Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, met betrekking tot de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten
Het Koninkrijk België,
Canada,
De Franse Republiek,
De Bondsrepubliek Duitsland,
Het Koninkrijk der Nederlanden,
Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en
De Verenigde Staten van Amerika.
Overwegende, dat artikel 8, eerste lid onder b van het Verdrag inzake de betrekkingen tussen de Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek Duitsland - zoals die is gewijzigd bij bijlage I van het op 23 oktober 1954 te Parijs ondertekende Protocol tot beëindiging van het bezettingsregime in de Bondsrepubliek Duitsland - voorziet in het sluiten van nieuwe regelingen tot vaststelling van de rechten en verplichtingen van de krijgsmachten van de Drie Mogendheden en van andere Staten die krijgsmachten op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland hebben;
Overwegende, dat volgens die bepaling de nieuwe regelingen dienen te worden gebaseerd op het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, ondertekend te Londen op 19 juni 1951, aangevuld met die regelingen die noodzakelijk zijn met het oog op de bijzondere omstandigheden die zich voordoen met betrekking tot de in de Bondsrepubliek Duitsland gelegerde krijgsmachten;
Overwegende, dat de Noordatlantische Raad, in overeenstemming met artikel XVIII, derde lid, van het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, heeft besloten de toetreding van de Bondsrepubliek Duitsland tot dat Verdrag goed te keuren, onder het voorbehoud dat deze toetreding eerst van kracht wordt, nadat alle Staten die partij zijn bij de nieuwe overeenkomsten deze overeenkomsten hebben bekrachtigd of goedgekeurd;
Overwegende, dat het tweede lid van de Preambule van het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten eveneens voorziet in de mogelijkheid van afzonderlijke overeenkomsten ter aanvulling van dat Verdrag;
Overwegende, dat volgens het Verdrag dat op 3 augustus 1959 te Bonn is ondertekend door de mogendheden die op 23 oktober 1954 te Parijs het Protocol tot beëindiging van het bezettingsregime in de Bondsrepubliek Duitsland hebben ondertekend, het Verdrag inzake de rechten en verplichtingen van buitenlandse krijgsmachten en hun leden in de Bondsrepubliek Duitsland, het Financiële Verdrag en de Overeenkomst inzake de belastingregeling voor de krijgsmachten en hun leden, zoals gewijzigd bij dat Protocol, buiten werking zullen treden bij de inwerkingtreding van de nieuwe overeenkomsten;
Verlangende daarmede de Noordatlantische Gemeenschap verder te versterken;
Zijn overeengekomen als volgt:
Artikel 1
Het op 19 juni 1951 te Londen ondertekende Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten (hierna te noemen „NAVO-Status Verdrag”), wordt voor wat betreft de rechten en verplichtingen van de krijgsmachten van het Koninkrijk België, Canada, de Franse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland (hierna te noemen „de Bondsrepubliek”) aangevuld met de bepalingen van deze Aanvullende Overeenkomst.
Artikel 2
Voor zover niet anders is bepaald, wordt in deze Overeenkomst verstaan onder:
- a). „een Duitser”: een Duitser volgens het Duitse recht;
- b). „Protocol van ondertekening”: het Protocol van ondertekening bij deze Overeenkomst;
- c). „Krijgsmachtenverdrag”: het Verdrag inzake de rechten en verplichtingen van buitenlandse krijgsmachten en hun leden in de Bondsrepubliek Duitsland, zoals dat is gewijzigd bij bijlage II van het Protocol inzake de beëindiging van het bezettingsregime in de Bondsrepubliek Duitsland, ondertekend te Parijs op 23 oktober 1954;
- d). „Bondsvorderingswet”: de Bondsvorderingswet (Bundesleistungsgesetz) van 19 oktober 1956 (Bundesgesetzblatt 1956, Deel I, blz. 815);
- e). „Wet beperking grondeigendom”: de Wet inzake de beperking rechten van de grondeigenaar ten behoeve van militaire verdigingsdoeleinden (Gesetz über die Beschränkung von Grundigentum für die militärische Verteidigung - Schutzbereichgesetz) van 7 december 1956 (Bundesgesetzblatt 1956, Deel I, blz. 899);
- f). „Wet inzake de verwerving van terreinen”: de Wet inzake de verwerving van terreinen ten behoeve van verdedigingsdoeleinden (Gesetz über die Landbeschaffung für Aufgaben der Verteidigung - Landbeschaffungsgesetz) van 23 februari 1957 (Bundesgesetzblatt 1957, Deel I, blz. 134);
- g). „Luchtverkeerswet”: de Luchtverkeerswet (Luftverkehrsgesetz) volgens de tekst van de bekendmaking (Bekanntmachung) van 10 januari 1959 (Bundesgesetzblatt 1959, Deel I, blz. 9).
- a). Een naaste bloedverwant van een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst, die niet valt onder de definitie, gegeven in artikel I, eerste lid, onder c van het NAVO-Status Verdrag, die financieel of om gezondheidsredenen afhankelijk is van, en ondersteund wordt door, een zodanig lid en die bij een zodanig lid woont en zich op het grondgebied van de Bondsrepubliek bevindt met toestemming van de autoriteiten van de krijgsmacht, wordt geacht te zijn en behandeld als een gezinslid in de zin van bovengenoemde bepaling.
- b). Indien een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst overlijdt of het grondgebied van de Bondsrepubliek als gevolg van overplaatsing verlaat, worden de gezinsleden van een zodanig lid, met inbegrip van naaste bloedverwanten als bedoeld in dit lid onder a, nog gedurende negentig dagen na dat overlijden of die overplaatsing geacht te zijn en behandeld, als gezinsleden in de zin van artikel I, eerste lid, onder c van het NAVO-Status Verdrag, indien zij zich op het grondgebied van de Bondsrepubliek bevinden.
Artikel 3
In overeenstemming met de krachtens het Noordatlantische Verdrag op de partijen bij dat Verdrag rustende verplichtingen om elkaar hulp te verlenen, werken de Duitse autoriteiten en de autoriteiten van de krijgsmachten nauw samen ter verzekering van de uitvoering van het NAVO-Status Verdrag en van deze Overeenkomst.
De samenwerking als bedoeld in het eerste lid van dit artikel strekt zich in het bijzonder uit
- a). tot de bevordering en de waarborging van de veiligheid van de Bondsrepubliek, van de staten van herkomst en van de krijgsmachten, alsmede tot de bescherming van hun eigendommen, en met name tot het verzamelen, uitwisselen en beveiligen van alle inlichtingen die voor deze doeleinden van belang zijn;
- b). tot de bevordering en waarborging van de veiligheid van Duitsers, van leden van de krijgsmachten, van leden van de civiele diensten en gezinsleden en van niet tot deze categorieën behorende onderdanen van de staten van herkomst, alsmede tot de bescherming van hun eigendommen.
- a. In het kader van de in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde samenwerking verzekeren de Duitse autoriteiten en de autoriteiten van een krijgsmacht door het nemen van passende maatregelen een nauw en wederkerig contact. Persoonlijke gegevens worden uitsluitend doorgegeven voor de in het NAVO-Status Verdrag en in deze Overeenkomst gestelde doeleinden. Beperkingen van de toepassingsmogelijkheden op grond van de wetgeving van de Verdragsluitende Partij die de gegevens verstrekt, worden in acht genomen.
- b. Dit lid verplicht een Verdragsluitende Partij er niet toe maatregelen te nemen die in strijd zijn met haar wetgeving of die indruisen tegen haar zwaarwegende belangen met betrekking tot de bescherming van de staatsveiligheid of de openbare veiligheid.
De Duitse autoriteiten en de autoriteiten van een staat van herkomst nemen alle administratieve maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van het NAVO-Status Verdrag en van deze Overeenkomst en sluiten te dien einde, indien nodig, administratieve of andere overeenkomsten.
- a). Bij de uitvoering van de bepalingen op het gebied van de verzorging, neergelegd in het NAVO-Status Verdrag en in deze Overeenkomst, kennen de Duitse autoriteiten een krijgsmacht en een civiele dienst een zodanige behandeling toe als nodig is voor een bevredigende vervulling van hun taak ten aanzien van de verdediging.
- b). Bij het doen gelden van de rechten die hun krachtens de onder a bedoelde regelingen zijn toegekend houden de autoriteiten van een krijgsmacht en van een civiele dienst, teneinde te geraken tot een redelijke afweging van hun behoeften en die van de Bondsrepubliek, met de Duitse openbare en particuliere belangen naar behoren rekening.
De Duitse autoriteiten en de autoriteiten van een krijgsmacht wijzen gemeenschappelijk grensoverschrijdingsposten aan, waar liaison-personeel van de staat van herkomst zal worden gestationeerd. Dit personeel staat de Duitse autoriteiten bij in hun controlewerkzaamheden ter verzekering van de snelle en ongehinderde doortocht van de krijgsmacht, de civiele dienst, hun leden en gezinsleden en hun medegevoerde bagage, alsmede van goederen en materialen die door de krijgsmacht of te haren behoeve of voor haar rekening ten gebruike door de krijgsmacht of de civiele dienst, hun leden en gezinsleden worden verzonden.
Artikel 4
De uitoefening van rechten en de vervulling van verplichtingen door een staat van herkomst ingevolge het NAVO-Status Verdrag en deze Overeenkomst kunnen met toestemming van de Bondsregering plaatsvinden door andere staten van herkomst, in overeenstemming met tussen de betrokken staten van herkomst te sluiten administratieve overeenkomsten.
Tot aan de inwerkingtreding van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde administratieve overeenkomsten blijven de overeenkomsten tussen de betrokken staten van herkomst die de uitoefening van rechten en de vervulling van verplichtingen op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst beheersen, van toepassing op de gebieden waarop zij betrekking hebben, tenzij de betrokken staat van herkomst de andere betrokken staat van herkomst en de Bondsrepubliek in kennis stelt van zijn voornemen de laatstgenoemde overeenkomsten niet langer toe te passen.
Artikel 5
Met betrekking tot de legitimatieplicht op het grondgebied van de Bondsrepubliek gelden de volgende bepalingen:
- a). Leden van een krijgsmacht behoeven geen reiswijzer te hebben.
- b). In uniform geklede leden van een krijgsmacht die zich in het verband van een onderdeel onder militair commando verplaatsen, behoeven hun identiteit niet te bewijzen. Indien het bij uitzondering noodzakelijk is onmiddellijk de identiteit van een eenheid vast te stellen, toont de commandant van de eenheid op verzoek van de Duitse autoriteiten zijn persoonlijk identiteitsbewijs.
- c). Leden van een civiele dienst en gezinsleden die geen paspoort of een naar Duits recht gelijkwaardig document bij zich hebben, bewijzen hun identiteit door middel van een door de autoriteiten van de staat van herkomst afgegeven identiteitsbewijs, waarop voorkomen de naam, de geboortedatum en een foto van de houder, een volgnummer of de aanduiding van de autoriteit die het bewijs heeft afgegeven en de hoedanigheid waarin de houder op het grondgebied van de Bondsrepubliek verblijft.
