← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag inzake de visserij en de instandhouding van de levende rijkdommen van de volle zee

Geldende tekst a fecha 1970-01-02

De staten die partij zijn bij dit Verdrag,

Overwegende, dat de ontwikkeling van de moderne techniek tot exploitatie van de levende rijkdommen der zee, welke techniek de mogelijkheid vergroot om tegemoet te komen aan de toenemende behoefte aan voedsel van een groeiende wereldbevolking, sommige van deze rijkdommen blootstelt aan het gevaar van een overmatige exploitatie,

Eveneens overwegende, dat de problemen verbonden aan het behoud van de levende rijkdommen van de volle zee van zodanige aard zijn, dat het noodzakelijk is deze, waar mogelijk, op de grondslag van internationale samenwerking door gezamenlijk handelen van alle betrokken staten op te lossen,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1
1.

Alle staten hebben ten behoeve van hun onderdanen het recht om de visserij op de volle zee uit te oefenen, onder inachtneming van a hun verdragsrechtelijke verplichtingen, b de belangen en rechten van kuststaten zoals neergelegd in dit Verdrag en c de bepalingen vervat in de volgende artikelen betreffende de instandhouding van de levende rijkdommen van de volle zee.

2.

Op alle staten rust de plicht om, zelf of in samenwerking met andere staten, die maatregelen jegens hun onderdanen te treffen, welke nodig zijn voor de instandhouding van de levende rijkdommen van de volle zee.

Artikel 2

Met de uitdrukking „instandhouding van de levende rijkdommen van de volle zee" worden in dit Verdrag bedoeld de gezamenlijke maatregelen welke een gedurig optimale opbrengst van deze rijkdommen mogelijk maken, ten einde een maximale toevoer van voedingsmiddelen en andere voortbrengselen van de zee te verzekeren. Programma's voor een dergelijke instandhouding dienen zodanig te worden opgesteld, dat zij er in de eerste plaats op gericht zijn de aanvoer van voedingsmiddelen voor menselijke consumptie te verzekeren.

Artikel 3

Een staat wiens onderdanen de visserij uitoefenen op een of meer visstapels of op andere in zee levende organismen in enig gebied of gebieden van de volle zee waar de onderdanen van andere staten deze visserij niet uitoefenen, zal, indien dit in het belang is van de instandhouding van de betreffende levende rijkdommen, in dat gebied maatregelen nemen jegens zijn eigen onderdanen.

Artikel 4
1.

Indien de onderdanen van twee of meer staten de visserij uitoefenen op dezelfde visstapel of visstapels of op andere in zee levende organismen in enig gebied of gebieden van de volle zee, zullen deze staten op verzoek van een hunner onderhandelingen openen met de bedoeling, jegens hun onderdanen in onderling overleg de maatregelen te treffen noodzakelijk tot instandhouding van de betreffende levende rijkdommen.

2.

Indien de betrokken staten niet binnen twaalf maanden tot overeenstemming komen, kan elk der partijen overgaan tot de procedure bedoeld in artikel 9.

Artikel 5
1.

Indien, nadat de maatregelen bedoeld in de artikelen 3 en 4 zijn genomen, inwoners van andere staten de visvangst op dezelfde visstapel of visstapels of op andere in zee levende organismen in een bepaald gebied of bepaalde gebieden van de volle zee gaan uitoefenen, zullen de andere staten deze zelfde maatregelen, welke noch formeel noch in feite discriminerend mogen zijn, op hun eigen onderdanen toepassen op een tijdstip niet later dan zeven maanden na de datum waarop de Directeur-Generaal van de Voedsel- en Landbouworganisatie der Verenigde Naties van deze maatregelen in kennis is gesteld. De Directeur-Generaal zal iedere staat die dit verzoekt en in ieder geval iedere staat die door de staat welke de maatregel oorspronkelijk heeft genomen, is genoemd, van deze maatregelen in kennis stellen.

2.

Indien deze andere staten de aldus genomen maatregelen niet aanvaarden en indien binnen twaalf maanden geen overeenstemming kan worden bereikt, kan elk der belanghebbende partijen overgaan tot de procedure bedoeld in artikel 9. Met inachtneming van het in lid 2 van artikel 10 bepaalde zullen de genomen maatregelen van kracht blijven zolang de bijzondere commissie nog geen beslissing heeft genomen.

