Verdrag inzake Antarctica

Type Verdrag
Publication 1967-03-30
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regeringen van Argentinië, Australië, België, Chili, de Franse Republiek, Japan, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, de Unie van Zuid-Afrika, de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika,

Erkennende dat het in het belang van de gehele mensheid is dat Antarctica ook in de toekomst uitsluitend voor vreedzame doeleinden wordt gebruikt en niet het toneel wordt van strijd, noch het voorwerp van internationale geschillen;

Met voldoening kennis nemende van de belangrijke bijdragen die als gevolg van de internationale samenwerking bij het wetenschappelijk onderzoek in Antarctica aan de wetenschap zijn geleverd;

Ervan overtuigd dat het leggen van een hechte grondslag voor de voortzetting en de ontwikkeling van deze samenwerking, gebaseerd op het beginsel dat ieder land vrij is wetenschappelijk onderzoek in Antarctica te verrichten, van welk beginsel ook in het Internationaal Geofysisch Jaar is uitgegaan, de wetenschap en de vooruitgang van de gehele mensheid ten goede zal komen;

Er evenzeer van overtuigd dat de totstandkoming van een verdrag dat het gebruik van Antarctica uitsluitend voor vreedzame doeleinden, alsmede de bestendiging van een goede internationale verstandhouding in dit gebied beoogt, in overeenstemming is met de beginselen van het Handvest der Verenigde Naties en de daarin vervatte doelstellingen bevordert;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel I
1.

Antarctica wordt uitsluitend gebruikt voor vreedzame doeleinden. Verboden zijn onder andere alle maatregelen van militaire aard zoals het aanleggen van militaire bases en versterkingen, het houden van militaire oefeningen alsmede het beproeven van alle soorten wapens.

2.

Dit Verdrag verbiedt niet het gebruik van militair personeel of materieel voor het wetenschappelijk onderzoek of andere vreedzame doeleinden.

Artikel II

De vrijheid van wetenschappelijk onderzoek in Antarctica en de daarop gerichte samenwerking, die gedurende het Internationaal Geofysisch Jaar hebben bestaan, worden gehandhaafd met inachtneming van het bepaalde in dit Verdrag.

Artikel III
1.

Ten einde de internationale samenwerking op het gebied van het wetenschappelijk onderzoek in Antarctica, als bedoeld in artikel II van dit Verdrag, te bevorderen, komen de Verdragsluitende Partijen overeen om, voor zover zulks enigszins mogelijk is:

2.

Bij de tenuitvoerlegging van de bepalingen van dit artikel wordt de samenwerking met de Gespecialiseerde Organisaties van de Verenigde Naties en andere internationale organisaties die een technisch of wetenschappelijk belang hebben bij Antarctica, met alle middelen bevorderd.

Artikel IV
1.

Geen bepaling van dit Verdrag mag worden uitgelegd als:

2.

Zolang dit Verdrag van kracht is levert geen enkele handeling of activiteit gronden op voor het doen gelden, ondersteunen of betwisten van aanspraken op territoriale soevereiniteit in Antarctica; evenmin worden hierdoor in Antarctica soevereiniteitsrechten geschapen. Zolang dit Verdrag van kracht is kunnen geen nieuwe aanspraken of uitbreidingen van reeds bestaande aanspraken op territoriale soevereiniteit in Antarctica geldend worden gemaakt.

Artikel V
1.

In Antarctica zijn kernontploffingen van welke aard ook, zomede het lozen of deponeren en vervolgens onbeheerd achterlaten van radioactieve afvalstoffen, verboden.

2.

Indien inzake het gebruik van kernenergie, met inbegrip van kernontploffingen, en het lozen of deponeren en vervolgens onbeheerd achterlaten van radioactieve afvalstoffen internationale overeenkomsten worden gesloten waarbij alle Verdragsluitende Partijen welker vertegenwoordigers zijn gerechtigd deel te nemen aan de in artikel IX bedoelde vergaderingen, partij zijn, worden in Antarctica de bij die overeenkomsten vastgestelde voorschriften toegepast.

