Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding (Eems-Dollardverdrag)

Type Verdrag
Publication 1978-07-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland hebben overeenstemming bereikt over de volgende bepalingen:

HOOFDSTUK 1. Algemeen

Artikel 1

De Verdragsluitende Partijen zullen in de Eemsmonding in het besef van hun gemeenschappelijke belangen en met inachtneming van de bijzondere belangen van de andere Verdragsluitende Partij overeenkomstig de hiernavolgende artikelen in een geest van goede nabuurschap samenwerken, teneinde een verbinding van hun havens met de zee te waarborgen die aan de zich wijzigende eisen voldoet. Dit doel behoort - onder handhaving van de wederzijdse rechtsstandpunten ten aanzien van het verloop van de staatsgrens - door middel van een praktische regeling van de vraagstukken die beide staten betreffen, te worden bereikt.

Artikel 2

De Verdragsluitende Partijen nemen het bestaande hoofdvaarwater alsmede het Emder Vaarwater en de zuidelijke toegang van het hoofdvaarwater tot de Bocht van Watum tot uitgangspunt en verplichten zich - overeenkomstig hoofdstuk 2 - alle maatregelen te nemen die nodig zijn om deze vaarwateren open te houden en eventueel te verbeteren, alsmede zodanige maatregelen die door de andere Verdragsluitende Partij worden genomen, te steunen. Zij verplichten zich, alles na te laten wat aan het hierboven vermelde doel afbreuk doet. Aan deze verplichting wordt eventueel ook geacht te zijn voldaan, indien een Verdragsluitende Partij bij de uitvoering van werkzaamheden voorzieningen treft, waardoor nadelige gevolgen voor de vaarwateren naar de havens van de andere Partij worden voorkomen.

Artikel 3

Ter bevordering van hun samenwerking stellen de Verdragsluitende Partijen een „Gemeenschappelijk Plan” op. In het Gemeenschappelijke Plan dient het resultaat van het overleg en de onderzoekingen betreffende verbetering op grote schaal van de bestaande en eventuele nieuwe vaarwateren in de Eemsmonding tot uitdrukking te worden gebracht. Het Gemeenschappelijke Plan dient voortdurend te worden aangepast aan de wetenschappelijke inzichten, alsmede aan de behoeften van de havens en aan de economische behoeften van de Verdragsluitende Partijen.

Artikel 4
1.

Indien de tegenwoordige zuidelijke toegang van het hoofdvaarwater tot de Bocht van Watum niet meer overeenkomstig de belangen van de haven van Delfzijl open gehouden of eventueel verbeterd kan worden met middelen die naar het oordeel van de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden economisch verantwoord zijn, is het Koninkrijk der Nederlanden gerechtigd een nieuwe verbinding tot stand te brengen. Het Koninkrijk der Nederlanden dient in dat geval zodanige voorzieningen te treffen dat nadelige gevolgen voor het vaarwater naar Emden worden voorkomen. Deze verbinding dient zo mogelijk zodanig te worden aangelegd dat zij de tenuitvoerlegging van de plannen tot verbetering van het vaarwater naar Emden vergemakkelijkt.

2.

Bij het ontwerpen van plannen voor de nieuwe verbinding dient rekening te worden gehouden met het overleg en de onderzoekingen bedoeld in artikel 3.

Artikel 5
1.

De Verdragsluitende Partijen zullen in de Dollard slechts in onderlinge overeenstemming landaanwinnings- en indijkingswerken uitvoeren.

2.

Lid 1 geldt niet voor een oppervlakte van ongeveer 1000 ha in het Nederlandse deel van de Dollard, die in Bijlage A is aangegeven.

Artikel 6

Bij de tenuitvoerlegging van dit Verdrag zullen de Verdragsluitende Partijen niet alleen naar behoren rekening houden met de belangen van de zee- en binnenscheepvaart en van de havens, doch ook met de functie van de Eemsmonding met betrekking tot de afwatering en als vloedkom, alsmede met de belangen van de kustverdediging.

