Vredesverdrag met Japan

Type Verdrag
Publication 1952-06-17
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Aangezien de Geallieerde Mogendheden en Japan besloten zijn, dat hun betrekkingen voortaan die zullen zijn van naties, welke als souvereine en gelijkgerechtigde mogendheden vriendschappelijk samenwerken om hun gemeenschappelijk welzijn te bevorderen en de internationale vrede en veiligheid te handhaven, en daarom verlangend zijn een Vredesverdrag te sluiten ter regeling van vraagstukken, welke nog steeds onopgelost zijn ten gevolge van de tussen hen bestaande staat van oorlog;

Aangezien Japan van zijn kant het voornemen kenbaar maakt een verzoek te zullen indienen om te worden toegelaten als lid van de Verenigde Naties en onder alle omstandigheden te zullen handelen in overeenstemming met de grondbeginselen van het Handvest van de Verenigde Naties; er naar te zullen streven de doelstellingen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens te verwezenlijken; te zullen trachten binnen Japan toestanden van duurzaamheid en welzijn te scheppen als omschreven in de Artikelen 55 en 56 van het Handvest van de Verenigde Naties, waarmede de Japanse wetgeving na de overgave reeds een aanvang heeft gemaakt; en om zich zowel in de particuliere handel, als de handel van overheidswege, te houden aan internationaal aanvaarde eerlijke gebruiken;

Aangezien de Geallieerde Mogendheden de in de voorgaande alinea vermelde voornemens van Japan toejuichen;

Hebben de Geallieerde Mogendheden en Japan derhalve besloten dit Vredesverdrag te sluiten en hebben dienovereenkomstig de ondergetekende gevolmachtigden aangewezen, die, na overlegging van hun volmachten, in juiste en behoorlijke vorm bevonden, overeenstemming hebben bereikt over de volgende bepalingen:

HOOFDSTUK I. Vrede

Artikel 1

(a). De staat van oorlog tussen Japan en elk der Geallieerde Mogendheden wordt beëindigd met ingang van de datum, waarop dit Verdrag tussen Japan en de betrokken Geallieerde Mogendheid in werking treedt als bepaald in Artikel 23.

(b). De Geallieerde Mogendheden erkennen de volledige souvereiniteit van het Japanse volk over Japan en zijn territoriale wateren.

HOOFDSTUK II. Grondgebied

Artikel 2

(a). Japan erkent de onafhankelijkheid van Korea en doet afstand van alle rechten, titels en aanspraken op Korea, met inbegrip van de eilanden Quelpart, Port Hamilton en Dagelet.

(b). Japan doet afstand van alle rechten, titels en aanspraken op Formosa en de Pescadores.

(c). Japan doet afstand van alle rechten, titels en aanspraken op de Koerilen en op dat gedeelte van Sakhalin en de naburige eilanden, waarover Japan souvereiniteit verwierf krachtens het Verdrag van Portsmouth van 5 September 1905.

(d). Japan doet afstand van alle rechten, titels en aanspraken in verband met het Mandaatstelsel van de Volkenbond en aanvaardt de maatregelen van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 2 April 1947, waarbij het trustschapsstelsel wordt uitgebreid tot die eilanden in de Stille Oceaan, welke vroeger onder Japans mandaat stonden.

(e). Japan doet afstand van alle aanspraak op rechten, titels of belangen in verband met enig deel van het Zuidpool-gebied, hetzij dat deze worden ontleend aan de werkzaamheid van Japanse onderdanen, of anderszins.

(f). Japan doet afstand van alle rechten, titels en aanspraken op de Spratly Eilanden en de Paracel Eilanden.

Artikel 3

Japan zal instemmen met elk voorstel van de Verenigde Staten aan de Verenigde Naties om de volgende eilanden onder haar trustschapsstelsel te plaatsen met de Verenigde Staten als enige besturende autoriteit: Nansei Shoto ten Zuiden van 29° N.B. (met inbegrip van de Ryukyu Eilanden en de Daito Eilanden), Nanpo Shoto ten Zuiden van Sofu Gan (met inbegrip van de Bonin Eilanden, Rosario en de Vulkaan Eilanden) en Parece Vela en Marcus. In afwachting van de indiening van een dergelijk voorstel en de aanvaarding daarvan zullen de Verenigde Staten het recht hebben de gehele uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht uit te oefenen over het grondgebied en de bewoners van deze eilanden, met inbegrip van hun territoriale wateren.

