Europees Verdrag nopens de vreedzame regeling van geschillen

Type Verdrag
Publication 1958-07-07
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regeringen welke dit Verdrag hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa,

Overwegende dat het het doel van de Raad van Europa is een grotere eenheid tussen zijn Leden tot stand te brengen;

Overtuigd dat het streven naar een op rechtvaardigheid gegrondveste vrede een levensvoorwaarde is voor het behoud van de menselijke samenleving en van de beschaving;

Vastbesloten alle eventueel tussen hen rijzende geschillen op vreedzame wijze te regelen,

Zijn als volgt overeengekomen:

HOOFDSTUK I. Rechterlijke regeling

Artikel 1

De Verdragsluitende Partijen zullen ter beoordeling aan het Internationale Gerechtshof voorleggen alle eventueel tussen hen rijzende geschillen, vooral die welke betrekking hebben op:

Artikel 2
1.

De bepalingen van artikel 1 zijn niet van invloed op verbintenissen waarbij de Verdragsluitende Partijen de jurisdictie van het Internationale Gerechtshof voor de regeling van andere dan in artikel 1 bedoelde geschillen hebben aanvaard of eventueel zullen aanvaarden.

2.

De partijen bij een geschil kunnen overeenkomen tot de verzoeningsprocedure over te gaan, alvorens tot die van rechterlijke regeling.

Artikel 3

De Verdragsluitende Partijen welke geen partij zijn bij het Statuut van het Internationale Gerechtshof nemen de maatregelen welke nodig zijn om toegang tot dit Hof te verkrijgen.

HOOFDSTUK II. Verzoening

Artikel 4
1.

De Verdragsluitende Partijen onderwerpen alle eventueel tussen hen rijzende geschillen aan een verzoeningsprocedure, met uitzondering van de in artikel 1 voorziene geschillen.

2.

De partijen bij een der in dit artikel voorziene geschillen kunnen evenwel overeenkomen het aan een scheidsgerecht voor te leggen zonder eerst tot een verzoeningsprocedure over te gaan.

Artikel 5

Wanneer zich een geschil voordoet dat voorzien is in artikel 4, wordt dit verwezen naar een terzake bevoegde Vaste Verzoeningscommissie, indien de betrokken partijen van te voren een dergelijke Commissie hebben ingesteld. Indien de partijen overeenkomen niet van de diensten van deze Commissie gebruik te maken of indien zulk een Commissie er niet is, wordt het geschil verwezen naar een Bijzondere Verzoeningscommissie welke door de partijen binnen een termijn van drie maanden na de datum waarop door een der partijen aan de andere een desbetreffend verzoek is gedaan, dient te worden ingesteld.

Artikel 6

Tenzij de betrokken partijen anderszins overeenkomen, wordt de Bijzondere Verzoeningscommissie als volgt samengesteld:

De Commissie bestaat uit vijf leden. De partijen benoemen elk een commissaris die uit hun onderscheidene onderdanen gekozen kan worden. De drie andere commissarissen, met inbegrip van de Voorzitter, worden in gemeen overleg gekozen uit de onderdanen van derde Staten. Deze drie commissarissen dienen van verschillende nationaliteit te zijn en mogen niet hun gewoon verblijf op het grondgebied der partijen hebben, noch in dienst der partijen zijn.

Artikel 7

Indien de benoeming der commissarissen die gezamenlijk moeten worden aangewezen niet binnen de in artikel 5 voorziene termijn is geschied, wordt de taak de nodige benoemingen te verrichten aan de Regering van een derde Staat opgedragen, welke in gemeen overleg der partijen wordt gekozen, of, indien deze binnen drie maanden terzake niet tot overeenstemming hebben kunnen komen, aan de Voorzitter van het Internationale Gerechtshof. Indien laatstgenoemde onderdaan van een der partijen bij het geschil mocht zijn, wordt deze taak aan de Vice-Voorzitter van het Hof opgedragen of aan de in dienstjaren oudste rechter van het Hof die geen onderdaan van een der partijen is.

Artikel 8

Vacatures welke zijn ontstaan als gevolg van overlijden, aftreding, ontslag of enigerlei andere oorzaak dienen binnen de kortst mogelijke tijd op de voor de benoemingen vastgestelde wijze te worden vervuld.

