Verdrag ter vereenvoudiging van grensformaliteiten vervoer van reizigers en bagage per spoorweg

Type Verdrag
Publication 1953-04-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De ondergetekenden, behoorlijk gemachtigd,

Bijeengekomen te Genève, onder de auspiciën van de Economische Commissie voor Europa,

Teneinde de grensoverschrijding van reizigers en bagage, welke per spoor worden vervoerd, te vergemakkelijken,

Hebben omtrent de volgende bepalingen overeenstemming bereikt:

HOOFDSTUK I. Instelling en régime van grensstations waar de nationale contrôles door twee aangrenzende landen worden uitgevoerd

Artikel 1
1.

Voor elke spoorlijn, waarlangs een aanzienlijk aantal internationale reizigers wordt vervoerd en welke de grens tussen twee aangrenzende landen kruist, onderzoeken de bevoegde autoriteiten van die landen, in alle gevallen waarin de contrôles niet op bevredigende wijze in de rijdende treinen kunnen worden uitgevoerd, gezamenlijk de mogelijkheid om in onderling overleg een in de nabijheid van genoemde grens gelegen station aan te wijzen, waar de in de wetgeving van beide landen voorziene contrôles met betrekking tot het binnenkomen en het uitgaan van reizigers en van bagage zullen plaats vinden.

2.

Indien twee aangrenzende landen verscheidene stations van deze aard langs hun gemeenschappelijke grens aanwijzen, zullen deze stations zoveel mogelijk in gelijk aantal aan elke zijde van genoemde grens zijn gelegen.

Artikel 2
1.

Telkens als een station overeenkomstig artikel 1 is aangewezen, wordt een zone vastgesteld, waarbinnen de ambtenaren en beambten van de bevoegde administraties van het land, grenzende aan het grondgebied waarop dat station is gelegen (hierna genoemd: „aangrenzend land”), het recht hebben reizigers, die de grens in de ene of in de andere richting overschrijden, en hun bagage, alsmede met internationale personentreinen vervoerde colli te controleren.

2.

Deze zone omvat in het algemeen:

Artikel 3

De toepassing, binnen de overeenkomstig artikel 2 vastgestelde zone, van de wettelijke en reglementaire bepalingen van het aangrenzende land, alsmede de bevoegdheden, rechten en verplichtingen, welke de ambtenaren en beambten van de bevoegde administraties van dat land in die zone hebben, maken het onderwerp uit van bilaterale overeenkomsten tussen de bevoegde autoriteiten van de betrokken landen.

Artikel 4
1.

De bevoegde administraties van de betrokken landen wijzen bij bijzondere overeenkomsten de ruimten aan, welke voor de diensten van het aangrenzende land binnen genoemde zone nodig zijn, en stellen de voorwaarden vast, waaronder de spoorwegadministratie van het land, op welks grondgebied het station is gelegen, voor bedoelde ruimten zorg draagt voor meubilair, verlichting, verwarming, schoonhouden, telefoonverbindingen, enz.

2.

De voorwerpen, welke de diensten van het aangrenzende land nodig hebben om hun taak te vervullen, worden tijdelijk ingevoerd en weder uitgevoerd met vrijstelling van alle rechten en heffingen, mits deze voorwerpen op regelmatige wijze worden aangegeven. Bepalingen, welke de invoer of de uitvoer verbieden of beperken, zijn op deze voorwerpen niet van toepassing.

Artikel 5
1.

De ruimten, welke binnen de overeenkomstig artikel 2 vastgestelde zone bestemd zijn voor de diensten van het aangrenzende land, kunnen aan de buitenzijde worden voorzien van een opschrift en een wapenschild met de nationale kleuren van dat land.

2.

De ambtenaren en beambten van de bevoegde administraties van het aangrenzende land dienen het nationale dienstuniform of het bij de reglementen van dat land voorgeschreven onderscheidingsteken te dragen.

3.

De ambtenaren en beambten van de bevoegde administraties van het aangrenzende land, die zich voor de uitvoering van de in deze overeenkomst bedoelde contrôles naar het station moeten begeven, zijn vrijgesteld van paspoortformaliteiten. De overlegging van te hunnen name gestelde officiële stukken is voldoende om hun nationaliteit, hun identiteit, hun rang en de aard van hun functie aan te tonen.

4.

De ambtenaren en beambten, bedoeld in het tweede en derde lid van dit artikel, genieten in de uitoefening van hun dienst dezelfde bescherming en bijstand als soortgelijke ambtenaren en beambten van het land op welks grondgebied het station is gelegen.

5.

