Europees Vestigingsverdrag
De Regeringen welke dit Verdrag hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa,
Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het veilig stellen en verwezenlijken van de idealen en beginselen welke het gemeenschappelijk erfdeel zijn van zijn Leden, en het bevorderen van hun economische en sociale vooruitgang;
Beseffende dat de banden tussen de landen-leden van de Raad van Europa, zoals deze worden bevestigd in verdragen en overeenkomsten welke reeds in het kader van de Raad van Europa zijn gesloten - zoals het op 4 november 1950 ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het op 20 maart 1952 ondertekende Protocol bij dat Verdrag, het op 11 december 1953 ondertekende Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand en de twee op diezelfde datum ondertekende Europese Interim-Overeenkomsten inzake sociale zekerheid - een bijzonder karakter dragen;
Ervan overtuigd dat, door het sluiten van een regionaal verdrag, het vastleggen van gemeenschappelijke regels ten aanzien van de aan onderdanen van elk Lid op het grondgebied van de andere Leden toegekende behandeling het bereiken van grotere eenheid kan bevorderen;
Bevestigende dat de rechten en voorrechten welke zij aan elkanders onderdanen toekennen, uitsluitend worden verleend uit hoofde van de nauwe aaneensluiting welke, door middel van het Statuut, de landen-leden van de Raad van Europa verenigt;
Constaterende dat de algemene opzet van het Verdrag past in het kader van de organisatie van de Raad van Europa,
Zijn overeengekomen als volgt:
HOOFDSTUK I. Binnenkomst, verblijf en verwijdering
Artikel 1
Elk der Verdragsluitende Partijen vergemakkelijkt voor onderdanen van de andere Partijen de toegang tot haar grondgebied voor een tijdelijk verblijf, en staat hun toe zich aldaar vrijelijk te verplaatsen, tenzij redenen van openbare orde, nationale veiligheid, volksgezondheid of goede zeden zich daartegen zouden verzetten.
Artikel 2
Onder de in artikel 1 van dit Verdrag vermelde voorwaarden vergemakkelijkt elk der Verdragsluitende Partijen, voor zover zulks verenigbaar is met haar economische en sociale toestand, voor onderdanen van de andere Partijen het voortgezet of duurzaam verblijf op haar grondgebied.
Artikel 3
Onderdanen van een Verdragsluitende Partij die rechtmatig op het grondgebied van een andere Partij wonen, kunnen slechts worden verwijderd indien zij een gevaar vormen voor de nationale veiligheid of inbreuk maken op de openbare orde of goede zeden.
Behoudens in gevallen dat dwingende overwegingen van nationale veiligheid zich daartegen verzetten, wordt een onderdaan van een Verdragsluitende Partij die langer dan de twee voorafgaande jaren rechtmatig op het grondgebied van enige andere Partij heeft gewoond, niet verwijderd zonder dat hem eerst wordt toegestaan, tegen deze verwijdering gronden aan te voeren alsmede zich te wenden tot en zich te dien einde te doen vertegenwoordigen bij een bevoegde autoriteit of een of meer speciaal door de bevoegde autoriteit aangewezen personen.
Onderdanen van een Verdragsluitende Partij die rechtmatig langer dan tien jaar op het grondgebied van enige andere Partij wonen, kunnen slechts worden verwijderd om redenen van nationale veiligheid of indien de andere in lid 1 van dit artikel genoemde redenen van bijzonder ernstige aard zijn.
HOOFDSTUK II. Uitoefening van burgerlijke rechten
Artikel 4
Onderdanen van een Verdragsluitende Partij genieten op het grondgebied van een andere Partij een behandeling welke gelijk is aan die welke wordt genoten door onderdanen van laatstgenoemde Partij ten aanzien van het genot van de burgerlijke rechten, hetzij van persoonlijke hetzij van vermogensrechtelijke aard.
Artikel 5
In afwijking van de bepalingen van artikel 4 van dit Verdrag, kan iedere Verdragsluitende Partij, om redenen van nationale veiligheid of verdediging, de verwerving, het bezit of het gebruik van goederen, van welke soort ook, aan haar eigen onderdanen voorbehouden, of onderdanen van andere Partijen aan speciale voorwaarden welke voor vreemdelingen ten aanzien van zodanige goederen gelden, onderwerpen.
