Overeenkomst nopens Duitse buitenlandse schulden

Type Verdrag
Publication 1958-08-01
State In force
Source BWB
artikelen 98
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Londen, 27 Februari 1953

De Regeringen van België, Canada, Ceylon, Denemarken, de Franse Republiek, Griekenland, Iran, Ierland, Italië, Liechtenstein, Luxemburg, Noorwegen, Pakistan, Spanje, Zweden, Zwitserland, de Unie van Zuid-Afrika, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, de Verenigde Staten van Amerika en Zuidslavië

aan de ene zijde,

en

De Regering van de Bondsrepubliek Duitsland

aan de andere zijde,

Het gewenst achtend, de belemmeringen van een normaal economisch verkeer tussen de Bondsrepubliek Duitsland en andere landen weg te nemen en daardoor een bijdrage tot de ontwikkeling van een welvarende gemeenschap van volkeren te leveren;

Overwegende dat de betalingen op Duitse buitenlandse schulden in het algemeen gedurende ongeveer twintig jaar niet in overeenstemming met de contractuele bepalingen zijn geschied; dat van 1939 tot 1945 het bestaan van een staat van oorlog het doen van alle betalingen met betrekking tot vele van deze schulden heeft belet; dat sinds 1945 deze betalingen in het algemeen zijn opgeschort; en dat de Bondsrepubliek Duitsland een einde wenst te maken aan deze toestand;

Overwegende dat Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika sinds 8 Mei 1945 economische hulp aan Duitsland hebben verleend, welke wezenlijk tot de opbouw van de Duitse economie heeft bijgedragen, waardoor de hervatting van de betalingen op de Duitse buitenlandse schulden is vergemakkelijkt;

Overwegende dat op 6 Maart 1951 een briefwisseling, welke in afschrift in Aanhangsel A van deze Overeenkomst is opgenomen, heeft plaatsgevonden tussen de Regeringen van de Franse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, welke de basis vormt, waarop deze Overeenkomst voor de regeling van de Duitse buitenlandse schulden (met haar Bijlagen) en de overeenkomsten voor de regeling van de schulden uit hoofde van de aan Duitsland verleende economische hulp berusten;

Overwegende dat de Regeringen van de Franse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika een commissie, genaamd de Drie Mogendheden Commissie voor Duitse schulden, hebben ingesteld met het doel, om in overleg met de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, met andere belanghebbende Regeringen en met vertegenwoordigers van de belanghebbende crediteuren en debiteuren een schema voor de regelmatige afwikkeling van het geheel der Duitse buitenlandse schulden voor te bereiden en uit te werken;

Overwegende dat deze Commissie de vertegenwoordigers van de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland er van heeft verwittigd, dat de Regeringen van de Franse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika bereid waren belangrijke concessies te doen met betrekking tot de voorrang van hun vorderingen uit hoofde van na-oorlogse economische hulp ten opzichte van alle andere buitenlandse vorderingen tegen Duitsland en Duitse onderdanen en met betrekking tot het totale bedrag van deze vorderingen op voorwaarde, dat een bevredigende en billijke regeling voor de vooroorlogse buitenlandse schulden van Duitsland zou worden bereikt;

Overwegende dat een dergelijke regeling van de Duitse buitenlandse schulden alleen zou kunnen worden bereikt door een enkelvoudig allesomvattend schema, dat rekening zou houden met de onderlinge verhoudingen van de verschillende crediteurbelangen, de aard van de verschillende soorten van vorderingen en de algemene toestand van de Bondsrepubliek Duitsland;

Overwegende dat er, teneinde dit doel te bereiken, van 28 Februari 1952 tot 8 Augustus 1952 te Londen een Internationale Conferentie inzake de Duitse buitenlandse schulden is gehouden, waaraan werd deelgenomen door vertegenwoordigers van de belanghebbende Regeringen en van de belanghebbende crediteuren en debiteuren;

Overwegende dat deze vertegenwoordigers overeenstemming over een aantal aanbevelingen met betrekking tot de regelingsmodaliteiten en -procedures hebben bereikt (waarvan de teksten als Bijlagen I tot en met VI bij deze Overeenkomst zijn opgenomen); dat deze aanbevelingen waren toegevoegd aan het Rapport van de Conferentie inzake de Duitse buitenlandse schulden (waarvan de tekst als Aanhangsel B bij deze Overeenkomst is opgenomen); en dat deze Overeenkomst is geïnspireerd door de beginselen en doelstellingen, welke in het bovengenoemde Rapport zijn uitgedrukt;

Overwegende dat de Regeringen van de Franse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika, bevonden hebbende, dat deze aanbevelingen een bevredigend en billijk schema voor de regeling van de Duitse buitenlandse schulden inhouden, heden met de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland bilaterale overeenkomsten hebben ondertekend voor de regeling van schulden uit hoofde van de door deze drie Regeringen verleende na-oorlogse economische hulp, waarin hun gewijzigde rechten en voorrangen in dit verband zijn vastgelegd;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Goedkeuring der regelingsmodaliteiten en -procedures

De Partijen bij deze Overeenkomst beschouwen de daarin en in de daarbij behorende Bijlagen neergelegde voorzieningen als redelijk in het licht van de algemene toestand van de Bondsrepubliek Duitsland en als bevredigend en billijk ten opzichte van de daarbij betrokken belangen. Zij keuren de regelingsmodaliteiten en -procedures in de daarbij behorende Bijlagen goed.

Artikel 2. Uitvoering van de Overeenkomst door de Bondsrepubliek Duitsland

De Bondsrepubliek Duitsland zal de voor de uitvoering van deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen vereiste wettelijke en administratieve maatregelen treffen en de daarmee in strijd zijnde wettelijke en administratieve maatregelen wijzigen of intrekken.

Artikel 3. Begripsomschrijvingen

In deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen IX en X betekent, tenzij uit het zinsverband een andere betekenis blijkt:

  • (a). „crediteur”: een persoon, uitgezonderd de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, ten opzichte van wie een schuld bestaat;
  • (b). „crediteurland”: een land, uitgezonderd de Bondsrepubliek Duitsland, waarvan de Regering Partij wordt bij deze Overeenkomst, terwijl deze term tevens de grondgebieden omvat, waartoe deze Overeenkomst krachtens Artikel 35 wordt uitgebreid;
  • (c). „valuta-optie”: een bepaling in een contract, volgens welke een crediteur het recht heeft, betaling te eisen in een van twee of meer valuta's;
  • (d). „schuld”: een schuld als bepaald in Artikel 4;
  • (e). „vastgesteld” (met betrekking tot de hoogte van een schuld); neergelegd in een overeenkomst of bepaald bij een eindvonnis of eindbeschikking van een rechterlijk college of eindbeslissing van een scheidsgerecht of bij een wettelijke bepaling;
  • (f). „courante effecten”: aandelen, bewijzen van inschrijving in aandelenregisters, obligaties en bewijzen van inschrijving in schuldenregisters, welke bij openbare inschrijving zijn geëmitteerd of aan een erkende effectenbeurs zijn geïntroduceerd;
  • (g). „regelingsaanbod” (met betrekking tot in effecten belichaamde schulden): een aanbod van de debiteur inzake betalings- en andere bepalingen, welke voor de betreffende schuld in overeenstemming met deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen door onderhandelingen tussen de schuldenaar en de bevoegde crediteurenvertegenwoordigers door een eindvonnis of eindbeschikking van een rechterlijk college of eindbeslissing van een scheidsgerecht zijn vastgesteld;
  • (h). „Partij bij deze Overeenkomst”: elke Regering, voor welke deze Overeenkomst in overeenstemming met de bepalingen van de Artikelen 35 of 36 in werking is getreden;
  • (i). „persoon”: natuurlijke personen, verenigingen, rechtspersonen van publiek- of privaatrechtelijke aard, alsmede regeringen met inbegrip van de besturen of regeringen van staatkundige onderdelen en andere publiekrechtelijke lichamen en de namens deze optredende instellingen, personen en organen;
  • (j). „gevestigd in”: met gewoonlijke verblijfplaats in; een rechtspersoon of maatschap wordt in de staat, onder welks recht zij opgericht is, of, ingeval haar hoofdnederzetting zich niet in deze staat bevindt, in de staat, waarin haar hoofdnederzetting geregistreerd is, gevestigd geacht;
  • (k). „geregeld” (met betrekking tot een schuld): dat de betalings- en overige modaliteiten voor een dergelijke schuld in overeenstemming met deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen bij overeenkomst tussen de crediteur en de debiteur of in een proces tussen de crediteur en de debiteur bij een eindvonnis of eindbeschikking van een rechterlijk college of eindbeslissing van een scheidsgerecht zijn vastgesteld;
  • (l). „regeling” (met betrekking tot een schuld): de vaststelling van de betalings- en overige modaliteiten in overeenstemming met lid (k).

Artikel 4. De te regelen schulden

(1). De in overeenstemming met deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen te regelen schulden zijn:

  • (a). niet contractuele financiële verplichtingen, waarvan de bedragen voor 8 Mei 1945 vastgesteld en opeisbaar waren;
  • (b). financiële verplichtingen uit hoofde van lening- en credietovereenkomsten, welke voor 8 Mei 1945 gesloten zijn;
  • (c). financiële verplichtingen uit hoofde van andere overeenkomsten dan lening- en credietovereenkomsten, en welke vóór 8 Mei 1945 opeisbaar waren.

(2). Onder voorwaarde, dat zij:

  • (a). onder de bepalingen van Bijlage I van deze Overeenkomst vallen; of
  • (b). verschuldigd zijn door een persoon, hetzij als hoofdschuldenaar hetzij op andere wijze, hetzij als oorspronkelijk schuldenaar hetzij als rechtsopvolger, die op het tijdstip, waarop een voorstel tot regeling door de debiteur of een verzoek tot regeling door de crediteur of in voorkomende gevallen bij in effecten belichaamde schulden door de crediteurenvertegenwoordigers wordt gedaan in overeenstemming met deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen, in het gebied van de Duitse mark (West) is gevestigd.

(3). Mede onder voorwaarde, dat deze schulden:

  • (a). verschuldigd zijn aan de Regering van een crediteurland; of
  • (b). verschuldigd zijn aan een persoon, die op het tijdstip, waarop een aanbod tot regeling door de debiteur of een verzoek tot regeling door de crediteur wordt gedaan in overeenstemming met deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen, gevestigd is in of onderdaan is van een crediteurland; of
  • (c). uit courante effecten voortvloeien, welke in een crediteurland betaalbaar zijn.

Artikel 5. Niet onder deze Overeenkomst vallende vorderingen

(1). De behandeling van regeringsvorderingen tegen Duitsland, welke uit de eerste wereldoorlog voortvloeien, wordt tot een definitieve algemene regeling van deze aangelegenheid uitgesteld.

(2). De behandeling van uit de tweede wereldoorlog voortvloeiende vorderingen van landen, die in staat van oorlog met Duitsland hebben verkeerd of gedurende de oorlog door Duitsland bezet zijn geweest, en van onderdanen van deze landen tegen het Duitse Rijk en tegen namens het Duitse Rijk optredende instanties en personen, met inbegrip van de kosten van de Duitse bezetting, de gedurende de bezetting op clearingrekeningen verworven tegoeden en de vorderingen tegen de „Reichskreditkassen”, wordt tot de definitieve regeling van het vraagstuk der herstelbetalingen uitgesteld.

(3). De behandeling van gedurende de tweede wereldoorlog ontstane vorderingen van landen, die niet in staat van oorlog met Duitsland hebben verkeerd en niet gedurende de oorlog door Duitsland bezet zijn geweest, en van onderdanen van deze landen tegen het Duitse Rijk en tegen namens het Duitse Rijk optredende instanties en personen, met inbegrip van op clearingrekeningen verworven tegoeden, wordt uitgesteld tot de regeling van deze vorderingen in samenhang met de regeling van de in lid (2) van dit Artikel bedoelde vorderingen kan worden behandeld (behalve voorzover deze vorderingen op grond van of in verband met overeenkomsten, welke door de Regeringen van de Franse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika en door de Regering van het betreffende land zijn ondertekend, worden geregeld).

