Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie

Type Verdrag
Publication 2012-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg,

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

Vast besloten de economische banden tussen Hunne landen nauwer aan te halen door een vrij verkeer van personen, goederen, kapitaal en diensten tot stand te brengen;

Verlangend een gecoördineerd beleid te voeren op economisch, financieel en sociaal gebied, teneinde naar gelang van de economische omstandigheden het meest bevredigende peil van de werkgelegenheid en de hoogste levensstandaard te bereiken welke verenigbaar zijn met het behoud van de monetaire stabiliteit;

Verlangend een gemeenschappelijke handelspolitiek te volgen, erop gericht, de uitwisseling van goederen en diensten met derde landen tot een zo gunstig mogelijke ontwikkeling te brengen door middel van een zo vrij mogelijk handelsverkeer;

Zich ervan bewust, dat de economische vooruitgang, welke het hoofddoel van Hun Unie vormt, moet leiden tot het bevorderen van het persoonlijk en maatschappelijk welzijn van Hunne volkeren;

Erkennende, dat ingevolge artikel 233 van het op 25 maart 1957 te Rome ondertekende Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en artikel 202 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie de bepalingen van deze Verdragen geen beletsel vormen voor het bestaan en de voltooiing ener Economische Unie tussen Hunne landen, voor zover de doelstellingen van deze Unie niet bereikt zijn door toepassing van bedoelde Verdragen;

Besloten hebbende tussen Hunne landen de Economische Unie in te stellen die werd voorzien in de op 5 september 1944 te Londen ondertekende Douaneovereenkomst, verduidelijkt en uitgelegd overeenkomstig het op 14 maart 1947 te 's-Gravenhage ondertekende Protocol;

Hebben hiertoe als Hunne Gevolmachtigden aangewezen:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen:

Zijne Excellentie de Heer A. van Acker, Eerste Minister, en

Zijne Excellentie de Heer V. P. H. Larock, Minister van Buitenlandse Zaken;

Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg:

Zijne Excellentie de Heer J. Bech, Minister-President, Minister van Buitenlandse Zaken;

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Zijne Excellentie de Heer W. Drees, Minister-President, en

Zijne Excellentie de Heer J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken;

die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, de volgende bepalingen zijn overeengekomen:

Deel 1. BEGINSELEN

Artikel 1

Vervallen

Artikel 2

Vervallen

Artikel 3

Vervallen

Artikel 4

Vervallen

Artikel 5

Vervallen

Artikel 6

Vervallen

Artikel 7

Vervallen

Artikel 8

Vervallen

Artikel 9

Vervallen

Artikel 10

Vervallen

Artikel 11

Vervallen

Artikel 12

Vervallen

Artikel 13

Vervallen

Artikel 14

Vervallen

Deel 2. INSTELLINGEN

Artikel 15

Vervallen

HOOFDSTUK 1. Van het Comité van Ministers

Artikel 16

Vervallen

Artikel 17

Vervallen

Artikel 18

Vervallen

Artikel 19

Vervallen

Artikel 20

Vervallen

Artikel 21

Vervallen

Artikel 22

Vervallen

HOOFDSTUK 2. Van de Raadgevende Interparlementaire Raad

Artikel 23

Vervallen

Artikel 24

Vervallen

HOOFDSTUK 3. Van de Raad van de Economische Unie

Artikel 25

Vervallen

Artikel 26

Vervallen

Artikel 27

Vervallen

HOOFDSTUK 4. Van de Commissies en de Bijzondere Commissies

Artikel 28

Vervallen

Artikel 29

Vervallen

Artikel 30

Vervallen

Artikel 31

Vervallen

Artikel 32

Vervallen

HOOFDSTUK 5. Van het Secretariaat-Generaal

Artikel 33

Vervallen

Artikel 34

Vervallen

Artikel 35

Vervallen

Artikel 36

Vervallen

Artikel 37

Vervallen

Artikel 38

Vervallen

Artikel 39

Vervallen

HOOFDSTUK 6. Van de Gemeenschappelijke Diensten

Artikel 40

Vervallen

HOOFDSTUK 7. Van het College van Scheidsrechters

Artikel 41

Vervallen

Artikel 42

Vervallen

Artikel 43

Vervallen

Artikel 44

Vervallen

Artikel 45

Vervallen

Artikel 46

Vervallen

Artikel 47

Vervallen

Artikel 48

Vervallen

Artikel 49

Vervallen

Artikel 50

Vervallen

Artikel 51

Vervallen

Artikel 52

Vervallen

Artikel 53

Vervallen

HOOFDSTUK 8. Van de Economische en Sociale Raad van Advies

Artikel 54

Vervallen

Deel 3. BIJZONDERE BEPALINGEN BETREFFENDE BEPAALDE ASPECTEN VAN DE ECONOMISCHE UNIE

HOOFDSTUK 1. Van de nationale behandeling, de bewegingsvrijheid en de uitoefening van economische en beroepswerkzaamheden