Artikel 4

(a). Behoudens de bepalingen van lid (b ) van dit artikel zal de beschikking over eigendommen van Japan en van zijn onderdanen in de gebieden bedoeld in artikel 2, en hun aanspraken, met inbegrip van schulden, tegenover de autoriteiten, die momenteel die gebieden besturen, en de ingezetenen (met inbegrip van rechtspersonen) daarvan, en de beschikking in Japan over eigendommen van zodanige autoriteiten en ingezetenen, en van aanspraken, met inbegrip van schulden, van zodanige autoriteiten en ingezetenen tegenover Japan en zijn onderdanen, het onderwerp vormen van speciale regelingen tussen Japan en zodanige autoriteiten. De eigendommen van elk der Geallieerde Mogendheden of haar onderdanen in de gebieden bedoeld in artikel 2 zullen, voorzover dit nog niet is geschied, door de besturende autoriteiten worden teruggegeven in de toestand, waarin zij zich thans bevinden. (De uitdrukking onderdanen, wanneer ook gebruikt in dit Verdrag, omvat ook rechtspersonen).

(b). Japan erkent de geldigheid van de beschikkingsmaatregelen ten aanzien van eigendommen van Japan en Japanse onderdanen tot stand gekomen krachtens of overeenkomstig de richtlijnen van het Amerikaanse Militaire Bestuur in elk der gebieden bedoeld in de artikelen 2 en 3.

(c). Onderzeese kabels, welke aan Japan toebehoren en welke Japan verbinden met gebieden, waarover het Japanse bestuur is opgeheven krachtens dit Verdrag, zullen in twee gelijke helften worden verdeeld, waarbij Japan het Japanse eindpunt en de aan die zijde gelegen helft van de kabel behoudt, terwijl het afgescheiden gebied het overige stuk van de kabel en de daaraan verbonden eindinstallaties behoudt.

HOOFDSTUK III. Veiligheid

Artikel 5

(a). Japan aanvaardt de verplichtingen neergelegd in artikel 2 van het Handvest van de Verenigde Naties, en in het bijzonder de verplichtingen

(b). de Geallieerde Mogendheden bevestigen, dat zij zich in hun betrekkingen met Japan zullen laten leiden door de grondbeginselen van Artikel 2 van het Handvest van de Verenigde Naties.

(c). de Geallieerde Mogendheden erkennen van haar kant, dat Japan als souvereine natie het natuurlijke recht van individuele of collectieve zelfverdediging heeft als bedoeld in Artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties en dat Japan vrijwillig collectieve veiligheidsovereenkomsten mag maken.

Artikel 6

(a). Alle bezettingstroepen van de Geallieerde Mogendheden zullen zo spoedig mogelijk na het in werkingtreden van dit Verdrag uit Japan worden teruggetrokken, en in ieder geval niet later dan 90 dagen na die datum. Niets in deze bepaling zal echter verhinderen, dat buitenlandse troepen op Japans gebied worden gestationeerd of gehandhaafd blijven krachtens of tengevolge van enige bilaterale of multilaterale overeenkomst, welke is of kan worden gesloten tussen één of meer der Geallieerde Mogendheden ter ene zijde en Japan ter andere zijde.

(b). De bepalingen van Artikel 9 van de Proclamatie van Potsdam van 26 Juli 1945, betrekking hebbend op de terugkeer van Japanse strijdkrachten naar hun haardsteden, zullen ten uitvoer gelegd worden voor zover dit niet reeds is geschied.

(c). Alle Japanse eigendommen, waarvoor nog geen schadeloosstelling is betaald en die geleverd zijn om te worden gebruikt door de bezettingtroepen en die in het bezit van die troepen blijven ten tijde van de inwerkingtreding van dit Verdrag, zullen binnen diezelfde 90 dagen worden teruggegeven aan de Japanse Regering, tenzij met wederzijds goedvinden andere regelingen worden getroffen.

HOOFDSTUK IV. Politieke en economische bepalingen

Artikel 7

(a). Elk der Geallieerde Mogendheden zal binnen een jaar, nadat dit Verdrag tussen haar en Japan in werking is getreden, Japan ervan verwittigen, welke van de vooroorlogse bilaterale verdragen of overeenkomsten met Japan zij wenst te bestendigen of te doen herleven, en alle in zodanige verwittigingen genoemde verdragen of overeenkomsten zullen herleven of worden bestendigd onder voorbehoud van slechts die wijzigingen, welke noodzakelijk kunnen zijn om overeenstemming met dit verdrag te verzekeren. De verdragen en overeenkomsten, waarvan op deze wijze kennis is gegeven, zullen 3 maanden na de datum van kennisgeving beschouwd worden als bestendigd te zijn of herleefd en zullen geregistreerd worden bij het Secretariaat van de Verenigde Naties. Alle verdragen en overeenkomsten, waarvan aan Japan niet op zodanige wijze is kennisgegeven, zullen beschouwd worden als te zijn vervallen.