Artikel VI

De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op het gebied gelegen ten zuiden van de 60ste zuidelijke breedtegraad met inbegrip van al het shelf-ijs, doch geen bepaling van dit Verdrag maakt inbreuk op of vormt op enigerlei wijze een aantasting van de rechten, of de uitoefening daarvan, van iedere staat krachtens het volkenrecht ten aanzien van de volle zee binnen dit gebied.

Artikel VII
1.

Ten einde de doelstellingen van dit Verdrag te bevorderen en te verzekeren dat de bepalingen ervan worden nageleefd, heeft ieder der Verdragsluitende Partijen welker vertegenwoordigers gerechtigd zijn deel te nemen aan de in artikel IX van dit Verdrag bedoelde vergaderingen, het recht waarnemers aan te wijzen die belast zullen worden met het uitvoeren van alle in dit artikel bedoelde inspecties. Deze waarnemers moeten onderdanen zijn van de Verdragsluitende Partij die hen aanwijst. De namen van de waarnemers worden medegedeeld aan elk der andere Verdragsluitende Partijen die het recht hebben waarnemers aan te wijzen; de beëindiging van hun mandaat wordt eveneens aan die Verdragsluitende Partijen medegedeeld.

2.

De overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van dit artikel aangewezen waarnemers hebben te allen tijde volledige vrije toegang tot alle delen van Antarctica.

3.

De overeenkomstig het eerste lid van dit artikel aangewezen waarnemers hebben te allen tijde toegang tot alle delen van Antarctica, met inbegrip van alle waarnemingsstations, installaties en al het aldaar aanwezige materieel, alsmede alle schepen en luchtvaartuigen op plaatsen voor het in- en uitladen van goederen of personeel in Antarctica, om aldaar inspecties uit te voeren.

4.

Elke Verdragsluitende Partij die het recht heeft waarnemers aan te wijzen kan te allen tijde boven alle delen van Antarctica luchtinspecties uitvoeren.

5.

Iedere Verdragsluitende Partij geeft op het tijdstip waarop dit Verdrag voor haar in werking treedt de andere Verdragsluitende Partijen kennis van:

Artikel VIII
1.

Ten einde de uitoefening van hun functies krachtens dit Verdrag te vergemakkelijken, en onverminderd de onderscheiden standpunten der Verdragsluitende Partijen ten aanzien van de rechtsmacht over alle andere personen in Antarctica, vallen de overeenkomstig het eerste lid van artikel VII aangewezen waarnemers en de leden van het overeenkomstig lid 1 (b) van artikel III van het Verdrag uitgewisselde wetenschappelijke personeel, alsmede de aan hen toegevoegde en hen vergezellende personen, wat betreft elke handeling en elk verzuim tijdens hun verblijf in Antarctica om daar hun functie uit te oefenen, uitsluitend onder de rechtsmacht van de Verdragsluitende Partij waarvan zij onderdaan zijn.

2.

Onverminderd het bepaalde in het eerste lid van dit artikel en in afwachting van het treffen van maatregelen overeenkomstig lid 1 (e) van artikel IX, treden de Verdragsluitende Partijen die betrokken zijn bij enig geschil inzake de uitoefening van rechtsmacht in Antarctica, onmiddellijk met elkaar in overleg ten einde tot een wederzijds aanvaardbare oplossing te komen.

Artikel IX
1.

De vertegenwoordigers van de in de preambule van dit Verdrag genoemde Verdragsluitende Partijen komen binnen twee maanden na de inwerkingtreding van het Verdrag te Canberra bijeen, en vervolgens met passende tussenpozen en op daarvoor geschikte plaatsen, voor het uitwisselen van gegevens, het plegen van overleg over aangelegenheden van gemeenschappelijk belang die betrekking hebben op Antarctica, en het formuleren, bestuderen en aan hun regeringen aanbevelen van maatregelen ter bevordering van de beginselen en doelstellingen van dit Verdrag, met inbegrip van maatregelen die:

2.

