Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie
Zijne Majesteit de Koning der Belgen,
Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg,
Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,
Vast besloten de economische banden tussen Hunne landen nauwer aan te halen door een vrij verkeer van personen, goederen, kapitaal en diensten tot stand te brengen;
Verlangend een gecoördineerd beleid te voeren op economisch, financieel en sociaal gebied, teneinde naar gelang van de economische omstandigheden het meest bevredigende peil van de werkgelegenheid en de hoogste levensstandaard te bereiken welke verenigbaar zijn met het behoud van de monetaire stabiliteit;
Verlangend een gemeenschappelijke handelspolitiek te volgen, erop gericht, de uitwisseling van goederen en diensten met derde landen tot een zo gunstig mogelijke ontwikkeling te brengen door middel van een zo vrij mogelijk handelsverkeer;
Zich ervan bewust, dat de economische vooruitgang, welke het hoofddoel van Hun Unie vormt, moet leiden tot het bevorderen van het persoonlijk en maatschappelijk welzijn van Hunne volkeren;
Erkennende, dat ingevolge artikel 233 van het op 25 maart 1957 te Rome ondertekende Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en artikel 202 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie de bepalingen van deze Verdragen geen beletsel vormen voor het bestaan en de voltooiing ener Economische Unie tussen Hunne landen, voor zover de doelstellingen van deze Unie niet bereikt zijn door toepassing van bedoelde Verdragen;
Besloten hebbende tussen Hunne landen de Economische Unie in te stellen die werd voorzien in de op 5 september 1944 te Londen ondertekende Douaneovereenkomst, verduidelijkt en uitgelegd overeenkomstig het op 14 maart 1947 te 's-Gravenhage ondertekende Protocol;
Hebben hiertoe als Hunne Gevolmachtigden aangewezen:
Zijne Majesteit de Koning der Belgen:
Zijne Excellentie de Heer A. van Acker, Eerste Minister, en
Zijne Excellentie de Heer V. P. H. Larock, Minister van Buitenlandse Zaken;
Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg:
Zijne Excellentie de Heer J. Bech, Minister-President, Minister van Buitenlandse Zaken;
Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:
Zijne Excellentie de Heer W. Drees, Minister-President, en
Zijne Excellentie de Heer J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken;
die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, de volgende bepalingen zijn overeengekomen:
Deel 1. BEGINSELEN
Artikel 1
Vervallen
Artikel 2
Vervallen
Artikel 3
Vervallen
Artikel 4
Vervallen
Artikel 5
Vervallen
Artikel 6
Vervallen
Artikel 7
Vervallen
Artikel 8
Vervallen
Artikel 9
Vervallen
Artikel 10
Vervallen
Artikel 11
Vervallen
Artikel 12
Vervallen
Artikel 13
Vervallen
Artikel 14
Vervallen
Deel 2. INSTELLINGEN
Artikel 15
Vervallen
HOOFDSTUK 1. Van het Comité van Ministers
Artikel 16
Vervallen
Artikel 17
Vervallen
Artikel 18
Vervallen
Artikel 19
Vervallen
Artikel 20
Vervallen
Artikel 21
Vervallen
Artikel 22
Vervallen
HOOFDSTUK 2. Van de Raadgevende Interparlementaire Raad
Artikel 23
Vervallen
Artikel 24
Vervallen
HOOFDSTUK 3. Van de Raad van de Economische Unie
Artikel 25
Vervallen
Artikel 26
Vervallen
Artikel 27
Vervallen
HOOFDSTUK 4. Van de Commissies en de Bijzondere Commissies
Artikel 28
Vervallen
Artikel 29
Vervallen
Artikel 30
Vervallen
Artikel 31
Vervallen
Artikel 32
Vervallen
HOOFDSTUK 5. Van het Secretariaat-Generaal
Artikel 33
Vervallen
Artikel 34
Vervallen
Artikel 35
Vervallen
Artikel 36
Vervallen
Artikel 37
Vervallen
Artikel 38
Vervallen
Artikel 39
Vervallen
HOOFDSTUK 6. Van de Gemeenschappelijke Diensten
Artikel 40
Vervallen
HOOFDSTUK 7. Van het College van Scheidsrechters
Artikel 41
Vervallen
Artikel 42