Artikel 9
1.

De geschillen worden voor de Bijzondere Verzoeningscommissie gebracht doof middel van een aan de Voorzitter door beide partijen in gemeen overleg gericht rekest of, bij gebreke daarvan, door een der beide partijen.

2.

Dit rekest dient, behalve een korte uiteenzetting van de aard van het geschil, een uitnodiging aan de Commissie te bevatten alle nodige maatregelen te nemen welke dienstig zijn om tot een verzoening te geraken.

3.

Indien het rekest slechts van een der partijen uitgaat, dient de andere partij daarvan door die partij onverwijld in kennis te worden gesteld.

Artikel 10
1.

Tenzij de betrokken partijen anderszins overeenkomen, komt de Bijzondere Verzoeningscommissie ter plaatse van de zetel van de Raad van Europa bijeen of in een andere door haar Voorzitter vast te stellen plaats.

2.

De Commissie kan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa te allen tijde verzoeken haar zijn bijstand te verlenen.

Artikel 11

De werkzaamheden van de Bijzondere Verzoeningscommissie vinden slechts in het openbaar plaats, indien de Commissie met instemming der partijen zulks bepaalt.

Artikel 12
1.

Tenzij de betrokken partijen anderszins overeenkomen, stelt de Bijzondere Verzoeningscommissie zelf haar procedure vast, welke er in elk geval in moet voorzien dat beide partijen worden gehoord. Met betrekking tot enquêtes handelt de Commissie, met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag, volgens de bepalingen van Titel III van het Haagse Verdrag voor de vreedzame beslechting van internationale geschillen van 18 oktober 1907, tenzij zij eenstemmig anderszins beslist.

2.

De partijen worden bij de Verzoeningscommissie vertegenwoordigd door agenten wier opdracht het is als bemiddelaar tussen de partijen en de Commissie op te treden; zij kunnen worden bijgestaan door door hen voor dat doel aangestelde raadslieden en deskundigen en kunnen verzoeken dat alle personen wier getuigenis hun nuttig voorkomt worden gehoord.

3.

De Commissie heeft het recht mondelinge toelichtingen te vragen aan de agenten, alsmede aan de raadslieden en deskundigen van beide partijen, alsook aan alle personen met betrekking tot wie zij het wenselijk acht dat zij met toestemming van hun Regeringen worden opgeroepen.

Artikel 13

Tenzij de betrokken partijen anderszins overeenkomen, worden de beslissingen van de Bijzondere Verzoeningscommissie genomen met meerderheid van stemmen. Met uitzondering van procedure-kwesties, zijn de beslissingen van de Commissie slechts geldig indien alle leden aanwezig zijn.

Artikel 14

De partijen dienen de werkzaamheden van de Bijzondere Verzoeningscommissie te bevorderen en dienen haar in het bijzonder zoveel mogelijk te voorzien van alle terzake dienende documenten en gegevens. Zij dienen de hun ter beschikking staande middelen aan te wenden teneinde het de Commissie mogelijk te maken op hun grondgebied en overeenkomstig hun wetgeving over te gaan tot het oproepen en horen van getuigen of deskundigen, alsmede tot het onderzoek ter plaatse.

Artikel 15
1.

De taak van de Bijzondere Verzoeningscommissie zal erin bestaan de kwesties waar het geschil over gaat toe te lichten, met dat doel voor ogen alle nodige inlichtingen in te winnen door middel van enquêtes of op andere wijze, en te trachten de partijen tot overeenstemming te brengen. Zij kan, na bestudering van het geschil, de partijen mededeling doen van de voorwaarden tot regeling van het geschil welke haar gepast voorkomen en de termijn vaststellen binnen welke zij zich zullen moeten uitspreken.

2.

Bij beëindiging van haar werkzaamheden stelt de Commissie een proces-verbaal op, waarin zij, al naar gelang de omstandigheden, òf verklaart dat de partijen tot overeenstemming zijn gekomen en waarin zij, indien zich de noodzaak hiertoe voordoet, de voorwaarden waarop overeenstemming werd bereikt uiteenzet, òf verklaart dat het niet mogelijk is gebleken tot een regeling te komen. In het proces-verbaal wordt niet medegedeeld of de beslissingen door de Commissie eenstemmig of met meerderheid van stemmen werden genomen.

