Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika

Type Verdrag
Publication 1957-12-05
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika,

verlangend de banden van vrede en vriendschap, welke van oudsher tussen hen bestaan, te versterken en nauwere economische en culturele betrekkingen tussen hun volkeren aan te moedigen, en zich bewust van de bijdragen welke te dien einde kunnen worden geleverd door overeenkomsten welke wederzijds voordelig handelsverkeer bevorderen, beleggingen tot wederzijds voordeel aanmoedigen en wederzijds rechten en voorrechten vastleggen,

hebben besloten een Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart te sluiten, waaraan in het algemeen de beginselen van het wederzijds toekennen van nationale behandeling en van onvoorwaardelijke meestbegunstiging ten grondslag liggen,

en hebben te dien einde benoemd als hun Gevolmachtigden:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Z.E. Mr. J. W. Beyen, Minister van Buitenlandse Zaken, en

Z.E. Mr. J. M. A. H. Luns, Minister zonder Portefeuille,

en de President van de Verenigde Staten van Amerika:

Z.E. de Heer H. Freeman Matthews, buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur van de Verenigde Staten van Amerika te 's-Gravenhage,

die, na elkander hun volmachten te hebben overgelegd, welke in orde werden bevonden, als volgt zijn overeengekomen:

Artikel I
1.

De ene Partij zal te allen tijde de onderdanen en vennootschappen van de andere Partij, alsmede hun eigendommen, ondernemingen en andere belangen, behoorlijk en rechtvaardig behandelen.

2.

Tussen de grondgebieden van de twee Partijen zal, in overeenstemming met de bepalingen van het onderhavige Verdrag, vrijheid van handel en scheepvaart bestaan.

Artikel II
1.

Het zal onderdanen van de ene Partij zijn geoorloofd, het grondgebied van de andere Partij te betreden en daarbinnen te verblijven: (a) ten einde handel te drijven tussen de grondgebieden van de twee Partijen en zich bezig te houden met daarmede samenhangende of in verband staande werkzaamheden op handelsgebied; (b) ten einde de bedrijfsuitoefening van een onderneming waarin zij een aanzienlijk kapitaal hebben belegd of waarin zij daadwerkelijk bezig zijn zulks te doen, te ontwikkelen en te leiden; en (c) voor andere doeleinden met inachtneming van de wetten met betrekking tot de toelating en het verblijf van vreemdelingen.

2.

Ieder der Partijen verbindt zich, aan toeristen en andere bezoekers het reizen, voor zover doenlijk, te vergemakkelijken, zowel met betrekking tot hun toelating, verblijf en vertrek, als tot het verspreiden van inlichtingen voor toeristen.

3.

Het zal onderdanen van de ene Partij binnen het grondgebied van de andere Partij zijn geoorloofd: (a) daarin vrijelijk te reizen en te wonen op plaatsen van hun keuze; (b) gewetensvrijheid te genieten; (c) zowel besloten als openbare godsdienstoefeningen te houden; (d) gegevens te verzamelen en deze door te geven ter verspreiding onder het publiek in het buitenland; en (e) met andere personen, zowel binnen als buiten dat grondgebied, in verbinding te staan per post, telegraaf of ander middel, dat openstaat voor algemeen openbaar gebruik.

4.

De bepalingen van dit artikel laten het recht van ieder der Partijen onverlet om maatregelen toe te passen, welke noodzakelijk zijn ter handhaving van de openbare orde en ter bescherming van de volksgezondheid, de goede zeden en de veiligheid.

Artikel III
1.

Onderdanen van de ene Partij zal binnen het grondgebied van de andere Partij op geen enkele wijze overlast worden aangedaan; zij zullen te allen tijde bescherming en veiligheid genieten. Zij zullen onder gelijke omstandigheden niet ongunstiger worden behandeld dan onderdanen van die andere Partij ten aanzien van de bescherming en veiligheid van hun persoon en hun rechten. In geen geval zullen zij in dit opzicht een ongunstiger behandeling genieten dan die, welke onderdanen van een derde land genieten, of wordt vereist door het volkenrecht.

2.