Artikel 55

Vervallen

Artikel 56

Vervallen

Artikel 57

Vervallen

Artikel 58

Vervallen

Artikel 59

Vervallen

Artikel 60

Vervallen

Artikel 61

Vervallen

Artikel 62

Vervallen

Artikel 63

Vervallen

HOOFDSTUK 2. Van de coördinatie van het beleid

Artikel 64

Vervallen

Artikel 65

Vervallen

Artikel 66

Vervallen

Artikel 67

Vervallen

Artikel 68

Vervallen

Artikel 69

Vervallen

Artikel 70

Vervallen

Artikel 71

Vervallen

HOOFDSTUK 3. Van de economische en financiële betrekkingen met het buitenland

Artikel 72

Vervallen

Artikel 73

Vervallen

Artikel 74

Vervallen

Artikel 75

Vervallen

Artikel 76

Vervallen

Artikel 77

Vervallen

HOOFDSTUK 4. Van de douane- en belastingaangelegenheden

Artikel 78

Vervallen

Artikel 79

Vervallen

Artikel 80

Vervallen

Artikel 81

Vervallen

Artikel 82

Vervallen

Artikel 83

Vervallen

Artikel 84

Vervallen

HOOFDSTUK 5. Van het vrije verkeer van vervoerdiensten

Artikel 85

Vervallen

Artikel 86

Vervallen

Artikel 87

Vervallen

Artikel 88

Vervallen

Artikel 89

Vervallen

HOOFDSTUK 6. Van de statistiek

Artikel 90

Vervallen

Artikel 91

Vervallen

Artikel 92

Vervallen

Deel 4. SLOTBEPALINGEN

Artikel 93

Vervallen

Artikel 94

Vervallen

Artikel 95

Vervallen

Artikel 96

Vervallen

Artikel 97

Vervallen

Artikel 98

Vervallen

Artikel 99

Vervallen

Artikel 100

Vervallen

De Hoge Verdragsluitende Partijen bij het heden ondertekende Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie, hierna genoemd „Unieverdrag”;

Erkennende, dat de omstandigheden voor wat betreft sommige bepalingen van het Unieverdrag afwijkingen van aflopende aard vereisen;

Verlangend deze afwijkingen door gezamenlijke bemoeiingen geleidelijk af te schaffen;

Hebben besloten een Overgangsovereenkomst te sluiten en zijn de volgende bepalingen overeengekomen:

HOOFDSTUK 1. Van de nationale behandeling, de bewegingsvrijheid en de uitoefening van economische en beroepswerkzaamheden

Artikel 1

Vóór 1 januari 1959 stellen de Hoge Verdragsluitende Partijen een overeenkomst op, welke de wijze van uitvoering van de artikelen 55 en 56 van het Unieverdrag bepaalt.

Artikel 2
1.

Zolang de wetgevingen inzake de uitoefening van zelfstandige economische en beroepswerkzaamheden niet zijn geharmoniseerd en hieruit voor één of meer Hoge Verdragsluitende Partijen belangrijke moeilijkheden kunnen ontstaan, kan het Comité van Ministers gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar en in afwijking van de bepalingen van artikel 2, lid 2, onder b), van het Unieverdrag aan ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen toestaan aan de onderdanen van de andere Verdragsluitende Partijen eisen te stellen voor de uitoefening van beroepswerkzaamheden op het gebied van ambacht, kleinhandel, groothandel, industrie en dienstenverlening, welke niet voor de eigen onderdanen worden gesteld.

2.

Indien een Hoge Verdragsluitende Partij op grond van lid 1 van dit artikel voor de onderdanen der andere Verdragsluitende Partijen zwaardere eisen stelt dan die welke zij aan haar eigen onderdanen oplegt, mogen deze eisen in geen geval zwaarder zijn dan die welke de andere Verdragsluitende Partijen aan hun onderdanen opleggen noch mogen zij zwaarder zijn dan die welke de eerstgenoemde Verdragsluitende Partij aan onderdanen van derde landen oplegt.