Artikel 6
Afgezien van de gevallen welke betrekking hebben op nationale veiligheid of verdediging
- (a). dient iedere Verdragsluitende Partij die de verwerving, het bezit of het gebruik van bepaalde soorten goederen aan haar eigen onderdanen heeft voorbehouden of, in het geval van vreemdelingen - waaronder begrepen onderdanen van andere Partijen -, aan bepaalde voorschriften heeft onderworpen, of de verwerving, het bezit of het gebruik van zodanige goederen afhankelijk heeft gesteld van wederkerigheid, op het ogenblik van ondertekening van dit Verdrag aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa een lijst van deze beperkingen over te leggen waarop wordt aangegeven, op welke bepalingen van haar nationale wetgeving zodanige beperkingen zijn gebaseerd. De Secretaris-Generaal zendt deze lijsten door aan de andere ondertekenende Regeringen;
- (b). voert, nadat dit Verdrag ten aanzien van enige Verdragsluitende Partij in werking is getreden, die Verdragsluitende Partij geen verdere beperkingen in ten aanzien van de verwerving, het bezit of het gebruik van enige soort goederen door onderdanen van de andere Partijen, tenzij zij zich daartoe verplicht ziet uit hoofde van dwingende redenen van economische of sociale aard of teneinde de monopolisering van de vitale bronnen van het land te verhinderen. In dat geval houdt zij de Secretaris-Generaal volledig op de hoogte van de genomen maatregelen, de daarop betrekking hebbende bepalingen van de nationale wetgeving en de beweegredenen voor dergelijke maatregelen. De Secretaris-Generaal deelt deze inlichtingen mede aan de andere Partijen.
Iedere Verdragsluitende Partij tracht, ten gunste van onderdanen van de andere Partijen, haar lijst van beperkingen te verminderen. Zij doet van iedere zodanige wijziging mededeling aan de Secretaris-Generaal, die ze aan de andere Partijen mededeelt.
Iedere Partij tracht tevens aan onderdanen van andere Partijen die uitzonderingen op de algemene ten aanzien van vreemdelingen van kracht zijnde voorschriften toe te staan, als uit hoofde van de bepalingen van haar eigen wetgeving mogelijk is.
HOOFDSTUK III. Gerechtelijke en administratieve garanties
Artikel 7
Onderdanen van een Verdragsluitende Partij genieten op het grondgebied van een andere Partij, onder dezelfde voorwaarden als onderdanen van die andere Partij, volledige wettelijke en gerechtelijke bescherming van persoon en goed en van hun rechten en belangen. In het bijzonder hebben zij, op dezelfde wijze als onderdanen van die andere Partij, het recht zich te wenden tot de bevoegde gerechtelijke en administratieve instanties, en het recht zich te doen bijstaan door ieder persoon te hunner keuze die, volgens de wetten van het land, daartoe bevoegd is.
Artikel 8
Onderdanen van een Verdragsluitende Partij hebben, op het grondgebied van een andere Partij, recht op kosteloze rechtsbijstand onder dezelfde voorwaarden als onderdanen van die andere Partij.
Behoeftige onderdanen van een Verdragsluitende Partij hebben, op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij, er recht op dat uittreksels uit akten van de burgerlijke stand kosteloos aan hen worden verstrekt, voor zover dergelijke uittreksels kosteloos worden verstrekt aan behoeftige onderdanen van die andere Verdragsluitende Partij.
Artikel 9
Geen zekerheidstelling of dépôt, onder welke benaming ook, kan op grond hetzij van hun hoedanigheid van vreemdelingen, hetzij van gemis van domicilie of verblijfplaats in het land, worden gevorderd van onderdanen van een der Verdragsluitende Partijen, die hun domicilie of gewoon verblijf op het grondgebied van een van die Partijen hebben, wanneer zij als eisers of tussenkomende partijen voor de rechtbanken van een ander van die Partijen optreden.
Dezelfde regel is van toepassing op de storting, welke tot dekking der gerechtskosten van eisers of tussenkomende partijen mocht worden gevorderd.
De veroordelingen in de kosten van het geding, uitgesproken tegen de eiser of de tussenkomende partij, die hetzij krachtens de voorafgaande leden van dit artikel, hetzij krachtens de wet van het land waar het geding is aangelegd, vrijgesteld is van de zekerheidstelling, het dépôt of de storting, worden ingevolge een langs diplomatieke weg gedaan verzoek, kosteloos uitvoerbaar verklaard door de bevoegde autoriteit op het grondgebied van ieder der andere Verdragsluitende Partijen.
