Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Italiaanse Republiek betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in burgerlijke en handelszaken
Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de President van de Italiaanse Republiek, verlangend de betrekkingen tussen de beide Landen te regelen ten aanzien van de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in burgerlijke en handelszaken, hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten en hebben tot hun Gevolmachtigden benoemd:
Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:
Willem Lodewijk Frederik Graaf van Bylandt, Ambassadeur der Nederlanden in Italië,
de President van de Italiaanse Republiek:
de Heer Giuseppe Pella, Minister van Buitenlandse Zaken,
die, na hun volmachten in goede en behoorlijke vorm te hebben bevonden, de volgende bepalingen zijn overeengekomen:
Artikel 1
De beslissingen, in burgerlijke en handelszaken gegeven door de gerechten van een der beide Staten, hebben op het gebied van de andere Staat het gezag van gewijsde zaak, indien zij aan de volgende voorwaarden voldoen:
- 1). dat de beslissing afkomstig is van een gerecht, dat bevoegd is volgens artikel 2 van dit Verdrag;
- 2). dat de erkenning van de beslissing niet strijdig is met de openbare orde of met de beginselen van het publieke recht van de Staat, waar een beroep op de beslissing wordt gedaan;
- 3). dat de beslissing niet in tegenspraak is met een beslissing, die reeds over hetzelfde geschil door een gerecht van de aangezochte Staat is gegeven;
- 4). dat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan volgens de wet van de Staat, waar zij is gegeven;
- 5). dat, in geval van veroordeling bij verstek, de oproeping waarmede de zaak aanhangig is gemaakt, tijdig is afgegeven aan de niet verschenen partij.
Op het gezag van gewijsde zaak kan een beroep worden gedaan door iedere belanghebbende partij volgens de regelen van procesrecht, welke in de aangezochte Staat van kracht zijn.
Artikel 2
De gerechten van de Staat, waar de beslissing is gegeven, zijn bevoegd in de zin van artikel 1, sub 1, indien de bevoegdheid is neergelegd in een ander Verdrag tussen de Hoge Verdragsluitende Partijen, of in de na te noemen gevallen:
- 1). wanneer in de Staat, waar de beslissing is gegeven, zich de woonplaats van de gedaagde of, indien er meer gedaagden in hetzelfde geschil mochten zijn, de woonplaats van een hunner bevond;
- 2). wanneer de gedaagde zich bij schriftelijke overeenkomst met het oog op bepaalde geschillen heeft onderworpen aan de bevoegdheid van het gerecht dat de beslissing heeft gegeven, behoudens indien alle partijen haar woonplaats hadden in de Staat, waar een beroep op de beslissing wordt gedaan, of indien het gaat om geschillen met betrekking tot het bezit of de eigendom van een onroerend goed dat gelegen is in een andere Staat dan die, waar de beslissing is gegeven, dan wel met betrekking tot zakelijke rechten op zulk een onroerend goed. Hetzelfde geldt wanneer de gedaagde, zonder voorbehoud te maken, tegen de vordering zelve verweer voert;
- 3). wanneer de gedaagde, die als handelaar of fabrikant een vestiging of een bijkantoor heeft op het gebied van de Staat, waar de beslissing is gegeven, aldaar is gedagvaard voor geschillen welke op de exploitatie van die vestiging of van dat bijkantoor betrekking hebben;
- 4). wanneer, zo er bevoegdheid is met betrekking tot de hoofdvordering, het gaat om een nevenvordering of om een eis tot vrijwaring, dan wel om een vordering in reconventie welke met de hoofdvordering of met de daartegen ingeroepen verweermiddelen verknocht is;
- 5). in kwesties van staat, van bevoegdheid of van familierecht van onderdanen van de Staat, waar de beslissing is gegeven;
- 6). wanneer het gaat om geschillen betreffende het bezit of de eigendom van een onroerend goed dat gelegen is in de Staat, waar de beslissing is gegeven, dan wel betreffende zakelijke rechten op zulk een onroerend goed;
- 7). in kwesties van erfrecht, indien de overledene zijn woonplaats had in de Staat, waar de beslissing is gegeven, en zulks onverschillig of de goederen waar de erfenis uit bestaat, roerend of onroerend zijn:
- a). voor vorderingen ter verkijging der erfenis, vorderingen tot verdeling en alle andere vorderingen tussen mede-erfgenamen, tot aan de verdeling;
- b). voor vorderingen tot nietigheid of tot vernietiging van de verdeling en vorderingen tot vrijwaring der aandelen, binnen een termijn van twee jaar van de dag van de verdeling af;
- c). voor vorderingen tegen de executeur-testamentair tot aan de verdeling en, indien verdeling niet vereist is, binnen een termijn van twee jaar van de dag van het overlijden af;
- d). voor vorderingen der legatarissen en schuldeisers, indien zij geen zakelijke rechten op onroerende goederen uitoefenen, binnen de termijnen onder de vorige letter aangeduid.
