Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, met betrekking tot de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten

Type Verdrag
Publication 1998-06-05
State In force
Source BWB
artikelen 1
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het Koninkrijk België,

Canada,

De Franse Republiek,

De Bondsrepubliek Duitsland,

Het Koninkrijk der Nederlanden,

Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en

De Verenigde Staten van Amerika.

Overwegende, dat artikel 8, eerste lid onder b van het Verdrag inzake de betrekkingen tussen de Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek Duitsland - zoals die is gewijzigd bij bijlage I van het op 23 oktober 1954 te Parijs ondertekende Protocol tot beëindiging van het bezettingsregime in de Bondsrepubliek Duitsland - voorziet in het sluiten van nieuwe regelingen tot vaststelling van de rechten en verplichtingen van de krijgsmachten van de Drie Mogendheden en van andere Staten die krijgsmachten op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland hebben;

Overwegende, dat volgens die bepaling de nieuwe regelingen dienen te worden gebaseerd op het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, ondertekend te Londen op 19 juni 1951, aangevuld met die regelingen die noodzakelijk zijn met het oog op de bijzondere omstandigheden die zich voordoen met betrekking tot de in de Bondsrepubliek Duitsland gelegerde krijgsmachten;

Overwegende, dat de Noordatlantische Raad, in overeenstemming met artikel XVIII, derde lid, van het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, heeft besloten de toetreding van de Bondsrepubliek Duitsland tot dat Verdrag goed te keuren, onder het voorbehoud dat deze toetreding eerst van kracht wordt, nadat alle Staten die partij zijn bij de nieuwe overeenkomsten deze overeenkomsten hebben bekrachtigd of goedgekeurd;

Overwegende, dat het tweede lid van de Preambule van het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten eveneens voorziet in de mogelijkheid van afzonderlijke overeenkomsten ter aanvulling van dat Verdrag;

Overwegende, dat volgens het Verdrag dat op 3 augustus 1959 te Bonn is ondertekend door de mogendheden die op 23 oktober 1954 te Parijs het Protocol tot beëindiging van het bezettingsregime in de Bondsrepubliek Duitsland hebben ondertekend, het Verdrag inzake de rechten en verplichtingen van buitenlandse krijgsmachten en hun leden in de Bondsrepubliek Duitsland, het Financiële Verdrag en de Overeenkomst inzake de belastingregeling voor de krijgsmachten en hun leden, zoals gewijzigd bij dat Protocol, buiten werking zullen treden bij de inwerkingtreding van de nieuwe overeenkomsten;

Verlangende daarmede de Noordatlantische Gemeenschap verder te versterken;

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1

Het op 19 juni 1951 te Londen ondertekende Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten (hierna te noemen „NAVO-Status Verdrag”), wordt voor wat betreft de rechten en verplichtingen van de krijgsmachten van het Koninkrijk België, Canada, de Franse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland (hierna te noemen „de Bondsrepubliek”) aangevuld met de bepalingen van deze Aanvullende Overeenkomst.

Artikel 2
1.

Voor zover niet anders is bepaald, wordt in deze Overeenkomst verstaan onder:

Artikel 3
1.

In overeenstemming met de krachtens het Noordatlantische Verdrag op de partijen bij dat Verdrag rustende verplichtingen om elkaar hulp te verlenen, werken de Duitse autoriteiten en de autoriteiten van de krijgsmachten nauw samen ter verzekering van de uitvoering van het NAVO-Status Verdrag en van deze Overeenkomst.

2.

De samenwerking als bedoeld in het eerste lid van dit artikel strekt zich in het bijzonder uit

4.

De Duitse autoriteiten en de autoriteiten van een staat van herkomst nemen alle administratieve maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van het NAVO-Status Verdrag en van deze Overeenkomst en sluiten te dien einde, indien nodig, administratieve of andere overeenkomsten.

6.

De Duitse autoriteiten en de autoriteiten van een krijgsmacht wijzen gemeenschappelijk grensoverschrijdingsposten aan, waar liaison-personeel van de staat van herkomst zal worden gestationeerd. Dit personeel staat de Duitse autoriteiten bij in hun controlewerkzaamheden ter verzekering van de snelle en ongehinderde doortocht van de krijgsmacht, de civiele dienst, hun leden en gezinsleden en hun medegevoerde bagage, alsmede van goederen en materialen die door de krijgsmacht of te haren behoeve of voor haar rekening ten gebruike door de krijgsmacht of de civiele dienst, hun leden en gezinsleden worden verzonden.

Artikel 4
1.

