Verdrag inzake de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed

Type Verdrag
Publication 2012-08-15
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Algemene Conferentie van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, hierna aangeduid als UNESCO, bijeengekomen te Parijs van 29 september tot en met 17 oktober 2003 tijdens haar tweeëndertigste zitting,

Verwijzend naar bestaande internationale instrumenten inzake mensenrechten, met name de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten uit 1966 en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten uit 1966,

Overwegend het belang van het immaterieel cultureel erfgoed als drijvende kracht achter culturele diversiteit en als waarborg voor duurzame ontwikkeling, zoals benadrukt in de Aanbeveling inzake de bescherming van traditionele cultuur en folklore van UNESCO uit 1989, in de Universele Verklaring betreffende culturele diversiteit van UNESCO uit 2001 en in de Verklaring van Istanbul uit 2002, aangenomen door de Derde Rondetafel van ministers van Cultuur,

Overwegend de diepgewortelde onderlinge afhankelijkheid tussen immaterieel cultureel erfgoed en materieel en natuurlijk erfgoed,

Erkennend dat de processen van globalisering en sociale transformatie niet alleen de voorwaarden scheppen voor een hernieuwde dialoog tussen gemeenschappen, maar, net als het verschijnsel van intolerantie, ook leiden tot een ernstige dreiging van achteruitgang, verdwijning en vernietiging van het immaterieel cultureel erfgoed, met name als gevolg van een gebrek aan middelen om dergelijk erfgoed te beschermen,

Zich bewust van de algemene wil en de gemeenschappelijke zorg het immaterieel cultureel erfgoed van de mensheid te beschermen,

Erkennend dat gemeenschappen, met name inheemse gemeenschappen, groepen en, in sommige gevallen individuen, een belangrijke rol spelen bij het produceren, beschermen, onderhouden en opnieuw creëren van immaterieel cultureel erfgoed, en aldus bijdragen aan de verrijking van de culturele diversiteit en menselijke creativiteit,

Gelet op de verreikende effecten van de activiteiten van UNESCO bij het vaststellen van normatieve instrumenten voor de bescherming van het cultureel erfgoed, met name de Overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld uit 1972,

Voorts gelet op het feit dat er tot op heden geen bindend multilateraal instrument bestaat voor de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed,

Overwegend dat bestaande internationale overeenkomsten, aanbevelingen en resoluties inzake het cultureel en natuurlijk erfgoed op doeltreffende wijze dienen te worden verrijkt en aangevuld door middel van nieuwe bepalingen die betrekking hebben op het immaterieel cultureel erfgoed,

Overwegend de noodzaak meer bewustzijn te kweken, met name onder de jongere generaties, van het belang van het immaterieel cultureel erfgoed en de bescherming ervan,

Overwegend dat de internationale gemeenschap, samen met de staten die partij zijn bij dit Verdrag, dient bij te dragen aan de bescherming van dit erfgoed in een geest van samenwerking en wederzijdse bijstand,

Herinnerendaan de UNESCO-programma’s die betrekking hebben op het immaterieel cultureel erfgoed, met name de Proclamatie van meesterwerken van het oraal en immaterieel erfgoed van de mensheid,

Overwegend de onschatbare rol van het immaterieel cultureel erfgoed als een factor die mensen bindt en uitwisseling en begrip tussen hen waarborgt,

Neemt dit Verdrag aan op 17 oktober 2003.

I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Doelstellingen van het Verdrag

De doelstellingen van dit Verdrag zijn:

Artikel 2. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag:

Artikel 3. Verhouding tot andere internationale instrumenten

Niets in dit Verdrag mag zodanig worden uitgelegd dat:

II. ORGANEN VAN HET VERDRAG

Artikel 4. Algemene Vergadering van de staten die partij zijn
1.

Een Algemene Vergadering van de staten die partij zijn, hierna te noemen „de Algemene Vergadering”, wordt hierbij opgericht. De Algemene Vergadering is het hoogste orgaan van dit Verdrag.

2.

De Algemene Vergadering komt eens in de twee jaar in gewone zitting bijeen. Zij kan in buitengewone zitting bijeenkomen indien zij daartoe besluit, of indien het Intergouvernementele Comité voor de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed of ten minste een derde van de staten die partij zijn, daarom verzoekt.

3.

De Algemene Vergadering stelt haar eigen reglement van orde vast.

Artikel 5. Intergouvernementeel Comité voor de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed
1.