De voorgaande bepalingen zijn niet van toepassing op geschillen, waarvoor het recht van de aangezochte Staat de eigen gerechten of die van een derde Staat bij uitsluiting bevoegd verklaart.
Artikel 3
De beslissingen, gegeven door de gerechten van een der beide Staten, welke voldoen aan de in artikel 1 opgesomde voorwaarden, kunnen, na uitvoerbaar te zijn verklaard op aanvraag van iedere belanghebbende partij, aanleiding geven tot gedwongen tenuitvoerlegging in de andere Staat, zowel op roerende als onroerende goederen, of daar het voorwerp zijn van formaliteiten als inschrijving of overschrijving in de openbare registers.
Slechts beslissingen, die in de Staat, waar zij zijn gegeven, voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn, worden in de aangezochte Staat uitvoerbaar verklaard.
De bevoegde rechterlijke autoriteit van de aangezochte Staat gaat ambtshalve over tot onderzoek van de in artikel 1 en de in het vorige lid bedoelde voorwaarden en maakt van de uitslag daarvan melding in haar uitspraak. Deze uitspraak geldt tussen alle partijen in het geding tot uitvoerbaarverklaring en voor het gehele grondgebied van de aangezochte Staat.
De uitvoerbaarverklaring kan gedeeltelijk, voor slechts een of meer van de in de buitenlandse beslissing vervatte punten, worden verleend.
De procedure betreffende de aanvraag tot uitvoerbaarverklaring wordt beheerst door de wet van de Staat, waar de tenuitvoerlegging wordt gevraagd.
Artikel 4
De gerechten van de Staat, waar een beroep op de beslissing wordt, gedaan, zijn bij het onderzoek naar de feiten die de bevoegdheid van de gerechten van de andere Staat bepalen, niet gebonden aan hetgeen te dien aanzien in de beslissing is vastgesteld.
Zij gaan niet over tot een nieuw onderzoek van de zaak zelf.
Artikel 5
De partij, die een beroep op de beslissing doet, moet overleggen:
- 1). een afschrift van de beslissing, dat aan de vereiste voorwaarden van authenticiteit voldoet;
- 2). de stukken, waaruit kan worden vastgesteld dat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan en, zo nodig, dat zij uitvoerbaar is;
- 3). het origineel of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de oproeping van de partij, die verstek heeft laten gaan, en alle stukken, waaruit kan worden vastgesteld dat deze oproeping haar tijdig heeft bereikt;
- 4). een vertaling van de hierboven opgesomde stukken, welke voor eensluidend verklaard is volgens de regelen daarvoor gesteld door de wetten van de Staat, waar een beroep op de beslissing wordt gedaan, of door verdragen, tenzij de bevoegde rechterlijke autoriteit vrijstelling hiervan verleent.
Indien deze documenten zijn opgesteld, afgegeven of gelegaliseerd door een gerecht van een der Hoge Verdragsluitende Partijen, kan men zich zonder enige legalisatie daarvan bedienen op het gebied van de andere Partij, mits zij zijn voorzien van het zegel of het stempel van het genoemde gerecht.
Artikel 6
De partij, welke in een van beide Staten is toegelaten tot het voorrecht van kosteloze rechtsbijstand, geniet dit eveneens van rechtswege in de procedure tot erkenning of uitvoerbaarverklaring op het gebied van de andere Staat van de beslissing, te haren gunste gegeven.
Artikel 7
Wat betreft de erkenning en de tenuitvoerlegging van scheidsrechterlijke uitspraken, worden de verhoudingen tussen beide Staten geregeld door het op 26 september 1927 te Genève ter ondertekening neergelegde Verdrag nopens de tenuitvoerlegging van in het buitenland gewezen scheidsrechterlijke uitspraken, in dier voege dat het toepasselijk is op alle in een van beide Staten gedane scheidsrechterlijke uitspraken, zonder dat rekening wordt gehouden met de in artikel 1, lid 1, van genoemd Verdrag bedoelde beperkingen.
Artikel 8
Authentieke akten, uitvoerbaar in een der beide Staten, kunnen in de andere uitvoerbaar worden verklaard door de autoriteit die daartoe volgens de wet van laatstbedoelde Staat bevoegd is.