Indien binnen het grondgebied van de ene Partij een onderdaan van de andere Partij in bewaring wordt gesteld, zal, op verzoek van die onderdaan, de dichtst bijzijnde consulaire vertegenwoordiger van zijn land terstond worden ingelicht, die het recht zal hebben die onderdaan te bezoeken en zich met hem in verbinding te stellen. Die onderdaan zal (a) behoorlijk en menselijk worden behandeld; (b) prompt in kennis worden gesteld van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen; (c) zo spoedig als te verenigen valt met een behoorlijke voorbereiding van zijn verdediging worden berecht; en (d) kunnen beschikken over alle middelen, welke redelijkerwijze voor zijn verdediging noodzakelijk worden geacht, met inbegrip van de diensten van een bevoegd raadsman te zijner keuze.

Artikel IV
1.

Onderdanen van de ene Partij zullen binnen het grondgebied van de andere Partij nationale behandeling genieten bij de toepassing van wetten en voorschriften, welke een geldelijke vergoeding of andere uitkering of tegemoetkoming toekennen op grond van ziekte, letsel of dood ontstaan als gevolg van en gedurende het bestaan van hun dienstbetrekking, of te wijten aan de aard daarvan.

2.

Naast de rechten en voorrechten omschreven in het eerste lid van dit artikel zullen onderdanen van de ene Partij binnen het grondgebied van de andere Partij nationale behandeling genieten bij de toepassing van wetten en voorschriften, welke een stelsel van verplichte sociale verzekering inhouden, krachtens welke uitkeringen geschieden zonder dat van geval tot geval een onderzoek naar de financiële behoefte wordt ingesteld, en wel in de volgende gevallen: (a) ziekte, met inbegrip van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, en moederschap; (b) invaliditeit of arbeidsonbekwaamheid; (c) dood van vader, echtgenoot of echtgenote of enig andere kostwinner; (d) werkloosheid.

Artikel V
1.

Onderdanen en vennootschappen van de ene Partij zullen binnen het grondgebied van de andere Partij nationale behandeling genieten met betrekking tot het recht zich in elke aanleg te wenden tot de gewone rechter, administratieve scheidsgerechten en instanties, zowel ter verkrijging als ter verdediging van hun recht. Het is wel verstaan, dat vennootschappen van de ene Partij, welke niet werkzaam zijn binnen het grondgebied van de andere Partij, hetzelfde recht zullen hebben, zonder dat inschrijving of vestiging zal zijn vereist.

2.

(a) Overeenkomsten tussen onderdanen of vennootschappen van de ene Partij en onderdanen of vennootschappen van de andere Partij, krachtens welke geschillen door scheidsrechterlijke uitspraak zullen worden beslecht, zullen niet onuitvoerbaar worden geoordeeld binnen het grondgebied van die andere Partij alleen op grond van het feit, dat de plaats aangewezen voor de scheidsrechterlijke procedure gelegen is buiten dat grondgebied, of een of meer van de scheidsmannen niet de nationaliteit van die andere Partij bezitten. (b) In overeenstemming met het hierna gestelde onder (1) en (2) van deze bepaling zullen scheidsrechterlijke uitspraken — welke krachtens dergelijke overeenkomsten naar behoren zijn gewezen, definitief zijn en ten uitvoer kunnen worden gelegd op grond van de wetten van de plaats, waar die uitspraak is gewezen — beslissend worden geacht in procedures over de tenuitvoerlegging, welke voor de bevoegde rechter van ieder der Partijen zijn gebracht. (1) Wat betreft erkenning en tenuitvoerlegging in de Verenigde Staten van Amerika zullen die scheidsrechterlijke uitspraken voor een rechter in een hunner Staten slechts voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar zijn op dezelfde voet als scheidsrechterlijke uitspraken gewezen in andere hunner Staten. (2) Wat betreft tenuitvoerlegging in het Koninkrijk der Nederlanden zullen die scheidsrechterlijke uitspraken worden behandeld op dezelfde wijze als scheidsrechterlijke uitspraken bedoeld in het op 26 september 1927 te Genève gesloten Verdrag nopens de tenuitvoerlegging van in het buitenland gewezen scheidsrechterlijke uitspraken.

Artikel VI
1.

Eigendommen van onderdanen en vennootschappen van de ene Partij zullen binnen het grondgebied van de andere Partij te allen tijde bescherming en beveiliging genieten.

2.

