Overeenkomst inzake de toelating van stagiaires in Nederland en in Noorwegen

Type Verdrag
Publication 1951-06-28
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Nederlandse Regering en de Noorse Regering,

Verlangend op doelmatige wijze de vorming van Nederlandse en Noorse stagiaires te bevorderen, zowel wat hun beroep als wat de taal betreft,

Komen als volgt overeen:

Artikel 1

Deze Overeenkomst is van toepassing op stagiaires, dat is op onderdanen van een van beide landen, die zich voor een bepaalde tijd naar het andere land begeven ten einde hun vorming te vervolmaken wat hun beroep of de taal betreft, terwijl zij daar te lande een betrekking vervullen.

Het is de stagiaires vergund een betrekking te vervullen overeenkomstig de voorwaarden als hieronder bebepaald, zonder dat de toestand van de arbeidsmarkt in overweging zal worden genomen.

Artikel 2

Stagiaires kunnen van het manlijk of van het vrouwelijk geslacht zijn. Zij kunnen handenarbeid of hoofdwerk verrichten. In het algemeen mogen zij niet ouder zijn dan 30 jaar.

Artikel 3

In beginsel wordt de vergunning verleend voor de tijd van een jaar. Bij uitzondering kan deze termijn voor zes maanden worden verlengd.

Artikel 4

Behoudens bijzondere vergunning van de bevoegde instanties, in ieder geval afzonderlijk, mogen stagiaires geen enkele andere bezoldigde arbeid verrichten of beroep uitoefenen dan de arbeid of het beroep waarvoor de vergunning is verleend.

Artikel 5

Werkvergunningen ten gunste van stagiaires worden slechts afgegeven, indien de werkgevers, die hen in dienstbetrekking wensen te nemen, zich tegenover de bevoegde instanties verplichten hun, op voorwaarde dat zij normale arbeid verrichten, een loon uit te betalen, hetzij overeenkomstig de bij collectieve arbeidsovereenkomsten vastgestelde tarieven, hetzij, bij gebreke van zodanige overeenkomsten, overeenkomstig de voor het beroep en in de streek normale en gangbare loonschalen.

In alle andere gevallen verbinden de werkgevers zich, hun een beloning te geven welke overeenkomt met hun diensten en welke hen ten minste in staat moet stellen te voorzien in hun noodzakelijke levensbehoeften.

Artikel 6

Het aantal vergunningen aan stagiaires hetwelk in elk der beide Staten kan worden afgegeven, mag ten hoogste jaarlijks 50 bedragen. Stagiaires, die op 31 December reeds in het gebied van de andere Staat verblijven, zijn niet begrepen in het contingent van het volgend jaar. Het aantal van 50 stagiaires per jaar mag bereikt worden ongeacht de duur van de tijd voor welke vergunningen, in de loop van een jaar afgegeven, zijn verleend en gedurende welke van deze vergunningen gebruik is gemaakt.

Indien het bedoelde contingent door de stagiaires van een van beide Staten in de loop van een jaar niet wordt bereikt, mag deze het aantal vergunningen, aan de stagiaires van de andere Staat verleend, niet verminderen; evenmin mag hij het niet gebruikte restant van zijn contingent voegen bij dat van het volgend jaar.

Het contingent kan later worden gewijzigd krachtens een overeenkomst welke, op een daartoe door een van beide Staten gedaan voorstel, uiterlijk 1 December met betrekking tot het volgend jaar gesloten moet worden.

Artikel 7

Personen die gebruik wensen te maken van het bij deze Overeenkomst bepaalde, dienen een desbetreffend verzoek te richten tot de instantie welke, in hun land, belast is met de centralisatie van de aanvragen van stagiaires.

Alvorens hun aanvrage te doen, moeten de stagiaires in beginsel een betrekking hebben gevonden in het andere land. Indien de autoriteiten van dat land kennis dragen van omstandigheden welke de gekozen betrekking weinig geschikt maken voor het doel van de leertijd, brengen zij dit ter kennis van de bevoegde instanties van het land van herkomst van de stagiaire, welke op haar beurt de stagiaire hiervan kennis geven.

Artikel 8

Ingeval de candidaat-stagiaires niet in staat zijn een hun passende betrekking te vinden, kunnen zij zich wenden tot de bevoegde instanties van hun land, met het verzoek stappen te doen bij de bevoegde instanties van het andere land. Deze instanties zullen zich beijveren om betrekkingen te vinden welke beantwoorden aan de bedoelingen van de stagiaires, binnen het kader van deze Overeenkomst.

Artikel 9

De aanvragen van de candidaat-stagiaires moeten de volgende inlichtingen bevatten:

De volgende bescheiden moeten bij het verzoek worden gevoegd:

Artikel 10

De bevoegde instantie van het land van de candidaat onderzoekt of er aanleiding is, de aanvraag aan de overeenkomstige instantie van het andere land te doen toekomen, met inachtneming van het jaarlijks contingent waarop zij recht heeft. Het Noorse Arbeidsbureau verzamelt de aanvragen om toelating van de Noorse candidaten. Het Rijksarbeidsbureau te 's-Gravenhage doet hetzelfde voor de Nederlandse candidaten. De beide instanties doen elkander rechtstreeks de ontvangen aanvragen toekomen.

Artikel 11

De bevoegde instanties van beide landen zullen zich beijveren om de aanvragen binnen de kortst mogelijke tijd te doen onderzoeken. Zij zullen zich eveneens beijveren om met de meeste spoed alle moeilijkheden uit de weg te ruimen welke zich met betrekking tot het binnenkomen en het verblijf van de stagiaires kunnen voordoen.

Artikel 12

a). Stagiaires genieten dezelfde behandeling als de onderdanen van het land, waar zij werken, met betrekking tot de toepassing van de wetten, reglementen en gebruiken inzake veiligheid, hygiëne en arbeidsvoorwaarden.

b). Zowel de stagiaires als hun werkgevers zijn verplicht de op het gebied van sociale zekerheid geldende wetten en voorschriften in acht te nemen.

Artikel 13

Deze Overeenkomst treedt in werking op de dag van ondertekening en blijft van kracht tot 31 December 1951.

Zij zal stilzwijgend worden verlengd, telkens voor de tijd van een jaar, tenzij zij door een van de Partijen wordt opgezegd voor de 1ste Juli tegen het einde van dat jaar.

Ingeval van opzegging blijven desniettemin de vergunningen welke krachtens deze Overeenkomst zijn verleend, geldig gedurende de tijd waarvoor zij zijn verleend.

EN FOI DE QUOI les représentants soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont signé le présent Accord.

Fait à Oslo, le 28 juin 1951, en deux exemplaires en langue française.

Pour le Gouvernement des Pays-Bas:

(s.) R. FLAES.

Pour le Gouvernement Norvégien:

(s.) HALVARD LANGE.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.