← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag inzake de territoriale zee en de aansluitende zone

Geldende tekst a fecha 1970-01-02

De staten die partij zijn bij dit Verdrag

Zijn het volgende overeengekomen:

Hoofdstuk I. TERRITORIALE ZEE

Afdeling I. Algemeen

Artikel 1
1.

De soevereiniteit van een staat strekt zich buiten zijn landgebied en zijn binnenwateren uit over een zeestrook grenzende aan zijn kust en omschreven als de territoriale zee.

2.

Deze soevereiniteit wordt uitgeoefend met inachtneming van de bepalingen van deze artikelen en van de andere regels van het volkenrecht.

Artikel 2

De soevereiniteit van een kuststaat strekt zich uit over het luchtruim boven de territoriale zee en over de bedding en ondergrond van die zee.

Afdeling II. Begrenzing van de territoriale zee

Artikel 3

Behalve voorzover anders in deze artikelen bepaald, is de normale basislijn vanwaar de breedte van de territoriale zee gemeten wordt de laagwaterlijn langs de kust, zoals die is aangegeven op officieel door de kuststaat erkende, op grote schaal uitgevoerde zeekaarten.

Artikel 4
1.

Op plaatsen waar de kustlijn diepe uithollingen en insnijdingen vertoont, of indien er een eilandenreeks langs en in de onmiddellijke nabijheid van de kust ligt, kan de methode van rechte basislijnen die daarvoor in aanmerking komende punten verbinden, worden toegepast voor het vaststellen van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten.

2.

Aldus getrokken basislijnen mogen niet aanmerkelijk afwijken van de algemene richting van de kust en de binnen die lijnen gelegen zeegebieden moeten voldoende nauw met het landgebied verbonden zijn om onderworpen te zijn aan het regime der binnenwateren.

3.

Er mogen geen basislijnen worden getrokken van en naar bij eb droogvallende bodemverheffingen, tenzij er vuurtorens of soortgelijke installaties die duurzaam boven zee uitsteken, op gebouwd zijn.

4.

In de gevallen waarin overeenkomstig het bepaalde in lid 1 de methode van de rechte basislijnen kan worden toegepast, kan bij het vaststellen van bepaalde basislijnen rekening worden gehouden met bijzondere economische belangen van die betrokken streek, waarvan het bestaan en het gewicht duidelijk uit langdurig gebruik blijken.

5.

De methode van rechte basislijnen mag door geen staat op zodanige wijze worden toegepast, dat daardoor de territoriale zee van een andere staat van de volle zee zou worden afgesneden.

6.

De kuststaat dient rechte basislijnen duidelijk aan te geven op zeekaarten, waaraan voldoende bekendheid dient te worden gegeven.

Artikel 5
1.

Wateren gelegen aan de landzijde van de basislijn van de territoriale zee maken deel uit van de binnenwateren van de staat.

2.

Wanneer het vaststellen van een rechte basislijn overeenkomstig artikel 4 tot gevolg heeft, dat wateren die vroeger beschouwd werden als deel van de territoriale zee of de volle zee, als binnenwateren worden ingesloten, zal in die wateren het in de artikelen 14 tot en met 23 omschreven recht van onschuldige doorvaart bestaan.

Artikel 6

De buitengrens van de territoriale zee wordt aangegeven door de lijn waarvan elk punt op een afstand gelijk aan de breedte van de territoriale zee is gelegen van het dichtstbijgelegen punt van de basislijn.

Artikel 7
1.

Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op baaien waaraan een enkele staat ligt.

2.

In deze artikelen wordt onder een baai verstaan een duidelijke insnijding van de kust waarvan de diepte landinwaarts in een zodanige verhouding staat tot de breedte van de monding dat er een door land ingesloten watervlakte ontstaat, en die meer is dan een kromming van de kustlijn. Een insnijding wordt echter niet als een baai beschouwd indien de oppervlakte ervan niet even groot is als of groter dan de halve cirkel waarvan de middellijn wordt gevormd door de lijn die over de monding van de insnijding wordt getrokken.