3.

De Commissie dient, tenzij de partijen anderszins zijn overeengekomen, haar werkzaamheden binnen zes maanden na de datum waarop de Commissie van het geschil in kennis werd gesteld, te beëindigen.

Artikel 16

Het proces-verbaal van de Commissie wordt onverwijld ter kennis van de partijen gebracht. Het mag slechts met hun toestemming worden gepubliceerd.

Artikel 17
1.

Gedurende de tijd dat de Commissie haar werkzaamheden verricht, ontvangt elk der commissarissen een vergoeding, waarvan het bedrag in gemeen overleg door de partijen wordt vastgesteld. Elk der partijen draagt daartoe een gelijk aandeel bij.

2.

De algemene onkosten voortvloeiende uit de werkzaamheden van de Commissie worden op dezelfde wijze verdeeld.

Artikel 18

In geval van een gemengd geschil, waarmede zowel aangelegenheden waarvoor verzoening de gepaste procedure is, als andere aangelegenheden waarvoor rechterlijke regeling de gepaste procedure is, zijn gemoeid, heeft iedere partij bij het geschil het recht er op aan te dringen dat de rechterlijke regeling der juridische aangelegenheden aan de verzoeningsprocedure zal voorafgaan.

HOOFDSTUK III. Scheidsrechterlijke regeling

Artikel 19

De Verdragsluitende Partijen onderwerpen alle eventueel tussen hen rijzende geschillen, behalve die als bedoeld in artikel 1, welke niet door een verzoeningsprocedure geregeld zijn, omdat de partijen òf overeengekomen zijn niet eerst hiertoe over te gaan, òf omdat de verzoening mislukt is, aan scheidsrechterlijke regeling.

Artikel 20
1.

De partij welke het verzoek om scheidsrechterlijke regeling doet, stelt de andere partij in kennis van de aard van de klacht welke zij voornemens is aan scheidsrechterlijke regeling te onderwerpen, van de gronden waarop zulk een klacht is gebaseerd, alsmede van de naam van de door haar aangewezen scheidsrechter.

2.

Tenzij de betrokken partijen anderszins overeenkomen, wordt het Scheidsgerecht als volgt samengesteld:

Het Scheidsgerecht bestaat uit vijf leden. De partijen benoemen elk een lid, dat uit hun onderscheidene onderdanen gekozen kan worden. De drie andere leden, met inbegrip van de Voorzitter, worden in gemeen overleg gekozen uit de onderdanen van derde Staten. Deze drie leden dienen van verschillende nationaliteit te zijn en mogen niet hun gewoon verblijf op het grondgebied der partijen hebben, noch in dienst der partijen zijn.

Artikel 21

Indien de benoeming van de leden van het Scheidsgerecht niet is geschied binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum waarop een der partijen aan de andere partij het verzoek deed een Scheidsgerecht samen te stellen, wordt de taak de nodige benoemingen te verrichten aan de Regering van een derde Staat opgedragen, welke in gemeen overleg der partijen wordt gekozen, of, indien deze binnen drie maanden terzake niet tot overeenstemming hebben kunnen komen, aan de Voorzitter van het Internationale Gerechtshof. Indien laatstgenoemde onderdaan van een der partijen bij het geschil mocht zijn, wordt deze taak aan de Vice-Voorzitter van het Hof opgedragen of aan de in dienstjaren oudste rechter van het Hof die geen onderdaan van een der partijen is.

Artikel 22

Vacatures welke zijn ontstaan als gevolg van overlijden, aftreding, ontslag of enigerlei andere oorzaak dienen binnen de kortst mogelijke tijd op de voor de benoemingen vastgestelde wijze te worden vervuld.

Artikel 23

De partijen stellen een compromis op, dat het onderwerp van het geschil en de te volgen procedure zal omschrijven.