(4). Vorderingen tegen Duitsland of Duitse onderdanen van landen, welke voor 1 September 1939 bij het Duitse Rijk ingelijfd of op of na 1 September 1939 met het Duitse Rijk verbonden waren, en van onderdanen van deze landen uit hoofde van verplichtingen of rechten, welke tussen het tijdstip van inlijving (of voor landen, welke met het Duitse Rijk verbonden waren, 1 September 1939) en 8 Mei 1945 zijn ontstaan, worden behandeld in overeenstemming met de bepalingen, welke in de desbetreffende verdragen zijn of worden opgenomen. Voorzover dergelijke schulden volgens deze verdragen kunnen worden geregeld, zijn de bepalingen van deze Overeenkomst van toepassing.

(5). De regeling van de schulden van de stad Berlijn en van de aan Berlijn toebehorende of onder het toezicht van Berlijn staande in Berlijn gelegen openbare verzorgingsbedrijven wordt uitgesteld tot een tijdstip, waarop onderhandelingen over de regeling van deze schulden door de Regeringen van de Franse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika en door de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Senaat van de stad Berlijn mogelijk worden geacht.

Artikel 6. Betaling en transfer volgens deze Overeenkomst

De Bondsrepubliek Duitsland zal:

  • (a). in overeenstemming met de bepalingen van deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen betalingen verrichten en transfer doen plaatsvinden voor schulden, waarvoor zij volgens deze bepalingen zelf aansprakelijk is;
  • (b). in overeenstemming met de bepalingen van deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen de regeling en de betaling van schulden toestaan, waarvoor een andere persoon dan de Bondsrepubliek Duitsland aansprakelijk is, en in overeenstemming met de bepalingen van deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen de transfer van betalingen op geregelde schulden doen plaatsvinden.

Artikel 7. Betaling en transfer voor bepaalde na 1945 opeisbaar geworden verplichtingen

De Bondsrepubliek Duitsland zal toestemming tot betaling van verplichtingen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze Overeenkomst bestaan, en in voorkomende gevallen in overeenstemming met de bedoeling van deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen tevens toestemming tot transfer van deze betalingen binnen een redelijke termijn verlenen, indien deze verplichtingen:

  • (a). niet-contractuele financiële verplichtingen zijn, waarvan de oorsprong voor 8 Mei 1945 is gelegen, doch waarvan de bedragen niet voor die datum vastgesteld en opeisbaar waren;
  • (b). financiële verplichtingen uit hoofde van voor 8 Mei 1945 gesloten andere overeenkomsten dan lening- en credietovereenkomsten zijn, waarvan de bedragen op of na die datum opeisbaar waren,

voorzover deze verplichtingen voldoen aan de voorwaarden, welke in lid (2) en (3) van Artikel 4 zijn neergelegd.

Artikel 8. Verbod van discriminatoire behandeling

De Bondsrepubliek Duitsland zal geen toestemming verlenen tot en de crediteurlanden zullen niet streven naar discriminatie of bevoorrechting met betrekking tot de verschillende soorten van schulden of de valuta's waarin deze moeten worden betaald of in enig ander opzicht bij de uitvoering van regelingsmodaliteiten in overeenstemming met deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen. Verschillen in de behandeling van de verschillende soorten van schulden, welke voortvloeien uit regelingen in overeenstemming met deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen, worden niet als discriminatie of bevoorrechting beschouwd.

Artikel 9. Behandeling van transfer op dezelfde wijze als bij betalingen wegens lopende transacties

De transfer van rente- en aflossingsbetalingen in overeenstemming met deze Overeenkomst zal op dezelfde wijze worden behandeld als de transfer van betalingen wegens lopende transacties en in de daarvoor in aanmerking komende gevallen in de bi- of multilaterale regelingen inzake het handels- of betalingsverkeer tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de crediteurlanden worden mogelijk gemaakt.

Artikel 10. Beperking en uitsluiting van betalingen

De Bondsrepubliek Duitsland zal tot de volledige nakoming van alle verplichtingen uit hoofde van deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen waarborgen, dat geen betalingen verricht worden voor verplichtingen, welke, hoewel zij vallen onder de leden (1) en (2) van Artikel 4, verschuldigd zijn aan een andere Regering dan die van een crediteurland of aan een persoon, die noch gevestigd is in, noch onderdaan is van een crediteurland, en welke in een niet-Duitse valuta betaalbaar zijn of waren. Deze bepaling is niet van toepassing op schulden uit hoofde van courante effecten, welke in een crediteurland betaalbaar zijn.

Artikel 11. Valuta's, waarin betalingen dienen te geschieden

  • (a). Voorzover in de Bijlagen van deze Overeenkomst niet anders is bepaald, dient een schuld zonder valuta-optie-clausule te worden betaald in de valuta, waarin zij volgens de bepalingen van de verbintenis betaalbaar is. Schulden, welke in een Duitse valuta zijn uitgedrukt en volgens de bepalingen van de Bijlagen van deze Overeenkomst in een niet-Duitse valuta dienen te worden betaald, zullen in de valuta van het land, waarin de crediteur gevestigd is, worden betaald.
  • (b). Ongeacht de bepalingen onder (a) van dit lid zijn de telkens tussen de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Regering van een crediteurland bestaande betalingsovereenkomsten van toepassing op schulden, welke volgens het gestelde onder (a) in een niet-Duitse valuta dienen te worden betaald aan in dit land gevestigde personen. Op betalingen met betrekking tot in effecten belichaamde schulden, welke in een andere niet-Duitse valuta dan die van het land dat partij is bij een dergelijke betalingsovereenkomst zijn uitgedrukt, zijn deze betalingsovereenkomsten echter slechts van toepassing, indien de Regering van het betreffende land er mee instemt, dat dergelijke betalingen aan in dit land gevestigde personen in zijn valuta geschieden.
  • (a). Over de vraag, of met betrekking tot schulden met een valuta-optie-clausule ook in de toekomst betaling kan worden geëist in een andere valuta dan die van het land, waarin de lening opgenomen of van waaruit het crediet verstrekt is, zal op een door de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Regeringen van de landen, welker valuta's hierbij betrokken zijn, overeen te komen wijze worden beslist.
  • (b). Indien een valuta-optie-clausule de mogelijkheid van betaling van een vastgesteld bedrag in een alternatieve valuta bevat, heeft de crediteur het recht, de tegenwaarde van het bedrag van de alternatieve valuta, hetwelk bij uitoefening van de optie betaald had moeten worden, tegen de op de vervaldatum geldende wisselkoers te ontvangen in de valuta van het land, waarin de lening opgenomen of van waaruit het crediet verstrekt is.
  • (c). Betalingen met betrekking tot schulden met een valuta-optieclausule, welke voor het nemen van de onder (a) van dit lid bedoelde beslissing in de valuta van het land, waarin de lening opgenomen of van waaruit het crediet verstrekt is, zijn verricht, worden niet door een dergelijke beslissing beïnvloed.

(3). De bepalingen van lid (1) en (2) van dit Artikel zijn niet van toepassing op schulden, welke onder de bepalingen van de punten 2 en 3 van Bijlage I van deze Overeenkomst vallen.

(4). De telkens tussen de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Regering van een crediteurland bestaande betalingsovereenkomsten zijn op de betaling van schulden, welke onder de bepalingen van lid (2) en (3) van dit Artikel vallen, van toepassing, mits de betaling in de valuta van het crediteurland dient te geschieden.

(5). Indien schulden zijn ontstaan uit zakelijke transacties van een geregistreerd filiaal van een crediteur, welke contractueel zouden moeten worden betaald in het land, waarin dit filiaal is gelegen, geldt dit land als crediteurland in de zin van dit artikel.

Artikel 12. De behandeling van goud-clausules

Bij de regeling en de voldoening van een in een niet-Duitse valuta uitgedrukte schuld op goud-basis of met een goud-clausule, dient het te betalen bedrag, voorzover niet uitdrukkelijk anders is bepaald in de Bijlagen van deze Overeenkomst, als volgt te worden berekend:

  • (a). Bij een schuld, welke volgens de ten tijde van de regeling geldende bepalingen van de verbintenis uitgedrukt of betaalbaar is in U.S.-dollars of Zwitserse francs op goud-basis of met een goud-clausule, wordt het te betalen bedrag zonder inachtneming van de goud-basis of de goud-clausule bepaald. Elke nieuwe overeenkomst tussen de crediteur en de debiteur met betrekking tot een dergelijke schuld moet in U.S.-dollars of Zwitserse francs luiden en mag geen verwijzing naar de goudwaarde van een dergelijke valuta inhouden en geen goud-clausule bevatten.
  • (b). Bij een schuld, welke volgens de ten tijde van de regeling geldende bepalingen van de verbintenis uitgedrukt of betaalbaar is in een andere niet-Duitse valuta op goud-basis of met een goud-clausule, wordt het te betalen bedrag als volgt bepaald:
  • (I). het verschuldigde nominale bedrag wordt tegen de op de datum van de totstandkoming van de schuld of bij in effecten belichaamde schulden tegen de op de datum van de uitgifte van deze effecten geldende wisselkoers in U.S.-dollars omgerekend;
  • (II). het aldus verkregen dollarbedrag wordt in de valuta, waarin de schuld volgens Artikel 11 betaald dient te worden, tegen de op de vervaldatum geldende wisselkoers tussen de U.S.-dollars en de betrokken valuta omgerekend, behalve ingeval de wisselkoers tussen de U.S.-dollar en de betrokken valuta op de vervaldatum ongunstiger is voor de crediteur dan op 1 Augustus 1952, in welk geval de wisselkoers van 1 Augustus 1952 van toepassing zal zijn.

Artikel 13. Wisselkoersen

In de gevallen, waarin een bedrag volgens de bepalingen van deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen op basis van een wisselkoers dient te worden berekend, zal deze koers, behalve in de in Bijlage III en in artikel 8 van Bijlage IV van deze Overeenkomst bedoelde gevallen:

  • (a). bepaald worden door de pariteiten, welke in overeenstemming met lid 1 van Artikel IV van de Overeenkomst inzake het Internationale Monetaire Fonds met dit Fonds zijn overeengekomen en dientengevolge op de betreffende datum voor de bedoelde valuta's gelden; of
  • (b). ingeval op de betreffende datum geen zodanige pariteiten gelden of golden, de wisselkoers zijn, welke in een bilaterale betalingsovereenkomst tussen de bedoelde landen of hun monetaire instellingen voor het lopende betalingsverkeer is overeengekomen; of
  • (c). ingeval op de betreffende datum noch pariteiten noch koersen op grond van bilaterale overeenkomsten gelden of golden, de algemeen in het handelsverkeer gebruikelijke middenkoers zijn, welke voor telegrafische overmakingen in de valuta van het land, waarin de betaling dient te geschieden, op de voornaamste beurs in het andere land op de betreffende datum of in voorkomend geval op de daaraan voorafgaande dag geldt of gold; of
  • (d). ingeval op de betreffende datum geen wisselkoers als hierboven onder (a), (b) of (c) bedoeld bestaat of bestond, de als crossrate of exchange aangeduide wisselkoers zijn, welke uit de op deze datum of in voorkomend geval op de daaraan voorafgaande dag geldende middenkoersen van de bedoelde valuta's op de voornaamste beurs in een derde land, waarin deze valuta's genoteerd worden, kan worden berekend.

Artikel 14. Schulden in Duitse valuta

(1). De Bondsrepubliek Duitsland zal soortgelijke maatregelen als bedoeld in punt 6 van Bijlage I van deze Overeenkomst treffen met betrekking tot alle Rijksmarkschulden, waarvoor zij de aansprakelijkheid heeft overgenomen of zal overnemen en welke niet onder evengenoemd punt vallen.