3.

Voor het meten wordt als oppervlakte van een insnijding gerekend het gebied gelegen tussen de laagwaterlijn rond de kust van de insnijding en een lijn getrokken tussen de natuurlijke toegangspunten bij laag water. Indien een insnijding door de aanwezigheid van eilanden meer dan één monding heeft, wordt de halve cirkel getrokken op een lijn ter lengte van de totale lengte van de lijnen over de verschillende mondingen. Eilanden die binnen een insnijding zijn gelegen worden meegerekend alsof zij deel uitmaakten van de wateroppervlakte van de insnijding.

4.

Indien de afstand tussen de natuurlijke toegangspunten van een baai bij laag water niet groter is dan vierentwintig mijl, kan tussen deze twee punten een afsluitingslijn worden getrokken, waarbij de aldus ingesloten wateroppervlakte zal worden beschouwd als tot de binnenwateren te behoren.

5.

Indien de afstand tussen de natuurlijke toegangspunten van een baai bij laag water groter is dan vierentwintig mijl, wordt een rechte basislijn ter lengte van vierentwintig mijl getrokken binnen de baai en wel op zodanige wijze dat daardoor de grootste wateroppervlakte die met een lijn van die lengte kan worden begrensd, wordt ingesloten.

6.

De voorgaande bepalingen zijn niet van toepassing op zogenaamde „historische” baaien, noch in de gevallen waarin het systeem van rechte basislijnen als bedoeld in artikel 4 wordt toegepast.

Artikel 8

Voor het vaststellen van de begrenzing van de territoriale zee worden de permanente havenwerken die het verst uit de kust zijn gelegen en die een integrerend onderdeel vormen van het havensysteem, beschouwd een onderdeel van de kust te vormen.

Artikel 9

Reden die normaal gebruikt worden voor het laden, lossen en voor anker gaan van schepen en die anders geheel of gedeeltelijk buiten de buitengrens van de territoriale zee zouden zijn gelegen, worden tot de territoriale zee gerekend. De kuststaat moet dergelijke reden duidelijk afbakenen en ze op zeekaarten aangeven met hun grenzen, aan welke zeekaarten voldoende bekendheid dient te worden gegeven.

Artikel 10
1.

Een eiland is een op natuurlijke wijze ontstane landoppervlakte die door water is omgeven en die ook bij hoog tij boven water uitsteekt.

2.

De territoriale zee van een eiland wordt gemeten overeenkomstig de bepalingen van deze artikelen.

Artikel 11
1.

Een bij eb droogvallende bodemverheffing is een op natuurlijke wijze ontstane landoppervlakte die bij laag tij door water is omgeven en boven water uitsteekt doch bij hoog tij onder water komt. Indien een bij eb droogvallende bodemverheffing geheel of gedeeltelijk op een afstand tot het vasteland of een eiland ligt, die niet groter is dan de breedte van de territoriale zee, dan kan de laagwaterlijn van die bodemverheffing gebruikt worden als basislijn voor het meten van de breedte van de territoriale zee.

2.

Indien een bij eb droogvallende bodem verheffing in haar geheel op een afstand van het vasteland of een eiland ligt, die groter is dan de breedte van de territoriale zee, heeft zij geen eigen territoriale zee.

Artikel 12
1.

In gevallen waarin de kusten van twee staten tegenover elkaar zijn gelegen of aan elkaar grenzen, is, indien er geen overeenkomst tussen hen bestaat waarin anders wordt bepaald, geen van beide staten gerechtigd zijn territoriale zee uit te strekken tot voorbij de middellijn waarvan elk punt even ver is verwijderd van de dichtstbijgelegen punten van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee van elk der twee staten wordt gemeten. De bepalingen van dit lid zijn echter niet van toepassing in gevallen, waarin het op grond van een historische titel of van andere bijzondere omstandigheden noodzakelijk is de territoriale zeeën van de twee staten af te bakenen op een wijze welke afwijkt van deze bepaling.