Bij de in artikel 3 bedoelde bilaterale overeenkomsten kunnen vrijstellingen van belastingen en heffingen worden verleend aan de ambtenaren en beambten van het aangrenzende land, die verblijven in het land op welks grondgebied het station is gelegen.

6.

De in artikel 3 bedoelde bilaterale overeenkomsten zullen bepalen:

Artikel 6
1.

Indien doorgaande rijtuigen worden gebruikt, welke van gangen zijn voorzien en bovendien zodanig onderling zijn verbonden dat men zich rechtstreeks van het ene rijtuig naar het andere kan begeven, worden de contrôles in beginsel in de rijtuigen zelf uitgevoerd. De ambtenaren en beambten van de spoorwegen verlenen de nodige hulp, teneinde een doeltreffende en snelle contrôle te verzekeren. Zij verlenen inzonderheid hun medewerking om te voorkomen, dat reizigers, die aan de contrôles zijn onderworpen, de trein verlaten of in de rijtuigen heen en weer lopen, zolang de contrôles niet zijn beëindigd. Bij uitzondering vinden de contrôles plaats in de visitatiezaal van het station, indien de betrokken administratie zulks noodzakelijk acht.

2.

De contrôles, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, vinden in beginsel in de onderstaande volgorde plaats:

3.

De contrôles door de ambtenaren en beambten van het land van binnenkomst kunnen slechts worden uitgevoerd in die gedeelten van de trein, die reeds door de ambtenaren en beambten van het land van uitgang zijn gecontroleerd; laatstgenoemden mogen, behoudens bijzondere bepalingen vervat in de bilaterale overeenkomsten, geen contrôle meer uitoefenen in de gedeelten van de trein, die zij hebben vrijgegeven.

4.

Voor internationale treinen van normale samenstelling, namelijk van tien tot twaalf rijtuigen, die niet overbezet zijn, dient het oponthoud aan het station, nodig voor de uitvoering van bedoelde contrôles, in beginsel niet langer dan veertig minuten te duren; voor kortere treinen, in het bijzonder voor „autorails”, wordt het oponthoud zoveel mogelijk bekort.

5.

Met het oog op de uitvoering van de in het vierde lid van dit artikel vervatte bepalingen stellen de spoorwegadministraties de bevoegde autoriteiten van het land van binnenkomst en van het land van uitgang tijdig in kennis van de wijzigingen betreffende de frequentie, de dienstregeling en de samenstelling van de internationale treinen.

Artikel 7

Voorzover op het grondgebied van de Verdragsluitende Partijen een deviezencontrôle wordt toegepast, wordt die contrôle uitgevoerd binnen de in artikel 6, vierde lid, bepaalde tijdsduur. De betrokken autoriteiten streven er naar die contrôle op zodanige wijze te organiseren, dat daaruit geen extra ongemak voor de reizigers voortvloeit.

Artikel 8

De Verdragsluitende Partijen leggen ten behoeve van de spoorwegdiensten langs alle belangrijke spoorlijnen rechtstreekse telefoonverbindingen aan tussen de grensstations van de aangrenzende landen en treffen maatregelen om telefoonaansluitingen voor privé-gebruik te vergemakkelijken en te bespoedigen. Het recht tot het aanleggen van rechtstreekse telefoonverbindingen kan bij bilaterale overeenkomst worden uitgebreid tot andere openbare diensten.

HOOFDSTUK II. Politie- en douanecontrôles in rijdende treinen

Artikel 9
1.

Mits zulks doeltreffender en tevens voor de reizigers gunstiger blijkt te zijn, worden de politie- en douanecontrôles zoveel mogelijk in rijdende internationale treinen uitgevoerd:

2.

Indien het ter bespoediging van de contrôlewerkzaamheden of ter vermijding van het stoppen aan de grenzen noodzakelijk wordt geacht de ambtenaren en beambten van één van de aangrenzende landen te machtigen om de internationale treinen op het grondgebied van het andere aangrenzende land te betreden en in die treinen op het gebied van dat land contrôles uit te voeren, stellen de bevoegde autoriteiten van die landen bij bilaterale overeenkomst de voorwaarden vast, waaronder die werkzaamheden worden verricht.

3.

In internationale treinen vindt de contrôle van de ingeschreven bagage, voorzover deze bagage niet wordt vervoerd onder het in artikel 10 bedoelde régime voor internationale doorvoer, zoveel mogelijk tijdens het rijden plaats, mits zodanige contrôle voordelen biedt voor de reizigers, die dergelijke bagage met zich voeren.

4.