Artikel 7
1.

In dit Verdrag worden de begrippen

gebruikt overeenkomstig de in Bijlage B te dien aanzien opgenomen omschrijvingen.

2.

De in dit Verdrag vermelde diepten zijn, tenzij anders bepaald, uitgedrukt ten opzichte van het reductievlak van de Duitse zeekaarten (gemiddeld laagwater-springtij).

HOOFDSTUK 2. Waterbouwkundige werkzaamheden

Artikel 8

De Bondsrepubliek Duitsland voert alle waterbouwkundige werkzaamheden uit tot onderhoud en verbetering van het hoofdvaarwater, het Emder Vaarwater en de Boven Eems. Zij voert bovendien in het hoofdvaarwater andere waterbouwkundige werkzaamheden uit, die in het belang zijn van de Duitse havens.

Artikel 9

Het Koninkrijk der Nederlanden voert alle waterbouwkundige werkzaamheden uit tot onderhoud en verbetering der verbindingen tussen de Nederlandse havens en het hoofdvaarwater, met inbegrip van de daarmee rechtstreeks verband houdende werkzaamheden in het aangrenzende deel van het hoofdvaarwater. Het voert bovendien in het hoofdvaarwater andere waterbouwkundige werkzaamheden uit, die in het belang zijn van de Nederlandse havens.

Artikel 10

Waterbouwkundige werkzaamheden die zowel onder artikel 8 als onder artikel 9 vallen worden door de Bondsrepubliek Duitsland uitgevoerd.

Artikel 11

De artikelen 8 tot en met 10 zijn eveneens van toepassing op de aanleg van nieuwe werken.

Artikel 12

Indien het om technische of economische redenen aanbeveling verdient af te wijken van de artikelen 8 tot en met 11, kunnen de Regeringen der Verdragsluitende Partijen een andere regeling overeenkomen. De Regeringen vragen daartoe een aanbeveling van de Eemscommissie.

HOOFDSTUK 3. Bebakening

Artikel 13
1.

De scheepvaartroutes in de Eemsmonding tussen Emden, Delfzijl en de zee worden aangeduid door bebakening op het vasteland en in de wateren van de Eemsmonding. Deze bebakening moet voldoen aan de eisen van de veiligheid van de scheepvaart.

2.

In dit Verdrag wordt onder bebakening verstaan alle inrichtingen - zoals lichten, bakens, tonnen, geluidsignalen, mistsignalen en radiobakens - die tot doel hebben de gezagvoerders aanwijzingen te geven voor een veilige vaart.

Artikel 14

Benedenstrooms van de verbindingslijn tussen de lichttoren van Knock en de kerktoren van Termunten verzorgt en onderhoudt iedere Verdragsluitende Partij de bebakening die zich op het tot haar grondgebied behorende vasteland bevindt. Het Koninkrijk der Nederlanden verzorgt en onderhoudt de bebakening in of aan de Bocht van Watum en in of aan de noordelijke en de zuidelijke toegang van het hoofdvaarwater tot de Bocht van Watum; de Bondsrepubliek Duitsland verzorgt en onderhoudt de bebakening in of aan het hoofdvaarwater.

Artikel 15

De bebakening bovenstrooms van de verbindingslijn tussen de lichttoren van Knock en de kerktoren van Termunten, die in het gebied ten zuiden van de Geisedam door het Koninkrijk der Nederlanden, en voor het overige door de Bondsrepubliek Duitsland wordt verzorgd en onderhouden, alsmede de radioinstallaties waarvan de actieradius verder reikt dan de in artikel 14 aangegeven vaarwateren, vallen niet onder dit Verdrag. Hiervoor geldt de bij notawisseling van 3 en 20 september 1956 te 's-Gravenhage tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland gesloten overeenkomst inzake de wederzijdse verstrekking van inlichtingen nopens oprichting en wijziging van kustverlichtingsobjecten.

