Verdrag inzake de regeling van aangelegenheden voortspruitende uit de oorlog en de bezetting
Artikel 1
Bij de inwerkingtreding van dit Verdrag zal de Bondsrepubliek een administratief bureau instellen, uitrusten en van personeel voorzien, welk bureau uit hoofde van de bepalingen van dit Hoofdstuk en de daarbij behorende Bijlage juwelen, zilverwerk en antieke meubelen (indien elk afzonderlijk voorwerp een grote waarde vertegenwoordigt) en culturele goederen opspoort, terugvordert en restitueert indien dergelijke voorwerpen en culturele goederen tijdens de bezetting van enig gebied daaruit werden weggevoerd door de strijdkrachten of autoriteiten van Duitsland of zijn bondgenoten of de individuele leden daarvan (al dan niet op bevel), nadat zij door middel van dwang werden verkregen (met of zonder geweld), door diefstal, door vordering of door andere vormen van gedwongen onteigening.
In het geval van culturele goederen welke in het betrokken land vóór de datum welke van toepassing is op dat land zoals in artikel 5 van dit Hoofdstuk is gespecificeerd aanwezig waren, vindt restitutie ook plaats
- (a). indien zij werden verkregen als een onder directe of indirecte dwang gedane gift of om redenen van de officiële positie van de ontvanger;
- (b). indien zij werden verkregen door middel van aankoop, tenzij de goederen het land waren binnengebracht met het doel ze te verkopen.
Waar het betreft juwelen, zilverwerk of antieke meubelen, kan restitutie geweigerd worden indien is komen vast te staan dat de betrokken goederen werden weggevoerd nadat zij van de oorspronkelijke eigenaar verkregen waren als tegenwaarde in het kader van een gewone handelstransactie, zelfs indien de betaling geschiedde in bezettingsbetaalmiddelen.
De uitdrukking „culturele goederen” omvat roerende goederen van godsdienstige, kunstzinnige, documentaire, wetenschappelijke of historische waarde, of van overeenkomstige betekenis, waaronder begrepen voorwerpen welke gewoonlijk in musea, openbare of particuliere verzamelingen, bibliotheken of historische archieven aangetroffen worden. De uitdrukking „antiek” omvat goederen welke bij de inwerkingtreding van dit Verdrag tenminste honderd jaar oud zijn. Met de uitdrukking „aanzienlijke waarde” wordt bedoeld een waarde van tenminste 200.000 Franse francs van de koopkracht op 1 Januari 1951.
Het in lid 1 van dit artikel bedoelde bureau zal op verzoek van de Drie Mogendheden of haar vertegenwoordigers inlichtingen verstrekken aangaande door dit bureau behandelde zaken en brengt elke drie maanden rapport uit over zijn werkzaamheden. Het archief van dit bureau wordt bewaard totdat anders wordt overeengekomen.
Artikel 2
Restitutie volgens artikel 1 van dit Hoofdstuk kan slechts aan de Bondsregering worden verzocht door de Regering van de Staat uit welks grondgebied de goederen werden weggevoerd. De Bondsregering kan een verzoek om restitutie verwerpen indien zulk een verzoek reeds als niet gegrond door de bevoegde instantie van een der Drie Mogendheden is afgewezen, uitgezonderd in gevallen waar bewijsmateriaal wordt aangevoerd dat voordien niet kon worden voorgelegd.
Restitutie van juwelen, zilverwerk of antieke meubelen kan slechts dan aan de Bondsregering worden verzocht indien een daartoe strekkend verzoek is ingediend bij een instantie van een der Drie Mogendheden vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag. Waar het culturele goederen betreft, kan geen nieuw verzoek worden ingediend na 8 Mei 1956. Indien in een bepaald geval de naspeuringen van het in artikel 1 van dit Hoofdstuk bedoelde Duitse bureau met betrekking tot opgeëiste goederen zonder succes zijn gebleven of indien zij op 8 Mei 1957 nog niet hebben geleid tot het ontdekken van de opgeëiste goederen en indien verdere naspeuringen hoogstwaarschijnlijk geen succes zullen opleveren staakt het bureau zijn bemoeiingen. Tegen een dergelijke beslissing kan door de betrokken partij krachtens artikel 7 beroep worden aangetekend bij de Scheidsrechterlijke Commissie voor goederen, rechten en belangen in de Bondsrepubliek Duitsland. Indien, nadat de naspeuringen gestaakt zijn, de opgeëiste goederen worden geïdentificeerd, kan de zaak wederom in behandeling worden genomen.