(2). Bij toepassing van het beginsel van gelijkberechtiging met Duitse onderdanen zal de Bondsrepubliek Duitsland bovendien waarborgen, dat in Rijksmark-effecten belichaamde schulden, welke geen goudmarkschulden met een specifiek buitenlands karakter zijn en op 21 Juni 1948 tegenover personen, die op die datum onderdanen waren van of gevestigd waren in een crediteurland, bestonden, en waarvan volgens de in het gebied van de Duitse mark (West) geldende wetgeving slechts voor een bepaald deel betaling kan worden afgedwongen, op gelijke wijze worden voldaan als soortgelijke verplichtingen tegenover personen, die in het gebied van de Duitse mark (West) zijn gevestigd.

(3). Bij de regeling van andere in Duitse valuta betaalbare schulden tegenover onderdanen van crediteurlanden, die in het gebied van de Duitse mark (West) zijn gevestigd, zullen de modaliteiten niet ongunstiger zijn dan die, welke voor soortgelijke verplichtingen tegenover andere in dit gebied gevestigde personen worden toegestaan.

Artikel 15. Aanvaarding door de crediteuren

(1). Slechts die crediteuren, die met betrekking tot in effecten belichaamde schulden, voor welker regeling een regelingsaanbod is voorgeschreven, een dergelijke regeling aanvaarden, of met betrekking tot andere schulden met de vaststelling van de betalings- en andere modaliteiten in overeenstemming met de daarvoor in aanmerking komende bepalingen instemmen, zijn gerechtigd van de in deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen voorziene voordelen gebruik te maken.

  • (a). Met betrekking tot in effecten belichaamde schulden, voor welker regeling een regelingsaanbod is voorgeschreven, geschiedt de aanvaarding van het regelingsaanbod in de zin van lid (1) van dit Artikel door inlevering van de oude effecten of coupons;
  • (I). ter inruiling, indien nieuwe effecten of coupons worden uitgegeven, of
  • (II). ter verkrijging van een opschrift, indien de regelingsmodaliteiten op de oude effecten worden aangegeven.
  • (b). De houder van een effect, hetwelk onder Bijlage II van deze Overeenkomst valt en waarvoor een regelingsaanbod is gedaan, kan binnen een termijn van tenminste vijf jaar na de datum, waarop dit aanbod is gedaan, dit aanbod aanvaarden. Indien daartoe gegronde redenen aanwezig zijn, dient de debiteur deze termijn te verlengen.

(3). Met betrekking tot schulden, die niet onder lid 2 (a) van dit Artikel vallen, wordt, voorzover geen bepaalde voorschriften in een Bijlage van deze Overeenkomst zijn neergelegd, de instemming van de crediteur met de vaststelling van de betalings- en andere modaliteiten in de zin van lid (1) van dit Artikel aanwezig geacht, indien de crediteur op enigerlei wijze duidelijk van zijn instemming doet blijken.

(4). Een debiteur is slechts onderworpen aan de bepalingen, welke in deze Overeenkomst en de desbetreffende Bijlagen voor de regeling van schulden zijn voorgeschreven, indien hij met betrekking tot zijn schuld een regelingsaanbod in overeenstemming met de daarvoor in aanmerking komende Bijlage van deze Overeenkomst heeft gedaan of een kennisgeving van toetreding of een verklaring van deelname heeft afgegeven. De in dit lid neergelegde bepaling laat de voorzieningen van Artikel 17 van deze Overeenkomst echter onaangetast.

(5). De Bondsrepubliek Duitsland is gerechtigd, bij de uitvoering van Artikel 2 van deze Overeenkomst rekening te houden met het gestelde in de vorige leden van dit Artikel.

Artikel 16. Bevrijding van de debiteur

Indien een debiteur zijn in overeenstemming met deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen geregelde schuld heeft voldaan, wordt hij geacht daardoor tevens aan alle verplichtingen uit hoofde van deze schuld, zoals deze voor de regeling bestond te hebben voldaan, tenzij dergelijke verplichtingen reeds op grond van een overeenkomst teniet waren gegaan.

Artikel 17. Afdwinging van rechten door crediteuren

(1). De Bondsrepubliek Duitsland zal de crediteur het recht verlenen, binnen de grenzen van deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen door middel van een Duitse rechtbank en met behulp van Duitse instanties:

  • (a). zijn rechten, met betrekking tot een schuld, zoals deze bestaan op het tijdstip, waarop hij krachtens dit artikel stappen onderneemt, af te dwingen indien de crediteur en de debiteur geen overeenstemming over de regelingsmodaliteiten bereiken en de crediteur instemt met de vaststelling van de betalings- en andere modaliteiten voor zijn schuld door een Duitse rechtbank in overeenstemming met deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen;
  • (b). zijn rechten uit hoofde van de bepalingen van de voor de schuld getroffen regeling af te dwingen indien de debiteur zijn verplichtingen niet in overeenstemming met deze bepalingen vervult (met inbegrip van de rechten, welke de crediteur volgens deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen kan uitoefenen, indien de debiteur zijn verplichtingen niet vervult), met dien verstande, dat de crediteur niet eerder gerechtigd zal zijn, transfer van de tengevolge van de niet-voldoening van een schuld opeisbaar wordende hoofdsom te eisen dan het geval zou zijn, indien de debiteur zijn verplichtingen zou hebben vervuld.

(2). De crediteur zal het in lid (1) van dit Artikel bedoelde recht niet verleend worden, indien de kennisneming van het geschil volgens de bepalingen van de desbetreffende overeenkomst of van deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen op het moment, waarop het in lid (1) van dit Artikel bedoelde recht wordt uitgeoefend, uitsluitend aan een scheidsgerecht of een rechtbank in een crediteurland is voorbehouden. Indien een dergelijke exclusieve bevoegdheid in de bepalingen van de desbetreffende overeenkomst is neergelegd, mogen de crediteur en de debiteur daar bij onderlinge overeenstemming afstand van doen en zal de crediteur daarna het in lid (1) van dit Artikel bedoelde recht verkrijgen.

  • (a). Ongeacht de vraag, of de wederkerigheid op het gebied van de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen tussen het land, waar de uitspraak is gedaan, en de Bondsrepubliek Duitsland in acht wordt genomen, zal de Bondsrepubliek Duitsland de crediteur het recht verlenen, met inachtneming van de bepalingen van de leden (1) en (4) van dit Artikel door middel van een Duitse rechtbank en met behulp van Duitse instanties de tenuitvoerlegging van beslissingen van rechterlijke colleges en scheidsrechterlijke instanties af te dwingen:
  • (I). in een crediteurland na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst;
  • (II). in een crediteurland voor de inwerkingtreding van deze Overeenkomst, indien de debiteur de in de beslissing vastgestelde schuld niet bestrijdt.
  • (b). In andere procedures met betrekking tot schulden, welke het onderwerp van een eindbeslissing van een rechterlijk college of scheidsrechterlijke instantie in een crediteurland van voor de inwerkingtreding van deze Overeenkomst vormen, zullen Duitse rechtbanken de feiten, waarop een dergelijke beslissing berust, bewezen achten, tenzij de debiteur het tegendeel bewijst. In dit geval is de crediteur gerechtigd, tegenbewijsmiddelen aan te voeren en daarbij van de processtukken van het vroegere proces gebruik te maken. Het bedrag van een niet-contractuele financiële verbintenis, hetwelk in een krachtens dit lid gevoerde procedure bij beslissing van een Duitse rechtbank wordt vastgesteld, zal in de zin van lid (1) (a) van Artikel 4 van deze Overeenkomst worden geacht te zijn vastgesteld op het tijdstip, waarop de eindbeslissing van de rechterlijke of scheidsrechterlijke instantie in een crediteurland is genomen.
  • (c). De Bondsrepubliek Duitsland zal de crediteur het recht verlenen, met inachtneming van de bepalingen van lid (1) van dit Artikel langs gerechtelijke weg in Duitsland en met behulp van Duitse instanties de tenuitvoerlegging van eindbeslissingen van rechterlijke colleges en scheidsrechterlijke instanties, welke voor 8 Mei 1945 in Duitsland of na 8 Mei 1945 in het gebied van de Duitse mark (West) zijn genomen, af te dwingen.

(4). De Duitse rechtbanken kunnen weigeren, beslissingen van een buitenlands rechterlijk college of scheidsrechterlijke instantie (uitgezonderd een op grond van de bepalingen van deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen opgericht scheidsgerecht) in overeenstemming met de bepalingen van lid (3) van dit Artikel te erkennen en ten uitvoer te doen leggen:

  • (a). indien het rechterlijk college, hetwelk de beslissing heeft genomen, niet bevoegd was of de bevoegdheid van het scheidsgerecht, hetwelk de beslissing heeft gewezen, niet op een overeenkomst tussen de betrokken partijen berustte; of
  • (b). indien de debiteur in het proces voor de oorspronkelijke rechtbank of het oorspronkelijk scheidsgerecht niet in de gelegenheid is gesteld, zijn standpunt te verdedigen;
  • (c). indien de tenuitvoerlegging van de beslissing in strijd zou zijn met de openbare orde in de Bondsrepubliek Duitsland, waarbij het feit, dat een vonnis niet met de bepalingen van deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen in overeenstemming is, niet als reden mag worden beschouwd, om de tenuitvoerlegging daarvan in het kader van deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen in strijd met de openbare orde in de zin van deze bepaling te achten.

(5). De Bondsrepubliek Duitsland zal de in Bijlage I van deze Overeenkomst bedoelde Organisaties van Effectenbezitters en soortgelijke lichamen en de in artikel VIII van Bijlage II bedoelde crediteurenvertegenwoordigers het recht verlenen, de modaliteiten van het regelingsaanbod door middel van Duitse rechtbanken en met behulp van Duitse instanties te doen vaststellen, indien de debiteur (uitgezonderd de Bondsrepubliek Duitsland) nalaat, een voorstel tot regeling van zijn in effecten belichaamde schuld in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van Bijlagen I en II van deze Overeenkomst te doen.

  • (a). Een debiteur, die nalaat, een regelingsaanbod in overeenstemming met Bijlagen I en II van deze Overeenkomst voor te stellen, is in een volgens de leden (1), (3) en (5) van dit Artikel voor een Duitse rechtbank aanhangig gemaakte procedure niet gerechtigd, een beroep te doen op de in punt 7 lid (1) onder (e) van Bijlage I of in artikel V lid 11 van Bijlage II van deze Overeenkomst bedoelde hardheidsclausule. Bij de vaststelling van de bepalingen van het regelingsaanbod of van de modaliteiten voor de regeling van de schuld dient de rechtbank de vroegste vervaldatum voor te schrijven, welke volgens de bepalingen van de desbetreffende Bijlage voor de regeling van de schuld is toegestaan. De rechtbank dient in zijn vonnis te bepalen, dat de debiteur de in punt 7 onder k van Bijlage I van deze Overeenkomst of in artikel X lid 2 van Bijlage II van deze Overeenkomst bedoelde kosten aan de eiser dient te vergoeden; deze kosten zijn aanstonds opeisbaar en betaalbaar. De rechtbank dient de debiteur verder te veroordelen tot betaling van de proceskosten en van alle redelijke in verband met de procedure gemaakte kosten en gedane uitgaven van de crediteur in gevallen van niet in effecten belichaamde schulden en van de Organisatie van Effectenbezitters of een soortgelijk lichaam of van de crediteurenvertegenwoordiger of vertegenwoordigers in gevallen van in effecten belichaamde schulden.
  • (b). Indien een debiteur nalaat, tot toetreding als bedoeld in artikel 22 van Bijlage III van deze Overeenkomst over te gaan, is de crediteur gerechtigd, in een volgens lid (1) of (3) van dit Artikel aanhangig gemaakte procedure zijn rechten in overeenstemming met de bepalingen van de evengenoemde Bijlage af te dwingen, echter niet, voorzover het rechtstreeks door een Duitse handels- of industriële debiteur in de zin van de genoemde Bijlage aan de crediteur verschuldigde schulden betreft, voordat er dertig dagen na de eerste bijeenkomst van het in artikel 17 van genoemde Bijlage bedoelde Raadgevend Comité zijn verstreken. Indien de rechtbank de debiteur tot betaling van de schuld in overeenstemming met de genoemde Bijlage veroordeelt, zal het de debiteur tevens veroordelen tot vergoeding van de proceskosten en van alle redelijke in verband met de procedure gemaakte kosten en gedane uitgaven van de crediteur.
  • (c). Een debiteur, die nalaat, de volgens artikel 14 van Bijlage IV van deze Overeenkomst vereiste verklaring van toetreding te geven, is in een volgens lid (1) of (3) van dit Artikel aanhangig gemaakte procedure voor een Duitse rechtbank niet gerechtigd, een beroep te doen op de in artikel 11 van genoemde Bijlage bedoelde hardheidsclausule. Indien de debiteur de afgifte van de verklaring slechts heeft nagelaten, omdat hij het bestaan van de schuld ontkent, verliest hij het recht, om een beroep op de hardheidsclausule te doen, tenzij hij, ingeval de in artikel 15 van Bijlage IV van deze Overeenkomst bedoelde rechtbank of het aldaar bedoelde scheidsgerecht het bestaan van de schuld bevestigt, binnen dertig dagen, gerekend vanaf de datum, waarop de eindbeslissing van een dergelijke rechtbank is betekend, de vereiste verklaring afgeeft. Indien de debiteur in een procedure volgens dit onderdeel van dit lid van dit Artikel niet gerechtigd is een beroep op de hardheidsclausule te doen, dient de rechtbank hem tot betaling van de proceskosten en van de redelijk gemaakte kosten voor juridische bijstand van de eiser te veroordelen.