HOOFDSTUK 4. Regeling der kosten

Artikel 16

Iedere Verdragsluitende Partij draagt de kosten voor die werkzaamheden en maatregelen die zij volgens dit Verdrag gerechtigd of verplicht is uit te voeren of te treffen.

Artikel 17

De Regeringen der Verdragsluitende Partijen kunnen - in het bijzonder in het geval van artikel 12 - een verdeling der kosten overeenkomen die afwijkt van artikel 16.

Artikel 18

Indien bij de werkzaamheden volgens artikel 4 de Bondsrepubliek Duitsland ten behoeve van het vaarwater naar Emden een oplossing verlangt, die verder gaat dan hetgeen voor het afwenden van nadelige gevolgen voor het vaarwater naar Emden noodzakelijk is, dient zij een bijdrage te leveren ter grootte van de daaruit voortvloeiende extra kosten.

HOOFDSTUK 5. Waterstaatszorg

Artikel 19
1.

Het Koninkrijk der Nederlanden belast zich met de waterstaatszorg, voor zover deze zorg betrekking heeft op

2.

In het overige deel van de Eemsmonding wordt de waterstaatszorg behartigd door de Bondsrepubliek Duitsland.

Artikel 20
1.

De waterstaatszorg strekt zich uit tot het toezicht op en de bescherming van de hydrologische gesteldheid, de toestand der vaarwateren, werkzaamheden en werken in de Eemsmonding, alsmede tot het toezicht op het gebruik van de Eemsmonding door derden.

2.

Deze zorg strekt zich in het bijzonder uit tot

3.

Tot de waterstaatszorg behoort niet het toezicht op de scheepvaart, de visserij en de jacht.

Artikel 21

Bij de behartiging van de waterstaatszorg past iedere Verdragsluitende Partij haar eigen wettelijke voorschriften toe. Deze wettelijke voorschriften dienen ter kennis van de Eemscommissie te worden gebracht.

HOOFDSTUK 6. Mededelingen en bezwaren

Artikel 22
1.

Indien een van beide Verdragsluitende Partijen van plan is nieuwe waterbouwkundige werkzaamheden of nieuwe bebakeningswerkzaamheden uit te voeren of de uitvoering ervan toe te laten, doet zij daarvan zo spoedig mogelijk voor het begin van de uitvoering mededeling aan de Eemscommissie. Hetzelfde geldt voor maatregelen op het gebied van de waterstaatszorg die van invloed kunnen zijn op de belangen van de andere Verdragsluitende Partij.

2.

Deze mededelingsplicht geldt voor alle in artikel 9 bedoelde waterbouwkundige werkzaamheden in het hoofdvaarwater.

Artikel 23
1.

Iedere Verdragsluitende Partij kan binnen een redelijke termijn bij de Eemscommissie bezwaar maken tegen voorgenomen of reeds begonnen werkzaamheden en maatregelen, of tegen het achterwege laten daarvan, op het gebied van de waterbouwkunde, de bebakening en de waterstaatszorg; deze bezwaren moeten worden gemotiveerd met een te verwachten of reeds ontstane schending van de in dit Verdrag aangegane verplichtingen.

2.

Bezwaren uit hoofde van lid 1 en verzoeken tot een scheidsrechterlijke uitspraak uit hoofde van hoofdstuk 12 kunnen niet worden gebaseerd op het Gemeenschappelijke Plan. Deze bepaling sluit echter niet de mogelijkheid uit, in het kader van het Gemeenschappelijke Plan bereikte resultaten of verrichte onderzoekingen als bewijsmiddel aan te voeren.

Artikel 24
1.

Ook na de beëindiging van werkzaamheden en maatregelen kan de door nadelige gevolgen getroffen Verdragsluitende Partij de aanleg en het onderhoud van voorzieningen tot het voorkomen van schade of een schadevergoeding eisen, indien zij de nadelige gevolgen niet of niet in hun volle omvang heeft voorzien of indien een door haar overeenkomstig lid 1 van artikel 23 ingediend bezwaar geen resultaat heeft gehad.