(b). Iedere kennisgeving, gedaan krachtens lid (a) van dit artikel, kan elk gebied voor welks internationale betrekkingen de kennisgevende mogendheid verantwoordelijk is van de werking of herleving van een verdrag of overeenkomst uitzonderen tot 3 maanden na de datum, waarop aan Japan kennis wordt gegeven, dat een dergelijke uitzondering zal ophouden van toepassing te zijn.

Artikel 8

(a). Japan zal de volledige geldigheid erkennen van alle verdragen nu of hierna gesloten door de Geallieerde Mogendheden met het doel de staat van oorlog, welke op 1 September 1939 begon, te doen eindigen, evenals van alle andere regelingen van de Geallieerde Mogendheden voor of in verband met het herstel van de vrede. Japan aanvaardt eveneens de regelingen getroffen voor het opheffen van de vroegere Volkenbond en het Permanente Hof van Internationale Justitie.

(b). Japan doet afstand van alle rechten en belangen, welke het zou kunnen baseren op het feit, dat het een der ondertekenende mogendheden was van de verdragen van Saint Germain-en-Laye van 10 September 1919, en de Overeenkomst van Montreux van 20 Juli 1936 nopens het zeeëngten regime, en op Artikel 16 van het Vredesverdrag met Turkije, getekend op 24 Juli 1923 te Lausanne.

(c). Japan doet afstand van alle rechten, titels en belangen verworven krachtens, en wordt ontslagen van alle verplichtingen voortvloeiende uit, de Overeenkomst tussen Duitsland en de Crediteurstaten van 20 Januari 1930, en de daarbij behorende Bijlagen, met inbegrip van de Trust-Overeenkomst, gedateerd 17 Mei 1930; het Verdrag van 20 Januari 1930 betreffende de Bank voor Internationale Betalingen; en de Statuten van de Bank voor Internationale Betalingen. Japan zal het Ministerie van Buitenlandse Zaken te Parijs binnen zes maanden na de datum, waarop dit Verdrag voor het eerst in werking treedt, kennis geven van zijn afstand van de rechten, titels en belangen bedoeld in dit lid.

Artikel 9

Japan zal met die Geallieerde Mogendheden, die zulks wensen, onverwijld onderhandelingen openen voor het sluiten van bilaterale en multilateriale overeenkomsten, welke voorzien in de regeling of beperking van de visserij en de instandhouding en ontwikkeling van de visserij in open zee.

Artikel 10

Japan doet afstand van alle bijzondere rechten en belangen in China, met inbegrip van alle voordelen en voorrechten voortvloeiende uit de bepalingen van het slot-protocol ondertekend op 7 September 1901 te Peking, en alle aanvullende bijlagen, nota's en documenten, en stemt toe in de intrekking, voor wat Japan betreft, van genoemd protocol, bijlagen, nota's en documenten.

Artikel 11

Japan aanvaardt de vonnissen van de Internationale Militaire Rechtbank voor het Verre Oosten en van andere Geallieerde Gerechtshoven ter berechting van oorlogsmisdaden, zowel in als buiten Japan, en zal de door genoemde instanties aan in Japan gevangen gehouden Japanse onderdanen opgelegde vonnissen ten uitvoer leggen. Het recht om gratie te verlenen, vonnissen te verzachten en zulke gevangenen voorwaardelijk in vrijheid te stellen, mag niet worden uitgeoefend dan krachtens een beslissing van de Regering of Regeringen, door welke het vonnis in elk afzonderlijk geval werd opgelegd, en op aanbeveling van Japan. Voor zover het personen betreft, die veroordeeld zijn door de Internationale Militaire Rechtbank voor het Verre Oosten, mag dat recht niet worden uitgeoefend dan krachtens een beslissing van de meerderheid van de Regeringen, vertegenwoordigd in die Rechtbank, en op aanbeveling van Japan.