(7). De Bondsrepubliek Duitsland zal de crediteur het recht verlenen, binnen de grenzen van deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen door middel van Duitse rechtbanken en met behulp van Duitse instanties zijn vorderingen tegen een persoon, die in het gebied van de Duitse mark (Oost) gevestigd is, op diens in het gebied van de Duitse mark (West) gelegen vermogensbestanddelen te verhalen, indien deze vorderingen uit een verbintenis voortspruiten, welke, afgezien van de vereisten met betrekking tot de plaats van vestiging van de debiteur, aan de vereisten van Artikel 4 van deze Overeenkomst voldoet. Op het recht tot transfer in vreemde valuta's van de op deze wijze door de crediteur ontvangen bedragen zullen de telkenmale in het gebied van de Duitse mark (West) geldende deviezenbepalingen van toepassing zijn.

Artikel 18. Verjaringstermijnen

(1). Een debiteur zal niet het recht hebben om zich bij het opstellen van een regelingsaanbod of bij de regeling van een schuld te beroepen op het verstrijken van een verjaringstermijn of een vervaltermijn, voor het geldend maken van aanspraken met betrekking tot die schuld, voorzover die niet vóór 1 Juni 1933 is verstreken, tenzij op een datum, die zal worden bepaald door bedoelde termijnen als opgeschort te beschouwen vanaf 1 Juni 1933 tot aan het aflopen van een periode van 18 maanden, te rekenen vanaf de datum, waarop deze Overeenkomst en de desbetreffende Bijlage van toepassing zullen worden op die schuld.

(2). Onverminderd het bepaalde in lid (1) van dit Artikel, worden, met het oog op het opstellen van een regeling, de in lid (1) bedoelde termijnen van verjaring en van verval, die van toepassing zijn op in effecten belichaamde schulden als bedoeld in de delen A en B van Bijlage I en op die behandeld in Bijlage II van deze Overeenkomst, geacht niet te zijn verstreken vóór de datum, waarop, overeenkomstig het bepaalde in punt 8 (b) van Bijlage I en Artikel 15 van deze Overeenkomst, het regelingsaanbod van de debiteur niet meer door de crediteur kan worden aanvaard.

(3). Aanvaardt een crediteur een regelingsaanbod of verklaart hij zich accoord met een regeling voor een schuld overeenkomstig het bepaalde in Artikel 15 van deze Overeenkomst, dan worden daarmede de verjaringstermijnen en de vervaltermijnen voor het geldend maken van aanspraken met betrekking tot die schuld opgeschort.

(4). Onder de verjaringstermijnen en vervaltermijnen, bedoeld in de leden (1), (2) en (3) van dit Artikel worden niet verstaan de termijnen voor het in beroep gaan van rechterlijke beslissingen, van scheidsrechterlijke of administratieve beslissingen, noch de termijnen, bedoeld in lid 3 van Deel 12 van de Duitse wet op de verzekeringsovereenkomst, noch de termijnen vastgesteld in de Duitse wetten betreffende de effectenzuivering.

(5). De voorgaande bepalingen zullen toepassing vinden, ongeacht de vraag of de termijnen zijn vastgesteld door het Duitse recht of door het recht van een ander land, door een rechterlijke beslissing, een scheidsrechterlijke of een administratieve beslissing, door een overeenkomst of door een andere rechtshandeling. De Bondsrepubliek Duitsland zal er zorg voor dragen, dat de voorgaande bepalingen ook dan zullen worden toegepast door de Duitse rechterlijke instanties, indien de schuldverhouding naar zijn inhoud onderworpen is aan buitenlands recht.

Artikel 19. Aanvullende overeenkomsten

(1). De overeenkomsten op grond van onderhandelingen overeenkomstig

  • (a). punt 11 van Bijlage I van deze Overeenkomst (vorderingen krachtens beslissingen van het gemengde Grieks-Duitse scheidsgerecht)
  • (b). punt 15 van Bijlage I van deze Overeenkomst (aansprakelijkheid voor Oostenrijkse overheidsschulden)
  • (c). artikel 10 van Bijlage IV van deze Overeenkomst (betalingen aan de Deutsche Verrechnungskasse)
  • (d). Bijlage IVa van deze Overeenkomst (in Zwitserse francs luidende hypothecaire schulden);

zullen door de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland (c.q. na door deze verleende goedkeuring) ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Regeringen van de Verenigde Staten van Amerika, van de Franse Republiek en van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland.

(2). Elk dier overeenkomsten zal van kracht worden, en in alle opzichten als een Bijlage bij deze Overeenkomst beschouwd worden, zodra daarop de goedkeuring van die Regeringen zal zijn verkregen. Alle Partijen bij deze Overeenkomst zullen daarvan worden verwittigd door de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland.

Artikel 20. Schulden van het Duitse Rijk uit hoofde van multilaterale overeenkomsten

De bepalingen van deze Overeenkomst verzetten zich niet tegen betalingen op schulden van het Rijk of van agenten van het Rijk, die voortvloeien uit niet betaalde bijdragen of uit diensten bewezen in het kader van een internationale multilaterale overeenkomst of van de statuten van een internationale organisatie. Op verzoek van de belanghebbende crediteuren zal de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland in directe onderhandelingen treden over deze schulden.

Artikel 21. Vernieuwing van Bijlage III

Onder „Bijlage III” van deze Overeenkomst moet mede worden verstaan elke overeenkomst die na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst wordt afgesloten ter vernieuwing van de in die Bijlage vervatte overeenkomst. Dergelijke overeenkomsten kunnen de bepalingen van Bijlage III wijzigen, maar zullen er op gericht moeten zijn middelen en wegen te verschaffen om te geraken tot een herstel van de normale omstandigheden voor de financiering van de buitenlandse handel van de Bondsrepubliek Duitsland, overeenkomstig de algemene doelstellingen van deze Overeenkomst.

Artikel 22. Vorderingen uit hoofde van sociale verzekeringen

(1). De Regering van de Bondsrepubliek Duitsland zal in onderhandeling treden met de Regeringen der betrokken crediteurlanden, ter regeling van vorderingen uit hoofde van sociale verzekeringen, ontstaan ten gevolge van de toepassing van Duitse wetten en regelingen, welke vóór 8 Mei 1945 van kracht waren, gedurende een periode voorafgaande aan 8 Mei 1945, voorzover die vorderingen volgens de wetgeving van de Bondsrepubliek Duitsland of overeenkomstig door haar op zich genomen verplichtingen moeten worden geacht te komen te haren laste of ten laste van instellingen voor sociale verzekeringen in het gebied van de Bondsrepubliek Duitsland, en voor zover die vorderingen niet reeds zijn behandeld in een overeenkomst met de Regering van het betrokken crediteurland. Het in dit lid bepaalde verzet zich niet tegen het opnemen in dergelijke overeenkomsten van bepalingen, ingevolge welke wetten of regelingen, geldend in de Bondsrepubliek Duitsland op het stuk van sociale verzekeringen, die voor onderdanen van andere landen een minder gunstige behandeling inhouden dan voor Duitse onderdanen, geen toepassing zullen vinden.

(2). De Bondsrepubliek Duitsland zal de nodige maatregelen nemen met het oog op de regeling van de in het voorgaande lid bedoelde vorderingen, die niet behandeld zijn in overeenkomsten met de Regeringen van de crediteurlanden, en met het oog op de transfer in verband daarmede, op voorwaarde, dat het vorderingen van onderdanen en ingezetenen betreft van een crediteurland, vanwaar betalingen terzake van dergelijke vorderingen getransfereerd kunnen worden ten gunste van onderdanen of ingezetenen van de Bondsrepubliek Duitsland. De in de Bondsrepubliek Duitsland op het stuk van sociale verzekeringen geldende wetten en regelingen, die voor onderdanen van andere landen een minder gunstige behandeling inhouden dan voor Duitse onderdanen, zullen geen toepassing vinden, indien het betrokken crediteurland, wat betreft de betalingen van sociale renten, niet discrimineert tussen eigen onderdanen en Duitse onderdanen of tussen eigen ingezetenen en ingezetenen van de Bondsrepubliek Duitsland.

(3). De in lid (1) van dit Artikel bedoelde vorderingen, uit hoofde van sociale verzekeringen, van onderdanen of ingezetenen van een crediteurland, welke niet krachtens lid (1) of overeenkomstig lid (2) van dit Artikel zullen worden geregeld, zullen volgens het bepaalde in artikel 28 van Bijlage IV van deze Overeenkomst worden geregeld.

Artikel 23. Schulden uit het verzekeringsverkeer

(1). Als bilaterale regelingen, die getroffen zijn teneinde uitvoering te geven aan artikel 30, lid (1) van Bijlage IV van deze Overeenkomst, bepalingen bevatten, welke betrekking hebben op de transfer van betalingen of op betaling in Duitse mark van schulden, die voortvloeien uit verzekerings- of herverzekeringscontracten of -overeenkomsten van welke aard ook, of die met dergelijke contracten of overeenkomsten samenhangen, dan moeten die bepalingen in overeenstemming zijn met die terzake van de regeling van de andere soorten schulden.

(2). Als op 30 Juni 1953 geen bilaterale regelingen zullen zijn getroffen, zullen de schulden uit hoofde van verzekerings- of herverzekeringscontracten geregeld worden overeenkomstig de bepalingen van artikel 30, lid (2) en van artikel 31 van Bijlage IV van deze Overeenkomst. De termijn van 30 Juni 1953 kan na het bereiken van onderlinge overeenstemming worden verlengd. De gunstigste voorwaarden, voorkomende in enige bilaterale regeling, gesloten overeenkomstig lid (1) van dit Artikel met betrekking tot de transfer van betalingen van welke categorie schulden ook, of met betrekking tot de betaling in Duitse mark van die schulden, zullen toepassing vinden op de schulden van dezelfde categorie jegens crediteuren, die gevestigd zijn in landen, waarmede geen bilaterale regelingen zullen zijn getroffen.

Artikel 24. Toepasselijkheid van de Overeenkomst op Berlijn

(1). Met inachtneming van het bepaalde in lid (2) (b) van Artikel 4 en in lid (5) van Artikel 5, zal deze Overeenkomst van toepassing zijn op Berlijn, dat binnen de grenzen van zijn bevoegdheid verplichtingen, overeenkomend met die, welke de Bondsrepubliek uit hoofde van deze Overeenkomsten en de bijbehorende Bijlagen op zich neemt, zal nakomen.

(2). Deze Overeenkomst zal voor Berlijn in werking treden bij of na haar inwerkingtreding overeenkomstig lid (2) van Artikel 35, zodra de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland bij de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland een verklaring zal deponeren, waaruit zal blijken, dat in Berlijn alle wettelijke maatregelen, nodig voor de toepassing van deze Overeenkomst op Berlijn, zijn genomen.