Artikel 6
1.

Een kuststaat heeft een bijzonder belang bij de instandhouding van de produktiviteit van de levende rijkdommen in dat gebied van de volle zee, dat aan zijn eigen territoriale zee grenst.

2.

Een kuststaat is gerechtigd op voet van gelijkheid deel te nemen aan elke vorm van onderzoek en van regeling ter bevordering van de bedoelde instandhouding in dat gebied, ook al wordt de visserij ter plaatse niet door zijn onderdanen uitgeoefend.

3.

Een staat waarvan de onderdanen de visserij uitoefenen in een bepaald deel van de volle zee dat grenst aan de territoriale zee van een kuststaat, zal, op verzoek van die kuststaat, daarmede in onderhandeling treden ten einde in onderling overleg de maatregelen te nemen nodig voor de instandhouding van de levende rijkdommen van de volle zee in dat gebied.

4.

Een staat waarvan de onderdanen de visserij uitoefenen in een bepaald deel van de volle zee dat grenst aan de territoriale zee van een kuststaat, zal in dat gebied geen maatregelen tot instandhouding dwingend voorschrijven, welke in strijd zijn met de maatregelen die de kuststaat heeft genomen, doch kan met de kuststaat in onderhandeling treden ten einde, in onderling overleg, de maatregelen te nemen nodig voor de instandhouding van de levende rijkdommen van de volle zee in dat gebied.

5.

Indien de betrokken staten niet binnen twaalf maanden tot overeenstemming komen over de maatregelen tot instandhouding, kan elk der partijen overgaan tot de procedure bedoeld in artikel 9.

Artikel 7
1.

Met inachtneming van het in lid 1 van artikel 6 bepaalde mag iedere kuststaat, ter instandhouding van de produktiviteit van de levende rijkdommen van de zee, eenzijdig maatregelen nemen met betrekking tot enigerlei visstapel of tot andere in zee levende organismen in enig gebied van de volle zee dat grenst aan zijn territoriale zee, althans indien onderhandelingen omtrent dit punt met de andere belanghebbende staten niet binnen zes maanden tot overeenstemming hebben geleid.

2.

De maatregelen welke de kuststaat krachtens het vorige lid neemt, kunnen alleen dan voor andere staten gelden, als:

3.

Deze maatregelen zullen, hangende een regeling van eventuele geschillen in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag, van kracht blijven.

4.

Indien de maatregelen niet door de andere daarbij betrokken staten worden aanvaard, kan elk der partijen overgaan tot de procedure bedoeld in artikel 9. Met inachtneming van het in lid 2 van artikel 10 bepaalde zullen de genomen maatregelen van kracht blijven totdat de bijzondere commissie een beslissing heeft genomen.

5.

Waar kusten van verschillende staten zijn betrokken, geldt de afbakeningsregeling van artikel 12 van het Verdrag inzake de territoriale zee en de aansluitende zone.

Artikel 8
1.

Een staat die een bijzonder belang heeft bij de instandhouding van de levende rijkdommen van de volle zee in een gebied van de volle zee dat niet aan zijn kust grenst, heeft, zelfs als zijn onderdanen in dat gebied geen visserij uitoefenen, het recht de staat of de staten waarvan de onderdanen de visserij daar uitoefenen, te verzoeken de nodige maatregelen voor instandhouding op grond van de artikelen 3 en 4 te nemen, waarbij hij tegelijkertijd de wetenschappelijke gronden waarop het volgens hem nodig is de bedoelde maatregelen te nemen, en het bijzondere belang dat hij daarbij heeft, dient te vermelden.

2.

Indien binnen twaalf maanden geen overeenstemming wordt bereikt, kan de betreffende staat overgaan tot de procedure bedoeld in artikel 9.

Artikel 9
1.

Ieder geschil dat op grond van de artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 tussen staten ontstaat, zal op verzoek van een der partijen ter beslechting worden voorgelegd aan een bijzondere commissie, bestaande uit vijf leden, tenzij de partijen overeenkomen langs een andere vreedzame weg een oplossing na te streven, zoals voorzien in artikel 33 van het Handvest van de Verenigde Naties.