- d). Indien bij uitzondering een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst of een gezinslid niet in het bezit is van de documenten bedoeld in artikel III van het NAVO-Status Verdrag of in dit artikel, nemen de Duitse autoriteiten genoegen met een tijdelijke schriftelijke verklaring van de autoriteiten van de krijgsmacht, volgens welke de betrokken persoon een lid van de krijgsmacht of van de civiele dienst of een gezinslid is.
De autoriteiten van de krijgsmacht vervangen een zodanige verklaring zo spoedig mogelijk door de documenten, bedoeld in artikel III van het NAVO-Status Verdrag of in dit artikel en stellen de Duitse autoriteiten daarvan op de hoogte.
Met betrekking tot grensoverschrijdingen gelden de volgende bepalingen:
- a). Individuele of collectieve reiswijzers behelzen als regel in het Duits de gegevens bedoeld in artikel III, tweede lid, onder b in het NAVO-Status Verdrag. Reiswijzers waarin bij uitzondering deze gegevens niet in het Duits vermeld staan, worden niettemin door de Duitse autoriteiten als geldig erkend. Reiswijzers worden afgegeven voor één in- of uitreis of voor beide, of zijn geldig gedurende een beperkte periode. De autoriteiten van een krijgsmacht kunnen de geldigheidsduur van een reiswijzer verlengen. De individuele reiswijzer kan worden vervangen door een op het persoonlijke identiteitsbewijs gestelde aantekening die de datum aangeeft waarop de geldigheid afloopt.
- b). De identiteit van een onderdeel dat de grens op een collectieve reiswijzer onder militair commando overschrijdt, wordt aangetoond door zijn commandant die zijn persoonlijk identiteitsbewijs en de collectieve reiswijzer overlegt. Indien de Duitse autoriteiten het bij uitzondering, in verband met bijzondere redenen die door het Duitse grenscontrolepersoneel aan de commandant van de eenheid worden medegedeeld, nodig achten de identiteit van bepaalde leden van een eenheid vast te stellen, legt de commandant van de eenheid de persoonlijke identiteitsbewijzen van die leden over. Dit onderzoek mag voor de eenheid geen aanmerkelijke vertraging ten gevolge hebben.
- c). De controle van identiteitsbewijzen bij binnenkomst of vertrek via militaire vliegvelden van een krijgsmacht is in beginsel gelijk aan de grenscontrole bij grensoverschrijdingen over land. Bij binnenkomst of vertrek via militaire vliegvelden van leden van een krijgsmacht of een civiele dienst of gezinsleden volstaan de Duitse autoriteiten echter met steekproeven die plaatsvinden na overleg met de autoriteiten van het betrokken vliegveld; een regelmatige controle van de identiteit van zulke personen wordt uitgevoerd door de autoriteiten van de krijgsmacht. De controle van de identiteitsbewijzen van personen niet behorend tot de categorieën bedoeld in de vorige volzin, die het grondgebied van de Bondsrepubliek binnenkomen of verlaten via militaire vliegvelden van een krijgsmacht, wordt uitgevoerd door de Duitse autoriteiten, die door de autoriteiten van de krijgsmacht op de hoogte worden gesteld van de aankomst van die personen. Deze controle vindt plaats bij het betreden of het verlaten van het vliegveld.
Artikel 6
Leden van een krijgsmacht of een civiele dienst en gezinsleden zijn niet onderworpen aan de Duitse voorschriften op het gebied van de aanmelding (Meldewesen) en de vreemdelingencontrole (Ausländerpolizei), behalve met betrekking tot de inschrijving in hotels en soortgelijke inrichtingen (Beherbergungsstätten).
De autoriteiten van een krijgsmacht houden tot op de dag bijgewerkte lijsten aan van alle leden van de civiele dienst en van alle gezinsleden. De autoriteiten van de krijgsmacht verstrekken de Duitse autoriteiten op een met redenen omkleed verzoek van die autoriteiten in bijzondere gevallen de inlichtingen die vereist zijn ingevolge de in het eerste lid bedoelde voorschriften.
De autoriteiten van de krijgsmacht delen de Duitse autoriteiten op hun verzoek het aantal leden van de civiele dienst en het aantal gezinsleden mede.
Artikel 7
Bij toepassing van internationale overeenkomsten of andere op het grondgebied van de Bondsrepubliek van kracht zijnde regelingen betreffende verblijf (Aufenthalt) en vestiging (Niederlassung), voorzover zij betrekking hebben op repatriëring, uitwijzing, verlenging van verblijfsvergunningen of de uitoefening van een beroep, wordt de tijd, doorgebracht op het grondgebied van de Bondsrepubliek als lid van een krijgsmacht of een civiele dienst of als gezinslid, buiten beschouwing gelaten.
Artikel 8
Indien een bevoegde Duitse autoriteit voornemens is een van de maatregelen te nemen, waartoe een staat van verblijf bevoegd is ingevolge artikel III, vijfde lid, eerste volzin van het NAVO-Status Verdrag, stelt die autoriteit de bevoegde autoriteit van de betrokken staat van herkomst van dit voornemen in kennis, onder mededeling van de redenen waarop de voorgenomen maatregel is gebaseerd en stelt die autoriteit in de gelegenheid binnen een redelijke termijn haar mening hierover kenbaar te maken dan wel zelf de maatregelen te nemen die zij gepast acht. De Duitse autoriteiten nemen het eventueel door de staat van herkomst ingenomen standpunt en de eventueel door de autoriteiten van die staat genomen maatregelen in welwillende overweging.
De kennisgeving van het voornemen tot het nemen van een van de maatregelen, bedoeld in artikel III, vijfde lid van het NAVO-Status Verdrag, wordt gedaan door de Minister van Binnenlandse Zaken van het betrokken Land of, indien het Hamburg en Bremen betreft, door de Senator voor Binnenlandse Zaken (Senator für innere Angelegenheiten).
Verzoeken om verwijderingen en uitwijzingsbevelen worden slechts gedaan, onderscheidenlijk gegeven, indien de bevoegde Duitse autoriteit van mening is, dat op het tijdstip dat het verzoek of het bevel wordt gedaan, onderscheidenlijk gegeven, het verdere verblijf van de betrokken persoon op het grondgebied van de Bondsrepubliek de openbare orde of veiligheid daadwerkelijk in gevaar brengt.
Artikel 9
Een bewijs of andere machtiging, afgegeven door een autoriteit van een Staat van herkomst aan een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst, op grond waarvan de houder bevoegd is dienstvoertuigen, -vaartuigen of -luchtvaartuigen te besturen, is geldig voor die voertuigen, vaartuigen of luchtvaartuigen binnen het grondgebied van de Bondsrepubliek. Rijbewijzen voor dienstvoertuigen machtigen ook, voor zover zulks volgens het recht van de Staat van herkomst is toegestaan, tot het besturen van overeenkomstige particuliere voertuigen. De autoriteiten van de Staat van herkomst of van zijn krijgsmacht zijn bevoegd op grond van bedoelde rijbewijzen ook rijbewijzen voor het besturen van overeenkomstige particuliere voertuigen af te geven.
De houder van een rijbewijs, afgegeven in een staat van herkomst, op grond waarvan de houder bevoegd is particuliere motorvoertuigen in die staat te besturen, is bevoegd tot het besturen van zodanige voertuigen op het grondgebied van de Bondsrepubliek, indien hij lid is van een krijgsmacht of een civiele dienst, of een gezinslid is. De Duitse voorschriften betreffende de geldigheidsduur van een zodanig rijbewijs op het grondgebied van de Bondsrepubliek en de ongeldigverklaring ervan door een Duitse administratieve autoriteit zijn niet van toepassing, indien de houder in het bezit is van een verklaring, afgegeven door een autoriteit van de krijgsmacht, waaruit blijkt dat hij lid is van de krijgsmacht of de civiele dienst dan wel een gezinslid is en dat hij voldoende kennis bezit van de Duitse verkeersvoorschriften. Deze verklaring wordt voorzien van een Duitse vertaling.
- a. Een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst of een gezinslid kan, met toestemming van de autoriteiten van een krijgsmacht, een Duits rijbewijs aanvragen op grond waarvan de houder bevoegd is particuliere motorrijtuigen te besturen. Deze rijbewijzen worden afgegeven door de bevoegde Duitse autoriteiten in overeenstemming met de van toepassing zijnde Duitse voorschriften.
- b. De rijlessen van personen die op grond van dit lid een rijbewijs wensen te behalen, kunnen plaatsvinden in door de krijgsmacht geëxploiteerde rijscholen, mits de instructeurs van die scholen beschikken over een vakbekwaamheid die in overeenstemming is met de voorschriften van de betrokken Staat van herkomst. De instructeurs dienen in het bezit te zijn van een door de autoriteiten van de krijgsmacht afgegeven getuigschrift, voorzien van een Duitse vertaling, dat hen machtigt leerling-bestuurders les te geven; zij dienen dit getuigschrift tijdens de lessen bij zich te dragen. Personen die niet zijn opgeleid tot rij-instructeur, mogen niet in die hoedanigheid worden aangesteld in een rijschool van de krijgsmacht.
- c. De inhoud van de theoretische en praktische rijexamens van personen die op grond van dit lid een rijbewijs wensen te behalen, wordt door de Duitse autoriteiten vastgesteld in overleg met de autoriteiten van de krijgsmacht. De Duitse autoriteiten hebben het recht, in overleg met de autoriteiten van de krijgsmacht, zich ervan te vergewissen dat de examens naar behoren verlopen.
- d. Personen die op de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst van 18 maart 1993 tot wijziging van deze Overeenkomst zijn begonnen met rijlessen in overeenstemming met artikel 9, derde lid, in de tot die datum van kracht zijnde versie, of die na beëindiging van de rijopleiding nog geen rijexamen hadden afgelegd, kunnen nog in overeenstemming met de oude bepalingen worden opgeleid en geëxamineerd; aan hen kunnen rijbewijzen worden afgegeven in overeenstemming met de oude bepalingen.
Een burgervliegbrevet, afgegeven door de autoriteiten van een staat van herkomst aan een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst of aan een gezinslid, machtigt de houder binnen de Bondsrepubliek particuliere luchtvaartuigen te besturen indien dit brevet beantwoordt aan de Normen en Aanbevolen Werkwijzen van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.
- a). De autoriteiten van een krijgsmacht zien erop toe dat personen die dienstvaartuigen besturen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, bij het bevaren van binnenwateren voldoende kennis bezitten van het te bevaren traject en van de terzake geldende rivierpolitiereglementen.
- b). Tot het besturen van andere dan niet-militaire binnenvaartuigen van de krijgsmacht machtigen slechts bewijzen van bekwaamheid die zijn afgegeven door de bevoegde Duitse civiele autoriteit op grond van de in de Bondsrepubliek geldende voorschriften. De in het kader van internationale overeenkomsten toepasselijke voorschriften blijven onverminderd van kracht.
