← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, alsmede tot het Protocol betreffende de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie

Geldende tekst a fecha 1986-11-01

De Hoge Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Overwegende dat het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland door lid te worden van de Gemeenschap zich verplicht hebben om toe te treden tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke, en handelszaken en tot het Protocol betreffende de uitlegging van dat Verdrag door het Hof van Justitie en te dien einde onderhandelingen met de oorspronkelijke Lid-Staten van de Gemeenschap te beginnen om daarin de noodzakelijke aanpassingen aan te brengen,

Hebben besloten om dit Verdrag te sluiten en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen:

Renaat van Elslande,

Minister van Justitie;

Hare Majesteit de Koningin van Denemarken:

Nathalie Lind

Minister van Justitie;

de President van de Bondsrepubliek Duitsland:

Dr. Hans-Jochen Vogel,

Bondsminister van Justitie;

de President van de Franse Republiek:

Alain Peyrefitte,

Zegelbewaarder,

Minister van Justitie;

de President van Ierland:

Gerard Collins,

Minister van Justitie;

de President van de Italiaanse Republiek:

Paolo Bonifacio,

Minister van Justitie;

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg:

Robert Krieps,

Minister van Onderwijs,

Minister van Justitie;

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Prof. Mr. J. de Ruiter,

Minister van Justitie;

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland:

The Right Honourable the Lord Elwyn-Jones, C.H.,

Lord High Chancellor of Great Britain;

Die, in het kader van de Raad bijeen, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten,

Omtrent de volgende bepalingen overeenstemming hebben bereikt:

TITEL I. Algemene bepalingen

Artikel 1

Het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland treden toe tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Brussel op 27 september 1968, hierna te noemen „het Verdrag van 1968”, en tot het Protocol betreffende de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie, ondertekend te Luxemburg op 3 juni 1971, hierna te noemen „het Protocol van 1971”.

Artikel 2

De aanpassingen van het Verdrag van 1968 en van het Protocol van 1971 zijn opgenomen in de titels II tot en met IV van dit Verdrag.

TITEL II. Aanpassingen van het Verdrag van 1968

Artikel 3

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 4

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 5

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 6

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 7

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 8

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 9

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 10

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 11

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 12

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 13

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 14

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 15

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 16

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 17

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 18

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 19

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 20

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszakenl; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 21

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 22

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 23

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 24

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 25

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 26

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 27

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

Artikel 28

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

TITEL III. Aanpassingen van het Protocol bij het Verdrag van 1968

Artikel 29

Wijzigt het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Brussel, 27 september 1968.

TITEL IV. Aanpassingen van het Protocol van 1971

Artikel 30

Wijzigt het Protocol betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Luxemburg, 3 juni 1971.

Artikel 31

Wijzigt het Protocol betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Luxemburg, 3 juni 1971.

Artikel 32

Wijzigt het Protocol betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Luxemburg, 3 juni 1971.

Artikel 33

Wijzigt het Protocol betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; Luxemburg, 3 juni 1971.

TITEL V. Overgangsbepalingen

Artikel 34
1.

Het Verdrag van 1968 en het Protocol van 1971 als gewijzigd bij dit Verdrag zijn slechts van toepassing op rechtsvorderingen ingesteld en op authentieke akten verleden na de inwerkingtreding van dit Verdrag in de Staat van herkomst en, wanneer wordt verzocht om erkenning of tenuitvoerlegging van een beslissing of een authentieke akte, in de aangezochte Staat.

2.

Evenwel worden in de betrekkingen tussen de zes Staten die partij zijn bij het Verdrag van 1968 de beslissingen gegeven na de dag van inwerkingtreding van dit Verdrag naar aanleiding van vóór deze dag ingestelde vorderingen, erkend en ten uitvoer gelegd overeenkomstig de bepalingen van titel III van het gewijzigde Verdrag van 1968.

3.