Bij een instantie van een der Drie Mogendheden ingediende eisen tot restitutie welke vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag niet geheel zijn afgehandeld en welke vallen binnen de bepalingen van artikel 1 van dit Hoofdstuk en van dit artikel, worden door de betrokken Mogendheid verwezen naar het in artikel 1 bedoelde Duitse bureau. Het Duitse bureau behandelt deze eisen alsof zij door de eisende Regering rechtstreeks bij dit bureau waren ingediend.
Voorlegging van een eis tot restitutie krachtens artikel 1 van dit Hoofdstuk ten behoeve van enige persoon of rechtspersoon sluit voorlegging krachtens artikel 3 uit; op dezelfde wijze sluit een krachtens artikel 3 ondernomen actie tot restitutie een eis tot restitutie krachtens artikel 1 uit.
Artikel 3
Ongeacht bepalingen in het Duitse recht van tegengestelde strekking, heeft elke persoon aan wie, of aan wiens rechtsvoorganger, tijdens de bezetting van een gebied goederen door diefstal of onder dwang (met of zonder geweld) door de strijdkrachten of de autoriteiten van Duitsland of zijn Bondgenoten of individuele leden daarvan zijn ontnomen (al dan niet op bevel) tegenover de huidige bezitter van die goederen aanspraak op restitutie, onder de volgende voorwaarden:
- (a). vergoeding door de eiser aan de beklaagde van de kosten welke zijn gemaakt ter verhoging van de waarde van de goederen nadat deze werden verkregen;
- (b). betaling door de eiser van de waarde van elke door hem of zijn rechtsvoorganger ontvangen vergoeding, welke op dezelfde wijze zal worden behandeld als Duitse activa welke zich op de datum van wegvoering in het land bevonden waaruit de goederen werden weggevoerd.
Een dergelijke aanspraak bestaat niet indien de huidige bezitter de goederen tien jaar lang of tenminste tot 8 Mei 1956 te goeder trouw in zijn bezit heeft gehad.
Elke eis tot restitutie krachtens lid 1 van dit artikel kan vóór 8 Mei 1956 of vóór het verstrijken van de tien jaar gedurende welke de bezitter de goederen te goeder trouw heeft bezeten, al naar gelang welk tijdstip later ligt, voor een Duits gerechtshof gebracht worden door elke onderdaan of ingezetene van een Staat welke is toegetreden tot het Statuut van de Scheidsrechterlijke Commissie voor goederen, rechten en belangen in de Bondsrepubiek Duitsland.
Geen aanspraak op restitutie kan worden gemaakt indien, vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag, een verzoek door een Regering ten behoeve van de eiser tot restitutie van de desbetreffende goederen door een instantie van een der Drie Mogendheden als niet-gegrond werd verworpen, uitgezonderd in gevallen waar bewijsmateriaal wordt aangevoerd dat voordien niet kon worden voorgelegd.
Artikel 4
Indien te restitueren goederen, nadat zij in Duitsland zijn geïdentificeerd, in Duitsland zijn gebruikt of verbruikt voordat zij aan de eiser werden teruggegeven of vernietigd werden, gestolen of op andere wijze van de hand werden gedaan voordat zij door de eisende Regering of door een bevoegde instantie van één van de Drie Mogendheden voor verzending naar de eiser werden ontvangen, verleent de Bondsrepubliek schadevergoeding aan eisers die anders krachtens artikel 1 of 3 van dit Hoofdstuk recht zouden hebben gehad op restitutie of wier aanspraken bij het inwerkingtreden van dit Verdrag door een van de Drie Mogendheden zijn goedgekeurd.
