Verdrag betreffende werk in de visserijsector
De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie,
Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen in haar zesennegentigste zitting op 30 mei 2007, en
Erkennend dat de globalisering grote gevolgen heeft voor de visserijsector, en
Gelet op de Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie inzake de fundamentele beginselen en rechten in verband met werk, 1998, en
Gelet op de fundamentele rechten vervat in de volgende internationale verdragen op het gebied van arbeid: het Verdrag betreffende de gedwongen of verplichte arbeid, 1930 (nr. 29), het Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht, 1948 (nr. 87), het Verdrag betreffende de toepassing van de beginselen van het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen, 1949 (nr. 98), Verdrag betreffende gelijke beloning, 1951 (nr. 100), het Verdrag betreffende afschaffing van gedwongen arbeid, 1957 (nr. 105), het Verdrag betreffende discriminatie in arbeid en beroep, 1958 (nr. 111), het Verdrag betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces, 1973 (nr. 138) en het Verdrag betreffende het verbod op en de onmiddellijke actie voor de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid, 1999 (nr. 182), en
Gelet op de desbetreffende instrumenten van de Internationale Arbeidsorganisatie, met name het Verdrag betreffende arbeidsveiligheid, gezondheid en het arbeidsmilieu (nr. 155) en Aanbeveling (nr. 164), 1981, en het Verdrag betreffende beroepsgezondheidsdiensten (nr. 161) en Aanbeveling (nr. 171), 1985, en
Voorts gelet op het Verdrag betreffende minimum-normen van sociale zekerheid, 1952 (nr. 102) en overwegend dat de bepalingen van artikel 77 van dat verdrag geen beletsel mogen vormen voor de bescherming van vissers door Leden op grond van socialezekerheidsstelsels, en
Erkennend dat de Internationale Arbeidsorganisatie de visserij als een gevaarlijke beroepssector aanmerkt in vergelijking met andere beroepen, en
Voorts gelet op artikel 1, derde lid, van het Verdrag Identiteitsbewijzen Zeevarenden (herzien), 2003 (nr. 185), en
Tevens indachtig het kernmandaat van de Organisatie, dat bestaat uit het bevorderen van fatsoenlijke voorwaarden voor werk, en
Indachtig de noodzaak de rechten van vissers in dit verband te beschermen en te bevorderen, en
In herinnering roepend het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, 1982, en
De noodzaak in aanmerking nemend de volgende door de Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie aangenomen verdragen die in het bijzonder betrekking hebben op de visserijsector te herzien, namelijk het Verdrag betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot de tewerkstelling als visser, 1959 (nr. 112), het Verdrag betreffende het geneeskundig onderzoek van vissers, 1959 (nr. 113), het Verdrag betreffende de arbeidsovereenkomst van vissers, 1959 (nr. 114), het Verdrag betreffende de accommodatie aan boord van vissersschepen, 1966 (nr. 126), teneinde deze te actualiseren en meer van ’s werelds vissers te bereiken, in het bijzonder hen die aan boord van kleinere vaartuigen werken, en
Overwegend dat de doelstelling van dit Verdrag is te waarborgen dat er voor vissers fatsoenlijke voorwaarden voor werk gelden voor werk aan boord van vissersvaartuigen, gebaseerd op minimumeisen voor werk aan boord; voorwaarden voor het verrichten van werk; accommodatie en voeding; bescherming door arbeidsomstandighedenbeleid; medische zorg; en sociale zekerheid, en
Besloten hebbend tot het aannemen van bepaalde voorstellen met betrekking tot werk in de visserijsector, welk onderwerp als vierde punt op de agenda van de zitting voorkomt, en
Vastgesteld hebbend dat deze voorstellen de vorm dienen te krijgen van een internationaal verdrag;
Neemt heden, 14 juni 2007, het volgende verdrag aan, dat kan worden aangehaald als het Verdrag betreffende werk in de visserij, 2007.