2.

De afbakeningslijn tussen de territoriale zeeën van twee staten die tegenover elkaar zijn gelegen of aan elkaar grenzen, dient te worden aangegeven op officieel door de kuststaten erkende, op grote schaal uitgevoerde zeekaarten.

Artikel 13

Indien een rivier rechtstreeks in zee uitmondt, is de basislijn een rechte lijn getrokken over de monding van de rivier tussen de uiterste punten op de laagwaterlijn van de oevers van die rivier.

Afdeling III. Recht van onschuldige doorvaart

ONDERAFDELING A. REGELS WELKE VAN TOEPASSING ZIJN OP ALLE SCHEPEN

Artikel 14
1.

Onder voorbehoud van de bepalingen van deze artikelen genieten schepen van alle staten, ongeacht of zij kuststaten zijn of niet, het recht van onschuldige doorvaart door de territoriale zee.

2.

Doorvaart betekent het varen door de territoriale zee, hetzij zonder de bedoeling de binnenwateren binnen te varen, hetzij met de bedoeling de binnenwateren binnen te varen of vanuit de binnenwateren de volle zee te bereiken.

3.

Doorvaart omvat het stoppen en voor anker gaan, doch alleen voor zover zulks een onderdeel vormt van de normale navigatie of noodzakelijk wordt als gevolg van overmacht of van het feit dat het schip in nood verkeert.

4.

De doorvaart is onschuldig zolang zij geen gevaar oplevert voor de vrede, de goede orde of de veiligheid van de kuststaat. Een zodanige doorvaart moet plaats vinden overeenkomstig deze artikelen en de andere regelen van het volkenrecht.

5.

Doorvaart van vreemde vissersvaartuigen wordt niet als onschuldig beschouwd, indien zij zich niet houden aan de wetten en voorschriften die de kuststaat mocht hebben uitgevaardigd en openbaar gemaakt om te voorkomen, dat deze vissersvaartuigen in de territoriale zee vissen.

6.

Onderzeeboten zijn verplicht aan de oppervlakte te varen en hun vlag te tonen.

Artikel 15
1.

De kuststaat mag de onschuldige doorvaart door de territoriale zee niet belemmeren.

2.

De kuststaat is verplicht voldoende bekendheid te geven aan alle hem bekende gevaren voor de navigatie in zijn territoriale zee.

Artikel 16
1.

De kuststaat kan binnen zijn territoriale zee de maatregelen nemen welke nodig zijn om een doorvaart die niet onschuldig is, te voorkomen.

2.

In het geval van schepen die op weg zijn naar de binnenwateren, heeft de kuststaat eveneens het recht de maatregelen te nemen welke noodzakelijk zijn om te voorkomen, dat inbreuk wordt gemaakt op de voorwaarden waaraan de toelating van die schepen tot de binnenwateren is onderworpen.

3.

Met inachtneming van de bepalingen van lid 4 kan de kuststaat, zonder onderscheid te maken tussen schepen van vreemde nationaliteit, in bepaalde gebieden van zijn territoriale zee de uitoefening van het recht van onschuldige doorvaart van vreemde schepen tijdelijk opschorten, indien die opschorting onontbeerlijk is voor de bescherming van zijn veiligheid. Een zodanige opschorting wordt slechts van kracht nadat zij op behoorlijke wijze is bekend gemaakt.

4.

Het recht van onschuldige doorvaart van vreemde schepen mag niet worden opgeschort in zeestraten die gebruikt worden voor de internationale scheepvaart tussen een bepaald deel van de volle zee en een ander deel van de volle zee dan wel de territoriale zee van een vreemde staat.

