Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand

Type Verdrag
Publication 2016-02-22
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regeringen welke dit Verdrag hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa,

Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is grotere eenheid onder zijn Leden te bewerkstelligen, teneinde onder meer hun sociale vooruitgang te bevorderen;

Besloten hebbende in overeenstemming met deze doelstelling hun samenwerking op sociaal gebied uit te breiden door aanvaarding van het beginsel van gelijke behandeling van elkanders onderdanen bij de toepassing van de wetgeving inzake sociale en medische bijstand; en

Verlangende te dien einde een Verdrag te sluiten,

Zijn het volgende overeengekomen:

TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Ieder der Verdragsluitende Partijen verbindt zich te waarborgen, dat onderdanen van de andere Verdragsluitende Partijen, die zich rechtmatig ophouden in enig deel van haar grondgebied, waarop dit Verdrag van toepassing is, en niet beschikken over voldoende middelen, gelijkelijk en onder dezelfde voorwaarden als haar eigen onderdanen recht kunnen doen gelden op sociale en medische bijstand (hierna aangeduid als „bijstand”), zoals deze is geregeld door de geldende wetgeving in dat deel van haar grondgebied.

Artikel 2

(a). Voor de toepassing van dit Verdrag hebben de woorden „bijstand”, „onderdanen”, „grondgebied” en „land van herkomst” de volgende betekenis:

(b). De wetten en regelingen, welke op het grondgebied van de Verdragsluitende Partijen van kracht zijn en waarop dit Verdrag van toepassing is, alsmede de door de Verdragsluitende Partijen gemaakte voorbehouden, zijn onderscheidenlijk opgenomen in de Bijlagen I en II.

Artikel 3

Het bewijs van de nationaliteit van de betrokken persoon wordt geleverd volgens de wettelijke voorschriften, welke in het land van herkomst van kracht zijn.

Artikel 4

De kosten van bijstand aan een onderdaan van een der Verdragsluitende Partijen worden gedragen door de Verdragsluitende Partij, die de bijstand heeft verleend.

Artikel 5

De Verdragsluitende Partijen verbinden zich om, voorzover hun wetten en regelingen zulks toelaten, elkander bij te staan teneinde zo veel mogelijk verhaal van de volledige kosten van bijstand te verkrijgen op derden, die financiële verplichtingen hebben jegens de persoon die bijstand heeft genoten, of op personen, die verplicht zijn om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de betrokken persoon.

TITEL II. REPATRIËRING

Artikel 6

(a). Een Verdragsluitende Partij, op wier grondgebied een onderdaan van een andere Verdragsluitende Partij rechtmatig verblijft, repatrieert die onderdaan niet om de enkele reden, dat hij bijstand behoeft.

(b). Niets in dit Verdrag doet afbreuk aan het recht tot verwijdering om andere redenen dan de enkele reden, genoemd in het vorige lid.

Artikel 7

(a). Niettegenstaande het bepaalde in artikel 6 (a) kan een Verdragsluitende Partij, op wier grondgebied een onderdaan van een andere Verdragsluitende Partij verblijft, die onderdaan repatriëren om de enkele reden, genoemd in artikel 6 (a), indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

(b). De Verdragsluitende Partijen komen overeen slechts met de grootste gematigdheid over te gaan tot repatriëring, en dan nog slechts wanneer er geen bezwaar op grond van humanitaire overwegingen bestaat.

(c). In dezelfde geest komen de Verdragsluitende Partijen overeen om in geval van repatriëring van een persoon, die bijstand geniet, faciliteiten te verlenen aan zijn echtgenoot en kinderen om hem te vergezellen.

Artikel 8

(a). De Verdragsluitende Partij, die een onderdaan van een andere Verdragsluitende Partij repatrieert overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, draagt de kosten van de repatriëring tot de grens van het grondgebied, waarheen die onderdaan wordt gerepatrieerd.