Bovendien worden in de betrekkingen tussen de zes Staten die partij zijn bij het Verdrag van 1968 en de drie Staten genoemd in artikel 1 van dit Verdrag, evenals in de betrekkingen tussen de drie laatstgenoemde Staten, de beslissingen gegeven na de dag van inwerkingtreding van dit Verdrag in de betrekkingen tussen de Staat van herkomst en de aangezochte Staat naar aanleiding van voor deze dag ingestelde vorderingen, erkend en ten uitvoer gelegd overeenkomstig de bepalingen van titel III van het gewijzigde Verdrag van 1968, indien de bevoegdheid berustte op regels die overeenkomen met de bepalingen van de gewijzigde titel II of met de bepalingen neergelegd in een Verdrag dat tussen de Staat van herkomst en de aangezochte Staat van kracht was toen de vordering werd ingesteld.

Artikel 35

Indien de partijen in een geschil over een overeenkomst vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag schriftelijk waren overeengekomen op deze overeenkomst Iers recht of het recht van een deel van het Verenigd Koninkrijk toe te passen, blijven de gerechten van Ierland of van dit deel van het Verenigd Koninkrijk bevoegd om van dit geschil kennis te nemen.

Artikel 36

Gedurende drie jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van 1968 voor het Koninkrijk Denemarken of voor Ierland wordt in elk van deze Staten de bevoegdheid in zaken van zeerecht niet alleen bepaald overeenkomstig dat Verdrag, maar ook overeenkomstig de bepalingen van No. 1 tot en met No. 6 hierna. Deze bepalingen zijn in elk van deze Staten evenwel niet langer van toepassing zodra het op 10 mei 1952 te Brussel ondertekende internationale Verdrag tot eenmaking van enkele bepalingen inzake conservatoir beslag op zeeschepen voor die Staat in werking is getreden.

TITEL VI. Slotbepalingen

Artikel 37

De Secretaris-Generaal van de Raad der Europese Gemeenschappen zendt aan de Regeringen van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift in de Duitse, de Franse, de Italiaanse en de Nederlandse taal toe van het Verdrag van 1968 en van het Protocol van 1971.

De teksten van het Verdrag van 1968 en van het Protocol van 1971 die zijn opgesteld in de Deense, de Engelse en de Ierse taal, worden aan dit Verdrag gehecht1)[Red: Deze teksten zijn niet opgenomen.][Red: De Engelse tekst van het Verdrag van 1968 en van het Protocol van 1971 zal binnenkort in het Tractatenblad worden bekendgemaakt.]. De teksten die zijn opgesteld in de Deense, de Engelse en de Ierse taal, zijn op gelijke wijze authentiek als de oorspronkelijke teksten van het Verdrag van 1968 en van het Protocol van 1971.

Artikel 38

Dit Verdrag wordt door de ondertekenende Staten bekrachtigd. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad der Europese Gemeenschappen.

Artikel 39

Dit Verdrag treedt tussen de Staten die het hebben bekrachtigd, in werking op de eerste dag van de derde maand volgende op het nederleggen van de laatste akte van bekrachtiging door de oorspronkelijke Lid-Staten van de Gemeenschap en een nieuwe Lid-Staat.

Voor elke nieuwe Lid-Staat die het Verdrag later bekrachtigt, treedt het in werking op de eerste dag van de derde maand volgende op het nederleggen van zijn akte van bekrachtiging.

Artikel 40

De Secretaris-Generaal van de Raad der Europese Gemeenschappen stelt de ondertekenende Staat in kennis van:

Artikel 41

Dit Verdrag, opgesteld in één exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Franse, de Ierse, de Italiaanse en de Nederlandse taal, welke zeven teksten gelijkelijk authentiek zijn, zal worden nedergelegd in het archief van het Secretariaat van de Raad der Europese Gemeenschappen. De Secretaris-Generaal zendt een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift daarvan toe aan de Regering van elke ondertekenende Staat.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit Verdrag hebben gesteld.

GEDAAN te Luxemburg, de negende oktober negentienhonderd achtenzeventig.