Europees Cultureel Verdrag

Type Verdrag
Publication 1956-02-08
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regeringen welke dit Verdrag hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa;

Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is een grotere eenheid tussen zijn Leden tot stand te brengen ten einde onder meer de idealen en beginselen, welke hun gemeenschappelijk erfdeel zijn, veilig te stellen en te verwezenlijken;

Overwegende dat het bereiken van dit doel zou worden bevorderd door een groter onderling begrip onder de volkeren van Europa;

Overwegende dat het voor het bereiken van dit doel wenselijk is, niet alleen bilaterale culturele verdragen tussen de Leden van de Raad te sluiten maar ook een politiek te voeren welke is gericht op het volgen van een gemeenschappelijke gedragslijn en welke ten doel heeft de ontwikkeling der Europese cultuur veilig te stellen en aan te moedigen;

Besloten hebbende een algemeen Europees Cultureel Verdrag te sluiten, dat ten doel heeft om de onderdanen van alle Leden en van die andere Europese Staten welke tot dit Verdrag zullen toetreden, aan te moedigen de talen, geschiedenis en de beschaving van de andere Verdragsluitende Partijen te bestuderen, alsmede de beschaving die zij alle gemeen hebben,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1

Iedere Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om de ontwikkeling van haar eigen bijdrage aan het gemeenschappelijke culturele erfdeel van Europa veilig te stellen en aan te moedigen.

Artikel 2

Iedere Verdragsluitende Partij zal, voor zover mogelijk,

Artikel 3

De Verdragsluitende Partijen plegen in het kader van de Raad van Europa met elkaar overleg met het oog op het gemeenschappelijk bevorderen van culturele activiteiten welke van Europees belang zijn.

Artikel 4

Iedere Verdragsluitende Partij vergemakkelijkt, voor zover mogelijk, de vrijheid van verkeer en de uitwisseling zowel van personen als van voorwerpen van culturele waarde opdat de artikelen 2 en 3 ten uitvoer kunnen worden gelegd.

Artikel 5

Iedere Verdragsluitende Partij beschouwt de voorwerpen van Europese culturele waarde die onder haar bescherming zijn gesteld als integrerende bestanddelen van het gemeenschappelijke culturele erfdeel van Europa, neemt passende maatregelen om deze te beveiligen en verzekert de toegang hiertoe binnen de grenzen van het redelijke.

Artikel 6
1.

Voorstellen voor de toepassing der bepalingen van dit Verdrag en kwesties betreffende de interpretatie daarvan worden behandeld op vergaderingen van de Commissie van culturele deskundigen van de Raad van Europa.

2.

Iedere Staat welke geen lid van de Raad van Europa is en welke tot dit Verdrag is toegetreden in overeenstemming met de bepalingen van lid 4 van artikel 9 kan een vertegenwoordiger of vertegenwoordigers benoemen om aan de vergaderingen welke in het vorige lid zijn voorzien, deel te nemen.

3.

De besluiten, genomen op de vergaderingen bedoeld in lid 1 van dit artikel, worden in de vorm van aanbevelingen voorgelegd aan het Comité van Ministers van de Raad van Europa, tenzij het gaat om beslissingen welke binnen de bevoegdheid van het Comité van culturele deskundigen liggen, betrekking hebbend op zaken van administratieve aard, welke geen extra uitgaven met zich medebrengen.

4.

De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt de Leden van de Raad en de Regering van iedere Staat, die tot dit Verdrag is toegetreden, van alle desbetreffende beslissingen, genomen door het Comité van Ministers of door het Comité van culturele deskundigen, in kennis.

5.

ledere Verdragsluitende Partij stelt de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa te zijner tijd in kennis van iedere maatregel welke eventueel door haar, gevolg gevend aan de beslissingen van het Comité van Ministers of van het Comité van culturele deskundigen, met betrekking tot de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag, wordt genomen.

6.

Indien mocht blijken dat bepaalde voorstellen voor de toepassing van dit Verdrag slechts een beperkt aantal van de Verdragsluitende Partijen interesseren, kunnen zulke voorstellen verder worden behandeld overeenkomstig de bepalingen van artikel 7, mits de uitvoering daarvan geen uitgaven voor de Raad van Europa met zich medebrengt.

Artikel 7

Indien, ten einde de doelstellingen van dit Verdrag te bevorderen, twee of meer Verdragsluitende Partijen vergaderingen wensen te beleggen ter plaatse waar de Raad van Europa is gevestigd, naast die, genoemd in lid 1 van artikel 6, verleent de Secretaris-Generaal van de Raad hun alle administratieve bijstand welke zij nodig hebben.

Artikel 8

Geen der bepalingen van dit Verdrag wordt geacht van invloed te zijn op

Artikel 9
1.

Dit Verdrag staat ter ondertekening voor de Leden van de Raad van Europa open. Het wordt bekrachtigd en de akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

2.

Zodra drie Regeringen, die het Verdrag hebben ondertekend, haar akten van bekrachtiging hebben nedergelegd, treedt dit Verdrag ten aanzien van deze Regeringen in werking.

3.

Ten aanzien van iedere Regering die op een later tijdstip bekrachtigt, treedt het Verdrag in werking op de datum waarop de akte van bekrachtiging zal zijn nedergelegd.

4.

Het Comité van Ministers van de Raad van Europa kan met eenparigheid van stemmen besluiten om, onder die voorwaarden die daartoe passend worden geacht, iedere Europese Staat welke geen lid is van de Raad uit te nodigen tot dit Verdrag toe te treden. Iedere Staat welke op deze wijze is uitgenodigd kan toetreden door nederlegging van zijn akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. De toetreding wordt van kracht op de dag van ontvangst van de betreffende akte.

5.

De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt alle Leden van de Raad en alle toetredende Staten in kennis van het nederleggen van alle akten van bekrachtiging en toetreding.

Artikel 10

Iedere Verdragsluitende Partij kan aangeven op welke gebiedsdelen de bepalingen van dit Verdrag van toepassing zullen zijn door aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa een verklaring te doen toekomen, welke door laatstgenoemde ter kennis van alle andere Verdragsluitende Partijen zal worden gebracht.

Artikel 11
1.

Iedere Verdragsluitende Partij kan dit Verdrag opzeggen op ieder tijdstip nadat het gedurende een periode van vijf jaar van kracht is geweest, door middel van een schriftelijke kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, die de andere Verdragsluitende Partij inlicht.

2.

Deze opzegging zal ten aanzien van de betrokken Verdragsluitende Partij van kracht worden zes maanden na de datum waarop zij door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa is ontvangen.

In witness whereof the undersigned, duly authorised thereto by their respective Governments, have signed the present Convention.

Done at Paris this 19th day of December, 1954, in the English and French languages, both texts being equally authoritative, in a single copy which shall remain deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary-General shall transmit certified copies to each of the signatory and acceding Governments.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.