2.

De leden van de commissie, van wie er één als voorzitter zal worden aangewezen, zullen worden benoemd in onderling overleg tussen de bij het geschil betrokken staten, binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek tot bemiddeling, overeenkomstig het in dit artikel bepaalde. Bij gebrek aan overeenstemming zullen zij op verzoek van een van de staten, partij bij het geschil, worden benoemd door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, binnen een nieuwe periode van drie maanden, in overleg met de staten welke bij het geschil zijn betrokken en met de Voorzitter van het Internationale Gerechtshof en de Directeur-Generaal van de Voedsel- en Landbouworganisatie der Verenigde Naties, uit bekwame personen, behorende tot de onderdanen van staten welke niet bij het geschil zijn betrokken, en gespecialiseerd in juridische, bestuurlijke of wetenschappelijke problemen welke betrekking hebben op de visserij, al naar gelang de aard van het te regelen geschil. Een plaats welke eventueel open valt zal worden bezet op dezelfde wijze als voor de oorspronkelijke benoeming is bepaald.

3.

Iedere staat, partij in een procedure op grond van deze artikelen, heeft het recht een van zijn onderdanen aan de bijzondere commissie toe te voegen, met het recht volledig deel te nemen aan de werkzaamheden op gelijke voet met de leden van de commissie, evenwel zonder stemrecht of recht deel te nemen aan het opstellen van de beslissing van de commissie.

4.

De commissie bepaalt haar eigen werkwijze, waarbij zij elke partij alle gelegenheid geeft te worden gehoord en haar standpunt te verdedigen. Zij bepaalt eveneens hoe de kosten en uitgaven tussen de partijen bij het geschil zullen worden verdeeld, indien de partijen hierover niet tot overeenstemming zijn gekomen.

5.

De bijzondere commissie zal haar beslissing nemen binnen een tijdsbestek van vijf maanden van het moment af waarop zij werd aangewezen, tenzij zij beslist de termijn noodgedwongen met ten hoogste drie maanden te verlengen.

6.

Bij het nemen van beslissingen zal de bijzondere commissie deze artikelen in acht nemen en zich houden aan die bijzondere afspraken, welke de partijen bij het geschil met betrekking tot de regeling daarvan hebben gemaakt.

7.

De commissie neemt haar beslissingen bij meerderheid van stemmen.

Artikel 10
1.

De bijzondere commissie zal bij geschillen welke rijzen bij de toepassing van artikel 7 de maatstaven toepassen welke in lid 2 van dat artikel zijn opgesomd. Bij geschillen welke betrekking hebben op de toepassing van de artikelen 4, 5, 6 en 8 zal de commissie de volgende maatstaven aanleggen, al naar gelang de aard van de geschilpunten:

2.

De bijzondere commissie kan beslissen dat, in afwachting van haar uitspraak, de omstreden maatregelen niet zullen worden toegepast, met dien verstande dat, wanneer het geschillen aangaande artikel 7 betreft, de maatregelen alleen dan zullen worden opgeschort, indien het de commissie, op basis van summiere bewijzen, blijkt, dat de noodzaak voor onverwijlde toepassing van deze maatregelen niet aanwezig is.

Artikel 11

De beslissingen van de bijzondere commissie zijn bindend voor de betrokken staten en de bepalingen van lid 2 van artikel 94 van het Handvest van de Verenigde Naties zijn op die beslissingen van toepassing. Indien de beslissing vergezeld gaat van aanbevelingen, zal hieraan de grootst mogelijke aandacht worden geschonken.

Artikel 12
1.

Indien de feitelijke basis van de beslissing van de bijzondere commissie verandering ondergaat door wijzigingen van betekenis in de omstandigheden van de visstapel of visstapels of van andere in zee levende organismen of in visserijmethoden, kan ieder der betrokken staten de andere staten verzoeken onderhandelingen te openen ten einde bij overeenkomst de nodige wijzigingen in de maatregelen tot instandhouding vast te stellen.

2.