Vervallen
Artikel 43
Vervallen
Artikel 44
Vervallen
Artikel 45
Vervallen
Artikel 46
Vervallen
Artikel 47
Vervallen
Artikel 48
Vervallen
Artikel 49
Vervallen
Artikel 50
Vervallen
Artikel 51
Vervallen
Artikel 52
Vervallen
Artikel 53
Vervallen
HOOFDSTUK 8. Van de Economische en Sociale Raad van Advies
Artikel 54
Vervallen
Deel 3. BIJZONDERE BEPALINGEN BETREFFENDE BEPAALDE ASPECTEN VAN DE ECONOMISCHE UNIE
HOOFDSTUK 1. Van de nationale behandeling, de bewegingsvrijheid en de uitoefening van economische en beroepswerkzaamheden
Artikel 55
Vervallen
Artikel 56
Vervallen
Artikel 57
Vervallen
Artikel 58
Vervallen
Artikel 59
Vervallen
Artikel 60
Vervallen
Artikel 61
Vervallen
Artikel 62
Vervallen
Artikel 63
Vervallen
HOOFDSTUK 2. Van de coördinatie van het beleid
Artikel 64
Vervallen
Artikel 65
Vervallen
Artikel 66
Vervallen
Artikel 67
Vervallen
Artikel 68
Vervallen
Artikel 69
Vervallen
Artikel 70
Vervallen
Artikel 71
Vervallen
HOOFDSTUK 3. Van de economische en financiële betrekkingen met het buitenland
Artikel 72
Vervallen
Artikel 73
Vervallen
Artikel 74
Vervallen
Artikel 75
Vervallen
Artikel 76
Vervallen
Artikel 77
Vervallen
HOOFDSTUK 4. Van de douane- en belastingaangelegenheden
Artikel 78
Vervallen
Artikel 79
Vervallen
Artikel 80
Vervallen
Artikel 81
Vervallen
Artikel 82
Vervallen
Artikel 83
Vervallen
Artikel 84
Vervallen
HOOFDSTUK 5. Van het vrije verkeer van vervoerdiensten
Artikel 85
Vervallen
Artikel 86
Vervallen
Artikel 87
Vervallen
Artikel 88
Vervallen
Artikel 89
Vervallen
HOOFDSTUK 6. Van de statistiek
Artikel 90
Vervallen
Artikel 91
Vervallen
Artikel 92
Vervallen
Deel 4. SLOTBEPALINGEN
Artikel 93
Vervallen
Artikel 94
Vervallen
Artikel 95
Vervallen
Artikel 96
Vervallen
Artikel 97
Vervallen
Artikel 98
Vervallen
Artikel 99
Vervallen
Artikel 100
Vervallen
De Hoge Verdragsluitende Partijen bij het heden ondertekende Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie, hierna genoemd „Unieverdrag”;
Erkennende, dat de omstandigheden voor wat betreft sommige bepalingen van het Unieverdrag afwijkingen van aflopende aard vereisen;
Verlangend deze afwijkingen door gezamenlijke bemoeiingen geleidelijk af te schaffen;
Hebben besloten een Overgangsovereenkomst te sluiten en zijn de volgende bepalingen overeengekomen:
HOOFDSTUK 1. Van de nationale behandeling, de bewegingsvrijheid en de uitoefening van economische en beroepswerkzaamheden
Artikel 1
Vóór 1 januari 1959 stellen de Hoge Verdragsluitende Partijen een overeenkomst op, welke de wijze van uitvoering van de artikelen 55 en 56 van het Unieverdrag bepaalt.
Artikel 2
Zolang de wetgevingen inzake de uitoefening van zelfstandige economische en beroepswerkzaamheden niet zijn geharmoniseerd en hieruit voor één of meer Hoge Verdragsluitende Partijen belangrijke moeilijkheden kunnen ontstaan, kan het Comité van Ministers gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar en in afwijking van de bepalingen van artikel 2, lid 2, onder b), van het Unieverdrag aan ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen toestaan aan de onderdanen van de andere Verdragsluitende Partijen eisen te stellen voor de uitoefening van beroepswerkzaamheden op het gebied van ambacht, kleinhandel, groothandel, industrie en dienstenverlening, welke niet voor de eigen onderdanen worden gesteld.
Indien een Hoge Verdragsluitende Partij op grond van lid 1 van dit artikel voor de onderdanen der andere Verdragsluitende Partijen zwaardere eisen stelt dan die welke zij aan haar eigen onderdanen oplegt, mogen deze eisen in geen geval zwaarder zijn dan die welke de andere Verdragsluitende Partijen aan hun onderdanen opleggen noch mogen zij zwaarder zijn dan die welke de eerstgenoemde Verdragsluitende Partij aan onderdanen van derde landen oplegt.
