Europese Overeenkomst betreffende de douanebehandeling van laadborden gebruikt bij internationaal vervoer
De Overeenkomstsluitende Partijen,
Gelet op de uitbreiding van het gebruik van laadborden in het internationale vervoer, voornamelijk als gevolg van het gemeenschappelijk gebruik van laadborden;
Bezield door de wens deze uitbreiding te bevorderen teneinde het internationale vervoer te vergemakkelijken en de kosten daarvan te verminderen;
Zijn het volgende overeengekomen:
HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan:
- a. onder „rechten en heffingen terzake van de invoer”: niet alleen invoerrechten, doch tevens alle rechten en heffingen, onder welke naam ook, die terzake van de invoer worden geheven;
- b. onder „laadbord”: een constructie op de vloer waarvan een bepaalde hoeveelheid goederen kan worden bijeen geplaatst teneinde als een eenheid te kunnen worden behandeld met het oog op het vervoer, het laden en lossen of het opstapelen met behulp van mechanische werktuigen. Deze constructie bestaat of wel uit twee door verbindingsstukken aan elkander bevestigde vloeren, ofwel uit een op poten rustende vloer; de totale hoogte is zo gering mogelijk, doch voldoende voor het vervoer en voor het laden en lossen met vorktrucks of met hefwagens; het laadbord kan al dan niet van een bovenbouw zijn voorzien;
- c. onder „personen”: zowel natuurlijke als rechtspersonen.
Deze Overeenkomst is van toepassing op laadborden die in het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij worden ingevoerd vanuit het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij.
Artikel 2
Iedere Overeenkomstsluitende Partij laat laadborden met vrijstelling van rechten en heffingen terzake van de invoer toe, zonder toepassing van invoerverboden of -beperkingen, op voorwaarde:
- a. dat zij voordien werden uitgevoerd of later weder zullen worden uitgevoerd; of
- b. dat een gelijk aantal laadborden van dezelfde soort en van ongeveer dezelfde waarde voordien werd uitgevoerd of later zal worden uitgevoerd.
Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 3 van deze Overeenkomst worden de formaliteiten voor de toepassing van de in lid 1 van dit artikel voorziene regeling bepaald door de voorschriften van elk der Overeenkomstsluitende Partijen. Inzonderheid zullen deze voorschriften bepalingen kunnen bevatten ter voorkoming van definitieve invoer, vrij van rechten en heffingen terzake van de invoer van een groter aantal laadborden dan zijn uitgevoerd of zullen worden uitgevoerd.
Iedere Overeenkomstsluitende Partij streeft er naar de formaliteiten zoveel mogelijk te vereenvoudigen en, inzonderheid, geen zekerheidstelling te eisen voor de rechten en heffingen terzake van de invoer.
Artikel 3
Iedere Overeenkomstsluitende Partij zal de bepalingen van artikel 2, lid 1, van deze Overeenkomst toepassen zonder bij de invoer en de uitvoer een douanedocument te doen overleggen of een zekerheidstelling te eisen voor de rechten en heffingen terzake van de invoer, voor laadborden die gemeenschappelijk worden gebruikt op grond van een contract krachtens hetwelk de belanghebbenden:
- a. onderling, van land tot land, laadborden van dezelfde soort uitwisselen in het kader van verrichtingen die internationaal goederenvervoer omvatten;
- b. voor elke soort laadbord rekeningen bijhouden van de aantallen aldus van land tot land uitgewisselde laadborden; en
- c. de verplichting op zich nemen, elkander binnen een bepaalde termijn het aantal laadborden van elke soort te leveren, dat nodig is om met regelmatige tussenpozen op bilaterale of multilaterale grondslag de saldi van de aldus bijgehouden rekeningen te vereffenen.
De bepalingen van het eerste lid van dit artikel worden slechts toegepast wanneer:
- a. op de laadborden een kenmerk voorkomt zoals is voorzien in het contract tot gemeenschappelijk gebruik, en
- b. het contract tot gemeenschappelijk gebruik is medegedeeld aan de douane-administraties van de betrokken Overeenkomstsluitende Partijen en die administraties voornoemd contract aanvaardbaar hebben geacht op grond van het feit dat zij van oordeel zijn dat de soorten laadborden voldoende nauwkeurig omschreven zijn en dat de juiste uitvoering van het contract voldoende is gewaarborgd.