Artikel 12

(a). Japan verklaart zich bereid onverwijld onderhandelingen te openen, teneinde met elk der Geallieerde Mogendheden verdragen of overeenkomsten te sluiten om hun handels-, maritieme en andere commerciële betrekkingen op een duurzame en vriendschappelijke basis te grondvesten.

(b). In afwachting van de sluiting van het betreffende verdrag of de betreffende overeenkomst zal Japan gedurende een periode van vier jaar vanaf de datum, waarop dit Verdrag voor het eerst in werking treedt

(c). Met betrekking tot elke aangelegenheid zal Japan echter slechts verplicht zijn een Geallieerde Mogendheid in die mate nationale behandeling of een behandeling van meestbegunstigde natie te verlenen, als de betrokken Geallieerde Mogendheid nationale behandeling of behandeling van de meestbegunstigde natie, al naar het geval zich voordoet, met betrekking tot diezelfde aangelegenheid aan Japan verleent. De wederkerigheid bedoeld in de voorgaande zin zal worden bepaald, in het geval van goederen, schepen en rechtspersonen van, en personen woonachtig in, enig niet tot het moederland behorend grondgebied van een Geallieerde Mogendheid, en in het geval van rechtspersonen van, en personen woonachtig in, enige staat of provincie van een Geallieerde Mogendheid, welke een bondsregering heeft, door de behandeling, welke Japan ten deel valt in zulk een gebied, staat of provincie.

(d). Bij de toepassing van dit artikel zal een discriminerende maatregel niet beschouwd worden als een afwijking van het toekennen van nationale behandeling of behandeling van meestbegunstigde natie, al naar het geval zich voordoet, indien zulk een maatregel gebaseerd is op een uitzondering, welke gewoonlijk wordt opgenomen in de handelsverdragen van de partij, die een dergelijke maatregel toepast, of op de noodzakelijkheid om de buitenlandse financiële toestand of betalingsbalans (uitgezonderd wat betreft schepen en navigatie) van die partij te beschermen, of op de noodzakelijkheid om haar wezenlijke veiligheidsbelangen te handhaven, en onder voorbehoud, dat een dergelijke maatregel in overeenstemming is met de omstandigheden en niet wordt toegepast op een willekeurige of onredelijke wijze.

(e). Japans verplichtingen krachtens dit Artikel zullen niet worden aangetast door het uitoefenen van enig Geallieerd recht krachtens Artikel 14 van dit Verdrag; evenmin zullen de bepalingen van dit Artikel beschouwd worden als een beperking te vormen van de verplichtingen, welke Japan krachtens Artikel 15 van dit Verdrag op zich neemt.

Artikel 13

(a). Japan zal met elk der Geallieerde Mogendheden, zodra één of meer van deze Mogendheden daartoe een verzoek doen, onverwijld onderhandelingen openen tot het sluiten van bilaterale of multilaterale overeenkomsten betreffende het internationale burgerlijke luchtvervoer.

(b). In afwachting van het sluiten van een dergelijke overeenkomst of dergelijke overeenkomsten zal Japan, gedurende een periode van vier jaar te rekenen vanaf de datum, waarop dit Verdag voor het eerst in werking treedt, een zodanige Mogendheid geen ongunstiger behandeling ten deel doen vallen met betrekking tot luchtverkeersrechten en -voorrechten dan die, welke worden uitgeoefend door één van die Mogendheden op de datum van bedoelde inwerkingtreding, en met betrekking tot de exploitatie en ontwikkeling van luchtlijnen aan iedereen volkomen gelijke gelegenheid bieden.

(c). In afwachting van het ogenblik, waarop Japan partij wordt bij het Verdrag inzake de Internationale Burgerlijke Luchtvaart in overeenstemming met Artikel 93 van dat Verdrag, zal Japan de bepalingen van dat Verdrag uitvoeren voorzover zij betrekking hebben op de internationale navigatie van vliegtuigen, en de normen, practijken en procedures, aanvaard als bijlagen bij het Verdrag, ten uitvoer leggen in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag.

HOOFDSTUK V. Aanspraken en eigendom

Artikel 14

(a). Erkend wordt, dat Japan herstelbetalingen behoort te verrichten aan de Geallieerde Mogendheden voor de schade en het leed, dat het gedurende de oorlog heeft veroorzaakt. Niettemin wordt eveneens erkend, dat de middelen van Japan momenteel niet toereikend zijn om, indien het een levensvatbare economie wil handhaven, volledige herstelbetaling te verrichten voor alle zodanige schade en leed, en tegelijkertijd zijn andere verplichtingen na te komen.

Daarom

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.