Artikel 3
De bepalingen van artikel 2, lid 2, onder b), van het Unieverdrag zijn gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar niet van toepassing op de visserij in de territoriale wateren.
Artikel 4
Gedurende een tijdvak van ten hoogste drie jaar kunnen, overeenkomstig regelingen welke voortvloeien uit overeenkomsten tussen de Hoge Verdragsluitende Partijen, maatregelen worden genomen, ingeval een belangrijke ongelijkheid mocht bestaan tussen de aanbestedingen gegund door de overheidsinstellingen van een Hoge Verdragsluitende Partij aan de onderdanen van een andere Verdragsluitende Partij en aanbestedingen gegund door de overheidsinstellingen van die Verdragsluitende Partij aan de onderdanen van de eerstgenoemde Verdragsluitende Partij; deze maatregelen kunnen eventueel afwijken van de bepalingen van artikel 62 van het Unieverdrag.
In het in lid 1 van dit artikel bedoelde geval doet het College van Scheidsrechters bedoeld in artikel 15 van het Unieverdrag uitsluitend ex aequo et bono uitspraak.
Artikel 5
Gedurende een tijdvak van ten hoogste drie jaar zal artikel 62 van het Unieverdrag op de aanbestedingen van de overheidsinstellingen, bedoeld in artikel 63, onder B. b), van dat Verdrag, alleen van toepassing zijn voor zover de Staat hierop daadwerkelijk invloed uitoefent.
Artikel 6
Binnen een tijdvak van ten hoogste vijf jaar stellen de Hoge Verdragsluitende Partijen de overeenkomst op bedoeld in artikel 58, lid 3, van het Unieverdrag.
Tot aan de inwerkingtreding van de in lid 1 van dit artikel bedoelde overeenkomst is artikel 58, lid 2, van het Unieverdrag niet van toepassing op het gebied van verzekeringen, spaarkassen en bouwkassen.
Artikel 7
Indien de stand van de arbeidsmarkt de tewerkstelling van werknemers in bepaalde tijdvakken, streken of beroepen niet zou toestaan, plegen de Hoge Verdragsluitende Partijen onmiddellijk overleg, teneinde in onderlinge overeenstemming de nodige tijdelijke maatregelen te treffen.
De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich, bij de toepassing van deze maatregelen zoveel mogelijk het nadeel te beperken, dat voor de belanghebbende werknemers daaruit zou kunnen ontstaan.
Het door dit artikel ingestelde regime vervalt uiterlijk na verloop van een tijdvak van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Unieverdrag; vóór de afloop van dit tijdvak kan het Comité van Ministers te allen tijde dit regime beëindigen.
Artikel 8
Tenzij het Comité van Ministers anders beslist, zijn gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar de bepalingen van artikel 2, lid 2, onder b), van het Unieverdrag niet van toepassing op werknemers die door een arbeidsovereenkomst voor schepelingen zijn gebonden.
HOOFDSTUK 2. Van het handelsverkeer tussen de grondgebieden van de Hoge Verdragsluitende Partijen
Artikel 9
De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich, binnen een tijdvak van ten hoogste vijf jaar de coördinatie tot stand te brengen van de wettelijke of uitvoerende voorschriften en de andere publiekrechtelijke voorschriften bedoeld in de artikelen 6 en 7 van het Unieverdrag, die een ongerechtvaardigde belemmering voor het vrije verkeer vormen, teneinde die belemmering weg te nemen.
Artikel 10
Onverminderd de bepalingen van de artikelen 11 tot en met 24 van deze Overeenkomst is ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen bevoegd in afwijking van artikel 3 van het Unieverdrag die beperkingen op het vrije handelsverkeer te handhaven welke op het ogenblik van de inwerkingtreding van het Unieverdrag van kracht zijn.
Het Comité van Ministers stelt de lijst van deze beperkingen vast en schaft deze geleidelijk af binnen een tijdvak van ten hoogste vijf jaar.
In elk geval kennen de Hoge Verdragsluitende Partijen elkaar het meest gunstige regime toe dat ten aanzien van derde landen van kracht is.
