Verdrag inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden

Type Verdrag
Publication 2007-11-23
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De staten die dit Verdrag hebben ondertekend,

Geleid door de wens de samenwerking tussen staten ten behoeve van de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden te verbeteren,

Zich bewust van de noodzaak van resultaatgerichte procedures die toegankelijk, snel, efficiënt, kosteneffectief en rechtvaardig zijn en tegemoetkomen aan de behoeften,

Geleid door de wens voort te bouwen op de sterke punten van bestaande Haagse verdragen en andere internationale instrumenten, met name het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud van 20 juni 1956,

Ernaar strevend gebruik te maken van de technologische vooruitgang en een flexibel systeem te creëren dat verder kan worden ontwikkeld naarmate de behoeften veranderen en kan worden aangepast aan verdere ontwikkelingen op technologisch gebied die nieuwe mogelijkheden creëren,

Eraan herinnerend dat op grond van de artikelen 3 en 27 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 20 november 1989,

bij alle maatregelen betreffende kinderen het belang van het kind een eerste overweging vormt,

elk kind recht heeft op een levensstandaard die toereikend is voor zijn lichamelijke, geestelijke, intellectuele, morele en maatschappelijke ontwikkeling,

de ouder(s) of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, de primaire verantwoordelijkheid hebben voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind, en

de staten die partij zijn alle passende maatregelen nemen, met inbegrip van het sluiten van internationale overeenkomsten, om de inning te waarborgen van het levensonderhoud van het kind bij de ouder(s) of andere personen die de verantwoordelijkheid voor het kind dragen, met name wanneer deze personen in een andere staat wonen dan het kind,

Hebben besloten dit Verdrag te sluiten en hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen:

HOOFDSTUK I. DOELSTELLING, TOEPASSINGSGEBIED EN BEGRIPSOMSCHIJVINGEN

Artikel 1. Doelstelling

Doelstelling van dit Verdrag is de effectieve internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden te waarborgen, in het bijzonder door:

Artikel 2. Toepassingsgebied
1.

Dit Verdrag is van toepassing op:

2.

Elke verdragsluitende staat kan zich in overeenstemming met artikel 62 het recht voorbehouden de toepassing van het Verdrag, wat het eerste lid, onderdeel a), betreft, te beperken tot personen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt. Een verdragsluitende staat die een dergelijk voorbehoud maakt, heeft niet het recht de toepassing te verlangen van het Verdrag op personen die vanwege hun leeftijd door zijn voorbehoud zijn uitgesloten.

3.

Elke verdragsluitende staat kan in overeenstemming met artikel 63 verklaren dat hij de toepassing van het gehele Verdrag of een deel ervan uitbreidt tot andere onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap, waaronder in het bijzonder verplichtingen jegens kwetsbare personen. Een dergelijke verklaring doet alleen verplichtingen ontstaan tussen twee verdragsluitende staten indien hun verklaringen betrekking hebben op dezelfde onderhoudsverplichtingen en dezelfde delen van het Verdrag.

4.

De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op kinderen ongeacht de burgerlijke staat van de ouders.

Artikel 3. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

HOOFDSTUK II. ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel 4. Aanwijzing van centrale autoriteiten
1.

Elke verdragsluitende staat wijst een centrale autoriteit aan die is belast met de haar door dit Verdrag oplegde taken.

2.

Federale staten, staten met meer dan één rechtsstelsel of staten die autonome territoriale eenheden omvatten, staat het vrij meer dan één centrale autoriteit aan te wijzen, en de territoriale of personele reikwijdte van hun taken aan te geven. Een staat die meer dan één centrale autoriteit heeft aangewezen, wijst de centrale autoriteit aan waaraan alle mededelingen kunnen worden gericht met het oog op doorgeleiding daarvan aan de bevoegde centrale autoriteit binnen deze staat.

3.

De verdragsluitende staat stelt het Permanent Bureau van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht in kennis van de aanwijzing van de centrale autoriteit of centrale autoriteiten, hun contactgegevens en, indien van toepassing, de reikwijdte van hun taken zoals omschreven in het tweede lid, op het tijdstip waarop de akte van bekrachtiging of toetreding wordt nedergelegd of wanneer een verklaring in overeenstemming met artikel 61 wordt afgelegd. De verdragsluitende staten stellen het Permanent Bureau onverwijld in kennis van eventuele wijzigingen.