Artikel 25. Herziening van de Overeenkomst bij de hereniging van Duitsland

De Partijen bij deze Overeenkomst zullen deze herzien bij de hereniging van Duitsland. Deze herziening zal uitsluitend tot doel hebben:

  • (a). het toepassen van de bepalingen van de Bijlagen bij deze Overeenkomst met betrekking tot het aanpassen van bepaalde schulden ingeval van hereniging, voorzover die bepalingen dan niet automatisch toepassing gaan vinden;
  • (b). het uitbreiden van de toepassing der bepalingen van deze Overeenkomst op schulden van personen, woonachtig in het met de Bondsrepubliek Duitsland herenigde gebied;
  • (c). het uitvoeren van een billijke aanpassing met betrekking tot schulden, waarvan de regeling is vastgesteld, rekening houdend met het verlies van bepaalde zich in het met de Bondsrepubliek Duitsland herenigde gebied bevindende vermogenswaarden, of met de onmogelijkheid daarover te beschikken.

Artikel 26. Vroeger getroffen overeenkomsten

Geen der bepalingen van deze Overeenkomst zal geacht worden de geldigheid van enige andere overeenkomst tot regeling van verplichtingen, door de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland gesloten voor het in werking treden van deze Overeenkomst, aan te tasten.

Artikel 27. Voorrang van deze Overeenkomst boven haar Bijlagen

Indien de bepalingen van deze Overeenkomst niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van een der daarbij behorende Bijlagen, zijn de bepalingen van deze Overeenkomst beslissend.

Artikel 28. Tribunaal van Arbitrage

(1). Het Tribunaal van Arbitrage voor de Overeenkomst inzake Duitse buitenlandse schulden (hierna genoemd „het Tribunaal”) wordt opgericht voor de hierna te vermelden doeleinden. De samenstelling en de organisatie van het Tribunaal en de wijze van uitoefening van zijn rechtspleging zijn geregeld in het Statuut, hetwelk als Bijlage IX aan deze Overeenkomst is toegevoegd.

(2). Onverminderd de bepalingen van lid (5) van dit Artikel is het Tribunaal bij uitsluiting bevoegd kennis te nemen van alle geschillen tussen twee of meer Partijen bij deze Overeenkomst over de uitleg of de toepassing van de Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen, waarover de Partijen door middel van onderhandelingen niet tot overeenstemming kunnen komen, met dien verstande, dat geschillen over de uitleg en de toepassing van Artikel 34 van deze Overeenkomst niet ter beoordeling van het Tribunaal of enig andere rechtbank of ander scheidsgerecht zullen staan. Indien de Bondsrepubliek Duitsland geen partij is bij een procedure voor het Tribunaal met betrekking tot een geschil tussen Partijen bij deze Overeenkomst, kan zij op verzoek van een der partijen bij het geschil als partij tot de procedure toetreden.

(3). Het Tribunaal is bij uitsluiting bevoegd tot beoordeling van de in artikel 16 lid 2 van Bijlage IV van deze Overeenkomst bedoelde vraagstukken, welke voor de uitleg van de genoemde Bijlage van wezenlijke betekenis zijn en welke het door een Partij bij deze Overeenkomst voorgelegd krijgt. De bepalingen van dit lid tasten de bevoegdheid van de Gemengde Commissie, zoals deze in Artikel 31 lid 2 van deze Overeenkomst is geregeld, niet aan.

(4). Het Tribunaal is bij uitsluiting bevoegd tot behandeling van procedures in hoger beroep, welke in overeenstemming met Artikel 31 lid 7 van deze Overeenkomst aanhangig worden gemaakt.

(5). Onverminderd de bepalingen van de leden (3) en (4) van dit Artikel is het Tribunaal niet bevoegd kennis te nemen van geschillen, welke uitsluitend betrekking hebben op de uitleg of de toepassing van een Bijlage van deze Overeenkomst, indien een in overeenstemming met de desbetreffende Bijlage opgerichte scheidsrechterlijke instantie bevoegd is tot beoordeling van de met betrekking tot de uitleg of de toepassing gerezen vraag. Deze bepaling vormt geen beperking van de bevoegdheid van het Tribunaal met betrekking tot geschillen over de vraag, of een uitspraak van een dergelijke scheidsrechterlijke instantie in strijd is met de bepalingen van deze Overeenkomst.

(6). Iedere Partij bij deze Overeenkomst, die belang heeft bij het onderwerp van een procedure voor het Tribunaal, is gerechtigd, als partij aan deze procedure deel te nemen.

(7). Het Tribunaal heeft het recht, te beslissen over vragen met betrekking tot zijn bevoegdheid krachtens de voorgaande bepalingen van dit Artikel.

(8). Een uitspraak van het Tribunaal is definitief en bindend

  • (a). in een procedure volgens lid (2) van dit Artikel voor de partijen bij het geschil en voor elke andere Partij bij deze Overeenkomst, die als partij aan de procedure deelneemt;
  • (b). in een procedure volgens lid (3) van dit Artikel voor de partij, die het vraagstuk aan het Tribunaal heeft voorgelegd, en voor elke andere Partij bij deze Overeenkomst, die als partij aan de procedure deelneemt;
  • (c). in een procedure in hoger beroep volgens lid (4) van dit Artikel voor de partij of de partijen bij de procedure in hoger beroep.

(9). De bevoegdheid van het Tribunaal wordt niet aangetast door het feit, dat een partij bij het geschil niet bij de voor het Tribunaal aanhangig gemaakte procedure verschijnt.

(10). Alle in overeenstemming met deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen opgerichte scheidsrechterlijke instanties, uitgezonderd het Tribunaal zelf, zijn bij de beoordeling van de uitleg of de toepassing van deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen door de daarvoor in aanmerking komende uitspraken van het Tribunaal gebonden.

(11). Op verzoek van een Partij bij deze Overeenkomst geeft het Tribunaal advies met betrekking tot de uitleg of de toepassing van deze Overeenkomst (uitgezonderd de uitleg of de toepassing van Artikel 34 van deze Overeenkomst). Dergelijke adviezen hebben geen bindende kracht.

Artikel 29. Arbitrage over bepaalde geschillen volgens Bijlage I

(1). Aan procedures voor een scheidsgerecht, hetwelk ter beoordeling van geschillen volgens punt 7 lid 1 onder (g) van Bijlage I van deze Overeenkomst is voorzien, kunnen slechts Organisaties van Effectenbezitters en soortgelijke verenigingen, welke door de Regeringen van de landen, waarin zij gevormd zijn, als vertegenwoordigers van de effectenbezitters in deze landen erkend zijn (hierna genoemd „crediteurenvertegenwoordiging”), aan de ene kant en debiteuren aan de andere kant als partijen deelnemen.

(2). Een scheidsgerecht als bedoeld in het voorgaande lid bestaat, voorzover de partijen niet anders overeenkomen, uit drie als volgt benoemde leden:

  • (a). een lid, hetwelk door de debiteur dient te worden benoemd;
  • (b). een lid, hetwelk door de desbetreffende crediteurenvertegenwoordiging, of, indien er meer crediteurenvertegenwoordigingen bij betrokken zijn, door deze gezamenlijk dient te worden benoemd;
  • (c). een derde lid als voorzitter, hetwelk door de op de hierboven onder (a) en (b) bedoelde wijze benoemde leden dient te worden gekozen. De voorzitter mag noch de Duitse nationaliteit noch de nationaliteit van een land, waarin een als partij aan de procedure deelnemende crediteuren vertegenwoordiging is gevormd, bezitten.

(3). Binnen 90 dagen, gerekend vanaf de datum, waarop een der partijen bij de procedure de andere partij de benoeming van haar scheidsrechter heeft meegedeeld, dient de andere partij eveneens een scheidsrechter te benoemen. Indien de andere partij haar scheidsrechter niet binnen de voorgeschreven termijn benoemt, wordt deze op verzoek van de partij, die de mededeling heeft gedaan, door de Internationale Kamer van Koophandel benoemd.

(4). Indien de beide scheidsrechters niet binnen 30 dagen, gerekend vanaf de datum van benoeming van de laatstbenoemde scheidsrechter, overeenstemming over de keuze van een voorzitter bereiken, wordt deze op verzoek van een van beide scheidsrechters door de Internationale Kamer van Koophandel benoemd. De bepaling van lid (2) onder (c) van dit Artikel ten aanzien van de nationaliteit geldt ook voor deze benoeming.

(5). Indien een lid van het scheidsgerecht overlijdt of wegens ziekte, terugtrekking of niet-nakoming van zijn ambtsplichten uitvalt, wordt deze functie binnen 30 dagen, nadat zij is opengevallen, op dezelfde wijze als bij de oorspronkelijke benoeming opnieuw vervuld.

(6). Het scheidsgerecht stelt zelf de bij zijn rechtspleging te volgen regels vast. Indien dergelijke regels niet worden vastgesteld of niet toereikend zijn, dienen de door de Internationale Kamer van Koophandel vastgestelde regels met betrekking tot arbitrage te worden toegepast.

(7). De uitspraak van het scheidsgerecht met betrekking tot de conversie, welke het onderwerp van de scheidsrechterlijke procedure vormde, is met het oog op de vaststelling van de bepalingen van het regelingsaanbod bindend voor de partijen bij de procedure en de crediteuren vertegenwoordiging dient de aanvaarding van het regelingsaanbod aan te bevelen aan de effectenbezitters, voorzover dit aanbod aan de andere in Bijlage I van deze Overeenkomst neergelegde voorwaarden voldoet.

Artikel 30. Inschakeling van Trustkantoren volgens Bijlage II

(1). De volgens artikel IX van Bijlage II van deze Overeenkomst opgerichte Arbitrage- en Bemiddelings-Commissie doet het Trustkantoor voor een in effecten belichaamde schuld, waarop de genoemde Bijlage van toepassing is, mededeling van elke bij de Commissie aanhangige procedure over de regeling der schuld. Het Trustkantoor kan binnen 20 dagen na het doen van de mededeling als partij tot de procedure toetreden.

(2). Teneinde het Trustkantoor voor een in effecten belichaamde schuld bij de bevrijding van verplichtingen, welke dit tegenover de bezitters van deze effecten mocht hebben, te ondersteunen, zal de debiteur op het tijdstip, waarop hij in overeenstemming met artikel VII van Bijlage II van deze Overeenkomst een voorstel voor een regelingsaanbod aan de crediteurenvertegenwoordiging aanbiedt, tevens een afschrift van dit voorstel aan het Trustkantoor voor deze effecten aanbieden. Het Trustkantoor kan de debiteur en de crediteurenvertegenwoordiging op de hoogte stellen van de bezwaren, welke het heeft tegen de modaliteiten van het aanbod waarover wordt onderhandeld, waarna deze bezwaren bij de behandeling ter beoordeling dienen te worden overgelegd.

(3). Voor het afsluiten van een definitieve overeenkomst met de crediteurenvertegenwoordiging over de modaliteiten van het regelingsaanbod dient de debiteur de modaliteiten van dit regelingsaanbod schriftelijk aan het Trustkantoor mede te delen. Binnen 10 dagen na ontvangst van deze mededeling kan het Trustkantoor bezwaren tegen de modaliteiten van het regelingsaanbod bij de Arbitrage- en Bemiddelings-Commissie indienen met betrekking tot alle vraagstukken, ten aanzien waarvan het volgens de bepalingen van de bestaande overeenkomst van oordeel is, dat het verplichtingen tegenover de bezitters van deze effecten heeft. De Arbitrage- en Bemiddelings-Commissie zal de crediteurenvertegenwoordiging en de debiteur mededeling doen van de opening van de procedure. De crediteurenvertegenwoordiging en de debiteur kunnen binnen 20 dagen na het doen van deze mededeling als partijen tot de procedure toetreden. De bevoegdheid van de Arbitrage- en Bemiddelings-Commissie ten aanzien van een dergelijke procedure wordt niet aangetast door het feit, dat de crediteurenvertegenwoordiging of de debiteur niet bij de procedure verschijnt. Indien binnen de bovenvermelde termijn van 10 dagen geen beroep op arbitrage plaatsvindt, kan de debiteur de voorgestelde overeenkomst met de crediteur en vertegenwoordiging sluiten.

