Europees Verdrag inzake de academische erkenning van universitaire kwalificaties
De regeringen die dit Verdrag hebben ondertekend, leden van de Raad van Europa,
Gelet op het Europese Culturele Verdrag, ondertekend te Parijs op 19 december 1954;
Gelet op het Europese Verdrag betreffende de gelijkstelling van diploma's voor toelating tot universiteiten, ondertekend te Parijs op 11 december 1953;
Gelet op het Europese Verdrag inzake de gelijkstelling van tijdvakken van universitaire studie, ondertekend te Parijs op 15 december 1956;
Overwegende dat het wenselijk is deze Verdragen aan te vullen door voorzieningen te treffen voor de academische erkenning van in het buitenland verworven universitaire kwalificaties,
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1
Voor de toepassing van dit Verdrag:
- (a). betekent de term „universiteiten”
- (i). universiteiten, alsmede
- (ii). instellingen die door de Verdragsluitende Partij binnen welker grondgebied zij zijn gelegen worden geacht van universitair niveau te zijn en die het recht bezitten kwalificaties van universitair niveau te verlenen;
- (b). betekent de term „universitaire kwalificaties” een graad, diploma of getuigschrift verleend door een op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij gelegen universiteit als bewijs van de voltooiing van een tijdvak van universitaire studie;
- (c). een graad, diploma of getuigschrift, verleend op grond van een gedeeltelijk examen, wordt niet beschouwd als een universitaire kwalificatie als bedoeld onder (b) van dit artikel.
Artikel 2
In dit Verdrag worden de Verdragsluitende Partijen in groepen verdeeld, al naar
- (a). de staat;
- (b). de universiteit;
- (c). de staat of de universiteit, al naar het geval zich voordoet,
de autoriteit is, die op hun grondgebied bevoegd is ten aanzien van aangelegenheden welke betrekking hebben op gelijkstelling van universitaire kwalificaties.
Binnen een jaar nadat dit Verdrag ten aanzien van een Verdragsluitende Partij in werking is getreden, deelt die Partij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa mede welke autoriteit op haar grondgebied bevoegd is ten aanzien van aangelegenheden die betrekking hebben op gelijkstelling van universitaire kwalificaties.
Artikel 3
De Verdragsluitende Partijen die vallen onder groep (a) van artikel 2, lid 1, van dit Verdrag verlenen academische erkenning aan universitaire kwalificaties die zijn verleend door een op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij gelegen universiteit.
Deze academische erkenning van een buitenlandse universitaire kwalificatie geeft de houder ervan het recht:
- (a). zijn universitaire studie voort te zetten en examens af te leggen, die deze studie afsluiten, zulks met het oog op het behalen van een hogere graad, daaronder begrepen een doctorsgraad, op de zelfde voorwaarden als die welke gelden voor onderdanen van de Verdragsluitende Partij, indien toelating tot die studie en examens afhankelijk is gesteld van het bezit van een soortgelijke nationale universitaire kwalificatie;
- (b). een door een buitenlandse universiteit verleende academische titel te voeren met aanduiding van de herkomst van die titel.
Artikel 4
Iedere Verdragsluitende Partij kan, met betrekking tot het vermelde in artikel 3, lid 2, onder (a), van dit Verdrag:
- (a). in gevallen waarin de exameneisen voor een buitenlandse universitaire kwalificatie zich niet uitstrekken tot bepaalde vakken die wel zijn voorgeschreven voor de overeenkomstige nationale kwalificatie, haar erkenning opschorten totdat in de desbetreffende vakken met succes een aanvullend examen is afgelegd;
- (b). van de houders van een buitenlandse universitaire kwalificatie eisen dat zij een proeve van bekwaamheid afleggen in haar officiële taal, of een van haar officiële talen, indien zij hun studie in een andere taal gevolgd hebben.