Artikel 5. Algemene taken van de centrale autoriteiten

De centrale autoriteiten:

Artikel 6. Specifieke taken van de centrale autoriteiten
1.

De centrale autoriteiten verlenen bijstand met betrekking tot verzoeken in de zin van hoofdstuk III. In het bijzonder door:

2.

Met betrekking tot deze verzoeken nemen zij alle passende maatregelen om:

3.

De taken van de centrale autoriteit krachtens dit artikel kunnen, voor zover het recht van de betrokken staat dit toestaat, worden uitgeoefend door overheidslichamen of andere lichamen die onder toezicht staan van de bevoegde autoriteiten van die staat. De verdragsluitende staat stelt het Permanent Bureau van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht in kennis van de aanwijzing van dergelijke overheidslichamen of andere lichamen, van hun contactgevens alsmede van de reikwijdte van hun taken. De verdragsluitende staten stellen het Permanent Bureau onverwijld in kennis van eventuele wijzigingen.

4.

Niets in dit artikel of in artikel 7 mag aldus worden uitgelegd, dat een centrale autoriteit de verplichting wordt opgelegd bevoegdheden uit te oefenen die krachtens het recht van de aangezochte staat slechts door gerechtelijke autoriteiten kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 7. Verzoeken om specifieke maatregelen
1.

Indien geen verzoek op grond van artikel 10 aanhangig is, kan een centrale autoriteit aan een andere centrale autoriteit een met redenen omkleed verzoek richten om passende specifieke maatregelen te treffen in de zin van artikel 6, tweede lid, onderdeel b), c), g), h), i) en j). De aangezochte centrale autoriteit treft passende maatregelen indien zij deze noodzakelijk acht om een mogelijke verzoeker bij te staan bij het indienen van een in artikel 10 bedoeld verzoek of bij het bepalen of een dergelijk verzoek moet worden ingediend.

2.

Een centrale autoriteit kan op verzoek van een andere centrale autoriteit tevens specifieke maatregelen treffen in verband met een in de verzoekende staat aanhangige zaak met een internationaal aspect die betrekking heeft op de inning van levensonderhoud.

Artikel 8. Kosten van de centrale autoriteit
1.

Elke centrale autoriteit draagt haar eigen kosten voor de toepassing van dit Verdrag.

2.

Centrale autoriteiten mogen de verzoeker voor de krachtens dit Verdrag verleende diensten geen kosten in rekening brengen, afgezien van uitzonderlijke kosten die voortvloeien uit een verzoek om specifieke maatregelen in de zin van artikel 7.

3.

De aangezochte centrale autoriteit mag zich de kosten van de in het tweede lid bedoelde dientsverlening niet doen vergoeden zonder dat de verzoeker heeft ingestemd met die dienstverlening tegen zodanige kosten.

HOOFDSTUK III. VERZOEKEN VIA CENTRALE AUTORITEITEN

Artikel 9. Verzoek via centrale autoriteiten

Een verzoek in de zin van dit hoofdstuk wordt via de centrale autoriteit van de verdragsluitende staat waar de verzoeker verblijft, ingediend bij de centrale autoriteit van de aangezochte staat. Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder verblijf niet de enkele aanwezigheid verstaan.

Artikel 10. Beschikbare verzoeken
1.

Een onderhoudsgerechtigde die op grond van dit Verdrag levensonderhoud wil innen, kan in een verzoekende staat de volgende soorten verzoeken indienen:

2.

Een onderhoudsplichtige tegen wie een beslissing inzake levensonderhoud is gegeven, kan in een verzoekende staat de volgende soorten verzoeken indienen:

3.

Tenzij anders is bepaald in dit Verdrag, worden de in het eerste en tweede lid bedoelde verzoeken behandeld overeenkomstig het recht van de aangezochte staat en worden de in het eerste lid, onderdeel c) tot en met f), en tweede lid, onderdeel b) en c), bedoelde verzoeken onderworpen aan de bevoegdheidsregels die van toepassing zijn in de aangezochte staat.

Artikel 11. Inhoud van het verzoek
1.

Alle verzoeken in de zin van artikel 10 bevatten ten minste:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.