Iedere Verdragsluitende Partij die overeenkomstig artikel XIII tot dit Verdrag is toegetreden, heeft het recht vertegenwoordigers te benoemen, die kunnen deelnemen aan de in het eerste lid van dit artikel bedoelde vergaderingen, zolang zij van haar belangstelling voor Antarctica blijk geeft door er op ruime schaal wetenschappelijk onderzoek te verrichten, zoals het vestigen van een waarnemingsstation of het uitzenden van een wetenschappelijke expeditie.

3.

De rapporten van de in artikel VII van dit Verdrag bedoelde waarnemers worden toegezonden aan de vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Partijen die deelnemen aan de in het eerste lid van dit artikel bedoelde vergaderingen.

4.

De in het eerste lid van dit artikel bedoelde maatregelen worden van kracht zodra zij zijn goedgekeurd door alle Verdragsluitende Partijen welker vertegenwoordigers het recht hadden deel te nemen aan de vergaderingen tijdens welke deze maatregelen werden besproken.

5.

De bij dit Verdrag vastgestelde rechten kunnen alle en elk afzonderlijk worden uitgeoefend zodra het Verdrag in werking is getreden, ongeacht of ter vergemakkelijking van de uitoefening van deze rechten maatregelen als bedoeld in dit artikel zijn voorgesteld, bestudeerd of goedgekeurd.

Artikel X

Iedere Verdragsluitende Partij neemt de verplichting op zich, gepaste maatregelen te nemen, die in overeenstemming dienen te zijn met het Handvest der Verenigde Naties, om te voorkomen dat in Antarctica activiteiten worden ontplooid die in strijd zijn met de beginselen of de doelstellingen van dit Verdrag.

Artikel XI
1.

Indien tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen een geschil ontstaat over de uitleg of de toepassing van dit Verdrag treden deze Verdragsluitende Partijen met elkaar in overleg om het geschil te regelen door middel van onderhandelingen, onderzoek, bemiddeling, verzoening, arbitrage, gerechtelijke uitspraak of door een ander vreedzaam middel te hunner keuze.

2.

Ieder zodanig geschil dat niet op deze wijze kan worden geregeld, wordt, steeds met goedkeuring van alle bij het geschil betrokken partijen, ter beslechting voorgelegd aan het Internationale Gerechtshof; indien evenwel over het voorleggen van het geschil aan het Hof geen overeenstemming kan worden bereikt, ontslaat dit de betrokken partijen niet van de verplichting te blijven zoeken naar een oplossing van het geschil met alle in het eerste lid van dit artikel genoemde vreedzame middelen.

Artikel XII
Artikel XIII
1.

Dit Verdrag dient door de ondertekenende staten te worden bekrachtigd. Het staat open voor toetreding door iedere staat die lid is van de Verenigde Naties of door iedere andere staat die met instemming van alle Verdragsluitende Partijen welker vertegenwoordigers het recht hebben deel te nemen aan de in artikel IX van het Verdrag bedoelde vergaderingen wordt uitgenodigd tot het Verdrag toe te treden.

2.

De bekrachtiging van of de toetreding tot dit Verdrag geschiedt door iedere staat overeenkomstig zijn grondwettelijke procedure.

3.

De akten van bekrachtiging en de akten van toetreding worden nedergelegd bij de regering van de Verenigde Staten van Amerika, die hierbij als depot-regering wordt aangewezen.

4.

De depot-regering stelt alle ondertekenende en toetredende staten in kennis van het tijdstip van nederlegging van iedere akte van bekrachtiging of van toetreding, alsmede van het tijdstip waarop het Verdrag in werking treedt en iedere aangebrachte wijziging of ieder aangebracht amendement van dit Verdrag van kracht wordt.

5.

Zodra alle ondertekenende staten hun akten van bekrachtiging hebben nedergelegd treedt dit Verdrag voor die staten en voor de staten die hun akten van toetreding hebben nedergelegd, in werking. Daarna treedt het Verdrag voor iedere toetredende staat in werking op het tijdstip van nederlegging van zijn akte van toetreding.

6.

Dit Verdrag wordt door de depot-regering geregistreerd overeenkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties.

Artikel XIV

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.