Overeenkomst tot regeling van geschillen voortvloeiende uit de toepassing van de bepalingen van artikel 15, lid a, van het Vredesverdrag met Japan
De Regeringen van de Geallieerde Mogendheden welke deze Overeenkomst hebben ondertekend en de Japanse Regering, verlangende in overeenstemming met artikel 22 van het 8 September 1951 te San Francisco ondertekende Vredesverdrag met Japan werkwijzen vast te stellen tot regeling van geschillen betreffende de interpretatie en uitvoering van artikel 15, lid a, van het Verdrag, zijn overeengekomen als volgt:
Artikel I
In alle gevallen waarin een aanvrage voor teruggave van eigendom, rechten en belangen is ingediend in overeenstemming met de bepalingen van artikel 15, lid a, van het Vredesverdrag, doet de Japanse Regering binnen zes maanden na de datum van zodanige aanvrage mededeling, aan de Regering van de Geallieerde Mogendheid, van de maatregelen welke met betrekking tot zodanige aanvrage zijn genomen. In alle gevallen waarin de Regering van een Geallieerde Mogendheid bij de Regering van Japan een vordering tot schadevergoeding heeft ingediend in overeenstemming met de bepalingen van artikel 15, lid a, van het Verdrag en in overeenstemming met de Wet op de Schadevergoeding voor Geallieerde Eigendommen (Japanse Wet No. 264, 1951), doet de Japanse Regering binnen achttien maanden na de datum van de indiening van de vordering mededeling, aan de Regering van de Geallieerde Mogendheid, van de maatregelen welke door haar met betrekking tot de vordering zijn genomen. Indien de Regering van een Geallieerde Mogendheid niet voldaan is over de maatregelen welke door de Japanse Regering zijn genomen met betrekking tot een aanvrage voor teruggave van eigendom, rechten en belangen, of met betrekking tot een vordering tot schadevergoeding, kan de Regering van de Geallieerde Mogendheid, binnen zes maanden nadat zij door de Japanse Regering van zodanige maatregelen is verwittigd, bedoelde vordering of aanvrage ter definitieve beslissing voorleggen aan een commissie benoemd op de wijze als hierna wordt bepaald.
Artikel II
Voor de toepassing van de bepalingen van deze Overeenkomst wordt, na een door de Regering van een Geallieerde Mogendheid aan de Japanse Regering gericht schriftelijk verzoek, een commissie benoemd welke zal bestaan uit drie leden: één te benoemen door de Regering van de Geallieerde Mogendheid, één te benoemen door de Japanse Regering, en het derde lid te benoemen in onderling overleg tussen de beide Regeringen. Elke commissie zal als volgt worden aangeduid: de (naam van de betrokken Geallieerde Mogendheid)-Japanse Eigendommen-Commissie.
Artikel III
De Japanse Regering kan dezelfde persoon tot lid van twee of meer commissies benoemen, met dien verstande echter dat, indien naar de mening van de Regering van de Geallieerde Mogendheid, het feit dat het Japanse lid deel uitmaakt van een of meer andere commissies het werk van de commissie te zeer vertraagt, de Japanse Regering op verzoek van de Regering van de Geallieerde Mogendheid een nieuw lid zal benoemen. De Regering van een Geallieerde Mogendheid en de Japanse Regering kunnen overeenkomen als derde lid een persoon te benoemen die reeds als derde lid van andere commissies is benoemd, met dien verstande echter dat, indien naar de mening van de Regering van de Geallieerde Mogendheid of van de Japanse Regering het feit dat het derde lid reeds deel uitmaakt van een of meer andere commissies het werk van de commissie te zeer vertraagt, elk van beide partijen kan eisen, dat een nieuw derde lid wordt benoemd in onderling overleg tussen de Regering van de Geallieerde Mogendheid en de Japanse Regering.
Artikel IV
Indien de Japanse Regering of de Regering van de Geallieerde Mogendheid nalaat binnen dertig dagen na het in artikel II bedoelde verzoek een lid te benoemen, of indien de beide Regeringen niet binnen negentig dagen na het in artikel II bedoelde verzoek tot overeenstemming zijn gekomen omtrent de benoeming van een derde lid, kan in het eerste geval de Regering welke reeds een lid heeft benoemd, en in het tweede geval hetzij de Regering van de Geallieerde Mogendheid hetzij de Japanse Regering de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken een zodanig lid of zodanige leden aan te wijzen. Iedere opengevallen plaats in een commissie wordt vervuld op de wijze bepaald in de artikelen II en III.
Artikel V
Elke krachtens deze Overeenkomst ingestelde commissie bepaalt haar eigen werkwijze en stelt daartoe regelen vast overeenkomstig recht en billijkheid.
Artikel VI
Elke Regering betaalt de beloning van het door haar benoemde lid. Indien de Japanse Regering nalaat een lid te benoemen, betaalt zij de beloning van het voor haar benoemde lid. De beloning van het derde lid van elke commissie en de onkosten van elke commissie worden vastgesteld en gezamenlijk gedragen door de Regering van de Geallieerde Mogendheid en de Japanse Regering, ieder voor de helft.
Artikel VII
De beslissing van de meerderheid van de leden der commissie zal de beslissing zijn van de commissie; deze beslissing zal als definitief en bindend worden aanvaard door de Regering van de Geallieerde Mogendheid en de Japanse Regering.
Artikel VIII
Deze Overeenkomst staat open voor ondertekening door de regering van iedere Staat, welke het Vredesverdrag heeft ondertekend. Deze Overeenkomst treedt tussen de Regering van een Geallieerde Mogendheid en de Japanse Regering in werking op de datum waarop de Regering van die Geallieerde Mogendheid en de Japanse Regering haar ondertekenen, of op de datum waarop het Vredesverdrag tussen de Geallieerde Mogendheid welker Regering deze Overeenkomst heeft ondertekend en Japan in werking treedt, al naar gelang welke datum de laatste is.
Artikel IX
Deze Overeenkomst zal worden nedergelegd in het archief van de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, welke aan elk der ondertekenende Regeringen een gewaarmerkt afschrift van deze Overeenkomst zal doen toekomen.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, having been duly authorized, sign this Agreement on behalf of their respective Governments on the dates appearing opposite their signature.
DONE at Washington this twelfth day of June, 1952, in the English, French, Spanish, and Japanese languages, all being equally authentic.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.