Verdrag inzake de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed
De Algemene Conferentie van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, hierna aangeduid als UNESCO, bijeengekomen te Parijs van 29 september tot en met 17 oktober 2003 tijdens haar tweeëndertigste zitting,
Verwijzend naar bestaande internationale instrumenten inzake mensenrechten, met name de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten uit 1966 en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten uit 1966,
Overwegend het belang van het immaterieel cultureel erfgoed als drijvende kracht achter culturele diversiteit en als waarborg voor duurzame ontwikkeling, zoals benadrukt in de Aanbeveling inzake de bescherming van traditionele cultuur en folklore van UNESCO uit 1989, in de Universele Verklaring betreffende culturele diversiteit van UNESCO uit 2001 en in de Verklaring van Istanbul uit 2002, aangenomen door de Derde Rondetafel van ministers van Cultuur,
Overwegend de diepgewortelde onderlinge afhankelijkheid tussen immaterieel cultureel erfgoed en materieel en natuurlijk erfgoed,
Erkennend dat de processen van globalisering en sociale transformatie niet alleen de voorwaarden scheppen voor een hernieuwde dialoog tussen gemeenschappen, maar, net als het verschijnsel van intolerantie, ook leiden tot een ernstige dreiging van achteruitgang, verdwijning en vernietiging van het immaterieel cultureel erfgoed, met name als gevolg van een gebrek aan middelen om dergelijk erfgoed te beschermen,
Zich bewust van de algemene wil en de gemeenschappelijke zorg het immaterieel cultureel erfgoed van de mensheid te beschermen,
Erkennend dat gemeenschappen, met name inheemse gemeenschappen, groepen en, in sommige gevallen individuen, een belangrijke rol spelen bij het produceren, beschermen, onderhouden en opnieuw creëren van immaterieel cultureel erfgoed, en aldus bijdragen aan de verrijking van de culturele diversiteit en menselijke creativiteit,
Gelet op de verreikende effecten van de activiteiten van UNESCO bij het vaststellen van normatieve instrumenten voor de bescherming van het cultureel erfgoed, met name de Overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld uit 1972,
Voorts gelet op het feit dat er tot op heden geen bindend multilateraal instrument bestaat voor de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed,
Overwegend dat bestaande internationale overeenkomsten, aanbevelingen en resoluties inzake het cultureel en natuurlijk erfgoed op doeltreffende wijze dienen te worden verrijkt en aangevuld door middel van nieuwe bepalingen die betrekking hebben op het immaterieel cultureel erfgoed,
Overwegend de noodzaak meer bewustzijn te kweken, met name onder de jongere generaties, van het belang van het immaterieel cultureel erfgoed en de bescherming ervan,
Overwegend dat de internationale gemeenschap, samen met de staten die partij zijn bij dit Verdrag, dient bij te dragen aan de bescherming van dit erfgoed in een geest van samenwerking en wederzijdse bijstand,
Herinnerendaan de UNESCO-programma’s die betrekking hebben op het immaterieel cultureel erfgoed, met name de Proclamatie van meesterwerken van het oraal en immaterieel erfgoed van de mensheid,
Overwegend de onschatbare rol van het immaterieel cultureel erfgoed als een factor die mensen bindt en uitwisseling en begrip tussen hen waarborgt,
Neemt dit Verdrag aan op 17 oktober 2003.
I. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Doelstellingen van het Verdrag
De doelstellingen van dit Verdrag zijn:
- a. het beschermen van het immaterieel cultureel erfgoed;
- b. het waarborgen van respect voor het immaterieel cultureel erfgoed van de betrokken gemeenschappen, groepen en individuen;
- c. het op lokaal, nationaal en internationaal niveau verhogen van het bewustzijn van het belang van het immaterieel cultureel erfgoed en het waarborgen van de wederzijdse waardering ervan;
- d. het voorzien in internationale samenwerking en bijstand.
Artikel 2. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag:
-
- wordt verstaan onder „immaterieel cultureel erfgoed” de praktijken, voorstellingen, uitdrukkingen, kennis, vaardigheden – met inbegrip van de bijbehorende instrumenten, voorwerpen, artefacten en culturele ruimtes – die gemeenschappen, groepen en, in sommige gevallen, individuen erkennen als deel van hun cultureel erfgoed. Dit immaterieel cultureel erfgoed, dat van generatie op generatie wordt overgedragen, wordt voortdurend opnieuw gecreëerd door gemeenschappen en groepen in reactie op hun omgeving, hun interactie met de natuur en hun geschiedenis en geeft hun een gevoel van identiteit en continuïteit; hierdoor wordt het respect voor culturele diversiteit en menselijke creativiteit bevorderd. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt uitsluitend immaterieel cultureel erfgoed in aanmerking genomen dat verenigbaar is met bestaande internationale instrumenten op het gebied van mensenrechten en met de vereisten van wederzijds respect tussen gemeenschappen, groepen en individuen alsmede van duurzame ontwikkeling.