(b). Iedere Verdragsluitende Partij verbindt zich elk harer onderdanen, gerepatrieerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, op te nemen.

(c). Iedere Verdragsluitende Partij verbindt zich de doorreis van personen, gerepatrieerd overeenkomstig artikel 7, over haar grondgebied te vergemakkelijken.

Artikel 9

Indien het land, waarvan de persoon, die bijstand heeft genoten, beweert een onderdaan te zijn, hem niet als zodanig erkent, worden de gronden voor deze afwijzing binnen dertig dagen of zo spoedig mogelijk nadien aan het land van verblijf medegedeeld.

Artikel 10

(a). Wanneer tot repatriëring is besloten, worden de diplomatieke of consulaire autoriteiten van het land van herkomst (zo mogelijk drie weken van tevoren) verwittigd van het voornemen tot repatriëring van hun onderdaan.

(b). De autoriteiten van het land van herkomst lichten de autoriteiten van het land of de landen van doorreis naar behoren in.

(c). De plaatsen, waar dergelijke personen worden overgegeven, worden vastgesteld bij overeenkomsten tussen de bevoegde autoriteiten van het land van verblijf en van het land van herkomst.

TITEL III. VERBLIJF

Artikel 11

(a). Het verblijf van een vreemdeling op het grondgebied van een der Verdragsluitende Partijen wordt als rechtmatig in de zin van dit Verdrag beschouwd zolang te zijnen aanzien een verblijfs- of andere soortgelijke vergunning van kracht is, welke op grond van de wetten en regelingen van het betrokken land vereist is voor het verblijf in dat land. Verzuim om een dergelijke vergunning te doen verlengen brengt voor de betrokken persoon geen verval van het recht op bijstand teweeg, indien het verzuim uitsluitend aan zijn achteloosheid te wijten is.

(b). Rechtmatig verblijf wordt onrechtmatig op het ogenblik, waarop een bevel tot verwijdering tegen de betrokken persoon is uitgevaardigd, tenzij schorsing van de uitvoering wordt verleend.

Artikel 12

Behoudens bewijs van het tegendeel wordt het aanvangstijdstip van het tijdvak van verblijf, vermeld in artikel 7, vastgesteld aan de hand van bewijsmateriaal verkregen door officieel onderzoek of van de in Bijlage III vermelde bewijsstukken of van alle bewijsstukken, die door de wetten en regelingen van het land worden erkend als bewijs van verblijf.

Artikel 13

(a). De voortduring van het verblijf kan worden bewezen door overlegging van elk in het land van verblijf aanvaardbaar bewijsstuk, zoals een bewijs van beroepswerkzaamheden of overlegging van huurkwitanties.

Artikel 14

Het tijdvak, gedurende hetwelk de betrokken persoon bijstand heeft genoten uit publieke fondsen ingevolge wettelijke maatregelen, genoemd in Bijlage I, blijft bij de berekening van de duur van het verblijf buiten beschouwing, behalve ingeval van medische behandeling voor acute ziekten of medische behandeling van korte duur.

TITEL IV. DIVERSE BEPALINGEN

Artikel 15

De administratieve, diplomatieke en consulaire autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen verlenen elkander alle mogelijke steun bij de uitvoering van dit Verdrag.

Artikel 16

(a). De Verdragsluitende Partijen verwittigen de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa van iedere volgende wijziging van hun wetten en regelingen, welke de Bijlagen I en III raakt.

(b). Iedere Verdragsluitende Partij verwittigt de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa van elke nieuwe wet of regeling, voorzover die nog niet in Bijlage I is opgenomen. Bij het doen van een dergelijke kennisgeving kan de Verdragsluitende Partij een voorbehoud maken met betrekking tot de toepassing van deze nieuwe wet of regeling op onderdanen van andere Verdragsluitende Partijen.

(c). De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt de andere Verdragsluitende Partijen in kennis van elke inlichting, hem verstrekt ingevolge de leden (a) en (b).