Artikel 4
Iedere Overeenkomstsluitende Partij behoudt zich het recht voor, binnenlandse rechten en belastingen te heffen, evenals, in voorkomende gevallen, rechten en heffingen terzake van de invoer die in haar land verschuldigd zijn voor laadborden die het onderwerp uitmaken van een aankoop of van een soortgelijke transactie door personen wonende of gevestigd op haar grondgebied. Iedere Overeenkomstsluitende Partij behoudt zich eveneens het recht voor, met betrekking tot laadborden die met toepassing van deze Overeenkomst worden uitgevoerd teruggaaf van rechten en belastingen te weigeren, alsook het geheel of gedeeltelijk verlenen van andere voordelen welke bij de uitvoer zijn voorzien.
Artikel 5
Deze Overeenkomst verhindert voor de uitvoer en de uitvoer van laadborden niet de toekenning van verdergaande faciliteiten dan hierin voorzien.
HOOFDSTUK II. Slotbepalingen
Artikel 6
De landen die lid zijn van de Economische Commissie voor Europa, alsmede de landen die overeenkomstig paragraaf 8 van het mandaat dezer Commissie met adviserende bevoegdheid tot de Commissie zijn toegelaten, kunnen Partij bij deze Overeenkomst worden:
- a. door ondertekening;
- b. door bekrachtiging na ondertekenen onder voorbehoud van bekrachtiging;
- c. door toetreding.
De landen die ingevolge paragraaf 11 van het mandaat van de Economische Commissie voor Europa in aanmerking komen om aan bepaalde werkzaamheden van deze Commissie deel te nemen, kunnen Partij bij deze Overeenkomst worden door tot de Overeenkomst toe te treden na haar inwerkingtreding.
De Overeenkomst staat tot en met 15 maart 1961 open voor ondertekening. Na deze datum staat zij open voor toetreding.
De bekrachtiging of de toetreding geschiedt door nederlegging van een akte bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Artikel 7
Deze Overeenkomst treedt in werking op de negentigste dag nadat vijf van de in het eerste lid van artikel 6 bedoelde landen haar hebben ondertekend zonder voorbehoud van bekrachtiging of hun akte van bekrachtiging of van toetreding hebben nedergelegd.
Met betrekking tot elk land dat deze Overeenkomst heeft bekrachtigd of tot de Overeenkomst is toegetreden nadat vijf landen haar hebben ondertekend zonder voorbehoud van bekrachtiging of hun akte van bekrachtiging of van toetreding hebben nedergelegd, treedt de Overeenkomst in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of van toetreding.
Artikel 8
Deze Overeenkomst kan door elke Overeenkomstsluitende Partij worden opgezegd door een daartoe strekkende kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
De opzegging wordt van kracht vijftien maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving van opzegging door de Secretaris-Generaal.
Artikel 9
Deze Overeenkomst houdt op van kracht te zijn, indien na haar inwerkingtreding het aantal Overeenkomstsluitende Partijen gedurende een tijdvak van twaalf opeenvolgende maanden minder dan vijf bedraagt.
Artikel 10
Elk land kan, ten tijde van de ondertekening van deze Overeenkomst zonder voorbehoud van bekrachtiging of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of van toetreding of te eniger tijd daarna, door middel van een kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties verklaren, dat deze Overeenkomst van toepassing zal zijn ten aanzien van alle of een deel van de gebieden, wier internationale betrekkingen het behartigt. Deze Overeenkomst is ten aanzien van het gebied of de gebieden in de kennisgeving vermeld van toepassing met ingang van de negentigste dag na ontvangst van deze kennisgeving door de Secretaris-Generaal of wel, indien de Overeenkomst op die dag nog niet in werking is getreden, met ingang van de datum van haar inwerkingtreding.
Elk land dat overeenkomstig het voorgaande lid een verklaring heeft afgelegd waardoor deze Overeenkomst van toepassing wordt ten aanzien van een gebied welks internationale betrekkingen het behartigt, kan de Overeenkomst met betrekking tot dit gebied afzonderlijk opzeggen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 8.