Deze autoriteit gaat alleen na, of de akten voldoen aan de vereiste voorwaarden van authenticiteit in de Staat, waar zij zijn verleden, of zij daar uitvoerbaar zijn, en of de beschikkingen, waarvan de tenuitvoerlegging wordt verlangd, niets bevatten dat strijdig is met de openbare orde of met de beginselen van het publieke recht van de Staat, waar de uitvoerbaarverklaring wordt gevraagd.
De voorgaande bepalingen zijn toepasselijk op dadingen en op schikkingen, welke ten overstaan van rechterlijke autoriteiten tot stand komen en door deze worden gewaarmerkt of bevestigd.
Artikel 9
De gerechten van een van beide Staten onthouden zich, op vordering van een der partijen, van de kennisneming van bij hen aanhangig gemaakte geschillen, indien deze reeds aanhangig zijn bij een gerecht van de andere Staat, mits het laatstgenoemde gerecht bevoegd is overeenkomstig de regels van dit Verdrag.
De voorgaande bepaling is niet van toepassing, wanneer een eis tot vanwaardeverklaring of tot opheffing van een conservatoir beslag, dat in een van beide Staten is gelegd, gebracht wordt voor de gerechten van deze Staat. In dit geval blijft de bevoegdheid dezer gerechten om, krachtens hun interne wetgeving, te beslissen op het bodemgeschil, onverkort, ondanks het feit dat dit reeds voor een gerecht van de andere Staat aanhangig is.
Artikel 10
Dit Verdrag is niet toepasselijk op beslissingen die een sequestratie of enige andere voorlopige maatregel bevelen, noch op beslissingen, gegeven in een strafproces op de vordering van de beledigde partij, noch op beslissingen, gegeven inzake surséance van betaling of faillissement.
Artikel 11
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder het woord „woonplaats” verstaan:
- 1). voor de meerderjarige die handelingsbekwaam is, de minderjarige die handlichting heeft bekomen en de meerderjarige aan wie slechts voor de vervulling van bepaalde rechtshandelingen de bijstand van een bewindvoerder of curator is voorgeschreven, de plaats waar hij, in een van beide Staten, zijn hoofdverblijf heeft of, bij gebreke van zulk een plaats, de plaats waar zich in een van beide Staten de hoofdzetel bevindt van zijn belangen;
- 2). Voor personen die onder ouderlijke macht of onder voogdij of curatele staan, de woonplaats van de wettelijke vertegenwoordiger;
- 3). voor de gehuwde vrouw, de woonplaats van haar echtgenoot, indien de wet dit uitdrukkelijk voorschrijft. Indien evenwel de woonplaats van de echtgenoot onbekend is of indien de vrouw van tafel en bed is gescheiden of gemachtigd is een afzonderlijke woonplaats te hebben, wordt de woonplaats van de vrouw bepaald door het sub 1 vermelde;
- 4). voor vennootschappen en voor rechtspersonen, andere dan vennootschappen, ook gedurende de vereffening hunner zaken, de plaats waar de statutaire zetel is gevestigd.
Artikel 12
Dit Verdrag laat de bepalingen van internationale overeenkomsten die de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van vonnissen voor bijzondere onderwerpen regelen, onverlet.
Artikel 13
De beslissingen betreffende de kosten van het geding, bedoeld in artikel 18, lid 1 en 2, van het op 1 maart 1954 te 's-Gravenhage gesloten Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering, welke in een der beide Staten zijn gegeven, worden op het gebied van de andere Staat uitvoerbaar verklaard niet alleen op een verzoek, gedaan langs diplomatieke weg, maar ook op rechtstreekse aanvrage van de belanghebbende partij.
Artikel 14
De bepalingen van dit Verdrag zijn toepasselijk onverschillig welke de nationaliteit van de partijen is, behoudens de uit internationale overeenkomsten voortvloeiende uitzonderingen.
Artikel 15
Dit Verdrag is slechts van toepassing op de in Europa gelegen gebieden der beide Hoge Verdragsluitende Partijen.
Artikel 16
Dit Verdrag zal worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging worden zo spoedig mogelijk te 's-Gravenhage uitgewisseld.
Dit Verdrag treedt in werking een maand na de uitwisseling der akten van bekrachtiging. Het is slechts van toepassing op rechterlijke beslissingen en scheidsrechterlijke uitspraken, welke na zijn inwerkingtreding in kracht van gewijsde zijn gegaan, alsmede op akten als in artikel 8 bedoeld welke na dat ogenblik tot stand zijn gekomen.
Dit Verdrag kan door elk der beide Staten worden opgezegd. Het zal echter nog een jaar na de opzegging van kracht blijven.
FAIT à Rome, en double exemplaire, en langue française, le 17 avril 1959.
Pour le Royaume des Pays-Bas
(s.) W. F. L. VAN BYLANDT
Pour la République Italienne
(s.) PELLA
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.