- a). De autoriteiten van een krijgsmacht trekken rijbewijzen die op het grondgebied van de Bondsrepubliek geldig zijn ingevolge het eerste lid van dit artikel, of getuigschriften bedoeld in het tweede lid van dit artikel, in, indien er gerede twijfel bestaat aangaande de betrouwbaarheid of de geschiktheid van de houder voor het besturen van een motorvoertuig. Zij nemen verzoeken van de Duitse autoriteiten om intrekking van zulke rijbewijzen of bewijzen in welwillende overweging. Rijbewijzen of bewijzen kunnen opnieuw worden afgegeven wegens dringende militaire redenen of om de houder in de gelegenheid te stellen het grondgebied van de Bondsrepubliek te verlaten. De autoriteiten van een krijgsmacht stellen de Duitse autoriteiten in kennis van iedere intrekking op grond van deze alinea en van ieder geval waarin na een zodanige intrekking een rijbewijs of bewijs opnieuw is afgegeven.
- b). In de gevallen waarin Duitse rechtbanken rechtsmacht uitoefenen in overeenstemming met artikel VII van het NAVO Status Verdrag en de artikelen 17, 18 en 19 van deze Overeenkomst blijven de bepalingen van de Duitse strafwetgeving inzake de ontzegging van de rijbevoegdheid van toepassing met betrekking tot rijbewijzen bedoeld in de tweede volzin van het eerste lid van dit artikel, voor zover deze het recht om particuliere motorvoertuigen te besturen betreffen, en met betrekking tot rijbewijzen bedoeld in de derde volzin van het eerste lid en in het tweede lid van dit artikel. Van de ontzegging van de rijbevoegdheid wordt melding gemaakt in het rijbewijs, dat in het bezit van de houder wordt gelaten.
- c). De letters a en b zijn van overeenkomstige toepassing op rijbewijzen die zijn afgegeven ingevolge het derde lid van dit artikel in de versie die van kracht was tot de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst van 18 maart 1993 tot wijziging van deze Overeenkomst.
- a. Het zesde lid, letter a, van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de in het vierde lid bedoelde vliegbrevetten.
- b. Op verzoek van de Duitse autoriteiten treffen de autoriteiten van de krijgsmacht de nodige maatregelen tegen houders van vliegbrevetten welke ingevolge het eerste lid van dit artikel geldig zijn op het grondgebied van de Bondsrepubliek die de luchtverkeersvoorschriften niet in acht hebben genomen.
Artikel 10
Motorrijtuigen en aanhangwagens van motorrijtuigen van een krijgsmacht of een civiele dienst, van leden van een krijgsmacht of een civiele dienst of van gezinsleden kunnen door de autoriteiten van die krijgsmacht worden geregistreerd en toegelaten. Met inachtneming van de in het kader van internationale overeenkomsten toepasselijke voorschriften geldt hetzelfde ten aanzien van vaartuigen van een krijgsmacht. Luchtvaartuigen van een krijgsmacht of een civiele dienst, van leden van een krijgsmacht of een civiele dienst, of van gezinsleden worden door de autoriteiten van de staat van herkomst geregistreerd en toegelaten in overeenstemming met de toepasselijke internationale voorschriften.
1bis. In afzonderlijke gevallen kunnen de bevoegde Duitse autoriteiten tevens Duitse kentekens toestaan voor bepaalde voertuigen. Artikel 11, eerste lid, van deze Overeenkomst blijft onverminderd van toepassing. In de in de eerste volzin van het tweede lid van artikel 11 bedoelde gevallen moet de garantie van de verzekeraar of de combinatie van verzekeraars zich ook uitstrekken tot schade ontstaan in staten of gebieden die motorrijtuigen met een Duits kenteken kunnen binnenrijden zonder controle van het verzekeringsbewijs (schadegevallen in de zin van artikel 2, tweede lid, van Richtlijn 72/166/EEG van 24 april 1972, zoals gewijzigd). Er wordt een bijzonder bewijs afgegeven of een aantekening geplaatst op het kentekenbewijs betreffende het recht een Duits kenteken te voeren. Nadere bijzonderheden worden overeengekomen tussen de Duitse autoriteiten en de autoriteiten van de krijgsmacht.
1ter. De Duitse autoriteiten kunnen eisen dat de registratie in overeenstemming met de leden 1 en 1bis van dit artikel door de autoriteiten van de krijgsmacht wordt medegedeeld aan de bevoegde Duitse autoriteiten voor hun administratie. Nadere bijzonderheden, met name welke registratiegegevens dienen te worden medegedeeld, worden overeengekomen tussen de Duitse autoriteiten en de autoriteiten van de krijgsmacht.
1quater. Motorrijtuigen en aanhangwagens die ingevolge het eerste lid van dit artikel zijn geregistreerd en toegelaten, of worden gebruikt door een krijgsmacht op het grondgebied van de Bondsrepubliek, dienen regelmatig een technische keuring te ondergaan. De Duitse autoriteiten kunnen eisen dat Duitse inspecteurs nagaan of de keuringsstations of werkplaatsen van de Staten van herkomst waarin particuliere motorrijtuigen en aanhangwagens technisch worden gekeurd, geschikt zijn voor het verrichten van die keuringen. Daarnaast kunnen zij daar die motorrijtuigen inspecteren op hun verkeersveiligheid. Deze bepalingen doen geen afbreuk aan de mogelijkheid om motorrijtuigen te doen onderzoeken of keuren in Duitse testinrichtingen in overeenstemming met de Duitse voorschriften.
Particuliere motorrijtuigen en aanhangwagens daarvan worden door de autoriteiten van een krijgsmacht slechts geregistreerd en toegelaten, indien ze in overeenstemming met artikel 11 van deze Overeenkomst zijn verzekerd tegen aansprakelijkheid. Deze registratie en toelating wordt door hen ingetrokken of ongeldig verklaard wanneer deze verzekering eindigt.
Motorrijtuigen, aanhangwagens, vaartuigen en luchtvaartuigen die overeenkomstig het eerste lid van dit artikel zijn geregistreerd en toegelaten of die worden gebruikt door een krijgsmacht op het grondgebied van de Bondsrepubliek, voeren behalve een registratienummer of een ander passend herkenningsteken een duidelijk nationaliteits kenteken. Herkenningstekens op particuliere motorrijtuigen en aanhangwagens moeten duidelijk verschillen van die welke gebruikt worden op dienstvoertuigen en -aanhangwagens. De autoriteiten van een krijgsmacht lichten de Duitse autoriteiten in omtrent het systeem van kentekens dat wordt gebruikt voor de door hen geregistreerde en toegelaten motorrijtuigen, aanhangwagens en vaartuigen. Op een met redenen omkleed verzoek van de Duitse autoriteiten verstrekken de autoriteiten van de krijgsmacht in individuele gevallen de namen en adressen van de personen op wier naam particuliere motorrijtuigen, aanhangwagens of lucht vaartuigen zijn geregistreerd en toegelaten in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel.
Het kentekenbewijs van een particulier motorrijtuig of een particuliere aanhangwagen vermeldt het registratienummer, de naam of het handelsmerk van de fabrikant, het fabrieks- of serienummer, de datum van de eerste registratie op het grondgebied van de Bondsrepubliek en de naam en voornamen van de houder. Het bewijs dient te zijn voorzien van een Duitse vertaling. Het bewijs van inschrijving van een particulier luchtvaartuig dient te worden gebaseerd op de Normen en Aanbevolen Werkwijzen van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie. Andere dan dienst-binnenvaartuigen van een krijgsmacht met een waterverplaatsing van vijftien ton of meer voeren aan boord een bewijs van deugdelijkheid, dat kan worden afgegeven door de autoriteiten van de krijgsmacht.
De autoriteiten van een krijgsmacht nemen passende veiligheidsmaatregelen met betrekking tot motorrijtuigen, aanhangwagens, vaartuigen en luchtvaartuigen die door hen zijn geregistreerd en toegelaten of in gebruik zijn bij de krijgsmacht op het gebied van de Bondsrepubliek.
Artikel 11
Leden van een krijgsmacht, van een civiele dienst en gezinsleden mogen op het gebied van de Bondsrepubliek particuliere motorrijtuigen, aanhangwagens en luchtvaartuigen slechts gebruiken of laten gebruiken indien de uit dat gebruik voortvloeiende risico's worden gedekt door verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid in overeenstemming met de Duitse wetgeving.
Een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid van door de autoriteiten van een krijgsmacht te registreren en toe te laten motorrijtuigen, aanhangwagens of luchtvaartuigen, kan worden gesloten bij een verzekeringsmaatschappij die in een staat van herkomst bevoegd is tot het verzekeren tegen wettelijke aansprakelijkheid, mits nevens een zodanige maatschappij een op het grondgebied van de Bondsrepubliek tot de uitoefening van het verzekeringsbedrijf gerechtigde verzekeraar of combinatie van verzekeraars de uit de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering voortvloeiende verplichting aanvaardt met betrekking tot schade ontstaan op het gebied van de Bondsrepubliek. De overeenkomstig de Duitse wetgeving geldende vereisten met betrekking tot de benadeelde derde worden niet aangetast door de voorwaarden van die verzekering.
Voorzover in de staten van herkomst deviezenvoorschriften bestaan dragen deze staten er zorg voor, dat alle betalingen die moeten worden verricht door verzekeraars of combinaties van verzekeraars die op hun grondgebied tot de uitoefening van het verzekeringsbedrijf bevoegd zijn, kunnen geschieden op het grondgebied van de Bondsrepubliek en in de valuta van de Bondsrepubliek.
Artikel 12
De autoriteiten van een krijgsmacht kunnen leden van een civiele dienst en andere personen in dienst bij de krijgsmacht machtigen tot het bezitten en dragen van wapenen in verband met de verantwoordelijkheid van die personen voor de beveiliging van geld of goederen of de omstandigheid dat zij in bijzondere mate gevaar lopen tengevolge van het speciale karakter van hun officiële functie of werkzaamheden.
De autoriteiten van de krijgsmacht stellen met betrekking tot het gebruik van wapenen door de personen die daartoe gemachtigd zijn op de voet van het eerste lid van dit artikel, voorschriften vast die in overeenstemming zijn met de Duitse wetgeving inzake noodweer (Notwehr).
De personen, gemachtigd op de voet van het eerste lid van dit artikel, mogen uitsluitend vuurwapenen bij zich dragen indien zij in het bezit zijn van een verklaring afgegeven door de autoriteiten van de krijgsmacht, dat zij daartoe gerechtigd zijn. Een dienstidentiteitsbewijs voorzien van een desbetreffende aantekening wordt eveneens als een zodanige verklaring beschouwd.
De autoriteiten van de krijgsmacht geven deze verklaringen uitsluitend af aan personen omtrent wier betrouwbaarheid geen gerede twijfel bestaat. Zij trekken op verzoek van de Duitse autoriteiten of op grond van hun eigen beslissing een verklaring in, indien is komen vast te staan dat de houder zijn vuurwapen heeft misbruikt of indien er gerede twijfel bestaat omtrent zijn betrouwbaarheid.