De uitoefening van rechten en de vervulling van verplichtingen door een staat van herkomst ingevolge het NAVO-Status Verdrag en deze Overeenkomst kunnen met toestemming van de Bondsregering plaatsvinden door andere staten van herkomst, in overeenstemming met tussen de betrokken staten van herkomst te sluiten administratieve overeenkomsten.

2.

Tot aan de inwerkingtreding van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde administratieve overeenkomsten blijven de overeenkomsten tussen de betrokken staten van herkomst die de uitoefening van rechten en de vervulling van verplichtingen op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst beheersen, van toepassing op de gebieden waarop zij betrekking hebben, tenzij de betrokken staat van herkomst de andere betrokken staat van herkomst en de Bondsrepubliek in kennis stelt van zijn voornemen de laatstgenoemde overeenkomsten niet langer toe te passen.

Artikel 5
1.

Met betrekking tot de legitimatieplicht op het grondgebied van de Bondsrepubliek gelden de volgende bepalingen:

De autoriteiten van de krijgsmacht vervangen een zodanige verklaring zo spoedig mogelijk door de documenten, bedoeld in artikel III van het NAVO-Status Verdrag of in dit artikel en stellen de Duitse autoriteiten daarvan op de hoogte.

2.

Met betrekking tot grensoverschrijdingen gelden de volgende bepalingen:

Artikel 6
1.

Leden van een krijgsmacht of een civiele dienst en gezinsleden zijn niet onderworpen aan de Duitse voorschriften op het gebied van de aanmelding (Meldewesen) en de vreemdelingencontrole (Ausländerpolizei), behalve met betrekking tot de inschrijving in hotels en soortgelijke inrichtingen (Beherbergungsstätten).

2.

De autoriteiten van een krijgsmacht houden tot op de dag bijgewerkte lijsten aan van alle leden van de civiele dienst en van alle gezinsleden. De autoriteiten van de krijgsmacht verstrekken de Duitse autoriteiten op een met redenen omkleed verzoek van die autoriteiten in bijzondere gevallen de inlichtingen die vereist zijn ingevolge de in het eerste lid bedoelde voorschriften.

3.

De autoriteiten van de krijgsmacht delen de Duitse autoriteiten op hun verzoek het aantal leden van de civiele dienst en het aantal gezinsleden mede.

Artikel 7

Bij toepassing van internationale overeenkomsten of andere op het grondgebied van de Bondsrepubliek van kracht zijnde regelingen betreffende verblijf (Aufenthalt) en vestiging (Niederlassung), voorzover zij betrekking hebben op repatriëring, uitwijzing, verlenging van verblijfsvergunningen of de uitoefening van een beroep, wordt de tijd, doorgebracht op het grondgebied van de Bondsrepubliek als lid van een krijgsmacht of een civiele dienst of als gezinslid, buiten beschouwing gelaten.

Artikel 8
1.

Indien een bevoegde Duitse autoriteit voornemens is een van de maatregelen te nemen, waartoe een staat van verblijf bevoegd is ingevolge artikel III, vijfde lid, eerste volzin van het NAVO-Status Verdrag, stelt die autoriteit de bevoegde autoriteit van de betrokken staat van herkomst van dit voornemen in kennis, onder mededeling van de redenen waarop de voorgenomen maatregel is gebaseerd en stelt die autoriteit in de gelegenheid binnen een redelijke termijn haar mening hierover kenbaar te maken dan wel zelf de maatregelen te nemen die zij gepast acht. De Duitse autoriteiten nemen het eventueel door de staat van herkomst ingenomen standpunt en de eventueel door de autoriteiten van die staat genomen maatregelen in welwillende overweging.

2.

De kennisgeving van het voornemen tot het nemen van een van de maatregelen, bedoeld in artikel III, vijfde lid van het NAVO-Status Verdrag, wordt gedaan door de Minister van Binnenlandse Zaken van het betrokken Land of, indien het Hamburg en Bremen betreft, door de Senator voor Binnenlandse Zaken (Senator für innere Angelegenheiten).

3.

Verzoeken om verwijderingen en uitwijzingsbevelen worden slechts gedaan, onderscheidenlijk gegeven, indien de bevoegde Duitse autoriteit van mening is, dat op het tijdstip dat het verzoek of het bevel wordt gedaan, onderscheidenlijk gegeven, het verdere verblijf van de betrokken persoon op het grondgebied van de Bondsrepubliek de openbare orde of veiligheid daadwerkelijk in gevaar brengt.

Artikel 9

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.