HOOFDSTUK 3. Van de landbouw
Artikel 11
In afwachting van de verwezenlijking van de voorwaarden voor een volledige vrijmaking van het handelsverkeer in landbouwprodukten tussen de grondgebieden van de Hoge Verdragsluitende Partijen kan ieder hunner binnen haar grondgebied maatregelen tot valorisatie treffen; deze maatregelen kunnen een beperking of een verbod van de uitvoer van de gevaloriseerde produkten inhouden. Iedere Hoge Verdragsluitende Partij kan tevens maatregelen treffen ter bescherming van haar binnenlandse markt tegenover de andere Verdragsluitende Partijen binnen de grenzen en onder de voorwaarden van de artikelen 12 tot en met 24 van deze Overeenkomst.
Artikel 12
In afwijking van de artikelen 3, 7, 10 en 11 van het Unieverdrag is ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen bevoegd heffingen of licentierechten op te leggen bij de in- en uitvoer van landbouwprodukten en voedingsmiddelen. Deze heffingen kunnen echter alleen ten aanzien van de andere Verdragsluitende Partijen worden toegepast, indien zij tevens worden toegepast ten aanzien van derde landen. De opbrengsten van zodanige heffingen of licentierechten vormen geen gemeenschappelijke inkomsten.
Artikel 13
In afwijking van de artikelen 3, 7, 10 en 11 van het Unieverdrag zijn de produkten, voorkomende op de bij deze Overeenkomst gevoegde lijst A, onderworpen aan het stelsel van minimumprijzen.
Artikel 14
De minimumprijzen worden in onderlinge overeenstemming door de Commissie voor landbouw, voedselvoorziening en visserij vastgesteld op basis van de kostprijzen, verhoogd met een passende winstmarge. Bij verschil van mening in deze Commissie omtrent een minimumprijs of zijn toepassing wordt het geschil onmiddellijk voorgelegd aan een overeenkomstig artikel 21 van het Unieverdrag ingestelde Werkgroep. De beslissing van de Werkgroep is onmiddellijk van toepassing.
Indien binnen acht dagen na de vergadering van de Werkgroep nog geen beslissing is genomen, kan de Regering van het belanghebbende invoerende land onmiddellijk die maatregelen in werking stellen welke zij onontbeerlijk acht voor de bescherming van haar belangen. In dat geval zal zij rekening houden met de noodzaak de belangen van het uitvoerende land zo min mogelijk te schaden.
De Commissie voor landbouw, voedselvoorziening en visserij stelt eventueel de kwaliteiten, typen en variëteiten vast van de produkten die aan het stelsel van minimumprijzen zijn onderworpen.
Artikel 15
Teneinde de toepassing te verzekeren van de overeenkomstig de bepalingen van artikel 14 van deze Overeenkomst vastgestelde minimumprijzen, wordt aan een permanente delegatie uit de Commissie voor landbouw, voedselvoorziening en visserij, samengesteld uit afgevaardigden van de Hoge Verdragsluitende Partijen, opgedragen de ontwikkeling der prijzen voortdurend te volgen. Wanneer deze delegatie constateert dat de geldende prijzen beneden het vastgestelde peil blijven, dan is het invoerende land zonder meer bevoegd om bij wijze van conservatoire maatregel de invoer van de betrokken produkten op te schorten, totdat de Commissie voor landbouw, voedselvoorziening en visserij - daartoe binnen drie dagen bijeenkomende - of de vergadering van de in artikel 14 van deze Overeenkomst vermelde Werkgroep een beslissing heeft genomen. Evenzo zal een eventueel door genoemde delegatie geconstateerd herstel der prijzen op het vastgestelde peil zonder meer de afschaffing van de door het invoerende land genomen maatregel met zich meebrengen.
Bij de uitoefening van haar taak zal de permanente delegatie de procedure volgen welke door de Commissie voor landbouw, voedselvoorziening en visserij wordt vastgesteld.
Artikel 16
Teneinde de krachtens artikel 14 van deze Overeenkomst vastgestelde minimumprijzen te waarborgen worden heffingen vastgesteld, welke gelijk zijn aan het verschil tussen de overeengekomen minimumprijs en de prijs franco grens. De prijs franco grens wordt vastgesteld op grond van de prijs op de binnenlandse markt vermeerderd met de werkelijke kosten.
Tenzij het Comité van Ministers anders beslist, worden deze heffingen door het uitvoerende land geheven.
Het totale bedrag van deze heffingen, welke worden gelegd op het onderling handelsverkeer tussen Nederland en de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, wordt na afloop van ieder kwartaal gelijkelijk tussen beide verdeeld.
Artikel 17
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.