Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland houdende vaststelling van een ontginningsgrens voor oostelijk van de Nederlands-Duitse landsgrens gelegen steenkolenvelden

Type Verdrag
Publication 1961-11-25
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en

De President van de Bondsrepubliek Duitsland;

Geleid door de wens, de winning van steenkolen in enkele, oostelijk van de Nederlands-Duitse landsgrens gelegen steenkolenvelden van Nederland uit mogelijk te maken;

Hebben, ten einde een daartoe strekkend verdrag te sluiten, tot Hunne Gevolmachtigden benoemd, te weten:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Z.E. Prof. dr. J. R. M. van den Brink, Minister van Economische Zaken,

De President van de Bondsrepubliek Duitsland:

Z.E. Prof. Dr. Ludwig Erhard, Bondsminister van Economische Zaken,

De Heer Oberbergrat Dr. von Schlütter,

die, na elkander hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen als volgt:

Artikel I
1.

Het Verdrag is van toepassing

2.

De in lid 1, onder a), genoemde veldgedeelten worden naar de diepte begrensd door het niveau -800 m Nieuw-Amsterdams Peil.

3.

Voor de ontginning van deze steenkolenvelden, resp. gedeelten daarvan, wordt onafhankelijk van de landsgrens en de bij het Nederlands-Duits Verdrag van 17-5-1939 vastgestelde ontginningsgrens voor het ondergronds bedrijf een nieuwe ontginningsgrens overeengekomen. Deze wordt gevormd door de op aangehechte kaart oostelijk van de landsgrens, resp. oude ontginningsgrens van 1939 lopende nieuwe grenslijn. Als ontginningsgrens naar de diepte wordt voor de in lid 1, onder a), genoemde veldgedeelten het niveau -800 m Nieuw-Amsterdams Peil vastgesteld.

4.

De ontginningsgrens voor de in lid 1, onder a), genoemde veldgedeelten mag van Duitse zijde worden overschreden en wel:

Artikel II

De grensmuur als bedoeld in het Duits-Nederlandse Verdrag van 17 mei 1939 komt te vervallen, voor zover deze binnen de in artikel I, eerste lid, vastgestelde begrenzing ligt.

De van Nederlandse en Duitse zijde in de in artikel I, eerste lid, onder a), bedoelde veldgedeelten gedreven ondergrondse werken moeten minstens op een afstand van 30 m van elkaar liggen. Een vermindering van deze afstand is alleen met vergunning van het bevoegde Toezicht op de mijnen toegelaten. De vergunning mag slechts worden verleend, wanneer een doorbraak tot in de van de andere zijde gedreven en nog openstaande ondergrondse werken uitgesloten is en het Toezicht op de mijnen van het andere land toestemming heeft verleend. De toestemming mag slechts worden geweigerd, wanneer essentiële de ondergrondse veiligheid betreffende redenen tegen een vermindering van de afstand aanwezig zijn.

Bij de in artikel I, eerste lid, onder b), genoemde steenkolenvelden moet aan iedere zijde van de nieuwe ontginningsgrens een grensmuur van 10 m dikte, rechthoekig op die grens gemeten, onontgonnen blijven. Doorbreken, versmallen of wegnemen van deze grensmuur is slechts met vergunning van het bevoegde Toezicht op de mijnen toegelaten. De vergunning mag slechts worden verleend, nadat het Toezicht op de mijnen van het andere land zijn toestemming heeft gegeven.

Artikel III

Voor de in artikel I nader omschreven steenkolenvelden en gedeelten daarvan geldt, voor zover deze van Nederlandse zijde worden ontgonnen, het volgende:

Artikel IV

Het Duitse en het Nederlandse Toezicht op de mijnen zijn verplicht, de ontginning langs de nieuwe ontginningsgrens slechts toe te staan onder voorwaarde, dat de ontginningswerken over een breedte van 500 meter gelegen aan gene zijde van de nieuwe ontginningsgrens op hun eigen mijnkaarten worden overgebracht. Te dien einde zullen de wederzijdse Toezichten op de mijnen de desbetreffende mijnkaarten, die door beëdigde, resp. erkende mijnmeters vervaardigd en regelmatig bijgehouden zullen worden, elk halfjaar uitwisselen, zolang in het gebied ontginning plaats vindt. Daarenboven zal het Nederlandse Toezicht op de mijnen aan het Duitse Toezicht op de mijnen een exemplaar der op dezelfde wijze vervaardigde en bijgehouden mijnkaarten betreffende alle ontginningswerken onder Duits grondgebied ter beschikking stellen. Omtrent de inzage dezer mijnkaarten door derden beslissen de autoriteiten en de rechtbanken van het land, waaraan de mijnkaarten ter beschikking zijn gesteld, overeenkomstig haar eigen bepalingen.

Artikel V

Dit Verdrag zal worden bekrachtigd en de akten van bekrachtiging zullen zo spoedig mogelijk te Bonn worden uitgewisseld.

Artikel VI
1.

Het Verdrag zal in werking treden op de dag van de uitwisseling der akten van bekrachtiging.

2.

Het Verdrag geldt wat betreft de in artikel I, eerste lid, onder a), genoemde veldgedeelten tot 31 december 2032. Het kan telkens naar behoefte worden verlengd.

3.

Voor wat betreft de in artikel Ib) genoemde steenkolenvelden geldt het Verdrag voor onbepaalde tijd.

Ter oorkonde waarvan de hiertoe behoorlijk gevolmachtigde vertegenwoordigers dit Verdrag hebben ondertekend en van hun zegels hebben voorzien.

Gedaan in tweevoud te Bonn, de 18e Januari 1952, in de Nederlandse en in de Duitse taal, welke beide teksten gelijkelijk authentiek zijn.

(w.g.) VAN DEN BRINK

(w.g.) LUDWIG ERHARD

(w.g.) VON SCHLÜTTER

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.