2.

Aanspraken als bedoeld in lid 1 vervallen indien zij niet binnen dertig jaar na beëindiging van dat deel der werkzaamheden en maatregelen waardoor de nadelige gevolgen zijn veroorzaakt, worden geldend gemaakt.

Artikel 25

De verplichtingen uit hoofde van artikel 22 en de rechten uit hoofde van de artikelen 23 en 24 hebben geen betrekking op de Boven Eems.

Artikel 26
1.

Iedere Verdragsluitende Partij is verplicht de uitvoering van voorgenomen werkzaamheden en maatregelen waartegen de andere Partij bezwaren heeft ingediend, op te schorten tot de Regeringen der Verdragsluitende Partijen een aanbeveling van de Eemscommissie als bedoeld in artikel 31, lid 1, hebben aanvaard of hun overleg als bedoeld in artikel 31, lid 2, hebben beëindigd, tenzij de andere Verdragsluitende Partij instemt met een andere regeling. Het afleggen van de verklaring bedoeld in artikel 31, lid 3, wordt gelijkgesteld met de beëindiging van het overleg.

2.

Lid 1 is niet van toepassing indien een Verdragsluitende Partij de uitvoering van de gewraakte werkzaamheden of maatregelen niet zonder haar belangen ernstig in gevaar te brengen kan uitstellen.

Indien in die gevallen de andere Verdragsluitende Partij schade wordt toegebracht, blijft haar aanspraak op schadevergoeding en op het voorkomen van verdere schade onverminderd bestaan.

3.

Indien over werkzaamheden van de in artikel 4 bedoelde aard verschil van mening bestaat, kunnen zij eerst worden uitgevoerd na afloop van de in hoofdstuk 12 geregelde scheidsrechterlijke procedure, tenzij de aangelegenheid niet binnen drie maanden na de beëindiging van het overleg tussen de Regeringen der Verdragsluitende Partijen aan het Scheidsgerecht is voorgelegd.

HOOFDSTUK 7. Opmetingen, peilingen en hydrologische onderzoekingen

Artikel 27
1.

Iedere Verdragsluitende Partij kan in de Eemsmonding benedenstrooms van de verbindingslijn tussen de lichttoren van Knock en de kerktoren van Termunten opmetingen, peilingen en hydrologische onderzoekingen verrichten.

2.

Bovenstrooms van de verbindingslijn tussen de lichttoren van Knock en de kerktoren van Termunten worden de opmetingen, peilingen en hydrologische onderzoekingen in het gebied ten zuiden van de Geisedam verricht door het Koninkrijk der Nederlanden, in het overige deel door de Bondsrepubliek Duitsland.

3.

De opmetingen, peilingen en hydrologische onderzoekingen van een Verdragsluitende Partij in het gebied dat volgens lid 2 is voorbehouden aan de andere Verdragsluitende Partij, mogen slechts geschieden met toestemming van laatstgenoemde Partij.

Artikel 28

De resultaten van de opmetingen, peilingen en hydrologische onderzoekingen dienen te worden uitgewisseld.

HOOFDSTUK 8. De Eemscommissie

Artikel 29
1.

De Verdragsluitende Partijen stellen een permanente Nederlands-Duitse Eemscommissie in.

2.

Iedere Regering benoemt drie deskundigen als Eemscommissarissen, van wie er twee vertrouwd dienen te zijn met de plaatselijke omstandigheden. De eerste Eemscommissarissen worden binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag benoemd. De Regeringen kunnen plaatsvervangers van de Commissarissen benoemen.

3.

De Eemscommissie komt tenminste eenmaal per jaar bijeen, en voorts wanneer zij dit zelf nodig oordeelt of op verzoek van een van beide Regeringen. Andere deskundigen kunnen tot de zittingen van de Eemscommissie worden uitgenodigd.

4.

De Eemscommissie kan haar eigen reglement van orde vaststellen.

Artikel 30

De taak van de Eemscommissie omvat:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.