Artikel 13
Voorzover niet uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn internationale overeenkomsten of andere op het grondgebied van de Bondsrepubliek van kracht zijnde voorschriften betreffende sociale zekerheid, met inbegrip van sociale en medische verzorging, niet van toepassing op de leden van een krijgsmacht, van een civiele dienst en op gezinsleden. De rechten en verplichtingen van deze personen op het gebied van sociale zekerheid die zijn ontstaan gedurende een vroeger verblijf op het grondgebied van de Bondsrepubliek blijven echter onaangetast. De omstandigheid dat een persoon behoort tot een van de categorieën als bedoeld in de bovenstaande volzinnen sluit bovendien de mogelijkheid niet uit dat hij premiën betaalt voor de Duitse sociale verzekering (soziale Kranken- und Rentenversicherung) teneinde de verzekering op basis van vrijwilligheid voort te zetten (freiwillige Weiterversicherung), noch de mogelijkheid dat hij rechten voortvloeiend uit een bestaande verzekering verkrijgt en laat gelden.
De verplichtingen van een lid van een krijgsmacht of een civiele dienst of van een gezinslid in zijn hoedanigheid van werkgever worden niet aangetast door de bepalingen van dit artikel.
Artikel 14
Indien een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst of een gezinslid is vrijgesteld van de verplichting een huwelijksbevoegdheidscertificaat (Ehefähigkeitszeugnis) over te leggen mogen de te betalen leges - waarvan de grootte wordt vastgesteld in overeenstemming met de omvang en de moeilijkheden van de daartoe te verrichten administratieve werkzaamheden - de som van vijftig Duitse marken niet te boven gaan.
Artikel 15
De verplichting ingevolge de Duitse wetgeving om aangifte te doen van geboorte en overlijden bij een ambtenaar van de Duitse Burgerlijke Stand geldt niet ten aanzien van de geboorte van een kind van, of de dood van, een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst of van een gezinslid; wordt evenwel van een zodanige geboorte of overlijden bij een ambtenaar van de Duitse Burgerlijke Stand aangifte gedaan, dan vindt inschrijving plaats overeenkomstig de voorschriften van de Duitse wetgeving.
De verplichting tot aangifte van geboorte en van overlijden blijft bestaan indien het kind of de overledene een Duitser is.
Artikel 16
De militaire autoriteiten van een Staat van herkomst zijn, in overeenstemming met de in die Staat geldende voorschriften, gerechtigd te beschikken over de stoffelijke resten van de leden van de krijgsmacht, van de civiele dienst en van gezinsleden die zijn overleden op het grondgebied van de Bondsrepubliek, alsmede die lijkschouwingen te verrichten die uit medische overwegingen of met het oog op een strafrechtelijk onderzoek noodzakelijk zijn. Verzoeken van Duitse autoriteiten om lijkschouwingen te verrichten worden ingewilligd; in geval van lijkschouwingen uit medische overwegingen geldt zulks slechts in zoverre een lijkschouwing krachtens het recht van de Staat van herkomst is toegestaan. Bij een lijkschouwing mag een aan een Duitse rechtbank verbonden arts (Gerichtsarzt) of een arts van de openbare gezondheidsdienst (Amtsarzt) aanwezig zijn. In geval van een lijkschouwing met het oog op een Duits strafrechtelijk onderzoek zijn een Duitse rechter of officier van justitie gerechtigd aanwezig te zijn; hun aanwijzingen betreffende de vereisten van het Duitse strafprocesrecht ter zake van lijkschouwingen dienen in acht te worden genomen. Ingeval een Duitse rechtbank of autoriteit bevoegd is een lijkschouwing te gelasten, zijn de tweede, derde en vierde volzin van dit lid van overeenkomstige toepassing indien de militaire autoriteiten van de Staat van herkomst belang hebben bij het resultaat van de lijkschouwing.
De militaire autoriteiten van een staat van herkomst zijn, indien zij daartoe krachtens de wetgeving van die staat bevoegd zijn, gerechtigd tot het in bezit nemen van de zich binnen het grondgebied van de Bondsrepubliek bevindende persoonlijke roerende eigendommen van de overledene en deze in de eerste plaats aan te wenden tot betaling van alle volgens het recht van de staat van herkomst bevoorrechte vorderingen en in de tweede plaats tot de voldoening van alle andere op het grondgebied van de Bondsrepubliek ontstane schulden ten aanzien waarvan op dat grondgebied een wettelijke betalingsverplichting bestaat, en daarna over het restant te beschikken overeenkomstig het recht dat ten aanzien van de nalatenschap van de overledene van toepassing is. De bepalingen van dit lid zijn niet van toepassing indien de overledene een Duitser is.
De krijgsmachten hebben het recht op overeengekomen terreinen begraafplaatsen aan te leggen en te onderhouden voorzover dit noodzakelijk is bij de vervulling van hun taak ten aanzien van de verdediging.
Artikel 17
Indien het, ter beantwoording van de vraag welke autoriteit bevoegd is tot het uitoefenen van rechtsmacht met betrekking tot een strafbaar feit, noodzakelijk is vast te stellen of een feit strafbaar is volgens het recht van een staat van herkomst, schorst de Duitse rechtbank of autoriteit die de zaak behandelt de behandeling en doet daarvan mededeling aan de bevoegde autoriteit van de staat van herkomst. De daarvoor in aanmerking komende autoriteit van de staat van herkomst kan binnen eenentwintig dagen na ontvangst van de mededeling of, zolang die mededeling nog niet heeft plaatsgehad te allen tijde, aan de Duitse rechtbank of autoriteit een officiële verklaring overleggen nopens de vraag of het feit volgens het recht van de staat van herkomst al dan niet strafbaar is. Indien het antwoord bevestigend luidt, dient de verklaring tevens aan te geven op grond van welke bepaling of welke wettelijke grondslag het feit strafbaar is alsmede welke straf daartegen bedreigd is.
De Duitse rechtbank of autoriteit neemt haar beslissing in overeenstemming met de verklaring. Bij uitzondering kan deze verklaring echter op verzoek van de Duitse rechtbank of autoriteit door middel van een bespreking tussen de Regering van de Bondsrepubliek en de diplomatieke vertegenwoordiging van de staat van herkomst in de Bondsrepubliek aan een nader onderzoek worden onderworpen.
Indien moet worden vastgesteld of een feit naar Duits recht strafbaar is, is de in het eerste en tweede lid voorgeschreven procedure van overeenkomstige toepassing met betrekking tot dat feit, met dien verstande dat in dat geval de officiële verklaring wordt afgegeven door de hoogste bevoegde autoriteit van de Bondsrepubliek of van het betrokken Duitse Land.
De bepalingen van het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing tussen de Bondsrepubliek en die staten van herkomst die de Bondsrepubliek ervan in kennis stellen dat zij niet voornemens zijn zich op deze bepalingen te beroepen of de voorrechten ervan aan de Bondsrepubliek te verzekeren.
Artikel 18
Indien het in de loop van een strafproces tegen een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst noodzakelijk is vast te stellen of een strafbaar feit is voortgevloeid uit een daad of nalatigheid begaan in de uitoefening van de dienst, is voor deze vaststelling het recht van de betrokken staat van herkomst beslissend. De hoogste bevoegde autoriteit van deze staat van herkomst kan aan de Duitse rechtbank of autoriteit die met de behandeling van deze zaak is belast, daaromtrent een officiële verklaring overleggen.
De Duitse rechtbank of autoriteit beslist in overeenstemming met de verklaring. Bij uitzondering kan deze verklaring echter op verzoek van de Duitse rechtbank of autoriteit door middel van een bespreking tussen de Regering van de Bondsrepubliek en de diplomatieke vertegenwoordiging van de staat van herkomst in de Bondsrepubliek aan een nader onderzoek worden onderworpen.
Artikel 18A
De autoriteiten van een Staat van herkomst stellen de bevoegde Duitse autoriteiten onverwijld in kennis ingeval zij besluiten, in de uitoefening van hun rechtsmacht ingevolge artikel VII van het NAVO-Status Verdrag, strafvervolging in te stellen die zou kunnen leiden tot oplegging van de doodstraf.
Met inachtneming van de bepalingen van het Duitse recht gaan de autoriteiten van een Staat van herkomst niet over tot tenuitvoerlegging van een doodstraf in de Bondsrepubliek, noch tot strafvervolging die zou kunnen leiden tot de oplegging van deze straf in de Bondsrepubliek.
Artikel 19
Op verzoek van een staat van herkomst doet de Bondsrepubliek in het kader van artikel VII, derde lid onder c van het NAVO-Status Verdrag ten gunste van die staat afstand van het ingevolge het derde lid onder b van genoemd artikel aan de Duitse autoriteiten toegekende recht om in gevallen van samenloop van rechtsmacht bij voorrang rechtsmacht uit te oefenen, en wel overeenkomstig het tweede, derde, vierde en zevende lid van dit artikel. Het doen van afstand ingevolge dit lid heeft geen betrekking op gevallen waarvan kennisgeving is gedaan overeenkomstig artikel 18A, eerste lid, van deze Overeenkomst.
Onder voorbehoud van eventuele bijzondere regelingen, getroffen krachtens het zevende lid van dit artikel, stellen de militaire autoriteiten van een staat van herkomst de bevoegde Duitse autoriteiten in kennis van iedere afzonderlijke zaak die onder de afstand van rechtsmacht als bedoeld in het eerste lid valt. Onverminderd andere kennisgevingsverplichtingen ingevolge het NAVO-Status Verdrag of deze Overeenkomst, stellen de militaire autoriteiten van de Staat van herkomst de bevoegde Duitse autoriteiten in kennis wanneer zij voornemens zijn gebruik te maken van hun recht van voorrang bij de uitoefening van rechtsmacht, verleend ingevolge artikel VII, derde lid, letter a, van het NAVO-Status Verdrag, ten aanzien van afzonderlijke delicten als bedoeld in het tweede lid, letter a, van de op dit artikel betrekking hebbende paragraaf in het Protocol van Ondertekening.
Indien de bevoegde Duitse autoriteiten van oordeel zijn dat belangen van de Duitse rechtspleging de uitoefening van rechtsmacht door de Duitse autoriteiten gebieden, kunnen zij de afstand van rechtsmacht, gedaan ingevolge het eerste lid van dit artikel, herroepen door een verklaring die zij aan de militaire of civiele autoriteiten overleggen binnen eenentwintig dagen na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in het tweede lid van dit artikel, dan wel binnen een kortere termijn die bij een eventueel in het kader van het zevende lid getroffen regeling kan worden vastgesteld. De Duitse autoriteiten kunnen deze verklaring ook vóór de ontvangst van bedoelde kennisgeving afgeven.
Indien de bevoegde Duitse autoriteiten op grond van het derde lid van dit artikel de afstand van rechtsmacht in een bepaalde zaak hebben herroepen en besprekingen tussen de betrokken autoriteiten niet tot overeenstemming leiden, kan de diplomatieke vertegenwoordiging van de betrokken staat van herkomst in de Bondsrepubliek bezwaren maken bij de Bondsregering. Naar behoren rekening houdende met de belangen van de Duitse rechtspleging en de belangen van de staat van herkomst brengt de Bondsregering het meningsverschil tot een oplossing met gebruikmaking van haar bevoegdheden op het gebied van de buitenlandse betrekkingen.
- a). De militaire autoriteiten van een staat van herkomst die afstand van voorrang van rechtsmacht ingevolge het eerste lid van dit artikel heeft gevraagd, kunnen met toestemming van de Duitse autoriteiten bepaalde strafzaken, ten aanzien waarvan rechtsmacht berust bij die staat, voor onderzoek, berechting en uitspraak overdragen aan de Duitse rechtbanken of autoriteiten.