De wijze van toepassing van de bepalingen van dit artikel maakt het onderwerp uit van regelingen tussen de bevoegde administraties van de Verdragsluitende Partijen.

HOOFDSTUK III. Internationaal vervoer onder douanerégime van bagage en colli, welke in de internationale personentreinen zijn toegelaten

Artikel 10
1.

Teneinde in beginsel het onderzoek te vermijden van ingeschreven bagage, toebehorende aan reizigers, die zich op doorreis op het grondgebied van een land bevinden, alsmede van colli, welke met internationale personentreinen worden doorgevoerd, treffen de douane-administraties en de andere betrokken administraties van de Verdragsluitende Partijen in overleg met de spoorwegadministraties van die landen bijzondere maatregelen, zoals het verzegelen van goederenwagons of gedeelten daarvan, van containers, manden of zakken, waarin zodanige bagage wordt vervoerd, of het verzegelen van de colli zelf, mits vooraf een internationale douaneverklaring is opgemaakt.

2.

In overleg met de spoorwegadministraties van de betrokken landen vestigen de douane-administraties en de andere betrokken administraties van die landen, voorzoveel mogelijk, kantoren in de in het binnenland gelegen stations, waar het internationale verkeer bijzonder belangrijk is, teneinde de douanebehandeling en de andere contrôles van ingeschreven bagage en van colli, welke met personentreinen worden vervoerd, mogelijk te maken, hetzij vóór het vertrek uit die stations, hetzij na de aankomst in genoemde stations. Het vervoer van die bagage en colli, hetzij van één van die in het binnenland gelegen stations naar het grensstation of in omgekeerde richting, hetzij tussen twee aan weerszijden van de grens in het binnenland gelegen stations, kan plaats vinden onder het in het eerste lid van dit artikel bedoelde régime voor internationale doorvoer.

3.

De spoorwegadministraties streven er naar de douanebehandeling en de andere contrôles van ingeschreven bagage en van door internationale personentreinen vervoerde colli zoveel mogelijk te doen plaats hebben vóór de inlading op het station van afzending.

4.

Indien de douanebehandeling en de andere contrôles van de colli niet op de grensstations kunnen worden verricht binnen de in artikel 6, vierde lid, bepaalde tijdsduur, worden zij uitgeladen en zal de trein niet extra worden opgehouden.

5.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende bepalingen:

6.

Dit model van een internationale douaneverklaring kan worden gewijzigd volgens de vereenvoudigde procedure, bedoeld in artikel 16 van deze overeenkomst.

HOOFDSTUK IV. Contrôlefaciliteiten

Artikel 11
1.

Personen, die per trein reizen, genieten dezelfde douanefaciliteiten als reizigers, die de grens met andere vervoermiddelen overschrijden.

2.

De ambtenaren en beambten, belast met de contrôle, treffen alle nodige maatregelen om te voorkomen dat een trein wordt opgehouden in geval van moeilijkheden of geschillen, welke slechts een gering aantal reizigers van die trein betreffen.

HOOFDSTUK V. Slotbepalingen

Artikel 12
1.

Nadat dit Verdrag heden is ondertekend kunnen de landen, die deelnemen aan de werkzaamheden van de Economische Commissie voor Europa, tot dit Verdrag toetreden.

2.

De akten van toetreding en, eventueel, de akten van bekrachtiging, zullen worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die alle landen, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, daarvan in kennis zal stellen.

Artikel 13

Dit Verdrag kan worden opgezegd met inachtneming van een termijn van zes maanden, door middel van een kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die de andere Verdragsluitende Partijen van deze opzegging in kennis zal stellen. Na afloop van bedoelde termijn van zes maanden houdt het Verdrag op van kracht te zijn met betrekking tot de Verdragsluitende Partij, welke het Verdrag heeft opgezegd.

Artikel 14
1.

Dit Verdrag treedt in werking wanneer drie van de landen, bedoeld in artikel 12, eerste lid, Partij bij dit Verdrag zijn geworden.

2.

Dit Verdrag houdt op van kracht te zijn, indien te eniger tijd het aantal Verdragsluitende Partijen minder dan drie bedraagt.

Artikel 15

Elk geschil tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen nopens de interpretatie of de toepassing van dit Verdrag, hetwelk de Partijen niet door middel van onderhandelingen of op een andere wijze hebben kunnen regelen, kan op verzoek van één van de betrokken Verdragsluitende Partijen ter beslissing worden voorgelegd aan een scheidsrechterlijke commissie, voor welke commissie iedere partij in het geschil één lid zal aanwijzen, en waarvan de voorzitter, die een beslissende stem zal hebben, zal worden benoemd door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 16

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.