Indien niet binnen redelijke tijd overeenstemming wordt bereikt, kan ieder der betrokken staten opnieuw zijn toevlucht nemen tot de procedure voorzien in artikel 9, op voorwaarde dat minstens twee jaren sinds de oorspronkelijke beslissing verstreken zijn.

Artikel 13
1.

Het reglementeren van de visserij welke wordt uitgeoefend door middel van in de zeebodem verankerde apparatuur in gebieden van de volle zee grenzend aan de territoriale zee van een staat, mag worden ondernomen door die staat, indien deze vorm van visserij reeds sinds lang door zijn onderdanen wordt uitgeoefend, mits het aan hen die geen onderdanen zijn is toegestaan daaraan op voet van gelijkheid met de onderdanen deel te nemen, behalve in gebieden waar deze visserij van oudsher uitsluitend door de onderdanen van die staat is uitgeoefend. Een zodanige reglementering zal evenwel niet van invloed zijn op de algemene status van de betrokken gebieden als volle zee.

2.

Onder „visserij uitgeoefend door middel van in de zeebodem verankerde apparatuur" wordt in dit artikel verstaan die visserij waarbij van tuig wordt gebruik gemaakt, dat wordt bevestigd aan in de zeebodem verankerde steunen, welke constructies hetzij, na op een plaats te zijn opgesteld, permanent in gebruik blijven, hetzij aan het einde van het seizoen worden weggenomen om het volgende seizoen weer op dezelfde plaats te worden opgesteld.

Artikel 14

In de artikelen 1, 3, 4, 5, 6 en 8 wordt onder het begrip „onderdanen" verstaan vissersschepen van welke grootte dan ook, welke volgens de wet van die staat de nationaliteit van de betreffende staat bezitten, onafhankelijk van de nationaliteit van de leden hunner bemanningen.

Artikel 15

Dit Verdrag staat tot 31 oktober 1958 open ter ondertekening door alle staten die Lid zijn van de Verenigde Naties of van een der Gespecialiseerde Organisaties, en door iedere andere staat die door de Algemene Vergadering der Verenigde Naties wordt uitgenodigd partij te worden bij het Verdrag.

Artikel 16

Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties.

Artikel 17

Dit Verdrag staat open voor toetreding door iedere staat die tot een der in artikel 15 genoemde categorieën behoort. De akten van toetreding zullen worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 18
1.

Dit verdrag treedt in werking op de dertigste dag volgend op de datum van nederlegging van de tweeëntwintigste akte van bekrachtiging of toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

2.

Ten aanzien van iedere staat die het Verdrag bekrachtigt of ertoe toetreedt na de nederlegging van de tweeëntwintigste akte van bekrachtiging of toetreding, treedt het Verdrag in werking op de dertigste dag na de nederlegging van de akte van bekrachtiging of toetreding door die staat.

Artikel 19
1.

Iedere staat kan ten tijde van de ondertekening, bekrachtiging of toetreding voorbehouden maken ten aanzien van de artikelen van het Verdrag, met uitzondering van de artikelen 6, 7, 9, 10, 11 en 12.

2.

Iedere verdragsluitende staat die een voorbehoud maakt ingevolge het voorgaande lid, kan te allen tijde het voorbehoud intrekken door een mededeling daartoe, gericht tot de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 20
1.

Na het verstrijken van een tijdvak van vijf jaar te rekenen van de datum waarop dit Verdrag in werking treedt af, kan iedere Verdragsluitende Partij te allen tijde door middel van een schriftelijke, tot de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties gerichte mededeling om een herziening van dit Verdrag verzoeken.

2.

De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties beslist over de eventueel te nemen stappen naar aanleiding van een dergelijk verzoek.

Artikel 21

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties doet aan alle staten die Lid zijn van de Verenigde Naties en aan de andere in artikel 15 bedoelde staten mededeling van:

Artikel 22

Het origineel van dit Verdrag, waarvan de Chinese, Engelse, Franse, Russische en Spaanse teksten gelijkelijk authentiek zijn, zal worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die gewaarmerkte afschriften ervan zal doen toekomen aan alle in artikel 15 bedoelde staten.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned Plenipotentiaries, being duly authorized thereto by their respective Governments, have signed this Convention.

Done at Geneva, this twenty-ninth day of April one thousand nine hundred and fifty-eight.