- b). De Duitse autoriteiten kunnen, met toestemming van de militaire autoriteiten van een staat van herkomst die afstand van voorrang van rechtsmacht ingevolge het eerste lid van dit artikel heeft gevraagd, bepaalde strafzaken ten aanzien waarvan rechtsmacht bij de Bondsrepubliek berust, voor onderzoek, berechting en uitspraak overdragen aan de militaire autoriteiten van die staat van herkomst.
- a. Indien een Duitse rechtbank of autoriteit ingevolge artikel VII, tweede lid, letter b, van het NAVO-Status Verdrag bij uitsluiting rechtsmacht uitoefent, wordt op speciaal of algemeen verzoek van de betrokken Staat van herkomst een afschrift van elk aan de verdachte betekend stuk toegezonden aan een door elke Staat van herkomst ingestelde of aangewezen verbindingsinstantie.
- b. Duitse rechtbanken of autoriteiten kunnen de verbindingsinstantie verzoeken zorg te dragen voor de betekening van stukken in strafzaken aan leden van een krijgsmacht, van een civiele dienst, of aan gezinsleden. De bepalingen van artikel 32, eerste lid, letter b, van deze Overeenkomst zijn van overeenkomstige toepassing op dit lid.
Ter uitvoering van de bepalingen van dit artikel en ter vergemakkelijking van een vlotte afdoening van strafbare feiten van lichtere aard kunnen tussen de militaire autoriteiten van een staat of staten van herkomst en de bevoegde Duitse autoriteiten regelingen worden getroffen. Deze regelingen kunnen mede betrekking hebben op de ontheffing van de verplichting tot kennisgeving en op de termijn, bedoeld in het derde lid van dit artikel, waarbinnen de afstand van rechtsmacht kan worden herroepen.
Artikel 20
De militaire autoriteiten van een staat van herkomst kunnen een persoon die niet aan hun rechtsmacht onderworpen is, zonder arrestatiebevel in voorlopige hechtenis stellen,
- a). indien die persoon op heterdaad betrapt wordt of achtervolgd wordt en
- i). zijn identiteit niet onmiddellijk kan worden vastgesteld, of
- ii). er gevaar voor vlucht bestaat; of
- b). indien dit door een Duitse autoriteit wordt verzocht; of
- c). op verzoek van een autoriteit van een andere staat van herkomst indien die persoon lid is van de krijgsmacht of van de civiele dienst van die staat dan wel een gezinslid van een zodanig lid.
Indien er gevaar bestaat voor vertraging en een Duitse openbare aanklager of politiefunctionaris niet tijdig bereikbaar is, kunnen de militaire autoriteiten van een staat van herkomst een persoon die niet aan hun rechtsmacht onderworpen is, zonder arrestatiebevel in voorlopige hechtenis stellen, indien ernstige verdenking (dringender Verdacht) bestaat dat die persoon een strafbaar feit heeft gepleegd of een strafbare poging doet tot het plegen van een strafbaar feit binnen, of gericht tegen, een inrichting van die staat dan wel een feit dat strafbaar is ingevolge artikel 7 van de vierde wet tot wijziging van de strafwetgeving van 11 juni 1957 (Bundesgesetzblatt Deel I, blz. 597) junctis de artikelen 99, 100, 100c , 100d , 100e , 109f , 109g en 363 van het Duitse Wetboek van Strafrecht, of ingevolge wettelijke voorzieningen die in de toekomst eventueel in de plaats van deze bepalingen zullen treden. Deze bepaling is slechts van toepassing, indien de betrokkene voortvluchtig is of zich verborgen houdt of indien gegronde reden bestaat om te vrezen dat hij zich aan strafvervolging ter zake van het plegen van een strafbaar feit of van een strafbare poging daartoe als bovenbedoeld tracht te onttrekken.
In de gevallen bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel kunnen de militaire autoriteiten, voorzover zulks nodig is, de in voorlopige hechtenis genomen persoon ontwapenen en hem visiteren alsmede alle in zijn bezit zijnde voorwerpen die als bewijsmiddel voor het onderzoek van het strafbare feit waarvan hij wordt verdacht of beschuldigd kunnen dienen, in beslag nemen.
De militaire autoriteiten geven een persoon die overeenkomstig dit artikel in voorlopige hechtenis is genomen alsmede de inbeslaggenomen wapens of andere voorwerpen onverwijld over aan de dichtstbijzijnde Duitse openbare aanklager, politiefunctionaris of rechter of aan de militaire autoriteiten van de staat van herkomst tot welke krijgsmacht of civiele dienst de persoon, hetzij als lid hetzij als gezinslid, behoort.
De bepalingen van dit artikel maken geen inbreuk op de grondwettelijke onschendbaarheid van de parlementen van de Bondsrepubliek en de Länder.
Artikel 21
Indien een Duitse autoriteit een onderzoek opent of een arrestatie verricht wegens een handeling die strafbaar is ingevolge artikel 7 van de vierde wet tot wijziging; van de strafwetgeving van 11 juni 1957 (Bundesgesetzblatt Deel I, blz. 597) of ingevolge wettelijke voorzieningen die in de toekomst eventueel in de plaats van dat artikel zullen treden, stelt de Duitse autoriteit die het onderzoek leidt de militaire autoriteiten van de betrokken staat van herkomst daarvan onverwijld in kennis. Hetzelfde geldt indien een Duitse autoriteit een onderzoek opent of een arrestatie verricht wegens een handeling die op andere wijze gericht is tegen de veiligheid van een staat van herkomst of zijn krijgsmacht.
Indien de bevoegde autoriteit van een staat van herkomst op het grondgebied van de Bondsrepubliek een onderzoek opent of een arrestatie verricht wegens een handeling die gepleegd is op dat grondgebied en in verband staat met aangelegenheden die de veiligheid van de Bondsrepubliek raken, stelt die autoriteit de Duitse autoriteiten daarvan onverwijld in kennis.
Artikel 22
- a). Indien rechtsmacht wordt uitgeoefend door de autoriteiten van een staat van herkomst, berust de bewaring van leden van de krijgsmacht of de civiele dienst of van gezinsleden bij de autoriteiten van die staat.
- b). Indien rechtsmacht wordt uitgeoefend door de Duitse autoriteiten berust de bewaring van leden van een krijgsmacht of een civiele dienst of van gezinsleden bij de autoriteiten van de staat van herkomst overeenkomstig het tweede en derde lid van dit artikel.
- a). Indien de arrestatie is verricht door de Duitse autoriteiten wordt de gearresteerde persoon overgegeven aan de autoriteiten van de betrokken staat van herkomst, indien deze autoriteiten zulks verzoeken.
- b). Indien de arrestatie is verricht door de autoriteiten van een staat van herkomst of indien de gearresteerde persoon aan hen is overgegeven overeenkomstig lid 2a
- i). kunnen zij de bewaring te allen tijde overdragen aan de Duitse autoriteiten;
- ii). nemen zij een door de Duitse autoriteiten in bepaalde gevallen gedaan verzoek om overdracht van de bewaring in welwillende overweging.
- c). In het geval van strafbare feiten, uitsluitend gericht tegen de veiligheid van de Bondsrepubliek, berust de bewaring bij de Duitse autoriteiten overeenkomstig eventueel daartoe met de autoriteiten van de betrokken staat van herkomst te treffen regelingen.
Indien de bewaring overeenkomstig het tweede lid van dit artikel bij de autoriteiten van een staat van herkomst berust, blijft zij bij deze autoriteiten berusten tot de invrijheidstelling of vrijspraak door de Duitse autoriteiten, dan wel totdat de tenuitvoerlegging van het vonnis een aanvang neemt. De autoriteiten van de staat van herkomst stellen de gearresteerde persoon ter beschikking van de Duitse autoriteiten voor het onderzoek en het strafproces (Ermittlungs- und Strafverfahren) en nemen daartoe alle passende maatregelen. Zij nemen eveneens alle passende maatregelen om te voorkomen dat onderzoek en strafproces nadelig worden beïnvloed (Verdunkelungsgefahr). Zij houden zo veel mogelijk rekening met elk van de bevoegde Duitse autoriteiten afkomstig verzoek inzake bewaring.
Artikel 23
Indien een persoon in een van de gevallen als bedoeld in artikel 21, eerste lid, wordt gearresteerd heeft een vertegenwoordiger van de betrokken staat van herkomst toegang tot die persoon. Indien een persoon die in een van de gevallen als bedoeld in het tweede lid van dat artikel is gearresteerd, door de autoriteiten van een krijgsmacht in bewaring wordt gehouden, heeft een Duitse vertegenwoordiger een overeenkomstig recht, in dezelfde mate als waarin de staat van herkomst gebruik maakt van het recht van toegang, toegekend in de eerste volzin van dit artikel. De Duitse autoriteiten en de militaire autoriteiten van de staat van herkomst treffen de voor de uitvoering van dit artikel vereiste regelingen. Een vertegenwoordiger van de staat bij welke de bewaring berust kan bij de uitoefening van het recht van toegang tegenwoordig zijn.
Artikel 24
Op verzoek van de Bondsrepubliek of van een staat van herkomst treffen de Duitse autoriteiten en de autoriteiten van die staat regelingen ter vergemakkelijking van de nakoming van de verplichting tot wederzijdse hulp bedoeld in het vijfde lid onder a en het zesde lid onder a van artikel VII van het NAVO-Status Verdrag.
Artikel 25
- a). Indien rechtsmacht in strafzaken wordt uitgeoefend door een Duitse rechtbank of een Duitse autoriteit over een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst of over een gezinslid, heeft een vertegenwoordiger van de betrokken staat van herkomst het recht bij de terechtzitting aanwezig te zijn. Indien een vergrijp uitsluitend is gericht tegen de veiligheid van de Bondsrepubliek of tegen eigendommen welke zich in de Bondsrepubliek bevinden dan wel tegen een Duitser of tegen een persoon die zich op het grondgebied van de Bondsrepubliek bevindt en rechtsmacht op het grondgebied van de Bondsrepubliek wordt uitgeoefend door een rechtbank of een autoriteit van een staat van herkomst, heeft een Duitse vertegenwoordiger het recht de terechtzitting bij te wonen.
- b). In het onder a bepaalde
- i). worden onder de uitdrukking „eigendommen welke zich in de Bondsrepubliek bevinden” niet begrepen eigendommen welke toebehoren aan een krijgsmacht, een civiele dienst, een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst of aan een gezinslid;
- ii). wordt onder de uitdrukking „een persoon die zich op het grondgebied van de Bondsrepubliek bevindt” niet begrepen een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst of een gezinslid.
- c). Het bepaalde onder a is niet van toepassing indien de aanwezigheid van een nationale vertegenwoordiger niet verenigbaar is met die veiligheidseisen van de staat welke rechtsmacht uitoefent die niet tevens veiligheidseisen zijn van de andere staat.
- d). De Duitse rechtbanken en autoriteiten enerzijds en de rechtbanken en autoriteiten van de staat van herkomst anderzijds stellen er tijdig in kennis van de plaats en de tijd van de terechtzitting.