(4). Een uitspraak van de Arbitrage- en Bemiddelings-Commissie in een procedure volgens lid (3) van dit Artikel is voor de crediteurenvertegenwoordiging en de debiteur tot op dezelfde hoogte bindend als in de tweede alinea van lid 1 van artikel IX van Bijlage II van deze Overeenkomst is voorzien. Indien een Trustkantoor in overeenstemming met lid (1) of (3) van dit Artikel als partij aan een procedure deelneemt, heeft het in deze procedure dezelfde rechten als iedere andere partij in deze procedure.

Artikel 31. De Gemengde Commissie voor vraagstukken met betrekking tot Bijlage IV

(1). De samenstelling en de organisatie van de in artikel 16 van Bijlage IV van deze Overeenkomst bedoelde Gemengde Commissie en de wijze van uitoefening van haar rechtspleging zijn geregeld in het Statuut, hetwelk als Bijlage X aan deze Overeenkomst is toegevoegd.

(2). De Gemengde Commissie is bevoegd kennis te nemen van:

  • (a). meningsverschillen tussen crediteuren en debiteuren over de uitleg van Bijlage IV van deze Overeenkomst, welke haar worden voorgelegd door de crediteur en de debiteur gezamenlijk of door een crediteur of een debiteur, wiens Regering verklaart, dat de te beoordelen vraag naar haar opvatting van algemene betekenis voor de uitleg van de genoemde Bijlage is;
  • (b). gevallen, welke het onderwerp van een procedure voor een volgens artikel 17 van Bijlage IV van deze Overeenkomst opgericht scheidsgerecht vormen en in overeenstemming met artikel 16 van de genoemde Bijlage door een Partij bij deze Overeenkomst of door het scheidsgerecht zelf aan de Gemengde Commissie worden voorgelegd op grond van het feit, dat het om een geval van wezenlijke betekenis voor de uitleg van Bijlage IV gaat, met dien verstande, dat in gevallen, welke volgens artikel 11 van Bijlage IV van deze Overeenkomst in hoger beroep aan het scheidsgerecht zijn voorgelegd, slechts vragen aan de Gemengde Commissie ter beoordeling mogen worden voorgelegd, welke voor de uitleg van de genoemde Bijlage van wezenlijke betekenis zijn.

(3). Elke Partij bij deze Overeenkomst, die belang heeft bij het onderwerp van een procedure voor de Gemengde Commissie, is gerechtigd, als partij aan de procedure deel te nemen.

(4). De bevoegdheid van de Gemengde Commissie wordt niet aangetast door het feit, dat een bij het geschil betrokken partij niet bij de voor de Gemengde Commissie aanhangig gemaakte procedure verschijnt.

(5). De Gemengde Commissie heeft het recht, zelf in overeenstemming met de voorafgaande bepalingen van dit Artikel over vragen met betrekking tot haar bevoegdheid te beslissen.

(6). Onverminderd de bepalingen van lid (7) van dit Artikel is een uitspraak van de Gemengde Commissie definitief en bindend:

  • (a). voor de partijen bij de bij haar aanhangige procedure;
  • (b). voor elke partij bij een geschil, hetwelk in overeenstemming met het gestelde in lid (2) (a) van dit Artikel aan de Gemengde Commissie is voorgelegd;
  • (c). voor een Partij bij deze Overeenkomst, die in overeenstemming met het gestelde in lid (2) (b) van dit Artikel een geval of een vraag ter beoordeling voorlegt;
  • (d). voor het scheidsgerecht, dat de vraag zelf heeft voorgelegd of in welks procedure de voorlegging heeft plaatsgevonden in de gevallen, bedoeld in lid (2) (b) van dit Artikel;
  • (e). met betrekking tot een der regelingsmodaliteiten voor een schuld, indien deze het onderwerp van de procedure vormde.

(7). Elke Partij bij deze Overeenkomst is gerechtigd, tegen een uitspraak van de Gemengde Commissie binnen 30 dagen, nadat deze is gedaan, in hoger beroep te gaan bij het Tribunaal op grond van het feit, dat de uitspraak betrekking heeft op een vraag van algemene of wezenlijke betekenis. Het beroep wordt alleen in behandeling genomen ten aanzien van uit de uitspraak voortvloeiende vragen, met betrekking waartoe de in beroep gaande partij stelt, dat zij van algemene of wezenlijke betekenis zijn. Wanneer door het Tribunaal ten aanzien van de betreffende vraag een beslissing is genomen, dient de Gemengde Commissie in de procedure, welke tot het beroep heeft geleid, alle maatregelen te nemen, welke nodig zijn, om de beslissing van het Tribunaal toe te passen.

Artikel 32. Scheidsgerecht voor geschillen onder Bijlage IV

(1). Indien een crediteur en een debiteur in overeenstemming met de vijfde alinea van artikel 17 van Bijlage IV van deze Overeenkomst zijn overeengekomen, een geschil aan een scheidsgerecht voor te leggen, dient elk van hen binnen 30 dagen, gerekend vanaf de datum van overeenstemming, een scheidsrechter te benoemen. Indien er meer dan een crediteur of debiteur bij betrokken zijn, wordt de scheidsrechter door de crediteuren of door de debiteuren gezamenlijk benoemd. Indien een partij haar scheidsrechter niet binnen de aangegeven termijn benoemt, is de andere partij bij het geschil gerechtigd, de Internationale Kamer van Koophandel te verzoeken een zodanige scheidsrechter te benoemen. De beide scheidsrechters kiezen binnen 30 dagen, gerekend vanaf de datum van benoeming van de laatstbenoemde scheidsrechter, een derde scheidsrechter als voorzitter. Indien de voorzitter niet binnen deze termijn wordt gekozen, kan elk van beide partijen de benoeming aan de Internationale Kamer van Koophandel verzoeken.

  • (a). Een crediteur, die in overeenstemming met de tweede alinea van artikel 11 van Bijlage IV van deze Overeenkomst bij een scheidsgerecht in hoger beroep gaat, dient binnen 30 dagen, nadat het vonnis van het Duitse gerecht is uitgesproken,
  • (I). hiervan kennis te geven aan de Duitse rechtbank, die de uitspraak heeft gedaan;
  • (II). de debiteur de naam van de scheidsrechter mee te delen, die hij voor het scheidsgerecht heeft benoemd.
  • (b). Na ontvangst van de onder (a) (I) van dit lid van dit Artikel bedoelde kennisgeving zijn alle procedures voor Duitse rechterlijke instanties in die zin geëindigd, dat geen rechten uit het vonnis, voorzover dit betrekking heeft op de schuld, welke het onderwerp van het beroep vormt, kunnen worden afgeleid.
  • (c). Binnen 30 dagen, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de onder (a) (II) van dit lid van dit Artikel bedoelde mededeling, dient de debiteur de naam van de scheidsrechter, die hij voor het scheidsgerecht heeft benoemd, aan de crediteur op te geven. Indien de debiteur deze opgave niet binnen de voorgeschreven termijn verricht, is de crediteur gerechtigd de Internationale Kamer van Koophandel te verzoeken een zodanige scheidsrechter te benoemen. In overeenstemming met lid (1) van dit Artikel dient een derde scheidsrechter als voorzitter te worden gekozen.
  • (d). Een scheidsgerecht, waarvoor een procedure in hoger beroep in overeenstemming met de tweede alinea van artikel 11 van Bijlage IV van deze Overeenkomst aanhangig is,
  • (I). houdt, voorzover de partijen bij de procedure niet anders overeenkomen, zitting in de Bondsrepubliek Duitsland;
  • (II). past de beginselen toe, welke uit de eerste alinea van artikel 11 van Bijlage IV van deze Overeenkomst voortvloeien;
  • (III). behandelt het geschil volledig opnieuw.
  • (e). Indien tijdens een procedure, welke in overeenstemming met de bepalingen van de tweede alinea van artikel 11 van Bijlage IV van deze Overeenkomst voor een scheidsgerecht aanhangig is gemaakt, een vraag aan de Gemengde Commissie wordt voorgelegd in overeenstemming met het gestelde in Artikel 31 lid (2) (b) van deze Overeenkomst, schorst het scheidsgerecht aanstonds de procedure, tot een rechtsgeldige uitspraak door de Gemengde Commissie is gedaan. Nadat een dergelijke uitspraak is gedaan, zet het scheidsgerecht de procedure voort en treft de nodige maatregelen, om de uitspraak toe te passen.

(3). Indien een scheidsgerecht de uitleg van Bijlage IV van deze Overeenkomst dient te beoordelen, is het aan de daarvoor in aanmerking komende uitspraken van de Gemengde Commissie gebonden.

(4). Indien een lid van een scheidsgerecht overlijdt of wegens ziekte, terugtrekking of niet-nakoming van zijn ambtsplichten uitvalt, wordt de functie binnen 30 dagen, nadat zij opengevallen is, op dezelfde wijze als bij de oorspronkelijke benoeming opnieuw vervuld.

(5). Het scheidsgerecht kan bepalen, hoe de proceskosten en de kosten wegens advies worden gedragen, en, in een procedure in hoger beroep volgens lid (2) van dit Artikel, welke partij de proceskosten voor het Duitse gerecht dient te dragen of hoe deze tussen de partijen worden verdeeld. Indien het scheidsgerecht geen beslissing over de kosten neemt, draagt iedere partij bij de procedure haar eigen kosten; de kosten van de procedure voor het scheidsgerecht en in voorkomend geval van de procedure voor het Duitse gerecht worden in dit geval voor de helft door de crediteur of de crediteuren en voor de helft door de debiteur of de debiteuren gedragen.

(6). Indien een procedure voor het scheidsgerecht aanhangig is, kan deze alleen met toestemming van alle partijen bij deze procedure worden teruggetrokken.

(7). Het scheidsgerecht stelt zelf de bij zijn rechtspleging te volgen regels vast met inachtneming van de bepalingen van dit Artikel en van artikel 17 van Bijlage IV van deze Overeenkomst. Indien dergelijke regels niet zijn vastgesteld of niet toereikend zijn, dienen de door de Internationale Kamer van Koophandel vastgestelde regelingen inzake arbitrage te worden toegepast.

(8). De uitspraak van het scheidsgerecht is definitief en bindend voor de betrokken partijen.

Artikel 33. Geschilpunten in verband met de deconcentratie

Het Tribunaal van Arbitrage of een andere, krachtens deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen opgerichte scheidsrechterlijke instantie kunnen geen kennis nemen van aangelegenheden, in welker regeling voorzien is hetzij door een plan, dat is goedgekeurd, of door een beschikking of verordening, die is uitgevaardigd, op grond van de wetten van de Geallieerde Hoge Commissie No. 27 (reorganisatie van de Duitse kolen-, ijzer- en staalindustrie) en No. 35 (deconcentratie van de I.G. Farbenindustrie A.G.), door de Geallieerde Hoge Commissie, door een der door haar tot het bewerken van deze soort aangelegenheden gemachtigde diensten, of door enig ander orgaan, dat de bevoegdheden van de Geallieerde Hoge Commissie zal overnemen. Bij elke regeling van deze aard dienen de crediteur en de debiteur, de Geallieerde Autoriteiten en de revisiecommissies de bepalingen van deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen toe te passen. Geeft een aangelegenheid aanleiding tot een geschil over de uitleg of de toepassing van de bepalingen van deze Overeenkomst of de Bijlagen, dan moet dat geschil, vóór de goedkeuring van een plan, en vóór de uitvaardiging van een beschikking of verordening, die op het geschilpunt betrekking heeft, ter beslissing worden voorgelegd aan het Tribunaal of aan de krachtens deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen bevoegde scheidsrechterlijke instantie. De voorgaande bepalingen tasten de bevoegdheid van het Tribunaal en van de andere scheidsrechterlijke instanties, die ingesteld zijn overeenkomstig deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen, niet aan ten aanzien van aangelegenheden, die niet uitdrukkelijk geregeld zijn in een goedgekeurd plan of in een uitgevaardigde beschikking of verordening, zoals hierboven bedoeld, of van aangelegenheden, die zich voordoen tengevolge van na het van kracht worden van dat plan, die beschikking of verordening optredende gebeurtenissen.