Artikel 17

De Verdragsluitende Partijen kunnen bij bilaterale overeenkomst overgangsmaatregelen treffen voor de gevallen, waarin bijstand werd verleend vóór het in werking treden van dit Verdrag.

Artikel 18

De bepalingen van dit Verdrag hebben geen beperkende invloed op de bepalingen van nationale wetten of regelingen, van internationale verdragen of van bilaterale of multilaterale overeenkomsten, welke gunstiger zijn voor de rechthebbende.

Artikel 19

De Bijlagen I, II en III vormen een onverbrekelijk geheel met dit Verdrag.

Artikel 20

(a). De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen trachten ieder geschil ten aanzien van de uitlegging of toepassing van dit Verdrag op te lossen door onderhandelingen.

(b). Indien een dergelijk geschil niet binnen drie maanden door onderhandelingen is opgelost, wordt het geschil ter arbitrage voorgelegd aan een scheidsrechterlijk orgaan, welks samenstelling en werkwijze door de Verdragsluitende Partijen in gemeen overleg worden geregeld, of bij gebreke van een dergelijke regeling in gemeen overleg binnen een volgend tijdvak van drie maanden, aan een scheidsman, op verzoek van de meest gerede der betrokken Verdragsluitende Partijen gekozen door de President van het Internationaal Gerechtshof. Indien de laatstgenoemde een onderdaan van een der Partijen in het geschil zou zijn, wordt deze taak toevertrouwd aan de Vice-President van het Hof of aan de in anciënniteit volgende rechter, die geen onderdaan van een der Partijen in het geschil is.

(c). De beslissing van het scheidsrechterlijk orgaan of van de scheidsman wordt gegeven in overeenstemming met de beginselen en de geest van het onderhavige Verdrag en is zonder beroep en bindend.

Artikel 21

(a). Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de Leden van de Raad van Europa. Het dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

(b). Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand, volgende op de nederlegging van de tweede akte van bekrachtiging.

(c). Ten aanzien van iedere Staat, welke het Verdrag op een later tijdstip bekrachtigt, treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand, volgende op de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging.

Artikel 22

(a). Het Comité van Ministers van de Raad van Europa kan elke Staat, die geen Lid van de Raad ïs, uitnodigen om tot dit Verdrag toe te treden.

(b). Toetreding vindt plaats door het nederleggen van een akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, welke op de eerste dag van de volgende maand van kracht wordt.

(c). Elke akte van toetreding, nedergelegd in overeenstemming met dit artikel, wordt vergezeld van een mededeling van die inlichtingen, welke in de Bijlagen I en III van dit Verdrag zouden zijn opgenomen indien de Regering van de betrokken Staat op het tijdstip van de toetreding ondertekenaar van het Verdrag ware geweest.

(d). Voor de toepassing van dit Verdrag wordt iedere inlichting, medegedeeld overeenkomstig lid (c) van dit artikel, geacht deel uit te maken van de Bijlage, waarin de inlichting zou zijn opgenomen indien de Regering van de betrokken Staat ondertekenaar ware.

Artikel 23

De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt de Leden van de Raad in kennis:

Artikel 24

Dit Verdrag is gesloten voor de duur van twee jaren, te rekenen van het tijdstip van inwerkingtreding overeenkomstig artikel 21 (b). Daarna blijft het van jaar tot jaar van kracht voor alle Verdragsluitende Partijen die het niet hebben opgezegd door middel van een daartoe strekkende mededeling aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa ten minste zes maanden vóór het verstrijken van hetzij het aanvangstijdvak van twee jaren, hetzij van een volgend tijdvak van een jaar. Zodanige mededeling wordt van kracht aan het einde van het tijdvak waarop zij betrekking heeft.

In witness whereof the undersigned, being duly authorised thereto, have signed the present Convention.

Done at Paris, this 11th day of December, 1953, in English and French, both texts being equally authoritative, in a single copy, which shall remain deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary-General shall transmit certified copies to each of the Signatories.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.