Onder de voorwaarden, omschreven in het eerste lid, heeft een vertegenwoordiger van de staat van herkomst ook het recht verhoren en andere opsporingshandelingen bij te wonen voor zover dit tussen de autoriteiten van die staat en die van de Bondsrepubliek eventueel overeengekomen wordt. Indien dergelijke overeenkomsten worden gesloten, geven deze - onder de in het eerste lid omschreven voorwaarden - aan een Duitse vertegenwoordiger een recht overeenkomend met dat van de vertegenwoordiger van de staat van herkomst en voorzien zij in een procedure met betrekking tot wederkerige kennisgeving.
Artikel 26
Indien een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst of een gezinslid voor een rechtbank van een staat van herkomst wordt gedagvaard ter zake van een op het grondgebied van de Bondsrepubliek begaan vergrijp tegen Duitse belangen wordt de terechtzitting binnen dat grondgebied gehouden,
- a). tenzij zulks in strijd is met de wetgeving van de staat van herkomst, of
- b). tenzij de autoriteiten van de staat van herkomst in geval van militaire noodzaak of in het belang van een goede rechtsbedeling voornemens zijn de terechtzitting buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek te doen plaatsvinden. In dat geval geven zij de Duitse autoriteiten tijdig de gelegenheid hun opvattingen omtrent een zodanig voornemen kenbaar te maken en houden zij rekening met de opvattingen die laatstgenoemden eventueel kenbaar maken.
Indien de terechtzitting buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek wordt gehouden, stellen de autoriteiten van de staat van herkomst de Duitse autoriteiten in kennis van plaats en datum van de terechtzitting. Een Duitse vertegenwoordiger is gerechtigd de terechtzitting bij te wonen tenzij de voorschriften van het procesrecht van de staat van herkomst zich hiertegen verzetten of zijn aanwezigheid onverenigbaar is met die veiligheidseisen van die staat die niet tevens veiligheidseisen zijn van de Bondsrepubliek. De autoriteiten van de staat van herkomst stellen de Duitse autoriteiten in kennis van de uitspraak en van de uiteindelijke afloop van het proces.
Artikel 27
Vervallen
Artikel 28
primo. In overeenstemming met de bepalingen van lid 4bis van de op artikel 53 van deze Overeenkomst betrekking hebbende paragraaf in het Protocol van Ondertekening, en onverminderd de bepalingen van artikel VII, tiende lid, letter a, van het NAVO-Status Verdrag, is de Duitse politie bevoegd haar taken te verrichten in onroerende goederen die voor uitsluitend gebruik ter beschikking zijn gesteld aan een krijgsmacht of een civiele dienst, voor zover de openbare orde en veiligheid van de Bondsrepubliek worden bedreigd of geschaad. Indien in zodanige onroerende goederen een strafrechtelijke vervolgingsmaatregel (Strafverfolgungsmaßnahme) ten uitvoer moet worden gelegd, kan de Staat van herkomst, na overleg met de Duitse autoriteiten over de modaliteiten, deze maatregel ook ten uitvoer doen leggen door zijn eigen politie. In dit geval wordt de maatregel onverwijld ten uitvoer gelegd en, indien zulks van Duitse zijde wordt verlangd, in tegenwoordigheid van vertegenwoordigers van de Duitse autoriteiten.
De militaire politie van een krijgsmacht is bevoegd te patrouilleren op openbare wegen, in openbare vervoermiddelen, in restaurants en logeergelegenheden (Gaststätten) en in alle andere voor het publiek toegankelijke plaatsen en ten aanzien van leden van een krijgsmacht, van een civiele dienst of gezinsleden die maatregelen te treffen welke noodzakelijk zijn voor de handhaving van orde en tucht. Voorzover zulks noodzakelijk of doelmatig is worden de bijzonderheden inzake de uitoefening van dit recht vastgesteld in overleg tussen de Duitse autoriteiten en de autoriteiten van de krijgsmacht, die terzake wederkerig nauw contact zullen onderhouden.
Indien de openbare orde en veiligheid in gevaar worden gebracht of verstoord door een incident waarbij leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst of gezinsleden zijn betrokken, neemt de militaire politie van een krijgsmacht op verzoek van de Duitse autoriteiten ten aanzien van deze personen de vereiste maatregelen teneinde orde en tucht te handhaven of te herstellen.
Artikel 29
De Bondsrepubliek neemt die wettelijke maatregelen welke zij noodzakelijk acht om op haar grondgebied de veiligheid en de bescherming te verzekeren van de krijgsmachten, de civiele diensten en van de leden daarvan. Het voorgaande is eveneens van toepassing op de gewapende strijdkrachten van een staat van herkomst welke in Berlijn zijn gestationeerd, op hun civiele dienst en op de leden daarvan voor wat betreft vergrijpen begaan op het grondgebied van de Bondsrepubliek.
Ter uitvoering van artikel VII, elfde lid van het NAVO-Status Verdrag en van het eerste lid van dit artikel verzekert de Bondsrepubliek in het bijzonder
- a). de bescherming van militaire geheimen van de staten van herkomst overeenkomstig de bepalingen van het Duitse Wetboek van Strafrecht inzake hoogverraad;
- b). de strafrechtelijke bescherming van een krijgsmacht, een civiele dienst en hun leden, welke bescherming tenminste gelijk is aan die welke de Duitse strijdkrachten genieten of zullen genieten, en wel met betrekking tot de volgende onderwerpen:
- i). beïnvloeding van een krijgsmacht, een civiele dienst of hun leden met het oogmerk hun bereidheid tot vervulling van de dienst te ondermijnen;
- ii). het blootstellen van de krijgsmacht aan smaad;
- iii). het aanzetten tot ongehoorzaamheid;
- iv). het aanzetten tot desertie;
- v). het bevorderen van desertie;
- vi). sabotage;
- vii). het verzamelen van inlichtingen inzake militaire aangelegenheden;
- viii). het doen functioneren van een militaire inlichtingendienst;
- ix). het maken van afbeeldingen of beschrijvingen van militaire uitrusting, militaire installaties of inrichtingen dan wel van militaire activiteiten;
- x). het maken van luchtfoto's.
Voor de toepassing van het tweede lid onder a wordt onder militaire geheimen verstaan feiten, voorwerpen, conclusies en ontdekkingen, in het bijzonder schriftelijke stukken, tekeningen, modellen, formules, of inlichtingen hierover, welke de verdediging betreffen en welke door een dienst van een staat van herkomst, gestationeerd op het grondgebied van de Bondsrepubliek of in Berlijn, in het belang van de veiligheid van die staat of haar krijgsmacht of haar in Berlijn gestationeerde gewapende strijdkrachten, geheim worden gehouden. Hieronder vallen niet voorwerpen over wier geheimhouding de beslissing bij de Bondsrepubliek berust, met inbegrip van inlichtingen over die voorwerpen.
Artikel 30
Teneinde de uitvoering van artikel VII van het NAVO-Status Verdrag en de bepalingen van deze Aanvullende Overeenkomst te vergemakkelijken en een uniforme toepassing ervan te verzekeren, worden op verzoek van een van beide partijen gemengde commissies ingesteld, die bestaan uit een door de Bondsregering te benoemen Duitse vertegenwoordiger en een vertegenwoordiger van de betrokken staat van herkomst. Deze gemengde commissies hebben tot taak vraagstukken te bespreken betreffende de toepassing van de in dit artikel bedoelde bepalingen, welke vraagstukken aan haar worden voorgelegd door de Bondsregering of door de hoogste autoriteit van de betrokken krijgsmacht. De Duitse autoriteiten en autoriteiten van de staat van herkomst nemen eventuele gemeenschappelijke aanbevelingen van een gemengde commissie in welwillende overweging.
Artikel 31
De leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst genieten, wat betreft de ontheffing van de verplichting tot zekerheidstelling voor proceskosten, de rechten ter zake vastgelegd in overeenkomsten tussen de Bondsrepubliek en de betrokken Staat van herkomst. Indien deze personen zich uit hoofde van hun dienst op het grondgebied van de Bondsrepubliek bevinden, worden zij voor de toepassing van die overeenkomsten geacht aldaar hun vaste verblijfplaats te hebben.
Artikel 32
- a). De Duitse rechtbanken of autoriteiten kunnen de door elke Staat van herkomst in te stellen of aan te wijzen verbindingsinstantie verzoeken zorg te dragen voor de betekening van stukken in een niet-strafrechtelijke procedure aan leden van een krijgsmacht, van een civiele dienst, of aan gezinsleden.
- b). De verbindingsinstantie bevestigt onverwijld de ontvangst van elk verzoek van een Duitse rechtbank of autoriteit om stukken te betekenen. De betekening is geschied wanneer het te betekenen document is uitgereikt aan de geadresseerde door de commandant van zijn onderdeel of door de vertegenwoordiger van de verbindingsinstantie. De Duitse rechtbank of autoriteit ontvangt onverwijld schriftelijk bericht dat de betekening is geschied.
- c).
- i. Indien de betekening niet kan geschieden, stelt de verbindingsinstantie de Duitse rechtbank of autoriteit schriftelijk in kennis van de redenen daarvoor en, indien mogelijk, van de datum waarop de betekening wel kan geschieden. De betekening kan worden geacht te zijn geschied indien de Duitse rechtbank of autoriteit na het verstrijken van een termijn van eenentwintig dagen na ontvangst door de verbindingsinstantie geen schriftelijk bericht heeft ontvangen dat de betekening is geschied overeenkomstig het gestelde onder b, noch enige mededeling dat het niet mogelijk was de betekening te doen geschieden.
- ii. De betekening kan evenwel niet worden geacht te zijn geschied indien de verbindingsinstantie de Duitse rechtbank of autoriteit vóór het verstrijken van de termijn van eenentwintig dagen bericht dat het niet mogelijk was de betekening te doen geschieden.
- iibis. Indien de persoon aan wie de betekening dient te geschieden de Bondsrepubliek duurzaam heeft verlaten, stelt de verbindingsinstantie de Duitse rechtbank of autoriteit onmiddellijk daarvan in kennis en verleent zij, met inachtneming van de bepalingen van artikel 3, derde lid, van deze Overeenkomst, alle bijstand die binnen haar vermogen ligt.
- iii. In het geval, bedoeld onder ii, kan de verbindingsinstantie de Duitse rechtbank of autoriteit onder opgave van redenen ook om verlenging van de termijn verzoeken. Indien het verzoek om verlenging van de termijn door de Duitse rechtbank of autoriteit wordt ingewilligd zijn de punten i en ii van overeenkomstige toepassing op de verlengde termijn.
Wanneer een Duitse deurwaarder (Zusteller) een dagvaarding, een ander document of een gerechtelijke beschikking waarmede een niet-strafrechtelijke procedure voor een Duitse rechtbank of autoriteit aanhangig wordt gemaakt, rechtstreeks betekent, wordt de verbindingsinstantie hiervan vóór of onmiddellijk na de betekening schriftelijk hiervan in kennis gesteld door de Duitse rechtbank of autoriteit. De inhoud van de schriftelijke kennisgeving dient in overeenstemming te zijn met artikel 205 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Zivilprozessordnung); in geval van gezinsleden geldt zulks slechts in de wettelijk toegestane mate.