Aan de woonhuizen, kantoren, pakhuizen, fabrieken en andere percelen van onderdanen en vennootschappen van de ene Partij, gelegen binnen het grondgebied van de andere Partij, zal geen overlast worden aangedaan; zij zullen niet worden betreden zonder rechtsgeldige reden. Die percelen en hun inhoud zullen, indien een dergelijk onderzoek noodzakelijk is, slechts overeenkomstig de wet en met zorgvuldige inachtneming van het gerief der bewoners en van de belangen van de bedrijfsuitoefening ambtelijk worden door- en onderzocht.

3.

Geen van beide Partijen zal onredelijke of discriminerende maatregelen nemen, welke inbreuk zouden maken op de rechten of belangen binnen haar grondgebied van onderdanen en vennootschappen van de andere Partij, hetzij in hun vermogen, hetzij in hun ondernemingen en de eigendommen daarvan, hetzij in de ervaring, kennis of techniek, welke zij ter beschikking hebben gesteld.

4.

Eigendommen van onderdanen en vennootschappen van de ene Partij binnen het grondgebied van de andere Partij zullen niet aan hen worden onttrokken, tenzij voor een doel te algemenen nutte, noch zullen zij aan hen worden onttrokken zonder prompte betaling van een rechtvaardige vergoeding. Zulk een vergoeding zal zó geschieden, dat zij daadwerkelijk in geld kan worden omgezet, en zal gelijkwaardig zijn aan de onttrokken eigendommen; en vóór of bij de onttrekking zal afdoend worden voorzien in de vaststelling en uitbetaling van deze vergoeding.

5.

Onderdanen en vennootschappen van de ene Partij zullen in geen geval binnen het grondgebied van de andere Partij een minder gunstige behandeling genieten dan nationale behandeling en de behandeling van de meestbegunstigde natie met betrekking tot de aangelegenheden behandeld in het tweede en vierde lid van dit artikel. Bovendien zullen ondernemingen, waarin onderdanen en vennootschappen van de ene Partij een aanmerkelijk belang hebben, binnen het grondgebied van de andere Partij geen minder gunstige behandeling genieten dan nationale behandeling en de behandeling van de meestbegunstigde natie met betrekking tot alle zaken in verband met de onteigening van particuliere ondernemingen en met het plaatsen van die ondernemingen onder toezicht of beheer van Overheidswege.

Artikel VII
1.

Onderdanen en vennootschappen van de ene Partij zullen binnen het grondgebied van de andere Partij nationale behandeling genieten bij alle op winst gerichte activiteit op handels-, industrieel-, financieel- en ander gebied (zakelijke activiteit), hetzij dat deze rechtstreeks wordt uitgeoefend, hetzij door een vertegenwoordiger, hetzij door middel van elke andere wettelijk toegelaten rechtsvorm. Bijgevolg zal het aan die onderdanen en vennootschappen binnen dat grondgebied zijn geoorloofd: (a) filialen, agentschappen, kantoren, fabrieken en andere vestigingen, welke geschikt zijn voor de uitoefening van hun bedrijf, op te richten en in stand te houden; (b) hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van een of meer tussenschakels, vennootschappen op te richten overeenkomstig de algemene wettelijke bepalingen van die andere Partij op het stuk van vennootschappen, en het overwegend belang te verwerven in vennootschappen van die andere Partij en (c) ondernemingen, welke zij hebben gevestigd of verworven, te beheersen en te besturen. Bovendien zullen ondernemingen, welke zij beheersen, ongeacht de vorm, hetzij als eigen bedrijf, hetzij als vennootschap of anderszins, met betrekking tot alles wat verband houdt met de uitoefening van het bedrijf, niet ongunstiger worden behandeld dan vergelijkbare ondernemingen, beheerst door onderdanen en vennootschappen van die andere Partij.

2.

Ieder der Partijen behoudt zich het recht voor, beperkingen te stellen aan de mate, waarin vreemdelingen binnen haar grondgebied ondernemingen mogen oprichten, daarin belangen verwerven, of drijven, op het gebied van verbindingen, het vervoer te water of door de lucht, bankzaken op het gebied van het in deposito nemen van gelden en waarden, alsmede op het gebied van bewindvoering, of de exploitatie van land of andere natuurlijke hulpbronnen. Nieuwe door een van beide Partijen uit te vaardigen beperkingen ten aanzien van de mate, waarin aan vreemdelingen nationale behandeling is toegekend met betrekking tot het uitoefenen van die werkzaamheden binnen haar grondgebied, zullen evenwel niet van toepassing zijn op ondernemingen, welke die werkzaamheden reeds aldaar uitoefenen op het tijdstip, waarop die nieuwe beperkingen worden ingesteld, en welke eigendom zijn van, of worden beheerst door onderdanen en vennootschappen van de andere Partij. Bovendien zal geen van beide Partijen aan vennootschappen van de andere Partij op het gebied van vervoer, verbindingen en bankwezen het recht ontzeggen, filialen en agentschappen in overeenstemming met de toepasselijke wetten en voorschriften te hebben, dienstig voor in hoofdzaak internationale zaken, waarmede zij zich bezig houden.