HOOFDSTUK IV. Uitoefening van op winst gerichte activiteit
Artikel 10
Iedere Verdragsluitende Partij machtigt onderdanen van de andere Partijen tot het op haar grondgebied uitoefenen van op winst gerichte activiteit op voet van gelijkheid met haar eigen onderdanen, tenzij genoemde Verdragsluitende Partij ernstige economische of sociale redenen heeft om deze machtiging niet te verlenen. Deze bepaling is van toepassing op, doch niet beperkt tot, industriële, commerciële, financiële en agrarische activiteiten, ambachten en de vrije beroepen, ongeacht het feit of de betrokken persoon voor eigen rekening werkt of in dienst is van een werkgever.
Artikel 11
Onderdanen van een Verdragsluitende Partij aan wie door een andere Partij is toegestaan gedurende een bepaalde periode een op winst gerichte activiteit uit te oefenen, mogen, gedurende die periode, niet worden onderworpen aan beperkingen waarin op het ogenblik waarop de machtiging aan hen werd verleend niet was voorzien, tenzij zodanige beperkingen onder gelijke omstandigheden eveneens van toepassing zijn op onderdanen van die andere Partij.
Artikel 12
Onderdanen van een Verdragsluitende Partij die rechtmatig op het grondgebied van enige andere Partij wonen, zijn, zonder te worden onderworpen aan de in artikel 10 van dit Verdrag bedoelde beperkingen, gemachtigd enigerlei op winst gerichte activiteit uit te oefenen op voet van gelijkheid met onderdanen van de andere Partij, mits zij voldoen aan een van de hiernavolgende voorwaarden:
- (a). zij moeten op dat grondgebied gedurende een ononderbroken tijdvak van vijf jaar rechtmatig een op winst gerichte activiteit hebben uitgeoefend;
- (b). zij moeten gedurende een ononderbroken tijdvak van tien jaar rechtmatig op dat grondgebied hebben gewoond;
- (c). zij moeten toestemming hebben gekregen duurzaam op dat grondgebied te verblijven.
Iedere Verdragsluitende Partij kan, op het ogenblik van ondertekening of van nederlegging van haar akte van bekrachtiging van dit Verdrag, verklaren dat zij een of twee van bovenstaande voorwaarden niet aanvaardt.
Zij kan tevens, overeenkomstig bovenstaande procedure, het in lid 1 (a) van dit artikel bepaalde tijdvak uitbreiden tot ten hoogste tien jaar met dien verstande dat na afloop van het eerste tijdvak van vijf jaar verlenging van de machtiging in geen geval kan worden geweigerd ten aanzien van de tot op dat ogenblik uitgeoefende activiteit. Een dergelijke verlenging mag eveneens niet afhankelijk worden gesteld van enige verandering van die activiteit. Zij kan tevens verklaren, dat zij niet in alle gevallen automatisch het recht zal verlenen van een dienstbetrekking over te gaan tot het uitoefenen van een zelfstandige activiteit.
Artikel 13
Iedere Verdragsluitende Partij kan aan haar eigen onderdanen de uitoefening voorbehouden van openbare ambten of activiteiten welke verband houden met nationale veiligheid of verdediging, dan wel de uitoefening van deze activiteiten door vreemdelingen aan speciale voorwaarden onderwerpen.
Artikel 14
Afgezien van de in artikel 13 van dit Verdrag genoemde onderwerpen
- (a). dient iedere Verdragsluitende Partij die bepaalde activiteiten aan haar eigen onderdanen heeft voorbehouden of de uitoefening van die activiteiten door vreemdelingen - waaronder begrepen onderdanen van de andere Partijen - afhankelijk heeft gesteld van bepalingen of van wederkerigheid, op het ogenblik van ondertekening van dit Verdrag aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa een lijst van deze beperkingen over te leggen waarop wordt aangegeven, op welke bepalingen van haar nationale wetgeving zodanige beperkingen zijn gebaseerd. De Secretaris-Generaal zendt deze lijsten door aan de andere ondertekenende Regeringen;
- (b). voert, nadat dit Verdrag ten aanzien van enige Verdragsluitende Partij in werking is getreden, die Partij geen nieuwe beperkingen in ten aanzien van de uitoefening van op winst gerichte activiteit door onderdanen van de andere Partijen, tenzij zij zich daartoe verplicht ziet uit hoofde van dwingende redenen van economische of sociale aard. In dat geval houdt zij de Secretaris-Generaal volledig op de hoogte van de genomen maatregelen, de daarop betrekking hebbende bepalingen van de nationale wetgeving en de redenen voor dergelijke maatregelen. De Secretaris-Generaal deelt deze inlichtingen aan de andere Partijen mede.