Artikel 34. Internationaal overleg

Teneinde een duurzame en doeltreffende toepassing van deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen, tot tevredenheid van alle belanghebbende partijen te verzekeren, en onverminderd de verplichtingen, die de Bondsrepubliek Duitsland op zich genomen heeft, wordt het volgende bepaald.

  • (a). Overleg zal worden gepleegd tussen de voornaamste belanghebbende Partijen bij deze Overeenkomst, indien een verzoek daartoe wordt gedaan door de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland of door de Regering van een der crediteurlanden, houder van een belangrijk deel van de vorderingen welke onder deze Overeenkomst vallen. Alle Partijen bij deze Overeenkomst hebben het recht aan dit overleg deel te nemen en kunnen dan vertegenwoordigers van belanghebbende crediteuren of debiteuren van haar land uitnodigen er eveneens aan deel te nemen.
  • (b). Heeft zodanig overleg betrekking op een toestand waarin de Bondsrepubliek Duitsland zich geplaatst ziet tegenover moeilijkheden bij de nakoming van haar buitenlandse verplichtingen, dan zal aandacht worden geschonken aan alle gepaste economische, financiële en monetaire overwegingen, die betrekking hebben op de transfer-capaciteit van de Bondsrepubliek Duitsland, zoals deze gelijktijdig wordt beïnvloed door interne en externe factoren, evenals aan de duurzame nakoming door de Bondsrepubliek Duitsland van haar verplichtingen uit hoofde van deze Overeenkomst en de daarbij behorende Bijlagen, en uit hoofde van overeenkomsten met betrekking tot de na-oorlogse economische hulp. Er zal deugdelijk rekening worden gehouden met de beginselen waardoor de Conferentie over de Duitse buitenlandse schulden zich heeft laten leiden, met de door haar beoogde doelstellingen, en met de toezegging van de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland om alles te zullen doen, wat in haar vermogen is, teneinde de nakoming van haar verplichtingen te verzekeren. Indien de voornaamste Partijen bij deze Overeenkomst, die aan het overleg deelnemen, daartoe besluiten, kan het advies worden gevraagd van de daarvoor in aanmerking komende internationale organisaties of van andere onafhankelijke deskundigen. Een verzoek daartoe kan worden gedaan door de Bondsrepubliek Duitsland of door een der andere der voornaamste belanghebbende Partijen bij deze Overeenkomst.

Artikel 35. Inwerkingtreding

(1). Iedere Regering, die deze Overeenkomst heeft ondertekend, zal, nadat zij overeenkomstig de grondwettelijke vereisten in haar land de Overeenkomst zal hebben bekrachtigd of goedgekeurd, een akte van de bekrachtiging of goedkeuring van deze Overeenkomst nederleggen bij de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland.

(2). Deze Overeenkomst treedt in werking zodra de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Regeringen van de Verenigde Staten van Amerika, van de Franse Republiek en van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland de akte van de bekrachtiging of goedkeuring, bedoeld in lid (1) van dit Artikel, zullen hebben nedergelegd bij de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland. Deze inwerkingtreding geldt ten aanzien van alle ondertekenende Regeringen, die dan tot vorenbedoelde deponering zullen zijn overgegaan. De Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland zal alle Regeringen die deze Overeenkomst ondertekend hebben, kennis geven van de dag van haar inwerkingtreding en van de Regeringen te wier aanzien zij in werking treedt.

(3). Voor iedere ondertekenende Regering, die na de in het vorige lid bedoelde inwerkingtreding tot de vereiste nederlegging overgaat, treedt deze Overeenkomst in werking op de dag waarop de deponering plaats vindt. De Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland zal van die nederlegging en van de datum daarvan kennis geven aan alle andere Regeringen, die deze Overeenkomst hebben ondertekend, en aan iedere Regering, die overeenkomstig het bepaalde in Artikel 36 tot deze Overeenkomst toegetreden is.

Artikel 36. Toetreding

(1). Iedere Regering, die door de Regeringen van de Verenigde Staten van Noord-Amerika, van Frankrijk en van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland of door één van haar, en door de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland uitgenodigd is om deze Overeenkomst te ondertekenen, kan deze Overeenkomst ondertekenen of er toe toetreden overeenkomstig de termen van de tot haar gerichte uitnodiging. Iedere andere Regering, die na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst diplomatieke betrekkingen aanknoopt met de Bondsrepubliek Duitsland, kan tot deze Overeenkomst toetreden. Iedere toetreding geschiedt door nederlegging van een akte van toetreding bij de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, die aan de andere Regeringen, die deze Overeenkomst hebben ondertekend of er toe zijn toegetreden, kennis geeft van de nederlegging van die akte en van de datum waarop dit is geschied.

(2). Deze Overeenkomst treedt ten aanzien van iedere Regering, die toegetreden is, in werking zodra zij haar akte van toetreding heeft nedergelegd, maar niet vóór de inwerkingtreding van deze Overeenkomst overeenkomstig Artikel 35.

Artikel 37. Uitbreiding van de Overeenkomst tot bepaalde gebiedsdelen

(1). Iedere Regering kan bij de ondertekening van of toetreding tot deze Overeenkomst of op elk tijdstip daarna, door middel van een kennisgeving, gericht aan de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, verklaren dat deze Overeenkomst, te rekenen vanaf de datum, vermeld in bedoelde kennisgeving, eveneens zal gelden voor alle of bepaalde gebiedsdelen, voor welker internationale betrekkingen zij verantwoordelijk is.

(2). De Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland zal aan alle Regeringen, die deze Overeenkomst hebben ondertekend of er toe zijn toegetreden mededeling doen van iedere kennisgeving, die krachtens dit Artikel bij haar is nedergelegd.

Artikel 38. Voorbehouden en beperkingen

(1). ledere Regering, die een akte van bekrachtiging of goedkeuring van deze Overeenkomst of een akte van toetreding tot die Overeenkomst heeft nedergelegd die niet in overeenstemming is met de termen van de uitnodiging, welke tot haar gericht werd, of waarin een voorbehoud of enige beperking is vervat, wordt niet als een Partij bij deze Overeenkomst beschouwd zolang zij haar voorbehoud of haar beperking niet heeft ingetrokken, of zolang deze niet zijn aanvaard door alle Partijen bij de Overeenkomst.

(2). Kennisgevingen ingevolge Artikel 37, welke een voorbehoud of een beperking bevatten, zullen niet van kracht worden zolang dat voorbehoud of die beperking niet is ingetrokken of niet is aanvaard door alle Partijen bij de Overeenkomst.

Overeenkomst tussen België en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de regeling van de Belgische aanspraken uit hoofde van de betalingen van annuïteiten krachtens het Duits-Belgisch accoord van 13 Juli 1929.

België enerzijds en de Bondsrepubliek Duitsland anderzijds zijn op grond van de onderhandelingen, die gevoerd zijn bij de internationale conferentie over Duitse buitenlandse schulden te Londen, overeengekomen de volgende overeenkomst te sluiten.

Artikel 1

RM
De Regering van de Bondsrepubliek Duitsland erkent dat per 10 Mei 1940 de Belgische Regering wegens de in het Duits-Belgische accoord van 13 Juli 1929 bedoelde en tot 15 November 1939 aan de Konversionskasse betaalde annuïteiten, is gecrediteerd met een bedrag van ........ 107.856.835,65
Anderzijds zijn niet aan de Konversionskasse betaald en blijven dus als verplichtingen tegenover de Belgische Regering bestaan:
(a) de maandelijkse termijnen der tussen 15 December 1939 en 10 Mei 1940 vervallen annuïteiten ten bedrage van ........ 10.833.333,33
(b) de maandelijkse termijnen der tussen 10 Mei 1940 en 8 Mei 1945 vervallen annuïteiten ten bedrage van ........ 105.908.333,34
Totaal 224.598.502,32

Artikel 2

Verlangende de regeling van de vorenbedoelde verplichting bij overeenkomst vast te stellen, verplicht de Bondsregering zich tot betaling, en de Belgische Regering is bereid tot aanvaarding, van een bedrag ten belope van veertig (40) mln Duitse mark, betaalbaar in 15 jaarlijkse termijnen, telkens vervallende op 1 Juli van ieder jaar van 1953 tot 1967, en wel:

  • vijf jaarlijkse termijnen van 1953 tot 1957 ten bedrage van elk DM 2 millioen;
  • tien jaarlijkse termijnen van 1958 tot 1967 ten bedrage van elk DM 3 millioen.

Vorenbedoelde betalingen worden door de Belgische Regering als finale en definitieve regeling van de desbetreffende Belgische vorderingen tot 8 Mei 1945 aanvaard.

Artikel 3

Voor elk der vorenbedoelde annuïteiten geeft de Bondsrepubliek in Duitse mark luidende obligaties af die in Belgische valuta zullen worden betaald tegen de officiële middenkoers van de Bank Deutscher Länder geldend op de dag voor de vervaldag van de obligaties.

De obligaties zullen uiterlijk 1 April 1953 aan de Belgische Regering worden overhandigd.

Artikel 4

Iedere niet op de vervaldag betaalde obligatie zal ten gunste van de Belgische Regering 3 % per jaar rente dragen.

Artikel 5

Deze Overeenkomst zal worden geratificeerd. De uitwisseling der bekrachtigingsoorkonden zal in Brussel geschieden.

De Overeenkomst treedt in werking bij de uitwisseling van de bekrachtigingsoorkonden.

Artikel 6

Deze Overeenkomst is in de Franse en in de Duitse taal opgesteld, beide gelijkelijk authentiek zijnde.

Duitse delegatie

voor buitenlandse schulden,

243-18 DEL 38-1934/52.

Aan Sir Otto Niemeyer,

c/o Council of Foreign

Bondholders,

17 Moorgate,

Londen E.C. 2.

Londen, 14 November 1952.

Hooggeachte Sir Otto,

Ik heb de eer hiermede het resultaat samen te vatten van de overeenstemming die bereikt is bij de besprekingen van 20-10 en 14-11-1952:

Ter uitvoering van de in punt 14 van bijlage 3 bij het rapport der conferentie aanvaarde verplichtingen verklaart de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland zich bereid, de verplichtingen van de „Konversionskasse für Deutsche Auslandsschulden” voortvloeiende uit stortingen door debiteuren in liet Saargebied, alsmede in Oostenrijk, Frankrijk, Luxemburg en België, voorzover de crediteuren geen betaling in buitenlandse valuta hebben ontvangen, noch op andere wijze zijn voldaan, op de volgende wijze te regelen.

OVEREENKOMST gesloten tussen een COMITÉ, vertegenwoordigende de BANKEN, HANDELS- en INDUSTRIËLE ONDERNEMINGEN in de BONDSREPUBLIEK DUITSLAND en BERLIJN (WEST) (hierna genoemd „het Duitse Comité”, waarbij deze uitdrukking iedere instelling en iedere organisatie omvat, die enigerlei taak overneemt van die zijner taken, welke met deze overeenkomst samenhangen), de BANK DEUTSCHER LÄNDER (hieronder mede te verstaan iedere instelling of iedere organisatie die enigerlei taak overneemt van die harer taken, welke met deze overeenkomst samenhangen) en die hieronder volgende comité's (hierna gezamenlijk aangeduid als „de Comité's van buitenlandse bankiers”) die deze overeenkomst zullen ondertekenen, te weten COMITÉ'S vertegenwoordigende BANKINSTELLINGEN die onderscheidenlijk hun bedrijf uitoefenen in de VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA, het VERENIGD KONINKRIJK en ZWITSERLAND.