Artikel 11
Elk geschil tussen twee of meer Overeenkomstsluitende Partijen betreffende de uitlegging of de toepassing van deze Overeenkomst wordt zoveel mogelijk beslecht door middel van onderhandelingen tussen de Partijen waartussen het geschil is gerezen.
Elk geschil dat niet is beslecht door middel van onderhandelingen, wordt aan een scheidsrechterlijke uitspraak onderworpen indien een der Overeenkomstsluitende Partijen waartussen het geschil is gerezen, zulks verzoekt, en zal dienovereenkomstig worden verwezen naar een of meer scheidsrechters die door de Partijen waartussen het geschil is gerezen in gemeen overleg zijn gekozen. Indien binnen drie maanden na de datum van het verzoek om een scheidsrechterlijke uitspraak de Partijen waartussen het geschil is gerezen niet tot overeenstemming zijn gekomen omtrent de keuze van een of meer scheidsrechters, kan een van die Partijen de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties verzoeken één scheidsrechter aan te wijzen, naar wie het geschil ter beslechting zal worden verwezen.
De uitspraak van de overeenkomstig het tweede lid van dit artikel aangewezen scheidsrechter of scheidsrechters is bindend voor de betrokken Overeenkomstsluitende Partijen.
Artikel 12
Elk land kan op het ogenblik waarop het deze Overeenkomst ondertekent of bekrachtigt of tot deze Overeenkomst toetreedt, verklaren dat het zich niet gebonden acht aan de leden 2 en 3 van artikel 11 van de Overeenkomst. De andere Overeenkomstsluitende Partijen zijn niet gebonden aan deze leden tegenover elke Overeenkomstsluitende Partij die een zodanig voorbehoud heeft gemaakt.
Elke Overeenkomstsluitende Partij die overeenkomstig het eerste lid van dit artikel een voorbehoud heeft gemaakt, kan dit voorbehoud te allen tijde intrekken door middel van een kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Behoudens de voorbehouden bedoeld in lid 1 van dit artikel, is geen enkel voorbehoud op deze Overeenkomst toegelaten.
Artikel 13
Nadat deze Overeenkomst gedurende drie jaren van kracht is geweest, kan elke Overeenkomstsluitende Partij door een kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties de bijeenroeping van een conferentie verzoeken, teneinde deze Overeenkomst te herzien. De Secretaris-Generaal doet van dit verzoek mededeling aan alle Overeenkomstsluitende Partijen en zal een herzieningsconferentie bijeenroepen, indien binnen een termijn van vier maanden, te rekenen van de door hem verzonden mededeling af, ten minste een derde van de Overeenkomstsluitende Partijen hem hun instemming met dit verzoek hebben kenbaar gemaakt.
Indien overeenkomstig het voorgaande lid een conferentie wordt bijeengeroepen, stelt de Secretaris-Generaal hiervan alle Overeenkomstsluitende Partijen op de hoogte en nodigt hen uit binnen drie maanden voorstellen in te dienen, waarvan zij behandeling door de conferentie wensen. De Secretaris-Generaal deelt uiterlijk drie maanden voor de aanvang van de conferentie aan alle Overeenkomstsluitende Partijen de voorlopige agenda van de conferentie mede, alsmede de tekst der voorstellen.
De Secretaris-Generaal nodigt alle in het eerste lid van artikel 6 bedoelde landen, alsmede de landen die krachtens artikel 6, lid 2, Overeenkomstsluitende Partij zijn geworden, uit tot bijwoning van elke conferentie die overeenkomstig dit artikel wordt bijeengeroepen.
Artikel 14
Elke Overeenkomstsluitende Partij kan een of meer wijzigingen van deze Overeenkomst voorstellen. De tekst van elke voorgestelde wijziging van deze Overeenkomst wordt ingediend bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die deze tekst ter kennis brengt van alle Overeenkomstsluitende Partijen, alsmede van de overige in het eerste lid van artikel 6 bedoelde landen.