Het in artikel 1 van dit Hoofdstuk bedoelde Duitse bureau doet, op aanvraag van de eiser die anders recht zou hebben op restitutie, een uitspraak ten aanzien van de eis tot vergoeding met betrekking tot goederen waarvan de restitutie verzocht had kunnen worden krachtens artikel 1 en 2. Het in artikel 3 bedoelde gerechtshof doet, indien door de eiser die anders recht zou hebben op restitutie een proces wordt begonnen, een uitspraak ten aanzien van de eis tot vergoeding met betrekking tot goederen waarvan de restitutie verzocht had kunnen worden krachtens artikel 3, mits de klager een onderdaan of een ingezetene is van een Staat welke is toegetreden tot het Statuut van de Scheidsrechterlijke Commissie voor goederen, rechten en belangen in de Bondsrepubliek Duitsland. Het indienen van de aanvraag en het beginnen van het proces mogen niet later geschieden dan één jaar na inwerkingtreding van dit Verdrag of één jaar nadat de eiser bericht heeft ontvangen dat de goederen niet beschikbaar zijn, al naar gelang welk tijdstip later ligt.
Ongeacht de bepalingen van lid 2 van dit artikel, kunnen bij een instantie van een der Drie Mogendheden vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag ingediende eisen welke vallen binnen het kader van lid 1, door die Mogendheid worden verwezen naar het in artikel 1 van dit Hoofdstuk bedoelde Duitse bureau of bij dat bureau worden ingediend door de eisende Regering. Alle eisen krachtens dit lid worden verwezen naar of ingediend bij het bureau niet later dan zes maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag; dit bureau beslist ten aanzien van deze eisen.
Het in artikel 1 van dit Hoofdstuk bedoelde Duitse bureau erkent eisen tot restitutie welke door een der Drie Mogendheden zijn goedgekeurd vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag. Het bureau aanvaardt ook als bewijs een verklaring door een der Drie Mogendheden dat de goederen welke het onderwerp waren van de eis niet door een bevoegde instantie van die Mogendheid voor verzending naar de eiser waren ontvangen.
Vergoeding krachtens dit artikel wordt toegekend tot een bedrag gebaseerd op de vervangingswaarde van de betrokken goederen op de datum van toekenning.
Artikel 5
De bepalingen van dit Hoofdstuk gelden voor de volgende landen van de daarnaast vermelde data af:
| Land | Datum |
|---|---|
| Oostenrijk ................................................... | 12 Maart 1938 |
| Tsjechoslowakije .......................................... | 1 April 1939 |
| Polen ........................................................................... | 1 September 1939 |
| Denemarken ............................................... | 9 April 1940 |
| Noorwegen ................................................. | 9 April 1940 |
| België ........................................................ | 10 Mei 1940 |
| Luxemburg ................................................. | 10 Mei 1940 |
| Nederland .................................................. | 10 Mei 1940 |
| Frankrijk .................................................... | 17 Mei 1940 |
| Griekenland ............................................... | 28 October 1940 |
| Zuidslavië .................................................. | 6 April 1941 |
| de Unie van Socialistische Sowjet Republieken .......................................... | 22 Juni 1941 |
| Italië .......................................................... | 3 September 1943 |
| Roemenië .................................................. | 12 September 1944 |
| Finland ...................................................... | 19 September 1944 |
| Bulgarije ................................................... | 28 October 1944 |
| Hongarije .................................................. | 20 Januari 1945 |
De bepalingen van dit Hoofdstuk hebben betrekking op openbare en particuliere goederen welke uit in lid 1 van dit artikel bedoelde gebieden werden weggevoerd.
Artikel 6
Indien de Bondsrepubliek met enige andere Mogendheid inzake aangelegenheden welke binnen het kader van dit Hoofdstuk vallen regelingen treft welke voor die andere Mogendheid gunstiger zijn dan de overeenkomstige bepalingen van dit Hoofdstuk, worden de voordelen van die nieuwe regelingen automatisch tot alle Mogendheden waarvoor de bepalingen van dit Hoofdstuk gelden uitgebreid.
Artikel 7
De Ondertekenende Staten stellen hierbij in een Scheidsrechterlijke Commissie voor goederen, rechten en belangen in de Bondsrepubliek Duitsland, welke optreedt overeenkomstig de bepalingen van haar Statuut, hetwelk aan dit Verdrag is toegevoegd.