Overwegende:

Dat een overeenkomst voor de instandhouding van aan Duitsland verleende kortlopende credieten, in werking getreden op 17 September 1931, door de buitenlandse banken-crediteuren is afgesloten, waarmede gevolg werd gegeven aan het verzoek van de te Londen in Juli 1932 gehouden Zeven Mogendheden Conferentie, „dat de buitenlandse banken-crediteuren van Duitsland gemeenschappelijke maatregelen zouden treffen tot instandhouding van het volume der aan Duitsland verleende credieten”, zich daarbij baserend op de verklaring van die conferentie dat „ten einde de handhaving te verzekeren van de financiële stabiliteit van Duitsland, welke essentieel is voor de belangen van de gehele wereld” de betrokken regeringen „bereid waren om, zover dit in hun macht lag, samen te werken voor het herstel van het vertrouwen”.

Dat de instandhouding van deze kortlopende bankcredieten door een reeks van jaarlijkse overeenkomsten is voortgezet, waarvan de laatste (hierna genoemd „de overeenkomst van 1939”) af zou lopen per 31 Mei 1940 doch ten gevolge van het uitbreken van de vijandelijkheden tussen Duitsland en het Verenigd Koninkrijk en deszelfs Geallieerden op 4 September 1939 namens het Comité der Banken-crediteuren in de Verenigde Staten en Engeland, in overeenstemming met de voorwaarden van die overeenkomst, werd opgezegd en beëindigd.

Dat na afloop van de overeenkomst van 1939 tussen het Comité van Amerikaanse crediteuren en de betrokken Duitse partijen in de jaren 1939 en 1940 overeenkomsten werden afgesloten tot verdere instandhouding (met bepaalde beperkingen en wijzigingen) van die kortlopende bankcredieten die door de buitenlandse banken-crediteuren in de Verenigde Staten waren verleend; de hierbedoelde tweede overeenkomst expireerde op 31 Mei 1941.

Dat na afloop van de overeenkomst van 1939 tussen het Comité van Zwitserse crediteuren en de betrokken Duitse partijen andere overeenkomsten werden afgesloten ter verdere instandhouding (met bepaalde beperkingen en wijzigingen) van die kortlopende bankcredieten, die door buitenlandse banken-crediteuren in Zwitserland waren verleend; deze overeenkomsten zijn echter intussen alle geëxpireerd.

Dat overeenkomstig de bepalingen van de laatste der daarop van toepassing zijnde vroegere overeenkomsten de totale schuld van Duitsland uit hoofde van meerbedoelde kortlopende bankcredieten bij afloop van de desbetreffende overeenkomst met de daarin gestipuleerde gevolgen, verviel en dat de totale schuld (met inbegrip van de schuld uit hoofde van credieten, die in de plaats van voorheen krachtens een of meer van de vroegere overeenkomst verleende credieten waren verstrekt) opeisbaar werd en door de betrokken debiteur moest worden betaald (met vervallen en nog vervallende rente en overige kosten) in de desbetreffende vreemde valuta; de schuld is opeisbaar en betaalbaar gebleven, voorzover zij niet inmiddels door betaling of op andere wijze door voldoening in buitenlandse of Duitse valuta is gedelgd of verminderd. Tot nog toe zijn geen maatregelen genomen die het nakomen van het restant van deze verplichting in de verschuldigde valuta mogelijk maken.

Dat door bemiddeling van het Duitse Comité bankinstellingen, handels- en industriële ondernerningen in de Bondsrepubliek hun buitenlandse banken-crediteuren hebben verzocht een nieuwe overeenkomst af te sluiten ter regeling van de betaling der uitstaande kortlopende schuld en voor het nemen van maatregelen voor het herstellen van normale voorwaarden voor de financiering van de buitenlandse handel van de Bondsrepubliek; dat ter tegemoetkoming aan dit verzoek passende bepalingen zijn geformuleerd en in deze overeenkomst neergelegd, en de buitenlandse bankiers-comité's zich bereid hebben verklaard aan de buitenlandse banken-crediteuren in hun onderscheidene landen toetreding tot deze overeenkomst aan te bevelen.

Dat deze overeenkomst door de comité's van buitenlandse bankiers geaccepteerd is onder voorwaarde dat, zolang deze overeenkomst van kracht blijft, die wetten en verordeningen door de Regering van de Bondsrepubliek of een andere bevoegde overheidsinstantie1)Zie Bijlage IIIa.uitgevaardigd en in stand zullen worden gehouden, als noodzakelijk zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van deze nieuwe overeenkomst en dat geen wetten of verordeningen zullen worden uitgevaardigd die een werkelijke inbreuk zouden betekenen op de verplichtingen die in deze overeenkomst zijn neergelegd. Met name moeten de uit te vaardigen en te handhaven voorschriften waarborgen:

dat de bankinstellingen, handels- en industriële ondernemingen in de Bondsrepubliek geen discriminatie met betrekking tot terugbetalingen of het geven van waarborgen zullen toepassen ten aanzien van buitenlandse banken-crediteuren, onverschillig of deze tot de overeenkomst zijn toegetreden of niet;

dat de bankinstellingen Voor handels- en industriële ondernemingen in de Bondsrepubliek geen discriminatie tussen hun crediteuren in de Bondsrepubliek en hun buitenlandse banken-crediteuren, onverschillig of deze tot de overeenkomst zijn toegetreden of niet, zullen toepassen met betrekking tot het geven van waarborgen; 1)Zie Bijlage IIIa.

dat ongeoorloofde kapitaalbewegingen zullen worden verhinderd; en1)Zie Bijlage IIIa.

1) Zie Bijlage IIIa .dat alle bankinstellingen, handels- en industriële ondernemingen in de Bondsrepubliek die in enigerlei onder deze overeenkomst vallende vorm schulden hebben, tot deze overeenkomst zullen toetreden.

Wordt derhalve het volgende overeengekomen:

1. Definities

Voorzover de samenhang niet een andere uitleg vereist, hebben in deze overeenkomst de hierna genoemde termen de volgende betekenis:

„Kortlopende credieten” betekent en omvat:

  • (i). alle accepten, termijndeposito's, voorschotten in contanten en/of iedere andere op speciale overeenkomst berustende vorm van schuldvorderingen luidende in niet-Duitse valuta ten aanzien van welke een buitenlandse bank-crediteur toegetreden is tot de laatste der hierop toepasselijke vroegere overeenkomsten en welke op het tijdstip van het tot stand komen van deze overeenkomst nog bestaat; er is niet onder begrepen een schuld voortvloeiend uit kortlopende bankcredieten verleend aan bankinstellingen, handels- en industriële ondernemingen in een land, gelegen buiten het gebied, dat op 31 December 1937 tot het Duitse Rijk behoorde, tenzij een bankier, een bankinstelling of een handels- of industriële onderneming of -vennootschap gevestigd in de Bondsrepubliek (overeenkomstig de hieronder volgende definitie) aansprakelijk is voor deze schuld (hetzij van de aanvang af of door erfopvolging, of als garant, borg, endossant);
  • (ii). alle andere accepten, termijndeposito's, voorschotten in contanten en/of overige vormen van bankcrediet, luidend in niet-Duitse valuta en nog uitstaande op het tijdstip van het tot stand komen van deze overeenkomst en die gebaseerd zijn op bijzondere credietovereenkomsten, welke getroffen zijn in overeenstemming met de bepalingen van een der vroegere overeenkomsten ter vervanging van een voorheen aan de bepalingen van deze overeenkomst onderworpen kortlopend crediet, of door investering van geregistreerde saldi op grond van de vroegere overeenkomsten of een daarvan;
  • (iii). alle schulden wegens rente op schulden, die verschuldigd zijn krachtens de voorgaande paragrafen (i) en (ii) tot op het tijdstip van het in werking treden van deze overeenkomst en ten opzichte waarvan de bank-crediteur de optie (i) ingevolge artikel lla van deze overeenkomst heeft uitgeoefend of geacht zal worden deze optie te hebben uitgeoefend;
  • (iv). alle andere schulden, die de een of andere vorm hebben van bank-crediet en die door „recommercialisatie” van een kortlopend crediet in de zin van de voorgaande paragrafen (i) t/m (iii) overeenkomstig de bepalingen van artikel 5 van deze overeenkomst zijn ontstaan.

„Duitse debiteur” betekent en omvat:

  • (i). Iedere bankier en iedere bankinstelling, handels- of industriële onderneming of -vennootschap, gevestigd in de Bondsrepubliek en die schuldverplichtingen heeft met betrekking tot een kortlopend crediet. Niet zijn er onder begrepen de buitenlandse filialen, bijkantoren en dochterondernemingen van vorenbedoelde ondernemingen, doch ten aanzien van een Duitse handels- of industriële onderneming of -vennootschap kan wegens de aan hare buitenlandse filialen, bijkantoren en dochterondernemingen verstrekte credieten, een verklaring worden gegeven aangaande het toetreden tot deze overeenkomst in al die gevallen, waarin het toetreden tot een der vroegere overeenkomsten toegestaan was. Na de toetreding moeten dergelijke credieten met het oog op de toepassing van deze overeenkomst in elk opzicht worden behandeld als aan de Duitse moederonderneming of vennootschap ter beschikking gestelde kortlopende credieten;
  • (ii). Iedere opvolger (overeenkomstig de definitie van deze overeenkomst) van een bankier of van een bankinstelling, handels- of industriële onderneming of -vennootschap als hierboven bedoeld;
  • (iii). Iedere publiekrechtelijke Duitse schuldenaar in de zin van de definities van de credietovereenkomst voor publiekrechtelijke Duitse schuldenaren van 1932.

„Duitse bank-debiteur” betekent iedere Duitse debiteur wiens bedrijf in de eerste plaats het bankbedrijf tot voorwerp heeft.

„Duitse handels- of industriële debiteur” betekent iedere Duitse debiteur die niet Duitse bank-debiteur is of publiekrechtelijke Duitse debiteur in de zin van de onderhavige definities.

„Opvolger” betekent en omvat:

  • (i). Iedere in de Bondsrepubliek gevestigde partij, die ten gevolge van overlijden, liquidatie, reorganisatie of faillissement van een Duitse debiteur of van een vroegere Duitse debiteur uit hoofde van kortlopend crediet aansprakelijk is;
  • (ii). Iedere in de Bondsrepubliek gevestigde vennootschap wier oorspronkelijke activa geheel of voor een belangrijk deel afkomstig zijn van een Duitse debiteur of een vroegere Duitse debiteur en die op grond van een wet of op andere wijze aansprakelijk geworden is met betrekking tot een kortlopend crediet.

„Buitenlandse bank-crediteur” betekent en omvat iedere bankier en iedere bankinstelling gevestigd in een van de in de inleiding tot deze overeenkomst genoemde landen, alsmede iedere andere in een van deze landen gevestigde firma of organisatie, die crediteur zijn met betrekking tot een schuld uit kortlopende credieten, en die onvoorwaardelijk zijn toegetreden tot deze overeenkomst, overeenkomstig artikel 22 daarvan.

„Bondsrepubliek” betekent en omvat het op het tijdstip van de totstandkoming van deze overeenkomst tot de Bondsrepubliek Duitsland en tot Berlijn (West) behorende gebied.1)Zie Bijlage IIIa.

„Duits” betekent: behorend tot de Bondsrepubliek in de zin van de hierboven gegeven definitie.

„Buitenlands” betekent: behorend tot een, op 31 December 1937 buiten het Duitse Rijk gelegen land.

„Firma” omvat mede particulieren, die onder hun eigen naam of onder een firmanaam hun bedrijf uitoefenen.

„Insolventie” met betrekking tot een Duitse schuldenaar betekent een toestand, waarin de schuldenaar wegens gebrek aan contante middelen, dat niet van voorbijgaande aard is, in de onmogelijkheid verkeert het totaal zijner schulden op de vervaldagen te voldoen.

„De vorige overeenkomst” betekent en omvat de Duitse crediet-overeenkomsten van 1931 tot 1939 de Duitse credietovereenkomsten voor publiekrechtelijke debiteuren van 1932 tot 1938, de Duits-Amerikaanse Stillhalte-overeenkomsten van 1939 en 1940 alsmede de kortlopende credieten door banken-crediteuren verstrekt in Zwitserland op grond van een overeenkomst, bekend onder de naam „Das Deutsche Kreditabkommen von 1940, 1941, 1942, 1943 und 1944”.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)