Artikel 5
De Verdragsluitende Partijen die behoren tot groep (b) van artikel 2, eerste lid, doen de tekst van dit Verdrag toekomen aan de autoriteiten die op hun grondgebied bevoegd zijn ten aanzien van aangelegenheden die betrekking hebben op gelijkstelling van universitaire kwalificaties en bevorderen dat deze de in de artikelen 3 en 4 neergelegde beginselen in welwillende overweging nemen en in toepassing brengen.
Artikel 6
De Verdragsluitende Partijen die behoren tot groep (c) van artikel 2, eerste lid, van dit Verdrag passen de bepalingen van de artikelen 3 en 4 toe, indien de staat de autoriteit is die bevoegd is ten aanzien van de gelijkstelling van universitaire kwalificaties en passen de bepalingen van artikel 5 toe, indien de staat ten aanzien van deze aangelegenheden niet de bevoegde autoriteit is.
Artikel 7
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa kan van tijd tot tijd de Verdragsluitende Partijen verzoeken schriftelijk mededeling te doen van de maatregelen en besluiten die met het oog op de tenuitvoerlegging van de bepalingen van dit Verdrag zijn genomen.
Artikel 8
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa deelt aan elk der Verdragsluitende Partijen de inlichtingen mede, die hij overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 2 en 7 van dit Verdrag van elk der andere Verdragsluitende Partijen heeft ontvangen en hij houdt tevens het Comité van Ministers op de hoogte van de voortgang die bij de tenuitvoerlegging van dit Verdrag is gemaakt.
Artikel 9
Niets in dit Verdrag zal geacht worden:
- (a). van invloed te zijn op eventuele gunstigere bepalingen inzake de erkenning van buitenlandse universitaire kwalificaties vervat in een bestaand verdrag dat door een Verdragsluitende Partij is ondertekend, dan wel het sluiten van zulk een verdrag door een Verdragsluitende Partij in de toekomst minder wenselijk te maken, of
- (b). een aantasting in te houden van een ieders verplichting tot het inachtnemen van de wetten en regelingen die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij met betrekking tot het binnenkomen, het verblijf en het vertrek van vreemdelingen van kracht zijn.
Artikel 10
Dit Verdrag staat ter ondertekening open voor de leden van de Raad van Europa. Het dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Het Verdrag treedt in werking een maand na de datum van nederlegging van de derde akte van bekrachtiging.
Ten aanzien van een ondertekenende staat die het Verdrag op een later tijdstip bekrachtigt, treedt het Verdrag in werking een maand na de datum van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging.
Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa iedere staat die geen lid is van de Raad uitnodigen tot het Verdrag toe te treden. Iedere aldus uitgenodigde staat kan tot het Verdrag toetreden door nederlegging van zijn akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad. Ten aanzien van een toetredende staat treedt dit Verdrag in werking een maand na de datum van nederlegging van zijn akte van toetreding.
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa geeft aan alle leden van de Raad, alsmede aan de toetredende staten, kennis van de nederlegging van alle akten van bekrachtiging en toetreding.
Artikel 11
Iedere Verdragsluitende Partij kan, op het tijdstip van nederlegging van haar akte van bekrachtiging of toetreding, of op ieder tijdstip daarna, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving verklaren dat dit Verdrag van toepassing zal zijn op enige of alle gebieden voor welker internationale betrekkingen zij verantwoordelijk is.
Artikel 12
Iedere Verdragsluitende Partij kan dit Verdrag, nadat het gedurende een tijdvak van vijf jaar van kracht is geweest, te allen tijde opzeggen door middel van kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, die hiervan aan de andere Verdragsluitende Partijen mededeling zal doen.
Deze opzegging wordt ten aanzien van de betrokken Partij zes maanden na de datum waarop zij door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa wordt ontvangen, van kracht.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, duly authorised thereto by their respective Governments, have signed the present Convention.
DONE at Paris, this 14th day of December, 1959, in the English and French languages, both texts being equally authoritative, in a single copy which shall remain deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary-General shall transmit certified copies to each of the signatory and acceding Governments.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.