4 bedoelde gebieden niet te worden gehandhaafd.

Artikel 15
1.

In Nederland gevestigde verzekeringsondernemingen mogen de verzekeringswerkzaamheden welke zij bij de inwerkingtreding van dit Verdrag uitoefenen in de in artikel 4 bedoelde gebieden met betrekking tot aldaar gevestigde personen en aldaar gelegen risico's, ook verder uitoefenen, met uitzondering van de aansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen.

2.

De tot dekking van de verplichtingen vereiste waarden moeten in de voorgeschreven omvang volgens de beginselen neergelegd in het Duitse verzekeringsrecht in de Bondsrepubliek Duitsland aanwezig zijn.

3.

De verzekeringsondernemingen dienen een verantwoordelijke vertegenwoordiger te benoemen, die in de Bondsrepubliek Duitsland woonachtig is en die mede aansprakelijk is voor de nakoming van de uit lid 2 voortvloeiende verplichtingen.

Artikel 16

Personen die bij de inwerkingtreding van dit Verdrag in de in artikel 4 bedoelde gebieden krachtens arbeidsovereenkomst werkzaam zijn in dienst van de Nederlandse overheid of van de N.V. Nederlandsche Spoorwegen, zullen door de Duitse overheid in dienst worden genomen. Hetzelfde geldt voor ambtenaren die de Duitse nationaliteit bezitten.

Artikel 17
1.

Nederlandse natuurlijke en rechtspersonen die op 21 juni 1948 in de in artikel 4 bedoelde gebieden woonachtig of gevestigd waren, zijn met betrekking tot zich buiten de Bondsrepubliek Duitsland met inbegrip van het „Land” Berlijn bevindende vermogensbestanddelen niet onderworpen aan de „Vermögensabgabe” (vermogensheffing), voorzien in het Duitse „Gesetz über den Lastenausgleich” (wet op de evenredige verdeling van lasten) van 14 augustus 1952. De vermogensbestanddelen van deze personen in de in artikel 4 bedoelde gebieden worden eveneens van de „Vermögensabgabe” vrijgesteld. Voorts zijn Nederlandse natuurlijke en rechtspersonen die op 21 juni 1948 beperkt belastingplichtig waren voor genoemde vermogensheffing, met betrekking tot vermogensbestanddelen in de in artikel 4 bedoelde gebieden niet aan de „Vermögensabgabe” onderworpen.

2.

De debiteurwinsten van Nederlandse natuurlijke en rechtspersonen met betrekking tot onroerende goederen en bedrijven die gelegen zijn in de in artikel 4 bedoelde gebieden, zijn niet onderworpen aan de „Hypothekengewinnabgabe” (heffing op hypotheekwinst) noch aan de „Kreditgewinnabgabe” (heffing op kredietwinst), voorzien in het Duitse „Gesetz über den Lastenausgleich” (wet op de evenredige verdeling van lasten) van 14 augustus 1952.

Artikel 18
1.

Bij de aanslagregeling en de inning van de belastingen, met inbegrip van opcenten, renten en kosten, en bij de invordering van door de belastingautoriteiten in verband met deze belastingen rechtsgeldig vastgestelde geldboeten, ook indien deze in de vorm van verhoging van belasting worden vastgesteld, verlenen de Verdragsluitende Partijen elkaar administratieve hulp en rechtsbijstand voor zover deze belastingen en geldboeten

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.