Artikel 24

Indien het compromis betreffende de in artikel 23 bedoelde aangelegenheden onvoldoende bijzonderheden mocht bevatten, gelden voor zover mogelijk de bepalingen van Titel IV van het Haagse Verdrag voor de vreedzame beslechting van internationale geschillen van 18 oktober 1907.

Artikel 25

Indien een compromis niet wordt gesloten binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum waarop het Scheidsgerecht werd samengesteld, kan het geschil bij rekest door een der partijen voor het Scheidsgerecht worden gebracht.

Artikel 26

Indien er in het compromis niets is vastgelegd of indien het compromis niet tot stand is gekomen, oordeelt het Scheidsgerecht ex aequo et bono, daarbij rekening houdend met de algemene volkenrechtelijke beginselen, alsmede met de contractuele verplichtingen en de definitieve uitspraken van internationale scheidsgerechten welke voor de partijen bindend zijn.

HOOFDSTUK IV. Algemene bepalingen

Artikel 27

De bepalingen van dit Verdrag zijn niet van toepassing op:

Artikel 28
1.

De bepalingen van dit Verdrag zijn niet van toepassing op geschillen met betrekking tot welke de partijen zijn overeengekomen of eventueel kunnen overeenkomen dat zij aan een andere procedure van vreedzame regeling zullen worden onderworpen. Met betrekking tot de in artikel 1 voorziene geschillen, zullen de Verdragsluitende Partijen zich er evenwel van onthouden onderling een beroep te doen op overeenkomsten welke niet voorzien in een procedure welke tot bindende uitspraken leidt.

2.

Dit Verdrag heeft generlei invloed op de bepalingen van het op 4 november 1950 ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden of van het op 20 maart 1952 ondertekende daarbij behorende Protocol.

Artikel 29
1.

In geval van een geschil waarvan het onderwerp volgens de nationale wetgeving van een der partijen valt binnen de bevoegdheid van haar rechterlijke of administratieve autoriteiten, kan de betrokken partij bezwaar maken tegen regeling van het geschil door middel van de in dit Verdrag voorziene procedures, totdat de bevoegde autoriteit binnen redelijke tijd terzake een definitieve beslissing heeft gegeven.

2.

Indien in de betrokken Staat een definitieve beslissing is gegeven, zal het niet meer mogelijk zijn van de in dit Verdrag voorziene procedures gebruik te maken na het verstrijken van een tijdvak van vijf jaar te rekenen van de datum waarop de bovenbedoelde beslissing werd gegeven.

Artikel 30

Indien de tenuitvoerlegging van een rechterlijk vonnis of van een scheidsrechterlijke uitspraak in strijd zou zijn met een door een gerechtshof of andere autoriteit van een der partijen bij het geschil genomen beslissing of gelaste maatregel en indien volgens de nationale wetgeving van die partij de gevolgen van die beslissing of maatregel niet of slechts ten dele teniet kunnen worden gedaan, verleent het Hof of het Scheidsgerecht een billijke genoegdoening aan de benadeelde partij.

Artikel 31
1.

In alle gevallen waarin een geschil het onderwerp uitmaakt van een scheidsrechterlijke of rechterlijke procedure en in het bijzonder indien de aangelegenheid waarover de partijen het oneens zijn het gevolg is van reeds verrichte handelingen of van handelingen die op het punt staan te worden verricht, geeft het Internationale Gerechtshof, beslissende overeenkomstig artikel 41 van het Statuut van dit Hof, binnen de kortst mogelijke tijd de te nemen voorlopige maatregelen aan. De partijen bij het geschil zijn gehouden deze maatregelen te aanvaarden.

2.

Indien het geschil voor de Verzoeningscommissie wordt gebracht, kan deze de partijen adviseren de door haar nuttig geachte voorlopige maatregelen te nemen.

3.

Partijen dienen zich van het nemen van alle maatregelen welke de tenuitvoerlegging van de rechterlijke of scheidsrechterlijke beslissing of de door de Verzoeningscommissie voorgestelde regelingen in ongunstige zin zouden kunnen beïnvloeden, te onthouden, alsmede in het algemeen van handelingen van welke aard dan ook welke het geschil zouden kunnen doen verergeren of zich doen uitbreiden.

Artikel 32

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.