Op verzoek van de betrokken partij is elke eindbeslissing (Endentscheidung) door het Duitse bureau krachtens artikel 1, 2 of 4 van dit Hoofdstuk genomen, of door een Duits gerechtshof genomen krachtens artikel 3 of 4, onderhevig aan herziening door de Scheidsrechterlijke Commissie voor goederen, rechten en belangen in de Bondsrepubliek Duitsland.
Het verzoek aan de Commissie wordt door de betrokken partij binnen dertig dagen na de betekening van die beslissing gedaan. Indien het Duitse bureau of het Duitse gerechtshof niet binnen één jaar nadat de eis werd ingediend een uitspraak heeft gedaan, kan de eiser zijn eis rechtstreeks aan de Commissie voorleggen binnen dertig dagen na het verstrijken van het tijdvak van een jaar.
In elk aan haar voorgelegd geval, kan de Commissie zelf een eindbeslissing nemen met betrekking tot zulk een geval of kan het naar het Duitse bureau of het Duitse gerechtshof terugverwijzen vergezeld van die instructies welke de Commissie noodzakelijk of gepast acht.
De uitspraken van de Commissie zijn definitief en bindend voor de autoriteiten en de gerechtshoven van de Ondertekenende Staten en de andere Staten welke tot haar Statuut toetreden.
Afdeling 1
De Bondsregering stelt het in lid 1 van artikel 1 van het voorgaande hoofdstuk bedoelde administratieve bureau in als de Hogere Bondsautoriteit (Bundesoberbehörde).
Alle Duitse gerechtshoven en autoriteiten verlenen de Hogere Bondsautoriteit rechtskundige en andere officiële bijstand ingevolge artikel 35 van de „Basic Law”.
Afdeling 2
Aanvragen om restitutie ingevolge de artikelen 1 en 2 van het voorgaande Hoofdstuk, met uitzondering van die welke zijn genoemd in lid 3 van artikel 2, omvatten:
- (a). een beschrijving van de goederen waarvan restitutie wordt verlangd;
- (b). indien mogelijk, een aanduiding van de persoon welke de goederen in zijn bezit heeft op het ogenblik dat de aanvraag wordt ingediend;
- (c). een beschrijving van de feiten waarop de aanspraak op restitutie is gebaseerd.
Gewaarmerkte afschriften van de documenten welke de aanspraak op restitutie ondersteunen worden aan de aanvraag gehecht of worden nadien overgelegd.
Afdeling 3
Aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 4 van het voorgaande hoofdstuk, met uitzondering van die welke zijn genoemd in lid 3 van dat artikel, omvatten:
- (a). een beschrijving van de goederen ten aanzien waarvan schadevergoeding wordt verlangd;
- (b). inlichtingen betreffende de identificering in Duitsland van dergelijke goederen;
- (c). inlichtingen betreffende het gebruik, verbruik, de vernietiging, diefstal of verkoop van dergelijke goederen;
- (d). aanduiding van het geëiste bedrag;
- (e). inlichtingen betreffende alle andere aangelegenheden waarop de aanspraak is gebaseerd.
Gewaarmerkte afschriften van de documenten welke de eis tot schadevergoeding ondersteunen worden aan de aanvraag gehecht of worden nadien overgelegd.
Afdeling 4
Processen voor de Hogere Bondsautoriteit zijn kosteloos.
Afdeling 5
De Hogere Bondsautoriteit verricht de noodzakelijke naspeuringen. Tot dit doel kan zij uit eigen beweging (von Amts wegen) door middel van een versnelde procedure bewijsmateriaal verzamelen; in het bijzonder kan zij getuigen, deskundigen en de personen wier rechten door de restitutie worden aangetast, horen of deze personen voor een rechtbank doen horen. Indien een verhoor onder ede noodzakelijk blijkt, wordt de eed afgelegd voor een rechtbank. De Hogere Bondsautoriteit is gemachtigd een verklaring te accepteren in plaats van een eed (eides-stattliche Versicherungen).
Naast de aanvragende Regering worden al die personen als betrokken partijen beschouwd wier rechten door de restitutie zouden worden aangetast.
⋯
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.