Indien een Duitse rechtbank of autoriteit een vonnis of een document betekent dat betrekking heeft op het instellen van beroep (Rechtsmittelschrift) wordt de verbindingsinstantie, indien de betrokken Staat van herkomst hierom in het bijzonder of in het algemeen verzoekt, onmiddellijk daarvan in kennis gesteld in de wettelijk toegestane mate, tenzij de verbindingsinstantie zelf wordt verzocht de betekening te doen geschieden of indien de geadresseerde of een andere belanghebbende in de procedure daartegen bezwaar maakt. De Duitse rechtbank of autoriteit stelt de verbindingsinstantie in kennis van elk bezwaar.
Artikel 33
Indien de leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst of gezinsleden tijdelijk verhinderd zijn een niet-strafrechtelijke procedure waarbij zij partij zijn bij te wonen en indien de betrokken Duitse rechtbank of autoriteit hiervan zonder verwijtbare vertraging in kennis wordt gesteld, wordt daarmede naar behoren rekening gehouden, opdat zij hiervan geen juridisch nadeel ondervinden. Bedoelde kennisgeving kan ook door de verbindingsinstantie worden gedaan.
Artikel 34
De militaire autoriteiten werken naar vermogen mede aan de tenuitvoerlegging van in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraken en andere executoriale titels (vollstreckbare Titel) van Duitse rechtbanken of autoriteiten in niet strafrechtelijke procedures.
- a. Een Duitse autoriteit of rechtbank kan in een niet-strafrechtelijke procedure leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst of een gezinslid slechts gijzelen ter bestraffing van het negeren van belediging van de rechtbank („contempt of court") of ter verzekering van de naleving van een gerechtelijke of administratieve beslissing waaraan de betrokkene op verwijtbare wijze geen gevolg heeft gegeven of geeft. Gijzeling kan niet worden gelast ten aanzien van enig handelen of nalaten in de uitoefening van diensttaken. Een verklaring van de hoogste bevoegde autoriteit van de Staat van herkomst dat het handelen of nalaten was geschied in de uitoefening van diensttaken, is bindend voor de Duitse instanties. In andere gevallen houden de Duitse instanties naar behoren rekening met het standpunt van de hoogste bevoegde autoriteit van de Staat van herkomst dat hogere belangen zich tegen gijzeling verzetten.
- b. Gijzeling op grond van dit lid kan slechts plaatsvinden nadat de militaire autoriteiten hebben gezorgd voor de vervanging van betrokkene, indien zij zulks noodzakelijk achten. De militaire autoriteiten nemen onverwijld alle noodzakelijke en redelijkerwijs aanvaardbare maatregelen hiertoe en verlenen de Duitse autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van een beslissing ingevolge dit lid alle medewerking die in hun vermogen ligt.
- c. Indien een gijzeling op grond van dit lid dient plaats te vinden in onroerende goederen die voor uitsluitend gebruik ter beschikking zijn gesteld aan de krijgsmacht of civiele dienst, kan de Staat van herkomst, na overleg met de Duitse rechtbank of autoriteit over de modaliteiten, deze maatregel ook ten uitvoer doen leggen door zijn eigen politie. In dit geval wordt onverwijld en, indien zulks van Duitse zijde wordt verlangd, in tegenwoordigheid van vertegenwoordigers van de Duitse rechtbank of autoriteit tot gijzeling overgegaan.
De bedragen verschuldigd door een Regering aan een lid van een krijgsmacht of civiele dienst zijn in zoverre onderworpen aan beslag of een andere vorm van executie op last van een Duitse rechtbank of autoriteit als door de op het grondgebied van de Staat van herkomst geldende wetgeving is toegestaan. De in het eerste lid bedoelde medewerking omvat ook het verstrekken van inlichtingen omtrent de mogelijkheid van executie op reeds uitgekeerde soldij.
Wanneer de tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak van een Duitse rechtbank of autoriteit in een niet-strafrechtelijke procedure plaats dient te vinden binnen een inrichting van een krijgsmacht, wordt deze tenuitvoerlegging door een Duitse deurwaarder uitgevoerd in tegenwoordigheid van een vertegenwoordiger van de krijgsmacht.
Artikel 35
Indien een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak (vollstreckbare Titel) van een Duitse rechtbank of autoriteit moet worden tenuitvoergelegd tegen een schuldenaar aan wie een bedrag verschuldigd is, hetzij uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij een krijgsmacht of een civiele dienst op de voet van het bepaalde in artikel 56, hetzij uit hoofde van rechtstreekse leveranties of diensten aan een krijgsmacht of een civiele dienst, gelden de volgende bepalingen:
- a). Indien de betaling plaatsvindt door tussenkomst van een Duitse autoriteit, is die autoriteit, indien haar door een instantie die met de tenuitvoerlegging is belast wordt verzocht het bedrag niet aan de schuldenaar maar aan de schuldeiser die beslag heeft gelegd te betalen, gerechtigd aan dat verzoek te voldoen binnen de grenzen van de Duitse wettelijke voorschriften.
- b).
- i. Indien de betaling niet plaatsvindt door tussenkomst van een Duitse autoriteit, deponeren de autoriteiten van de krijgsmacht of de civiele dienst, tenzij de wetgeving van de Staat van herkomst dit verbiedt, op verzoek van een instantie die met de tenuitvoerlegging is belast, van de geldsom die zij erkennen aan de schuldenaar tegen wie de executie plaatsvindt schuldig te zijn, het in het verzoek genoemde bedrag bij de bevoegde instantie. Zulks strekt de krijgsmacht of civiele dienst, tot het gedeponeerde bedrag, tegenover de schuldenaar tot bevrijding van haar c.q. zijn schuld.
- ii. Voor zover de wetgeving van de betrokken Staat van herkomst de onder i bedoelde betaling verbiedt, nemen de autoriteiten van de krijgsmacht of van de civiele dienst alle passende maatregelen om de instantie die met de tenuitvoerlegging is belast bij de tenuitvoerlegging van in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen bij te staan.
Artikel 36
De betekening van documenten aan leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst of aan gezinsleden door middel van openbare kennisgeving in de pers dient tevens te geschieden door middel van bekendmaking van een uittreksel van het te betekenen document in de taal van de Staat van herkomst in een door die Staat te noemen publikatieblad, of, indien de Staat van herkomst hiertoe besluit, door middel van affichage bij de desbetreffende verbindingsinstantie.
Indien de betekening van een document door een Duitse deurwaarder moet geschieden aan een persoon die zich binnen een inrichting van een krijgsmacht bevindt, neemt de autoriteit van de krijgsmacht die verantwoordelijk is voor het beheer van de inrichting alle maatregelen die noodzakelijk zijn om de Duitse deurwaarder in staat te stellen de betekening te verrichten.
Artikel 37
Indien een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst of een gezinslid wordt gedagvaard voor een Duitse rechtbank of autoriteit, nemen de militaire autoriteiten, tenzij militaire noodzaak zich hiertegen verzet, alle onder hun bevoegdheid vallende maatregelen om ervoor te zorgen dat de betrokkene verschijnt, mits de verschijning ingevolge de Duitse wetgeving verplicht is. Indien de dagvaarding niet wordt betekend door tussenkomst van de verbindingsinstantie, wordt deze onmiddellijk van de dagvaarding in kennis gesteld door de Duitse rechter of autoriteit, onder vermelding van de naam en het adres van de geadresseerde, alsmede van het tijdstip en de plaats van de rechtszitting of het getuigenverhoor; dit geldt niet ten aanzien van gezinsleden indien de militaire autoriteiten het gehoor geven aan de dagvaarding niet effectief kunnen ondersteunen.
Indien personen, voor wier verschijning niet kan worden zorggedragen door de militaire autoriteiten, als getuigen of deskundigen door een rechtbank of een militaire autoriteit van een staat van herkomst worden gedagvaard, dragen de Duitse rechtbanken en autoriteiten, in overeenstemming met de Duitse wetgeving, zorg voor de verschijning van die personen voor de rechtbank of militaire autoriteit van de staat van herkomst.
Artikel 38
Indien in de loop van een al dan niet strafrechtelijke procedure voor een rechtbank of autoriteit van een krijgsmacht of van de Bondsrepubliek blijkt dat een staatsgeheim van een der betrokken staten, of van beide, of een inlichting die de veiligheid van een dezer staten, of van beide, zou kunnen schaden, openbaar gemaakt zou kunnen worden, verzoekt de rechtbank of autoriteit, alvorens verdere actie te nemen, de bevoegde autoriteit om schriftelijk haar toestemming te geven tot het openbaar maken van het staatsgeheim of de inlichting. Indien de bevoegde autoriteit bezwaar heeft tegen de openbaarmaking, neemt de rechtbank of autoriteit alle haar ter beschikking staande maatregelen, met inbegrip van die bedoeld in het tweede lid, om de openbaarmaking te voorkomen, mits daardoor geen inbreuk gemaakt wordt op de grondwettelijke rechten van een der partijen.
De bepalingen van de artikelen 172 tot en met 175 van de Duitse Wet op de Rechterlijke Organisatie (Gerichtsverfassungsgesetz), aangaande behandeling met gesloten deuren in al dan niet strafrechtelijke procedures, en de bepalingen van artikel 15 van het Duitse Wetboek van Strafvordering inzake de overdracht van strafzaken aan een rechtbank in een ander ressort, zijn van overeenkomstige toepassing in zaken voor Duitse rechtbanken en autoriteiten, indien de veiligheid van een krijgsmacht of een civiele dienst in gevaar dreigt te worden gebracht.
Artikel 39
De rechten en voorrechten van getuigen, slachtoffers en deskundigen worden bepaald door de wetgeving van de rechtbank of autoriteit waarvoor zij verschijnen. Indien getuigen, slachtoffers of deskundigen lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst of gezinslid zijn, houdt de rechtbank of autoriteit naar behoren rekening met de rechten en voorrechten die zij zouden hebben voor een rechtbank van de Staat van herkomst, of, indien zij niet tot deze categorieën behoren, voor een Duitse rechtbank.
Artikel 40
Voorzover in enige bepaling van het NAVO-Status Verdrag of van deze Overeenkomst niet het tegendeel is bepaald, zijn archieven, documenten, als zodanig kenbare dienstpostzendingen en eigendommen van een krijgsmacht niet vatbaar voor onderzoek, inbeslagneming of censuur door de Duitse autoriteiten, tenzij van die immuniteit afstand is gedaan.
Artikel 41
De regeling van vorderingen terzake van schade veroorzaakt door een handelen of nalaten van een krijgsmacht, een civiele dienst of van hun leden, of door andere voorvallen waarvoor een krijgsmacht of een civiele dienst wettelijk aansprakelijk is, wordt beheerst door de bepalingen van artikel VIII van het NAVO-Status Verdrag en de aanvullende bepalingen van dit artikel.