Artikel 17

Vreemde schepen die gebruik maken van het recht van onschuldige doorvaart, dienen zich te houden aan de wetten en voorschriften welke door de kuststaat zijn of worden uitgevaardigd in overeenstemming met deze artikelen en de andere regelen van het volkenrecht, en, in het bijzonder, aan de wetten en voorschriften die betrekking hebben op vervoer en scheepvaart.

ONDERAFDELING B. REGELS DIE VAN TOEPASSING ZIJN OP KOOPVAARDIJSCHEPEN

Artikel 18
1.

Aan vreemde schepen mag niets in rekening worden gebracht louter op grond van het feit, dat zij door de territoriale zee varen.

2.

Aan een vreemd schip dat door de territoriale zee vaart, mogen alleen kosten in rekening worden gebracht voor bepaalde ten behoeve van het schip verrichte diensten. Deze kosten worden in rekening gebracht zonder enige discriminatie.

Artikel 19
1.

De rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden van de kuststaat dient niet te worden uitgeoefend aan boord van een door de territoriale wateren varend vreemd schip met het oogmerk een persoon te arresteren of een onderzoek in te stellen in verband met een aan boord van het schip tijdens de doorvaart bedreven strafbaar feit, behalve in de volgende gevallen:

2.

Bovenstaande bepalingen doen geen afbreuk aan het recht van de kuststaat om alle maatregelen waartoe hij krachtens zijn wetgeving gemachtigd is, te treffen voor een arrestatie of een onderzoek aan boord van een vreemd schip dat door de territoriale zee vaart nadat het de binnenwateren heeft verlaten.

3.

In de in lid 1 en lid 2 van dit artikel bedoelde gevallen dient de kuststaat, indien de kapitein zulks verzoekt, de consulaire autoriteiten van de vlaggestaat op de hoogte te stellen alvorens tot het treffen van maatregelen over te gaan, en het contact tussen die autoriteiten en de bemanning van het schip te vergemakkelijken. In noodgevallen kan deze mededeling worden gedaan terwijl de maatregelen reeds getroffen worden.

4.

Bij de overweging van de vraag of en hoe een arrestatie verricht dient te worden, moeten de plaatselijke autoriteiten rekening houden met de belangen van de scheepvaart.

5.

De kuststaat mag aan boord van een door de territoriale zee varend schip geen maatregelen treffen met het oogmerk iemand te arresteren of een onderzoek in te stellen in verband met een strafbaar feit dat aan boord werd bedreven voor het schip de territoriale zee binnenvoer, indien het schip, komende van een buitenlandse haven, slechts door de territoriale zee vaart zonder de binnenwateren binnen te varen.

Artikel 20
1.

De kuststaat mag een vreemd schip dat door zijn territoriale zee vaart niet dwingen te stoppen of een andere koers te volgen met met het oogmerk zijn rechtsmacht in burgerrechtelijke aangelegenheden uit te oefenen ten aanzien van een persoon aan boord van dat schip.

2.

De kuststaat mag geen executoire of censervatoire maatregelen tegen het schip treffen ten behoeve van een civiele procedure, behalve in verband met verplichtingen welke door het schip zijn aangegaan of aansprakelijkheden welke voor het schip zijn ontstaan tijdens of met het oog op zijn reis door de wateren van de kuststaat.

3.

De bepalingen van het voorgaande lid doen geen afbreuk aan het recht van de kuststaat om, overeenkomstig zijn wetgeving, executoire of conservatoire maatregelen ten behoeve van civiele procedures te treffen ten aanzien van een vreemd schip dat in de territoriale zee ligt of door de territoriale zee vaart na de binnenwateren te hebben verlaten.

ONDERAFDELING C. REGELS WELKE VAN TOEPASSING ZIJN OP STAATSSCHEPEN, MET UITZONDERING VAN OORLOGSSCHEPEN

Artikel 21

De in de onderafdelingen A en B vervatte regelen zijn eveneens van toepassing op staatsschepen welke worden gebruikt voor commerciële doeleinden.

Artikel 22
1.