Artikel 3

De bepalingen van artikel 2, lid 2, onder b), van het Unieverdrag zijn gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar niet van toepassing op de visserij in de territoriale wateren.

Artikel 4
1.

Gedurende een tijdvak van ten hoogste drie jaar kunnen, overeenkomstig regelingen welke voortvloeien uit overeenkomsten tussen de Hoge Verdragsluitende Partijen, maatregelen worden genomen, ingeval een belangrijke ongelijkheid mocht bestaan tussen de aanbestedingen gegund door de overheidsinstellingen van een Hoge Verdragsluitende Partij aan de onderdanen van een andere Verdragsluitende Partij en aanbestedingen gegund door de overheidsinstellingen van die Verdragsluitende Partij aan de onderdanen van de eerstgenoemde Verdragsluitende Partij; deze maatregelen kunnen eventueel afwijken van de bepalingen van artikel 62 van het Unieverdrag.

2.

In het in lid 1 van dit artikel bedoelde geval doet het College van Scheidsrechters bedoeld in artikel 15 van het Unieverdrag uitsluitend ex aequo et bono uitspraak.

Artikel 5

Gedurende een tijdvak van ten hoogste drie jaar zal artikel 62 van het Unieverdrag op de aanbestedingen van de overheidsinstellingen, bedoeld in artikel 63, onder B. b), van dat Verdrag, alleen van toepassing zijn voor zover de Staat hierop daadwerkelijk invloed uitoefent.

Artikel 6
1.

Binnen een tijdvak van ten hoogste vijf jaar stellen de Hoge Verdragsluitende Partijen de overeenkomst op bedoeld in artikel 58, lid 3, van het Unieverdrag.

2.

Tot aan de inwerkingtreding van de in lid 1 van dit artikel bedoelde overeenkomst is artikel 58, lid 2, van het Unieverdrag niet van toepassing op het gebied van verzekeringen, spaarkassen en bouwkassen.

Artikel 7
1.

Indien de stand van de arbeidsmarkt de tewerkstelling van werknemers in bepaalde tijdvakken, streken of beroepen niet zou toestaan, plegen de Hoge Verdragsluitende Partijen onmiddellijk overleg, teneinde in onderlinge overeenstemming de nodige tijdelijke maatregelen te treffen.

2.

De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich, bij de toepassing van deze maatregelen zoveel mogelijk het nadeel te beperken, dat voor de belanghebbende werknemers daaruit zou kunnen ontstaan.

3.

Het door dit artikel ingestelde regime vervalt uiterlijk na verloop van een tijdvak van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Unieverdrag; vóór de afloop van dit tijdvak kan het Comité van Ministers te allen tijde dit regime beëindigen.

Artikel 8

Tenzij het Comité van Ministers anders beslist, zijn gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar de bepalingen van artikel 2, lid 2, onder b), van het Unieverdrag niet van toepassing op werknemers die door een arbeidsovereenkomst voor schepelingen zijn gebonden.

HOOFDSTUK 2. Van het handelsverkeer tussen de grondgebieden van de Hoge Verdragsluitende Partijen

Artikel 9

De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich, binnen een tijdvak van ten hoogste vijf jaar de coördinatie tot stand te brengen van de wettelijke of uitvoerende voorschriften en de andere publiekrechtelijke voorschriften bedoeld in de artikelen 6 en 7 van het Unieverdrag, die een ongerechtvaardigde belemmering voor het vrije verkeer vormen, teneinde die belemmering weg te nemen.

Artikel 10
1.

Onverminderd de bepalingen van de artikelen 11 tot en met 24 van deze Overeenkomst is ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen bevoegd in afwijking van artikel 3 van het Unieverdrag die beperkingen op het vrije handelsverkeer te handhaven welke op het ogenblik van de inwerkingtreding van het Unieverdrag van kracht zijn.

2.

Het Comité van Ministers stelt de lijst van deze beperkingen vast en schaft deze geleidelijk af binnen een tijdvak van ten hoogste vijf jaar.

3.

In elk geval kennen de Hoge Verdragsluitende Partijen elkaar het meest gunstige regime toe dat ten aanzien van derde landen van kracht is.