-
- manifesteert het „immaterieel cultureel erfgoed” zoals omschreven in het eerste lid van dit artikel, zich onder andere op de volgende gebieden:
- a. orale tradities en uitdrukkingen, met inbegrip van taal als middel om immaterieel cultureel erfgoed over te brengen;
- b. uitvoerende kunsten;
- c. sociale praktijken, rituelen en feestelijke gebeurtenissen;
- d. kennis en praktijken betreffende de natuur en het universum;
- e. traditionele ambachten.
-
- wordt verstaan onder „bescherming” het nemen van maatregelen gericht op het waarborgen van de levensvatbaarheid van het immaterieel cultureel erfgoed, met inbegrip van identificatie, documentatie, onderzoek, behoud, bescherming, bevordering, versterking, overdracht, met name door formeel en niet-formeel onderwijs, alsmede het revitaliseren van de diverse aspecten van dit erfgoed;
-
- wordt verstaan onder „staten die partij zijn” de staten die door dit Verdrag gebonden zijn en waar dit Verdrag van kracht is.
-
- Dit Verdrag is van overeenkomstige toepassing op de in artikel 33 bedoelde gebieden die partij bij dit Verdrag worden in overeenstemming met de in dat artikel vervatte voorwaarden. De uitdrukking „staten die partij zijn” heeft in zoverre ook betrekking op dergelijke gebieden.
Artikel 3. Verhouding tot andere internationale instrumenten
Niets in dit Verdrag mag zodanig worden uitgelegd dat:
- a. de status of het beschermingsniveau van goederen, die tot het werelderfgoed behoren uit hoofde van de Overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van 1972 en waarmee een onderdeel van het immaterieel cultureel erfgoed direct in verband wordt gebracht, wordt veranderd of verlaagd; of
- b. afbreuk wordt gedaan aan de rechten en verplichtingen van de staten die partij zijn, voortvloeiend uit internationale instrumenten, die betrekking hebben op intellectuele-eigendomsrechten of het gebruik van biologische of ecologische bronnen, waarbij zij partij zijn.
II. ORGANEN VAN HET VERDRAG
Artikel 4. Algemene Vergadering van de staten die partij zijn
Een Algemene Vergadering van de staten die partij zijn, hierna te noemen „de Algemene Vergadering”, wordt hierbij opgericht. De Algemene Vergadering is het hoogste orgaan van dit Verdrag.
De Algemene Vergadering komt eens in de twee jaar in gewone zitting bijeen. Zij kan in buitengewone zitting bijeenkomen indien zij daartoe besluit, of indien het Intergouvernementele Comité voor de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed of ten minste een derde van de staten die partij zijn, daarom verzoekt.
De Algemene Vergadering stelt haar eigen reglement van orde vast.
Artikel 5. Intergouvernementeel Comité voor de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed
Een Intergouvernementeel Comité voor de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed, hierna te noemen „het Comité”, wordt hierbij binnen UNESCO opgericht.
Het Comité is samengesteld uit afgevaardigden van 18 staten die partij zijn, die gekozen worden door de staten die partij zijn in de Algemene Vergadering, zodra dit Verdrag in werking treedt in overeenstemming met artikel 34.
Het aantal staten dat lid is van het Comité wordt tot 24 uitgebreid zodra 50 staten partij bij het Verdrag zijn geworden.
Artikel 6. Verkiezing en zittingstermijn van de staten die lid zijn van het Comité
De verkiezing van de staten die lid zijn van het Comité dient te geschieden op basis van de beginselen van een billijke geografische spreiding en roulatie.
De staten die lid zijn van het Comité worden gekozen voor een termijn van vier jaar door de staten die partij zijn bij het Verdrag wanneer zij bijeenkomen in de Algemene Vergadering.
De zittingstermijn van de helft van de tijdens de eerste verkiezing gekozen staten die lid zijn van het Comité is evenwel beperkt tot twee jaar. Deze staten worden tijdens de eerste verkiezing door middel van loting aangewezen.
Om de twee jaar gaat de Algemene Vergadering over tot vervanging van de helft van de staten die lid zijn van het Comité.
De Algemene Vergadering kiest tevens het benodigde aantal staten om vacatures in het Comité te vervullen.
Een staat die lid is van het Comité kan niet voor twee achtereenvolgende termijnen worden gekozen.
De staten die lid zijn van het Comité kiezen als hun vertegenwoordigers personen die gekwalificeerd zijn op de diverse terreinen die tot het immaterieel cultureel erfgoed behoren.
