Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden (de Benelux-staten) en de Republiek Kosovo betreffende de terug- en overname van onregelmatig binnengekomen en/of verblijvende personen en haar Uitvoeringsprotocol

Type Verdrag
Publication 2014-04-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het Koninkrijk België,

het Groothertogdom Luxemburg

en

het Koninkrijk der Nederlanden,

die krachtens de bepalingen van de op 11 april 1960 gesloten Benelux-Overeenkomst gemeenschappelijk optreden (de BENELUX-Staten),

en

de Republiek Kosovo,

hierna genoemd „de Partijen”,

Ernaar strevend de samenwerking tussen de Partijen te bevorderen en de onderlinge communicatie te verbeteren teneinde beter uitvoering te geven aan de wetgeving en regelgeving inzake het personenverkeer,

Ernaar strevend hun gezamenlijke wens strekkende tot het efficiënt bestrijden van de illegale immigratie van Benelux-onderdanen of Kosovaarse staatsburgers alsmede van de onderdanen van een derde Staat te herbevestigen,

Ernaar strevend de internationaalrechtelijke verplichting tot terugname van eigen onderdanen ten uitvoer te brengen, en met name artikel 12, lid 4, van het internationale Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten,

Ernaar strevend een verplichting tot overname van de onderdanen van een derde Staat tussen de Partijen tot stand te brengen, onder de voorwaarden in deze Overeenkomst genoemd,

Ernaar strevend, op basis van wederkerigheid, de terug- en overname van personen die onregelmatig op het grondgebied van een andere Partij zijn binnengekomen en/of verblijven, en de doorgeleiding van te verwijderen personen te vergemakkelijken,

Bezorgd dat deze terug- en overname snel en veilig moet plaatsvinden, volgens procedures die de menselijke waardigheid waarborgen;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Definities en werkingssfeer

Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt verstaan onder:

Artikel 2. Terugname van eigen onderdanen of staatsburgers
1.

Iedere Partij neemt op verzoek van de andere Partij, zonder andere formaliteiten dan die welke in deze Overeenkomst zijn genoemd, de persoon op haar grondgebied terug die niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van de verzoekende Partij, wanneer kan worden aangetoond of op basis van een begin van bewijs aannemelijk kan worden gemaakt dat hij de nationaliteit of het staatsburgerschap van de aangezochte Partij heeft.

2.

De terugnameplicht uit lid (1) geldt ook voor de persoon die na binnenkomst op het grondgebied van de verzoekende Partij de nationaliteit of het staatsburgerschap van de aangezochte Partij heeft verloren, tenzij die persoon tenminste een naturalisatietoezegging van de verzoekende Partij heeft ontvangen.

3.

Op verzoek van de verzoekende Partij, en conform de bepalingen van artikel 7, lid (6), van deze Overeenkomst, verstrekt de aangezochte Partij onverwijld en uiterlijk binnen drie dagen na de datum van ontvangst van het verzoek de met het oog op de teruggeleiding van de terug te nemen personen vereiste reisdocumenten.

4.

De verzoekende Partij neemt deze persoon onder dezelfde voorwaarden terug, indien uit een onderzoek, uitgevoerd binnen een termijn van drie maanden na de terugname van betrokkene, blijkt dat hij op het moment van het verlaten van het grondgebied van de verzoekende Partij niet de nationaliteit of het staatsburgerschap van de aangezochte Partij had, tenzij de terugnameplicht volgt uit lid (2).

Artikel 3. Overname van onderdanen van een derde Staat en staatlozen
1.

Iedere Partij neemt op verzoek van de andere Partij en zonder andere formaliteiten dan die welke in deze Overeenkomst zijn genoemd, elke onderdaan van een derde Staat over op haar grondgebied die niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van de verzoekende Partij, wanneer kan worden aangetoond of op basis van een begin van bewijs aannemelijk kan worden gemaakt dat die onderdaan

2.