DEEL I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN EN REIKWIJDTE
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
- a. „commerciële visserij”, alle visserijactiviteiten, met inbegrip van visserijactiviteiten op rivieren, meren of kanalen, met uitzondering van visserij voor direct levensonderhoud en recreatieve visserij;
- b. „bevoegde autoriteit”, de minister die, het ministerie dat of een andere autoriteit die bevoegd is voorschriften, reglementen of andere instructies met kracht van wet uit te vaardigen en te handhaven met betrekking tot het onderwerp van de desbetreffende bepaling;
- c. „overleg”, overleg tussen de bevoegde autoriteit en de representatieve organisaties van de betrokken werkgevers en werknemers en in het bijzonder de representatieve organisaties van scheepsbeheerders van vissersvaartuigen en vissers, waar deze bestaan;
- d. „scheepsbeheerder van een vissersvaartuig”, de eigenaar van het vissersvaartuig of een andere organisatie of persoon, zoals de manager, de agent of de rompbevrachter, die de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het vaartuig van de eigenaar heeft overgenomen en die, door het aanvaarden van die verantwoordelijkheid, ermee heeft ingestemd de taken en verantwoordelijkheden die in overeenstemming met het Verdrag aan scheepsbeheerders van vissersvaartuigen worden opgelegd, te aanvaarden ongeacht het feit of andere organisaties of personen bepaalde taken of verantwoordelijkheden namens de scheepsbeheerder van het vissersvaartuig vervullen;
- e. „visser”, eenieder die, in enige hoedanigheid, hetzij in dienst is genomen, hetzij op andere wijze is gecontracteerd, hetzij een beroep uitoefent aan boord van een vissersvaartuig, met inbegrip van personen die aan boord werkzaam zijn en daarvoor een aandeel in de besomming ontvangen, maar met uitzondering van loodsen, marinepersoneel, andere personen in vaste dienst van een overheid, aan de wal gestationeerde personen die aan boord van een vissersvaartuig werk verrichten en visserijwaarnemers;
- f. „overeenkomst tot het verrichten van werk door vissers”, een arbeidsovereenkomst of elke andere overeenkomst, op grond waarvan een visser aan boord van een vissersvaartuig werkt en die diens leef- en werkomstandigheden aan boord regelt;
- g. „vissersvaartuig of vaartuig”, elk schip of elke boot, ongeacht zijn aard en ongeacht de eigendomsvorm, dat of die wordt gebruikt of beoogd wordt voor gebruik bij de commerciële visserij;
- h. „brutotonnage”, de brutotonnage berekend in overeenstemming met de voorschriften inzake tonnagemetingen vervat in Bijlage I bij het Internationaal Verdrag betreffende de meting van schepen,1969, of elk instrument tot wijziging of vervanging van dat verdrag;
- i. „lengte” (L), 96% van de totale lengte op een waterlijn op 85% van de kleinste holte naar de mal gemeten vanaf de kiellijn, of de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot aan de hartlijn van de roerkoning op die waterlijn, indien deze laatste lengte groter is. Bij vaartuigen die met stuurlast zijn ontworpen, moet de waterlijn waarop deze lengte gemeten wordt evenwijdig aan de ontwerplastlijn worden genomen;
- j. „lengte over alles” (LOA), de afstand in een rechte lijn evenwijdig aan de ontwerplastlijn tussen het voorste punt van de boeg en het achterste punt van de achtersteven;
- k. „wervings- en arbeidsbemiddelingsdienst”, personen, bedrijven, instellingen, bureaus of andere organisaties in de publieke of private sector, die zich bezighouden met de werving van vissers namens scheepsbeheerders van vissersvaartuigen of de plaatsing van vissers bij scheepsbeheerders van vissersvaartuigen;
- l. „schipper”, de visser die het gezag voert over een vissersvaartuig.
Artikel 2. Reikwijdte
Tenzij hierin anders wordt bepaald, is dit Verdrag van toepassing op alle vissers en alle vissersvaartuigen die betrokken zijn bij commerciële visserijactiviteiten.
Indien twijfel bestaat omtrent de vraag of een vaartuig zich bezig houdt met commerciële visserij, beslist de bevoegde autoriteit na overleg.
Elk Lid kan de bescherming in dit Verdrag voorzien voor vissers werkzaam op vaartuigen met een lengte van 24 meter of meer na overleg geheel of gedeeltelijk uitbreiden tot vissers werkzaam op kleinere vaartuigen.
Artikel 3
Indien de toepassing van het Verdrag leidt tot wezenlijke problemen vanwege de specifieke voorwaarden waaronder werk van de vissers wordt verricht of de activiteiten van de desbetreffende vissersvaartuigen, kan een Lid na overleg de vereisten van dit Verdrag dan wel een of meer bepalingen daarvan uitsluiten:
- a. vissersvaartuigen betrokken bij visserijactiviteiten op rivieren, meren of kanalen;
- b. beperkte categorieën vissers of vissersvaartuigen.
In het geval van uitsluiting uit hoofde van het voorgaande lid en waar praktisch uitvoerbaar, treft de bevoegde autoriteit waar nodig maatregelen teneinde de vereisten uit hoofde van dit Verdrag geleidelijk uit te breiden tot de desbetreffende categorieën van vissers en vissersvaartuigen.
Elk Lid dat dit Verdrag bekrachtigt:
- a. zal in zijn eerste rapport over de toepassing van dit Verdrag dat wordt ingediend ingevolge artikel 22 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie:
- i. de categorieën vissers of vissersvaartuigen vermelden die ingevolge het eerste lid zijn uitgesloten;
- ii. de redenen voor deze uitsluitingen vermelden, evenals de onderscheiden posities van de representatieve organisaties van de betrokken werkgevers en werknemers en in het bijzonder de representatieve organisaties van scheepsbeheerders van vissersvaartuigen en vissers, waar deze bestaan; en
- iii. de maatregelen beschrijven die eventueel genomen zijn om de uitgesloten categorieën gelijkwaardige bescherming te bieden; en
- b. in volgende rapporten over de toepassing van het Verdrag de maatregelen beschrijven die eventueel zijn genomen in overeenstemming met het tweede lid.