Binnen zes maanden na de datum waarop de Secretaris-Generaal de voorgestelde wijziging heeft medegedeeld, kan elke Overeenkomstsluitende Partij aan de Secretaris-Generaal te kennen geven:
- a. hetzij dat zij bezwaar heeft tegen de voorgestelde wijziging;
- b. hetzij dat, hoewel zij voornemens is het voorstel te aanvaarden, de voorwaarden voor de aanvaarding in haar land nog niet zijn vervuld.
De Overeenkomstsluitende Partij die de hiervoor in lid 2 sub b) bedoelde mededeling heeft gedaan kan, zolang zij de Secretaris-Generaal nog niet van haar aanvaarding van de voorgestelde wijziging kennis heeft gegeven, bezwaar indienen tegen de voorgestelde wijziging, binnen negen maanden na het verstrijken van de termijn van zes maanden voorzien voor de mededeling.
Indien overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel bezwaar tegen de voorgestelde wijziging is ingediend, wordt de wijziging geacht niet te zijn aanvaard en heeft zij geen gevolg.
Indien tegen de voorgestelde wijziging geen bezwaar is ingediend overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel, wordt de wijziging geacht te zijn aanvaard op het volgende tijdstip:
- a. indien geen der Overeenkomstsluitende Partijen een mededeling heeft gedaan overeenkomstig lid 2 sub b) van dit artikel: na het verstrijken van de termijn van zes maanden bedoeld in lid 2;
- b. indien een Overeenkomstsluitende Partij een mededeling heeft gedaan aan de Secretaris-Generaal overeenkomstig lid 2 sub b) van dit artikel: op het vroegste van de volgende twee tijdstippen:
- -. het tijdstip waarop alle Overeenkomstsluitende Partijen die een zodanige mededeling hebben gedaan, de Secretaris-Generaal van hun aanvaarding van het voorstel kennis hebben gegeven, met dien verstande dat indien van alle aanvaardingen mededeling is gedaan voor het verstrijken van de termijn van zes maanden bedoeld in lid 2, dit tijdstip zal worden beschouwd als het tijdstip waarop bedoelde termijn van 6 maanden afloopt;
- -. het tijdstip waarop de termijn van negen maanden bedoeld in lid 3 van dit artikel afloopt.
Elke wijziging die geacht wordt te zijn aanvaard, wordt van kracht zes maanden na het tijdstip waarop zij geacht werd aanvaard te zijn.
De Secretaris-Generaal deelt alle Overeenkomstsluitende Partijen zo spoedig mogelijk mede of er bezwaar tegen de voorgestelde wijziging is ingediend overeenkomstig lid 2 sub a) van dit artikel en of een of meer Overeenkomstsluitende Partijen een mededeling overeenkomstig b) van dat lid tot hem hebben gericht. In het geval dat een of meer Overeenkomstsluitende Partijen een zodanige mededeling hebben gedaan, doet hij vervolgens aan alle Overeenkomstsluitende Partijen weten of de Overeenkomstsluitende Partijen die een zodanige mededeling hebben gedaan een bezwaar tegen de ontworpen wijziging inbrengen dan wel de wijziging aanvaarden.
Artikel 15
Behalve van de in de artikelen 13 en 14 van deze Overeenkomst bedoelde kennisgevingen doet de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties aan alle in het eerste lid van artikel 6 bedoelde landen, alsmede aan de landen welke krachtens artikel 6, lid 2, Overeenkomstsluitende Partij zijn geworden mededeling van:
- a. ondertekeningen, bekrachtigingen en toetredingen krachtens artikel 6;
- b. de data waarop overeenkomstig artikel 7 deze Overeenkomst in werking treedt;
- c. opzeggingen krachtens artikel 8;
- d. het overeenkomstig artikel 9 buiten werking treden van deze Overeenkomst;
- e. de overeenkomstig artikel 10 ontvangen kennisgevingen;
- f. de overeenkomstig artikel 12, leden 1 en 2, ontvangen verklaringen en kennisgevingen;
- g. de inwerkingtreding van elke wijziging overeenkomstig artikel 14.
Artikel 16
Na 15 maart 1961 wordt het originele exemplaar van deze Overeenkomst nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die daarvan aan alle in artikel 6, leden 1 en 2, bedoelde landen voor eensluidend gewaarmerkte afschriften doet toekomen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.