De in lid (1) bedoelde overnameplicht is niet van toepassing wanneer de verzoekende Partij aan de onderdaan van een derde Staat, vóór of na binnenkomst op het grondgebied van de verzoekende Partij, een visum, anders dan een transitvisum, of verblijfstitel heeft afgegeven met een langere geldigheidsduur dan die van het visum of de verblijfstitel die door de aangezochte Partij is afgegeven.

Artikel 4. Indiening van het verzoek om terug- of overname
1.

Een verzoek om terug- of overname op grond van artikel 2 of 3 wordt schriftelijk ingediend bij de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij.

2.

Elk verzoek om terug- of overname bevat de volgende inlichtingen:

3.

Het verzoek om terug- of overname moet in een voorkomend geval ook de volgende inlichtingen bevatten:

4.

Het verzoek om terug- of overname kan worden vervangen door een schriftelijke mededeling aan de aangezochte Partij binnen een redelijke termijn voor de terug- of overname van de betrokken persoon op voorwaarde dat de terug of over te nemen persoon in het bezit is van een geldig reisdocument en, indien van toepassing, een geldig visum of geldige verblijfstitel van de aangezochte Partij.

5.

Indien de terug of over te nemen persoon zich in de internationale zone van een luchthaven van één der Partijen bevindt kunnen de bevoegde luchthavenautoriteiten een vereenvoudigde procedure overeenkomen.

Artikel 5. Bewijsmiddelen met betrekking tot eigen onderdanen of staatsburgers
1.

Het bewijs van de nationaliteit of het staatsburgerschap overeenkomstig artikel 2 kan worden geleverd door middel van de navolgende documenten:

Wanneer dergelijke documenten worden voorgelegd, erkennen de Partijen de nationaliteit of het staatsburgerschap zonder verdere formaliteiten.

2.

Het begin van bewijs van de nationaliteit of het staatsburgerschap overeenkomstig artikel 2 kan worden geleverd door middel van de navolgende documenten of elementen:

Wanneer dergelijke documenten of elementen worden voorgelegd, nemen de Partijen de nationaliteit of het staatsburgerschap als vaststaand aan, tenzij de aangezochte Partij het tegendeel kan bewijzen.

3.

Indien geen van de in lid (1) of (2) genoemde documenten of elementen kan worden voorgelegd, kan de verzoekende Partij de aangezochte Partij verzoeken in het bevolkingsregister van de aangezochte Partij te onderzoeken. Een positief resultaat van het onderzoek geldt als bewijs als bedoeld in lid (1).

4.

Indien geen van de in lid (1), (2) en (3) genoemde documenten, elementen of gegevens kan worden voorgelegd, doch er naar de mening van de verzoekende Partij een vermoeden bestaat met betrekking tot de nationaliteit of het staatsburgerschap van de terug te nemen persoon, dan treffen de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij de vereiste maatregelen om de nationaliteit of het staatsburgerschap van de betrokkene vast te stellen. Hiertoe zal de bij de verzoekende Partij geaccrediteerde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de aangezochte Partij tot het horen van de betrokkene overgaan teneinde vast te stellen of het een eigen onderdaan of staatsburger betreft.

5.

Indien om feitelijke of technische redenen de bij de verzoekende Partij geaccrediteerde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de aangezochte Partij niet in staat is om de betrokkene te horen, zal deze taak in uitzonderlijke omstandigheden worden uitgevoerd door ofwel een in onderlinge overeenstemming aangewezen deskundige ofwel een uitgenodigde delegatie van de aangezochte Partij die bij de verzoekende Partij is geaccrediteerd.

Artikel 6. Bewijsmiddelen met betrekking tot onderdanen van een derde Staat
1.

Het bewijs dat is voldaan aan de in artikel 3 vermelde voorwaarden voor overname van onderdanen van een derde Staat kan worden geleverd door middel van de navolgende bewijsmiddelen:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.