3.

De bepalingen van het eerste lid van dit artikel laten onverlet het recht van ieder der Partijen, bijzondere vormvoorschriften uit te vaardigen met betrekking tot de vestiging binnen haar grondgebied van ondernemingen, beheerst door vreemdelingen; maar die voorschriften mogen het wezen van de in genoemd lid omschreven rechten niet aantasten.

4.

Onderdanen en vennootschappen van ieder der Partijen alsook ondernemingen, beheerst door die onderdanen en vennootschappen, zullen met betrekking tot de in dit artikel genoemde aangelegenheden in ieder geval de behandeling van de meestbegunstigde natie genieten.

Artikel VIII
1.

Aan onderdanen en vennootschappen van de ene Partij zal het zijn geoorloofd, binnen het grondgebied van de andere Partij zich te doen bijstaan door accountants en andere technische deskundigen, leiding gevend personeel, rechtskundigen, vertegenwoordigers en andere specialisten te hunner keuze. Bovendien zal het aan die onderdanen en vennootschappen zijn geoorloofd, zich te doen bijstaan door accountants en andere technische deskundigen, ongeacht de mate waarin zij bevoegd zijn binnen het grondgebied van die andere Partij een beroep uit te oefenen, ten einde in het bijzonder onderzoeken in te stellen, accountantsverslagen op te maken en technische onderzoeken te verrichten voor, en verslag uit te brengen aan die onderdanen en vennootschappen in verband met het organiseren en leiden van hun eigen ondernemingen en van ondernemingen, waarin zij een geldelijk belang hebben, binnen dat grondgebied.

2.

Onderdanen en vennootschappen van de ene Partij zullen binnen het grondgebied van de andere Partij nationale behandeling en behandeling van de meestbegunstigde natie genieten met betrekking tot het zich bewegen op het gebied van wetenschap, onderwijs, godsdienst en liefdadigheid en zullen het recht hebben verenigingen voor dat doel op te richten overeenkomstig de wetten van die andere Partij.

Artikel IX
1.

Onderdanen en vennootschappen van het Koninkrijk der Nederlanden zullen binnen het grondgebied van de Verenigde Staten van Amerika: (a) nationale behandeling genieten met betrekking tot het tijdelijk verkrijgen van de beschikking over land, opstallen en ander onroerend goed, geschikt voor de uitoefening van de activiteit, welke zij mogen ontwikkelen ingevolge artikel VII en artikel VIII, en met het doel ze te bewonen, alsook met betrekking tot het bezit en het gebruik van dat onroerend goed; en (b) andere rechten op onroerend goed kunnen uitoefenen overeenkomstig de bepalingen van de toepasselijke wetten van de Staten, gebiedsdelen en bezittingen van de Verenigde Staten van Amerika.

2.

Onderdanen en vennootschappen van de Verenigde Staten van Amerika zullen binnen het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden nationale behandeling genieten met betrekking tot verkrijging door koop, huur, pacht, erfpacht of anderszins en met betrekking tot de eigendom, het bezit en het gebruik van land, opstallen en ander onroerend goed. In het geval evenwel, dat zulk een onderdaan is gevestigd in, of zulk een vennootschap is opgericht volgens de wetten van een Staat, gebiedsdeel of bezitting van de Verenigde Staten van Amerika, welke minder dan nationale behandeling in dit opzicht toestaat aan onderdanen en vennootschappen van het Koninkrijk der Nederlanden, zal het Koninkrijk der Nederlanden niet verplicht zijn, zulk een onderdaan of vennootschap gunstiger te behandelen in dit opzicht dan die Staat, dat gebiedsdeel of die bezitting onderdanen en vennootschappen van het Koninkrijk der Nederlanden behandelt.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.