De regels vervat in onderafdeling A en in artikel 18 zijn van toepassing op staatsschepen welke worden gebruikt voor andere dan commerciële doeleinden.

2.

Met inachtneming van de uitzonderingen vervat in de bepalingen bedoeld in het voorgaande lid, doet niets in deze artikelen afbreuk aan de immuniteiten welke die schepen genieten uit hoofde van deze artikelen of andere regels van het volkenrecht.

ONDERAFDELING D. REGEL WELKE VAN TOEPASSING IS OP OORLOGSSCHEPEN

Artikel 23

Indien een oorlogsschip de voorschriften van de kuststaat ten aanzien van de Vaart door de territoriale zee niet in acht neemt en verzoeken om deze voorschriften in acht te nemen negeert, kan de kuststaat van het oorlogsschip eisen, dat het de territoriale zee verlaat.

Hoofdstuk II. DE AANSLUITENDE ZONE

Artikel 24
1.

In een zone van de volle zee die grenst aan zijn territoriale zee, mag de kuststaat toezicht uitoefenen ten einde

2.

De aansluitende zone mag zich niet verder uitstrekken dan twaalf mijl van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten.

3.

In gevallen waarin de kusten van twee staten tegenover elkaar zijn gelegen of aan elkaar grenzen, is, indien er geen overeenkomst tussen deze staten bestaat waarin anders wordt bepaald, geen van beide staten gerechtigd zijn aangrenzende zone uit te breiden tot voorbij de middellijn waarvan elk punt even ver verwijderd is van de dichtstbijgelegen punten van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee van elk der beide staten wordt gemeten.

Hoofdstuk III. SLOTARTIKELEN

Artikel 25

Aan reeds van kracht zijnde verdragen of andere internationale overeenkomsten wordt, voor zover betreft de staten die daarbij partij zijn, geen afbreuk gedaan door de bepalingen van dit Verdrag

Artikel 26

Dit Verdrag staat tot 31 oktober 1958 open ter ondertekening door alle staten die Lid zijn van de Verenigde Naties of van een der Gespecialiseerde Organisaties, en door iedere andere staat die door de Algemene Vergadering der Verenigde Naties wordt uitgenodigd partij te worden bij dit Verdrag.

Artikel 27

Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 28

Dit Verdrag staat open voor toetreding door iedere staat die tot een der in artikel 26 genoemde categorieën behoort. De akten van toetreding zullen worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 29
1.

Dit Verdrag treedt in werking op de dertigste dag volgend op de datum van nederlegging van de tweeëntwintigste akte van bekrachtiging of toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

2.

Ten aanzien van iedere staat die het Verdrag bekrachtigt of ertoe toetreedt na de nederlegging van de tweeëntwintigste akte van bekrachtiging of toetreding, treedt het Verdrag in werking op de dertigste dag na de nederlegging van de akte van bekrachtiging of toetreding door die staat.

Artikel 30
1.

Na het verstrijken van een tijdvak van vijf jaar te rekenen van de datum waarop dit Verdrag in werking treedt af, kan iedere Verdragsluitende Partij te allen tijde door middel van een schriftelijke, tot de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties gerichte mededeling om een herziening van dit Verdrag verzoeken.

2.

De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties beslist over de eventueel te nemen stappen naar aanleiding van een dergelijk verzoek.

Artikel 31

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties doet aan alle staten die Lid zijn van de Verenigde Naties en aan de andere in artikel 26 bedoelde staten mededeling van:

Artikel 32

Het origineel van dit Verdrag, waarvan de Chinese, Engelse, Franse, Russische en Spaanse teksten gelijkelijk authentiek zijn, zal worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die gewaarmerkte afschriften ervan zal doen toekomen aan alle in artikel 26 bedoelde staten.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned Plenipotentiaries, being duly authorized thereto by their respective Governments, have signed this Convention.

Done at Geneva, this twenty-ninth day of April one thousand nine hundred and fifty-eight.