Artikel 7. Taken van het Comité
Onverminderd de overige bevoegdheden waarmee het uit hoofde van dit Verdrag is bekleed, heeft het Comité de volgende taken:
- a. het stimuleren van de doelstellingen van het Verdrag en het stimuleren en monitoren van de uitvoering ervan;
- b. het geven van richtsnoeren over voorbeeldpraktijken en het doen van aanbevelingen inzake maatregelen voor de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed;
- c. het opstellen en ter goedkeuring aan de Algemene Vergadering voorleggen van een ontwerpplan voor de inzet van de middelen van het Fonds in overeenstemming met artikel 25;
- d. het zoeken naar manieren om zijn middelen te vergroten en hiertoe de nodige maatregelen nemen in overeenstemming met artikel 25;
- e. het opstellen en ter goedkeuring aan de Algemene Vergadering voorleggen van operationele richtlijnen voor de uitvoering van dit Verdrag;
- f. het bestuderen, in overeenstemming met artikel 29, van de verslagen die zijn ingediend door de staten die partij zijn en deze ten behoeve van de Algemene Vergadering samenvatten;
- g. het onderzoeken van door de staten die partij zijn ingediende verzoeken en hierover een besluit nemen, in overeenstemming met door het Comité vast te stellen en door de Algemene Vergadering goed te keuren objectieve selectiecriteria voor:
- i. opname in de lijsten en voorstellen die in de artikelen 16, 17 en 18 worden genoemd;
- ii. het toekennen van internationale bijstand in overeenstemming met artikel 22.
Artikel 8. Werkmethoden van het Comité
Het Comité legt verantwoording af aan de Algemene Vergadering. Het Comité brengt de Algemene Vergadering verslag uit van al zijn activiteiten en besluiten.
Het Comité stelt zijn eigen reglement van orde vast met een twee derde meerderheid van zijn leden.
Het Comité kan, op tijdelijke basis, elk ad hoc-adviesorgaan instellen dat het nodig acht om zijn taak te vervullen.
Het Comité kan elke publieke of private instelling en elke natuurlijke persoon met erkende deskundigheid op de diverse terreinen die tot het immaterieel cultureel erfgoed behoren, voor zijn vergaderingen uitnodigen om hen te raadplegen over specifieke aangelegenheden.
Artikel 9. Accreditatie van adviesorganen
Het Comité legt de accreditatie van niet-gouvernementele organisaties met erkende deskundigheid op het gebied van het immaterieel cultureel erfgoed voor aan de Algemene Vergadering. Deze organisaties zullen het Comité van adviezen voorzien.
Het Comité legt tevens de criteria en bepalingen voor een dergelijke accreditatie voor aan de Algemene Vergadering.
Artikel 10. Het secretariaat
Het Comité wordt bijgestaan door het UNESCO-secretariaat.
Het secretariaat bereidt de documentatie van de Algemene Vergadering en van het Comité voor, alsmede de ontwerpagenda voor hun vergaderingen, en draagt zorg voor de uitvoering van hun besluiten.
III. BESCHERMING VAN HET IMMATERIEEL CULTUREEL ERFGOED OP NATIONAAL NIVEAU
Artikel 11. Rol van de staten die partij zijn
Elke staat die partij is:
- a. neemt de maatregelen die nodig zijn om de bescherming te waarborgen van het immaterieel cultureel erfgoed dat op zijn grondgebied aanwezig is;
- b. identificeert en definieert, als een van de in artikel 2, derde lid, bedoelde maatregelen inzake bescherming, de verschillende elementen van het op zijn grondgebied aanwezige immaterieel cultureel erfgoed, met de medewerking van gemeenschappen, groepen en relevante niet-gouvernementele organisaties.
Artikel 12. Inventarissen
Om de identificatie ten behoeve van bescherming te waarborgen, maakt elke staat die partij is, op een wijze die afgestemd is op zijn eigen situatie, een of meer inventarissen van het op zijn grondgebied aanwezige immaterieel cultureel erfgoed. Deze inventarissen worden regelmatig bijgewerkt.
In het verslag dat elke staat die partij is, periodiek bij het Comité indient, in overeenstemming met artikel 29, wordt relevante informatie over dergelijke inventarissen opgenomen.
Artikel 13. Overige maatregelen voor bescherming
Teneinde het op zijn grondgebied aanwezige immaterieel cultureel erfgoed te beschermen, te ontwikkelen en te promoten streeft elke staat die partij is ernaar:
- a. algemeen beleid aan te nemen dat gericht is op het bevorderen van de functie van het immaterieel cultureel erfgoed in de maatschappij en op het integreren van de bescherming van dergelijk erfgoed in planningsprogramma’s;
- b. een of meer bevoegde organen aan te wijzen of in te stellen voor de bescherming van het op zijn grondgebied aanwezige immaterieel cultureel erfgoed;
- c. wetenschappelijk, technisch en artistiek onderzoek alsmede onderzoeksmethodieken te bevorderen met het oog op doeltreffende bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed, met name het immaterieel cultureel erfgoed dat wordt bedreigd;
- d. passende wettelijke, technische, administratieve en financiële maatregelen aan te nemen gericht op het:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.