Artikel 4
Indien een Lid niet onmiddellijk in staat is alle in dit Verdrag voorziene maatregelen te implementeren vanwege wezenlijke, bijzondere problemen ten gevolge van onvoldoende ontwikkelde infrastructuur of instellingen, kan het Lid, in overeenstemming met een in overleg opgesteld plan, een deel of alle van de volgende bepalingen geleidelijk implementeren:
- b. artikel 10, derde lid, voor zover het van toepassing is op vaartuigen die gedurende langer dan drie dagen op zee blijven;
- c. artikel 15;
- d. artikel 20;
- e. artikel 33; en
- f. artikel 38.
Het eerste lid is niet van toepassing op vissersvaartuigen:
- a. met een lengte van 24 meter of meer; of
- b. die langer dan zeven dagen op zee blijven; of
- c. die normaliter meer dan 200 zeemijlen uit de kustlijn van de vlaggenstaat of buiten de buitengrens van zijn continentaal plat varen, naargelang welke afstand van de kustlijn het grootst is; of
- d. die aan havenstaatcontroles als voorzien in artikel 43 van dit Verdrag worden onderworpen, behalve wanneer havenstaatcontrole plaatsvindt na een situatie van overmacht, en evenmin op vissers die op dergelijke vaartuigen werken.
Elk Lid dat gebruikmaakt van de in het eerste lid geboden mogelijkheid:
- a. zal in zijn eerste rapport over de toepassing van dit Verdrag dat wordt ingediend op grond van artikel 22 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie:
- i. de bepalingen van het Verdrag vermelden die geleidelijk zullen worden geïmplementeerd;
- ii. de redenen vermelden, evenals de onderscheiden posities van de representatieve organisaties van de betrokken werkgevers en werknemers en in het bijzonder de representatieve organisaties van scheepsbeheerders van vissersvaartuigen en vissers, waar deze bestaan; en
- iii. de plannen voor de geleidelijke implementatie beschrijven; en
- b. zal in de volgende rapporten over de toepassing van dit Verdrag de maatregelen beschrijven die zijn genomen teneinde gevolg te geven aan alle bepalingen van het Verdrag.
Artikel 5
Voor de toepassing van dit Verdrag kan de bevoegde autoriteit na overleg beslissen de lengte over alles (LOA) in plaats van de lengte (L) te hanteren als basis voor de meting in overeenstemming met de gelijkwaardigheid bij meting, vervat in Bijlage I. Voor de toepassing van de in Bijlage III bij dit Verdrag genoemde paragrafen kan de bevoegde autoriteit na overleg beslissen als basis voor de meting de brutotonnage met inachtneming van de gelijkwaardigheid bij meting vervat in Bijlage III te hanteren in plaats van de lengte (L) of de lengte over alles (LOA).
In de op grond van artikel 22 van het Statuut ingediende rapporten vermeldt het Lid de redenen voor de ingevolge dit artikel genomen beslissing en eventuele uit het overleg voortvloeiende opmerkingen.
DEEL II. ALGEMENE BEGINSELEN
Artikel 6. Implementatie
Elk Lid implementeert en handhaaft wet- en regelgeving of andere maatregelen die het heeft aangenomen ter nakoming van de verplichtingen op grond van dit Verdrag ten aanzien van vissers en vissersvaartuigen die onder zijn rechtsbevoegdheid vallen. Andere maatregelen kunnen bestaan uit collectieve overeenkomsten, gerechtelijke beslissingen, scheidsrechterlijke uitspraken of andere maatregelen die verenigbaar zijn met de nationale wetgeving en praktijk.
Niets in dit Verdrag tast wetten, uitspraken, gewoonten of overeenkomsten tussen scheepsbeheerders van vissersvaartuigen en vissers aan die gunstiger voorwaarden waarborgen dan de voorwaarden voorzien in dit Verdrag.
Artikel 7. Bevoegde autoriteit en coördinatie
Elk Lid:
- a. wijst de bevoegde autoriteit of autoriteiten aan; en
- b. stelt naargelang het geval regelingen vast voor de coördinatie tussen de desbetreffende autoriteiten voor de visserijsector op nationaal en lokaal niveau en omschrijft hun taken en verantwoordelijkheden, daarbij rekening houdend met hun complementariteit, nationale omstandigheden en praktijk.
Artikel 8. Verantwoordelijkheden van scheepsbeheerders van vissersvaartuigen, schippers en vissers
De scheepsbeheerder van vissersvaartuigen draagt de algehele verantwoordelijkheid om te waarborgen dat de schipper beschikt over de nodige middelen en voorzieningen om te voldoen aan de verplichtingen uit dit Verdrag.
De schipper is verantwoordelijk voor de veiligheid van de vissers aan boord en de veilige exploitatie van het vaartuig, met inbegrip van maar niet beperkt tot het volgende:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.