Geen schadeloosstelling wordt betaald in de volgende gevallen:
- a). schade aan openbare wegen, bruggen, bevaarbare waterwegen andere openbare verkeerswerken, voortvloeiende uit het gebruik daarvan door een krijgsmacht of een civiele dienst voor normale verkeersdoeleinden;
- b). verlies van of schade aan eigendommen die zijn opgericht of aangeschaft ten laste van de middelen ter bestrijding van de bezettingskosten, of van de begroting van de Bondsrepubliek Duitsland of van middelen voor het onderhoud van de krijgsmachten voorzover dit verlies of die schade werd veroorzaakt gedurende de tijd dat de eigendommen voor gebruik ter beschikking stonden van een krijgsmacht of een civiele dienst.
- a). De Bondsrepubliek doet afstand van al haar vorderingen op een staat van herkomst terzake van verlies van, of schade aan, eigendommen van de Bondsrepubliek die uitsluitend voor het gebruik van de krijgsmacht of de civiele dienst ter beschikking zijn gesteld. Het vorenstaande is eveneens van toepassing indien deze eigendommen ter beschikking zijn gesteld van de krijgsmachten van verschillende staten van herkomst of worden gebruikt door de krijgsmachten van een of meer staten van herkomst gezamenlijk met de Duitse strijdkrachten. Deze afstand is niet van toepassing op schade die opzettelijk of door grove nalatigheid is veroorzaakt, noch op schade aan de eigendommen van de Duitse Bondsspoorwegen of Duitse Bondsposterijen.
- b). De bepalingen van artikel VIII, tweede lid, onder f van het NAVO-Status Verdrag zijn niet van toepassing op verlies van of schade aan eigendommen van de Duitse Bondsspoorwegen of Duitse Bondsposterijen noch op schade aan de Bondswegen.
De Bondsrepubliek vrijwaart de staten van herkomst voor aanspraken voortvloeiende uit verlies van of schade aan eigendommen van een Land, indien het verlies of de schade werd veroorzaakt vóór de inwerkingtreding van deze Overeenkomst.
Elke staat van herkomst doet afstand van al zijn vorderingen op de Bondsrepubliek ter zake van verlies van of schade aan eigendommen van die staat van herkomst en veroorzaakt door leden of werknemers van de Duitse strijdkrachten, in de uitoefening van hun dienst of door het gebruik van voertuigen, vaartuigen of luchtvaartuigen van de Duitse strijdkrachten, mits die eigendommen gebruikt worden door de krijgsmacht of de civiele dienst van die staat, en die eigendommen zich bevinden op het gebied van de Bondsrepubliek. Deze afstand is niet van toepassing op schade die opzettelijk of door grove nalatigheid is veroorzaakt.
De bepalingen van artikel VIII, vijfde lid van het NAVO-Status Verdrag en van dit artikel zijn niet van toepassing op schade, geleden door leden van een krijgsmacht of een civiele dienst en veroorzaakt door een handelen of nalaten van andere leden van dezelfde krijgsmacht of dezelfde civiele dienst, of door andere voorvallen waarvoor die krijgsmacht of civiele dienst wettelijk aansprakelijk is.
De organisaties, bedoeld in artikel 71, tweede lid, worden ter zake van de regeling van de schadevorderingen in overeenstemming met artikel VIII van het NAVO-Status Verdrag en met dit artikel beschouwd als en handelend als integrerende onderdelen van de betrokken krijgsmacht, tenzij wordt overeengekomen dat een zodanige organisatie in dit opzicht niet onttrokken zal zijn aan de Duitse rechtsmacht.
De aansprakelijkheid van een krijgsmacht of van een civiele dienst wordt niet beïnvloed door de omstandigheid, dat een krijgsmacht of een civiele dienst onttrokken is aan de Duitse voorschriften. Indien de Duitse strijdkrachten dezelfde vrijstellingen genieten, behoeft alleen schadeloosstelling te worden betaald indien en voorzover een schadeloosstelling dient te worden betaald voor schade veroorzaakt door de Duitse strijdkrachten.
- a). Indien tengevolge van een voorval aan een derde schade is toegebracht die met toepassing van artikel VIII, vijfde lid van het NAVO-Status Verdrag wordt afgewikkeld en er tengevolge van hetzelfde voorval eveneens schade is toegebracht aan de betrokken staat van herkomst, worden, indien de derde aansprakelijk is voor het vergoeden van die schade, de vordering van de staat van herkomst en de vordering van de derde gecompenseerd.
- b). De Bondsrepubliek maakt in overeenstemming met administratieve overeenkomsten en op verzoek van een staat van herkomst namens die staat vorderingen geldend tegen in de Bondsrepubliek verblijvende personen, welke vorderingen voortvloeien uit schade die aldaar aan die staat is toegebracht; dit is niet van toepassing op vorderingen uit overeenkomst. De kosten die de Bondsrepubliek bij het geldend maken van vorderingen maakt worden, voorzover zij de algemene administratieve kosten te boven gaan, door de staat van herkomst vergoed.
Met betrekking tot vorderingen betreffende schade aan onroerende goederen of verlies van of schade aan roerende goederen - met uitzondering van onroerende of roerende goederen, die eigendom zijn van de Bondsrepubliek of van een Land - die vóór 5 mei 1955 uitsluitend voor het gebruik door een krijgsmacht of een civiele dienst beschikbaar waren gesteld en die na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst door de krijgsmacht of de civiele dienst zijn vrijgegeven, wordt de schadeloosstelling voor gelijke delen gedragen door de Bondsrepubliek en de betrokken staat van herkomst.
- a). Behalve in gevallen waarin het na navraag bij de daarvoor in aanmerking komende krijgsmachten niet mogelijk is vast te stellen wie van hen verantwoordelijk is voor het verlies of de schade, verstrekt de krijgsmacht een verklaring inzake de in artikel VIII, achtste lid van het NAVO-Status Verdrag bedoelde vragen; zij neemt op verzoek van de Duitse autoriteiten een zodanige verklaring opnieuw in beschouwing indien gedurende het onderzoek van een vordering een Duitse autoriteit of een Duitse rechtbank tot het inzicht mocht komen, dat er omstandigheden bestaan die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden dan in de verklaring is neergelegd.
- b). Indien er een verschil van mening blijft bestaan dat niet kan worden opgelost door middel van nadere besprekingen tussen de twee partijen op hoger niveau, wordt de procedure gevolgd die is neergelegd in artikel VIII, achtste lid van het NAVO-Status Verdrag.
- c). De Duitse autoriteiten of rechtbanken nemen hun beslissingen in overeenstemming met de verklaring onderscheidenlijk de beslissing van de arbiter.
- a). De bepalingen van artikel VIII van het NAVO-Status Verdrag en van dit artikel zijn van toepassing op schaden die zijn veroorzaakt of worden geacht te zijn veroorzaakt na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst.
- b). Schaden die zijn veroorzaakt vóór de inwerkingtreding van deze Overeenkomst of die worden geacht voordien te zijn veroorzaakt, worden behandeld in overeenstemming met de regelingen die tot dat tijdstip van toepassing waren.
Ter regeling van de tussen de autoriteiten van een krijgsmacht en de Duitse autoriteiten te volgen procedure bij de afwikkeling van schadevorderingen worden administratieve overeenkomsten gesloten.
Artikel 42
Vervallen
Artikel 43
De autoriteiten van een krijgsmacht en de Duitse autoriteiten verschaffen elkander alle voor de gemeenschappelijke verdediging van belang zijnde inlichtingen op het gebied van de meteorologie, geodesie, topografie, hydrografie en cartografie en wisselen te dien einde alle noodzakelijke gegevens uit.
De autoriteiten van een krijgsmacht kunnen, na de Duitse autoriteiten daarvan tijdig in kennis te hebben gesteld, in het belang van de gemeenschappelijke verdediging, topografische, geodetische, hydrografische of technische opnemingen of verkenningen verrichten, indien bijzondere redenen van veiligheid of geheimhouding dit noodzakelijk maken of indien de Duitse autoriteiten deze werkzaamheden niet in de vereiste omvang of binnen de vereiste tijd kunnen verrichten. Vertegenwoordigers van de Duitse autoriteiten kunnen bij het verrichten van deze werkzaamheden tegenwoordig zijn, tenzij bijzondere redenen van geheimhouding zich daartegen verzetten. De Duitse autoriteiten maken zonodig van de hun door de Duitse wetgeving verleende bevoegdheden gebruik teneinde voor de vertegenwoordigers van de krijgsmacht verlof tot het betreden van terreinen te verkrijgen.
Artikel 44
Bij de oplossing van geschillen welke voortvloeien uit contracten die door de Duitse autoriteiten voor rekening van de autoriteiten van een krijgsmacht of van een civiele dienst zijn gesloten, werken deze autoriteiten voortdurend nauw samen, onafhankelijk van de vraag of deze geschillen al dan niet tot een rechtszaak aanleiding geven. Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing op geschillen, voortvloeiende uit arbeidsovereenkomsten, het recht inzake de werknemersvertegenwoordiging (Betriebsvertretungsrecht) of de sociale verzekering van burgerwerkkrachten van een krijgsmacht of een civiele dienst en op geschillen welke voortvloeien uit de rechtsgedingen, bedoeld in artikel 62, eerste lid, onder c.
De nadere regeling van deze samenwerking wordt vastgelegd in administratieve overeenkomsten.
Voorzover de in het eerste lid bedoelde administratieve overeenkomsten betrekking hebben op rechtsgedingen tegen de Bondsrepubliek, zijn zij op de volgende beginselen gebaseerd:
- a). De autoriteiten van de krijgsmacht of van de civiele dienst worden onverwijld in kennis gesteld van de indiening van een eis en worden in alle essentiële stadia van de procedure geraadpleegd.
- b). De beslissing inzake het al dan niet instellen van beroep wordt slechts genomen in overeenstemming met de autoriteiten van de krijgsmacht of van de civiele dienst. Bij gebreke van overeenstemming tekenen de Duitse autoriteiten beroep aan indien een autoriteit van de krijgsmacht of - in voorkomend geval - van de civiele dienst, op het hoogste niveau verklaart, dat zij dit van essentieel belang acht. De autoriteiten van de krijgsmacht of van de civiele dienst maken geen bezwaar tegen het instellen van beroep, indien een autoriteit van de Bondsrepubliek op het hoogste niveau verklaart dat dit voor haar van essentieel belang is. Voorzover de motieven welke ten grondslag liggen aan de verklaring omtrent het belang als bedoeld in de eerste en tweede volzin van dit punt in de loop van de onderhandelingen terzake van het instellen van beroep niet aan de andere partij bekend zijn geworden, worden ze op verzoek medegedeeld.
Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op rechtsgedingen welke door de Bondsrepubliek aanhangig gemaakt worden, met dien verstande dat de beginselen, vervat in het tweede lid, onder b van toepassing zijn op de indiening van een eis.
Onafhankelijk van de vraag of ter zake van de geschillen als bedoeld in het eerste lid rechtsgedingen aanhangig zijn, beëindigen de Duitse autoriteiten dergelijke geschillen slechts in overeenstemming met de autoriteiten van de krijgsmacht of van de civiele dienst.
- a). De betrokken staat van herkomst neemt alle verplichtingen op zich en geniet alle voorrechten die op de Bondsrepubliek rusten, onderscheidenlijk aan de Bondsrepubliek toevallen krachtens in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraken (vollstreckbare Titel) gedaan in rechtsgedingen ter zake van geschillen als bedoeld in het eerste lid.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)