Overeenkomst inzake de uitwisseling van stagiaires tussen Nederland en Finland

Type Verdrag
Publication 1951-07-11
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regering van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en

De Regering van de Republiek Finland,

Verlangende de uitwisseling van stagiaires tussen haar landen te bevorderen, komen als volgt overeen:

Artikel 1

Deze Overeenkomst is van toepassing op „stagiaires”, dat is op onderdanen van een van beide landen, die zich voor een bepaalde tijd naar het andere land begeven ten einde hun kennis te vervolmaken wat de taal of hun beroep betreft, terwijl zij een betrekking vervullen.

Het is de stagiaires vergund een betrekking te vervullen overeenkomstig de voorwaarden bij de artikelen hieronder bepaald, zonder dat de toestand van de arbeidsmarkt in overweging zal worden genomen.

Artikel 2

Stagiaires kunnen van het manlijk of van het vrouwelijk geslacht zijn. In het algemeen mogen zij niet ouder zijn dan 30 jaar.

Artikel 3

In beginsel wordt de vergunning verleend voor de tijd van een jaar. Bij uitzondering kan deze termijn voor zes maanden worden verlengd.

Artikel 4

Het aantal stagiaires die in elk van beide Staten kunnen worden toegelaten mag ten hoogste jaarlijks 50 bedragen.

Deze grens geldt niet voor stagiaires van een van beide Staten, die reeds in het gebied van de andere Staat verblijven. Zij mag bereikt worden ongeacht de duur van de tijd voor welke vergunningen, in de loop van een jaar afgegeven, zijn verleend en gedurende welke van deze vergunningen gebruik is gemaakt.

Indien het contingent van 50 stagiaires van een van beide Staten in de loop van een jaar niet wordt bereikt, mag deze het aantal vergunningen, aan de stagiaires van de andere Staat verleend, niet verminderen; evenmin mag hij het niet gebruikte restant van zijn contingent voegen bij dat van het volgend jaar.

Het contingent van 50 stagiaires geldt voor het jaar lopend van 1 Januari tot 31 December. Het kan later worden gewijzigd krachtens een overeenkomst welke, op een daartoe door een van beide Staten gedaan voorstel, uiterlijk 1 December met betrekking tot het volgend jaar gesloten moet worden.

Artikel 5

Stagiaires worden door de bevoegde instanties slechts toegelaten, indien de werkgevers die hen in dienstbetrekking nemen, zich tegenover deze instanties verplichten hun, zodra zij normale arbeid verrichten, een loon uit te betalen, hetzij overeenkomstig de bij collectieve arbeidsovereenkomsten vastgestelde tarieven, hetzij, bij gebreke van zodanige overeenkomsten, overeenkomstig de voor het beroep en in de streek normale gangbare loonschalen.

In alle andere gevallen verbinden de werkgevers zich, hun een beloning te geven welke overeenkomt met hun diensten en welke hen tenminste in staat moet stellen te voorzien in hun noodzakelijke levensbehoeften.

Stagiaires kunnen in Nederland en in Finland slechts een werkvergunning krijgen als de bevoegde instanties zich door een door haar zelf ingesteld onderzoek ervan overtuigd hebben, dat de tussen werkgevers en stagiaires overeengekomen en in het voorgaande lid vastgestelde voorwaarden worden nageleefd.

Artikel 6

(a). Stagiaires genieten dezelfde behandeling als de onderdanen van het land, waar zij werken, met betrekking tot de toepassing van de wetten, reglementen en gebruiken inzake veiligheid, hygiëne en arbeidsvoorwaarden.

(b). Zowel de stagiaires als hun werkgevers zijn verplicht de op het gebied van sociale zekerheid geldende wetten en voorschriften in acht te nemen.

Artikel 7

Stagiaires, die gebruik wensen te maken van het bij deze overeenkomst bepaalde, moeten het verzoek daartoe richten tot de instantie welke, in hun land, belast is met de uitwisseling van stagiaires. Zij moeten in dit verzoek alle nodige aanwijzingen geven en in het bijzonder aangeven in welke inrichting zij wensen te werk gesteld te worden. Zij moeten tegelijk de volgende bescheiden overleggen:

De bovenbedoelde instantie onderzoekt of er aanleiding is, de aanvraag aan de overeenkomstige instantie van de andere Staat te doen toekomen, met inachtneming van het jaarlijks contingent waarop zij recht heeft; in voorkomende gevallen geeft zij deze door aan de bevoegde instanties van de andere Staat.

De bevoegde instanties van beide Staten zullen zich beijveren de aanvragen binnen de kortst mogelijke tijd te doen onderzoeken.

Artikel 8

De bevoegde instanties zullen zich beijveren, de beslissingen van de administratieve instanties inzake binnenkomst en verblijf van de stagiaires met spoed te doen nemen.

Zij zullen zich eveneens beijveren, met de meeste spoed alle moeilijkheden uit de weg te ruimen welke zich met betrekking tot het binnenkomen en het verblijf van de stagiaires kunnen voordoen.

Artikel 9

Iedere Regering zal zich beijveren, de plaatsing van stagiaires van de andere Staat te bevorderen.

Artikel 10

Het Rijksarbeidsbureau in Nederland en het Ministerie van Sociale Zaken in Finland zijn belast met de toepassing van deze Overeenkomst.

Artikel 11

(a). De bevoegde instanties zullen in voorkomende gevallen door onderlinge regelingen de nodige maatregelen treffen voor de toepassing van deze Overeenkomst.

(b). Elk geschil, dat zich mocht voordoen met betrekking tot de interpretatie of de toepassing van deze Overeenkomst, zal door onderhandelingen tot oplossing worden gebracht.

(c). Indien het geschil niet binnen drie maanden na de aanvang van de onderhandelingen is bijgelegd, zal het worden onderworpen aan de scheidsrechterlijke uitspraak van een orgaan, waarvan de samenstelling in gemeen overleg zal worden vastgesteld. De te volgen procedure zal op dezelfde wijze worden vastgesteld.

(d). De beslissing van het scheidsrechterlijk orgaan zal worden genomen in overeenstemming met de geest van deze Overeenkomst; zij is bindend en niet voor beroep vatbaar.

Artikel 12

Deze Overeenkomst treedt in werking op de dag van ondertekening en blijft van kracht tot 31 December 1951.

Zij zal stilzwijgend worden verlengd, telkens voor de tijd van een jaar, tenzij zij door een van de Overeenkomstsluitende Partijen wordt opgezegd voor de 1ste October tegen het einde van dat jaar.

Ingeval van opzegging blijven desniettemin de vergunningen, welke krachtens deze Overeenkomst zijn verleend, geldig gedurende de tijd waarvoor zij zijn verleend.

EN FOI DE QUOI, les soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont signé le présent accord.

Fait à Helsinki, en deux exemplaires,

en langue française, le 11 juillet 1951.

A. J. TH. VAN DER VLUGT.

ÅKE GARTZ.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.