Iedere Verdragsluitende Partij tracht, ten gunste van de onderdanen van de andere Partijen:
- -. de lijst van activiteiten welke aan haar eigen onderdanen zijn voorbehouden of waarvan de uitoefening door vreemdelingen afhankelijk is gesteld van bepalingen of van wederkerigheid, te verminderen; zij doet van iedere zodanige wijziging mededeling aan de Secretaris-Generaal, die ze aan de andere Partijen mededeelt;
- -. in individuele gevallen vrijstelling van de van kracht zijnde bepalingen toe te staan, voor zover haar wetten daarin voorzien.
Artikel 15
De uitoefening door onderdanen van een Verdragsluitende Partij op het grondgebied van een andere Partij van een activiteit waarvoor onderdanen van die andere Partij een bewijs van vak- of technische bekwaamheid moeten bezitten of waarborgen moeten verstrekken, wordt afhankelijk gesteld van het verstrekken van dezelfde waarborgen of het bezit van dezelfde bewijzen van bekwaamheid of andere welke, volgens het oordeel van de bevoegde nationale autoriteit, daaraan gelijkwaardig zijn.
Onderdanen van de Verdragsluitende Partijen die rechtmatig hun beroep uitoefenen op het grondgebied van een Partij kunnen echter door een van hun collega's naar het grondgebied van een andere Partij worden geroepen ten einde in een bepaald geval bijstand te verlenen.
Artikel 16
Handelsreizigers die onderdanen zijn van een Verdragsluitende Partij en in dienst zijn van een onderneming wier voornaamste centrum van werkzaamheden ligt op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij, hebben geen enkele machtiging nodig ten einde hun beroep op het grondgebied van een andere Partij uit te oefenen mits zij daar per half jaar niet langer dan twee maanden verblijven.
Artikel 17
Onderdanen van een Verdragsluitende Partij genieten op het grondgebied van een andere Partij ten aanzien van wettelijke, door een openbare instantie vastgestelde regelingen inzake lonen en arbeidsvoorwaarden in het algemeen, een behandeling welke niet minder gunstig is dan die welke wordt genoten door onderdanen van die andere Partij.
De bepalingen van dit Hoofdstuk worden niet zo uitgelegd, dat zij een Verdragsluitende Partij verplichten op haar grondgebied aan onderdanen van een andere Partij ten aanzien van de uitoefening van op winst gerichte activiteit een behandeling toe te kennen welke gunstiger is dan die welke wordt toegekend aan haar eigen onderdanen.
HOOFDSTUK V. Individuele rechten
Artikel 18
Een Verdragsluitende Partij mag onderdanen van een andere Partij, die tenminste vijf jaar op het grondgebied van eerstgenoemde Partij rechtmatig een daarvoor geëigend beroep hebben uitgeoefend, niet verbieden onder dezelfde voorwaarden als haar eigen onderdanen in de hoedanigheid van kiesman deel te nemen aan verkiezingen welke worden gehouden door economische of beroepslichamen of -organisaties, zoals Kamers van Koophandel of Landbouwverenigingen of Beroepsbonden, met inachtneming van de beslissingen welke zulke lichamen of organisaties in dit opzicht binnen de grenzen van hun bevoegdheid kunnen nemen.
Artikel 19
Het is onderdanen van een Verdragsluitende Partij op het grondgebied van een andere Partij toegestaan, zonder enige andere beperkingen dan die welke van toepassing zijn op onderdanen van laatstgenoemde Partij, als scheidsmannen op te treden in scheidsrechterrijke procedures waarin de keuze van de scheidsmannen geheel aan de betrokken partijen is overgelaten.
Artikel 20
Voor zover de toelating tot het onderwijs is overgelaten aan de bevoegdheid van de Staat, worden onderdanen van iedere Verdragsluitende Partij die de schoolgaande leeftijd hebben en rechtmatig op het grondgebied van enige andere Partij wonen, onder dezelfde voorwaarden als onderdanen van laatstgenoemde Partij toegelaten tot instellingen voor lager en middelbaar onderwijs en technisch en vakonderwijs. De toepassing van deze bepaling op het verstrekken van studiebeurzen wordt aan de beslissing van ieder der Partijen overgelaten. Voor onderdanen van schoolgaande leeftijd die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen bestaat leerplicht indien er ook leerplicht bestaat voor onderdanen van laatstgenoemde Partij.
HOOFDSTUK VI. Belastingheffing, burgerlijke dienstplicht, onteigening, nationalisatie
Artikel 21
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.