Verdrag tot eenmaking van enige regelen betreffende de strafrechtelijke bevoegdheid in zaken van aanvaring en andere scheepvaartongevallen

Type Verdrag
Publication 1971-12-27
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

De wenselijkheid erkend hebbende in gemeen overleg enige eenvormige regelen vast te stellen betreffende de strafrechtelijke bevoegdheid in zaken van aanvaring en andere scheepvaartongevallen, hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1

In geval van een aanvaring of van enig ander scheepvaartongeval, waarbij een zeeschip is betrokken en waarbij de strafrechtelijke of tuchtrechtelijke aansprakelijkheid van de kapitein of van enige andere persoon in dienst van het schip in het geding is, kan een strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vervolging alleen worden ingesteld ten overstaan van de gerechtelijke of administratieve autoriteiten van de Staat waarvan het schip op het tijdstip van de aanvaring of een ander scheepvaartongeval de vlag voerde.

Artikel 2

In het geval bedoeld in het voorgaande artikel kan een schip niet worden in beslag genomen noch worden vastgehouden, zelfs niet bij wijze van maatregel van onderzoek, door de autoriteiten van een ander land dan dat welks vlag het schip voerde.

Artikel 3

Geen bepaling van dit Verdrag belet een Staat zijn eigen autoriteiten de bevoegdheid te verlenen in geval van aanvaring of van een ander scheepvaartongeval maatregelen te treffen met betrekking tot de bewijzen van bevoegdheid en de vergunningen die hij heeft verleend, of zijn eigen onderdanen te vervolgen voor overtredingen die zij hebben begaan terwijl zij zich aan boord bevonden van een schip dat de vlag van een andere Staat voerde.

Artikel 4

Dit Verdrag is niet van toepassing op aanvaringen of andere scheepvaartongevallen die hebben plaatsgevonden in havens, op reden en op binnenwateren.

Daarnevens kunnen de Hoge Verdragsluitende Partijen bij de ondertekening, bij de nederlegging van de akten van bekrachtiging of van toetreding tot het Verdrag zich het recht voorbehouden overtredingen te vervolgen die op hun eigen territoriale wateren zijn begaan.

Artikel 5

De Hoge Verdragsluitende Partijen nemen de verplichting op zich alle geschillen tussen Staten die kunnen voortvloeien uit de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag aan een scheidsrechterlijke uitspraak te onderwerpen, onverminderd evenwel de verplichtingen van de Hoge Verdragsluitende Partijen die zijn overeengekomen hun geschillen voor te leggen aan het Internationale Hof van Justitie.

Artikel 6

Dit Verdrag staat ter ondertekening open voor de Staten, vertegenwoordigd op de negende Diplomatieke Zeerechtconferentie. Het proces-verbaal van ondertekening wordt opgemaakt door de zorg van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België.

Artikel 7

Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd en de akten van bekrachiging worden nedergelegd bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België; dit geeft van die nederlegging kennis aan alle ondertekenende en toetredende Staten.

Artikel 8

a). Dit Verdrag treedt in werking zodra twee Staten het hebben bekrachtigd, zes maanden na de datum van nederlegging van de tweede akte van bekrachtiging.

b). Voor elke ondertekenende Staat die het Verdrag bekrachtigt na de nederlegging van de tweede akte van bekrachtiging treedt het in werking zes maanden na de datum van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging.

Artikel 9

Elke Staat die niet vertegenwoordigd is geweest op de negende Diplomatieke Zeerechtconferentie, kan tot dit Verdrag toetreden.

De toetredingen worden medegedeeld aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België; dit stelt langs de diplomatieke weg alle ondertekenende en toetredende Staten daarvan in kennis.

Het Verdrag treedt voor de toetredende Staat in werking zes maanden na ontvangst van die mededeling, doch niet vóór de dag van zijn inwerkingtreding overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, a).

Artikel 10

Elke Hoge Verdragsluitende Partij kan, na verloop van drie jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag te haren opzichte, de bijeenroeping verzoeken van een Conferentie die tot taak zal hebben te beslissen over voorstellen tot herziening van dit Verdrag.

Elke Hoge Verdragsluitende Partij die van deze bevoegdheid gebruik wenst te maken doet daarvan mededeling aan de Belgische Regering; deze belast zich met het bijeenroepen van de Conferentie binnen zes maanden.

Artikel 11

Elke Hoge Verdragsluitende Partij heeft het recht dit Verdrag op elk tijdstip nadat het voor haar in werking is getreden op te zeggen. Deze opzegging wordt van kracht een jaar na de datum van ontvangst door de Belgische Regering van de kennisgeving van opzegging; deze stelt de andere Verdragsluitende Partijen langs de diplomatieke weg daarvan in kennis.

Artikel 12

a). Elke Hoge Verdragsluitende Partij kan bij de bekrachtiging van of de toetreding tot dit Verdrag of op elk later tijdstip de Belgische Regering er schriftelijk van in kennis stellen dat dit Verdrag toepasselijk is op alle gebieden of op bepaalde gebieden voor welker internationale betrekkingen zij verantwoordelijk is. Het Verdrag wordt op die gebieden van toepassing zes maanden na de datum van ontvangst van die mededeling door het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België, doch niet vóór de dag van inwerkingtreding van dit Verdrag ten opzichte van die Hoge Verdragsluitende Partij.

b). Iedere Hoge Verdragsluitende Partij die een verklaring heeft afgelegd als bedoeld onder a) van dit artikel kan op elk tijdstip het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België ervan in kennis stellen dat het Verdrag niet langer op het desbetreffende gebied van toepassing is. Deze opzegging wordt van kracht na verloop van een jaar na de ontvangst van de mededeling door het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België.

c). Het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België stelt langs de diplomatieke weg alle ondertekenende en toetredende Staten in kennis van elke mededeling die het heeft ontvangen ingevolge dit artikel.

DONE at Brussels, in a single copy, May 10, 1952, in the French and English languages, the two texts being equally authentic.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.