Een Intergouvernementeel Comité voor de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed, hierna te noemen „het Comité”, wordt hierbij binnen UNESCO opgericht.

Het Comité is samengesteld uit afgevaardigden van 18 staten die partij zijn, die gekozen worden door de staten die partij zijn in de Algemene Vergadering, zodra dit Verdrag in werking treedt in overeenstemming met artikel 34.

2.

Het aantal staten dat lid is van het Comité wordt tot 24 uitgebreid zodra 50 staten partij bij het Verdrag zijn geworden.

Artikel 6. Verkiezing en zittingstermijn van de staten die lid zijn van het Comité
1.

De verkiezing van de staten die lid zijn van het Comité dient te geschieden op basis van de beginselen van een billijke geografische spreiding en roulatie.

2.

De staten die lid zijn van het Comité worden gekozen voor een termijn van vier jaar door de staten die partij zijn bij het Verdrag wanneer zij bijeenkomen in de Algemene Vergadering.

3.

De zittingstermijn van de helft van de tijdens de eerste verkiezing gekozen staten die lid zijn van het Comité is evenwel beperkt tot twee jaar. Deze staten worden tijdens de eerste verkiezing door middel van loting aangewezen.

4.

Om de twee jaar gaat de Algemene Vergadering over tot vervanging van de helft van de staten die lid zijn van het Comité.

5.

De Algemene Vergadering kiest tevens het benodigde aantal staten om vacatures in het Comité te vervullen.

6.

Een staat die lid is van het Comité kan niet voor twee achtereenvolgende termijnen worden gekozen.

7.

De staten die lid zijn van het Comité kiezen als hun vertegenwoordigers personen die gekwalificeerd zijn op de diverse terreinen die tot het immaterieel cultureel erfgoed behoren.

Artikel 7. Taken van het Comité

Onverminderd de overige bevoegdheden waarmee het uit hoofde van dit Verdrag is bekleed, heeft het Comité de volgende taken:

Artikel 8. Werkmethoden van het Comité
1.

Het Comité legt verantwoording af aan de Algemene Vergadering. Het Comité brengt de Algemene Vergadering verslag uit van al zijn activiteiten en besluiten.

2.

Het Comité stelt zijn eigen reglement van orde vast met een twee derde meerderheid van zijn leden.

3.

Het Comité kan, op tijdelijke basis, elk ad hoc-adviesorgaan instellen dat het nodig acht om zijn taak te vervullen.

4.

Het Comité kan elke publieke of private instelling en elke natuurlijke persoon met erkende deskundigheid op de diverse terreinen die tot het immaterieel cultureel erfgoed behoren, voor zijn vergaderingen uitnodigen om hen te raadplegen over specifieke aangelegenheden.

Artikel 9. Accreditatie van adviesorganen
1.

Het Comité legt de accreditatie van niet-gouvernementele organisaties met erkende deskundigheid op het gebied van het immaterieel cultureel erfgoed voor aan de Algemene Vergadering. Deze organisaties zullen het Comité van adviezen voorzien.

2.

Het Comité legt tevens de criteria en bepalingen voor een dergelijke accreditatie voor aan de Algemene Vergadering.

Artikel 10. Het secretariaat
1.

Het Comité wordt bijgestaan door het UNESCO-secretariaat.

2.

Het secretariaat bereidt de documentatie van de Algemene Vergadering en van het Comité voor, alsmede de ontwerpagenda voor hun vergaderingen, en draagt zorg voor de uitvoering van hun besluiten.

III. BESCHERMING VAN HET IMMATERIEEL CULTUREEL ERFGOED OP NATIONAAL NIVEAU

Artikel 11. Rol van de staten die partij zijn

Elke staat die partij is:

Artikel 12. Inventarissen
1.

Om de identificatie ten behoeve van bescherming te waarborgen, maakt elke staat die partij is, op een wijze die afgestemd is op zijn eigen situatie, een of meer inventarissen van het op zijn grondgebied aanwezige immaterieel cultureel erfgoed. Deze inventarissen worden regelmatig bijgewerkt.

2.

In het verslag dat elke staat die partij is, periodiek bij het Comité indient, in overeenstemming met artikel 29, wordt relevante informatie over dergelijke inventarissen opgenomen.

Artikel 13. Overige maatregelen voor bescherming

Teneinde het op zijn grondgebied aanwezige immaterieel cultureel erfgoed te beschermen, te ontwikkelen en te promoten streeft elke staat die partij is ernaar:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.