HOOFDSTUK 3. Van de landbouw

Artikel 11

In afwachting van de verwezenlijking van de voorwaarden voor een volledige vrijmaking van het handelsverkeer in landbouwprodukten tussen de grondgebieden van de Hoge Verdragsluitende Partijen kan ieder hunner binnen haar grondgebied maatregelen tot valorisatie treffen; deze maatregelen kunnen een beperking of een verbod van de uitvoer van de gevaloriseerde produkten inhouden. Iedere Hoge Verdragsluitende Partij kan tevens maatregelen treffen ter bescherming van haar binnenlandse markt tegenover de andere Verdragsluitende Partijen binnen de grenzen en onder de voorwaarden van de artikelen 12 tot en met 24 van deze Overeenkomst.

Artikel 12

In afwijking van de artikelen 3, 7, 10 en 11 van het Unieverdrag is ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen bevoegd heffingen of licentierechten op te leggen bij de in- en uitvoer van landbouwprodukten en voedingsmiddelen. Deze heffingen kunnen echter alleen ten aanzien van de andere Verdragsluitende Partijen worden toegepast, indien zij tevens worden toegepast ten aanzien van derde landen. De opbrengsten van zodanige heffingen of licentierechten vormen geen gemeenschappelijke inkomsten.

Artikel 13

In afwijking van de artikelen 3, 7, 10 en 11 van het Unieverdrag zijn de produkten, voorkomende op de bij deze Overeenkomst gevoegde lijst A, onderworpen aan het stelsel van minimumprijzen.

Artikel 14
1.

De minimumprijzen worden in onderlinge overeenstemming door de Commissie voor landbouw, voedselvoorziening en visserij vastgesteld op basis van de kostprijzen, verhoogd met een passende winstmarge. Bij verschil van mening in deze Commissie omtrent een minimumprijs of zijn toepassing wordt het geschil onmiddellijk voorgelegd aan een overeenkomstig artikel 21 van het Unieverdrag ingestelde Werkgroep. De beslissing van de Werkgroep is onmiddellijk van toepassing.

Indien binnen acht dagen na de vergadering van de Werkgroep nog geen beslissing is genomen, kan de Regering van het belanghebbende invoerende land onmiddellijk die maatregelen in werking stellen welke zij onontbeerlijk acht voor de bescherming van haar belangen. In dat geval zal zij rekening houden met de noodzaak de belangen van het uitvoerende land zo min mogelijk te schaden.

2.

De Commissie voor landbouw, voedselvoorziening en visserij stelt eventueel de kwaliteiten, typen en variëteiten vast van de produkten die aan het stelsel van minimumprijzen zijn onderworpen.

Artikel 15
1.

Teneinde de toepassing te verzekeren van de overeenkomstig de bepalingen van artikel 14 van deze Overeenkomst vastgestelde minimumprijzen, wordt aan een permanente delegatie uit de Commissie voor landbouw, voedselvoorziening en visserij, samengesteld uit afgevaardigden van de Hoge Verdragsluitende Partijen, opgedragen de ontwikkeling der prijzen voortdurend te volgen. Wanneer deze delegatie constateert dat de geldende prijzen beneden het vastgestelde peil blijven, dan is het invoerende land zonder meer bevoegd om bij wijze van conservatoire maatregel de invoer van de betrokken produkten op te schorten, totdat de Commissie voor landbouw, voedselvoorziening en visserij - daartoe binnen drie dagen bijeenkomende - of de vergadering van de in artikel 14 van deze Overeenkomst vermelde Werkgroep een beslissing heeft genomen. Evenzo zal een eventueel door genoemde delegatie geconstateerd herstel der prijzen op het vastgestelde peil zonder meer de afschaffing van de door het invoerende land genomen maatregel met zich meebrengen.

2.

Bij de uitoefening van haar taak zal de permanente delegatie de procedure volgen welke door de Commissie voor landbouw, voedselvoorziening en visserij wordt vastgesteld.

Artikel 16
1.

Teneinde de krachtens artikel 14 van deze Overeenkomst vastgestelde minimumprijzen te waarborgen worden heffingen vastgesteld, welke gelijk zijn aan het verschil tussen de overeengekomen minimumprijs en de prijs franco grens. De prijs franco grens wordt vastgesteld op grond van de prijs op de binnenlandse markt vermeerderd met de werkelijke kosten.

2.

Tenzij het Comité van Ministers anders beslist, worden deze heffingen door het uitvoerende land geheven.

3.

Het totale bedrag van deze heffingen, welke worden gelegd op het onderling handelsverkeer tussen Nederland en de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, wordt na afloop van ieder kwartaal gelijkelijk tussen beide verdeeld.

Artikel 17

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.