Verdrag nopens het wegverkeer

Type Verdrag
Publication 1952-10-19
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Verdragsluitende Staten, verlangend de ontwikkeling en de veiligheid van het internationale wegverkeer te bevorderen door het tot stand brengen van gelijkvormige voorschriften,

zijn de navolgende bepalingen overeengekomen:

HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen

Artikel 1
1.

Onder voorbehoud van het recht regelen te stellen betreffende het gebruik van hun wegen komen de Verdragsluitende Staten overeen, dat hun wegen onder de in dit Verdrag vervatte voorwaarden voor internationaal verkeer gebruikt kunnen worden.

2.

De Verdragsluitende Staten zijn niet gehouden het voorrecht van de bepalingen van dit Verdrag toe te kennen aan motorrijtuigen, aanhangwagens of bestuurders, die langer dan een jaar achtereen op hun grondgebied zijn verbleven.

Artikel 2
1.

De Bijlagen van dit Verdrag worden geacht daarvan onverbrekelijk deel uit te maken met dien verstande echter, dat iedere Staat bij de ondertekening of de bekrachtiging van het Verdrag, bij de toetreding tot het Verdrag, dan wel te allen tijde daarna kan verklaren de toepasselijkheid van het Verdrag uit te sluiten, voorzover betreft de Bijlagen 1 en 2.

2.

Iedere Staat kan te allen tijde ter kennis van de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties brengen, dat hij met ingang van de datum dier kennisgeving door de overeenkomstig het eerste lid van dit artikel uitgesloten Bijlagen is gebonden.

Artikel 3
1.

Maatregelen, welke alle Verdragsluitende Staten of sommige van hen mochten zijn overeengekomen, of in de toekomst overeenkomen te treffen, ten einde het internationale wegverkeer te vergemakkelijken door vereenvoudiging van de formaliteiten op het stuk van douane, politie, gezondheid of anderszins, worden beschouwd in overeenstemming te zijn met het doel van dit Verdrag.

3.

Ter voldoening aan de bij dit Verdrag gestelde vereisten streven de Verdragsluitende Staten er naar de tijden, gedurende welke corresponderende douanekantoren en douaneposten aan eenzelfde internationale weg zijn geopend, te doen samenvallen.

Artikel 4

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

„internationaal verkeer”: ieder verkeer, dat ten minste één grens passeert;

„weg”: iedere openbare weg, opengesteld voor verkeer met voertuigen;

„rijbaan”: het gedeelte van een weg, gewoonlijk gebruikt voor verkeer met voertuigen;

„rijstrook”: elk der delen, waarin een rijbaan kan worden verdeeld, van voldoende breedte voor een rij voertuigen;

„bestuurder”: ieder, die een voertuig, waaronder mede te verstaan een rijwiel, bestuurt, een trekdier, een lastdier, een rijdier of een kudde dieren langs een weg geleidt, dan wel feitelijk de macht daarover heeft;

„motorrijtuig”: ieder voertuig, voorzien van een mechanisch voortbewegingsmiddel en gewoonlijk gebruikt voor het vervoer van personen of goederen langs de weg, voor zover niet rijdend langs spoorstaven of verbonden met een electrische geleiding. Staten, door Bijlage I gebonden, zonderen van deze omschrijving uit rijwielen, uitgerust met een hulpmotor van de soort, als in die Bijlage omschreven;

„geleed motorrijtuig”: een motorrijtuig met een aanhangwagen, welke geen vooras heeft en zodanig is bevestigd dat een gedeelte er van op het motorrijtuig rust en een aanmerkelijk deel van het gewicht van de aanhangwagen en zijn lading door het motorrijtuig wordt gedragen. Een zodanige aanhangwagen wordt aangeduid met „oplegger”;

„aanhangwagen”: elk voertuig, bestemd om door een motorrijtuig te worden voortbewogen;

„rijwiel”: ieder niet werktuiglijk voortbewogen rijwiel. Staten, gebonden door Bijlage I, begrijpen onder deze omschrijving mede een rijwiel, uitgerust met een hulpmotor van de soort, als in die Bijlage omschreven;

„totaal gewicht”: het ledig gewicht van een voertuig, vermeerderd met de lading, wanneer het in rust is en uitgerust voor vertrek, daaronder mede begrepen het gewicht van de bestuurder en andere te zelf der tijd vervoerde personen;

„laadvermogen”: het maximum-gewicht aan lading, toegelaten door het bevoegde gezag van het land, waar het voertuig is ingeschreven;

„maximum toegestaan gewicht”: het ledig gewicht van een voertuig, vermeerderd met het laadvermogen, wanneer het voertuig is uitgerust voor vertrek.

Artikel 5

Dit Verdrag is niet op te vatten als dienende ter regeling van het vervoer van personen tegen beloning of het vervoer van goederen, andere dan de persoonlijke bagage van de inzittenden van een voertuig, met dien verstande, dat deze aangelegenheden en alle andere, waaromtrent dit Verdrag geen bepalingen inhoudt, blijven vallen onder de werking der nationale wetgeving, behoudens de toepasselijkheid van andere internationale verdragen of overeenkomsten.

HOOFDSTUK II. Regels voor het verkeer op de weg

Artikel 6

Elke Verdragsluitende Staat treft de nodige maatregelen ter verzekering van de naleving van de in dit Hoofdstuk vervatte regels.

Artikel 7

Een bestuurder, voetganger of andere weggebruiker moet zich zodanig gedragen, dat hij het verkeer niet in gevaar brengt, noch belemmert; hij dient iedere handeling te vermijden, welke aan personen dan wel aan openbare of persoonlijke eigendommen letsel of schade zou kunnen berokkenen.

Artikel 8
1.

Ieder voertuig en ieder samenstel van voertuigen, hetwelk zich als een geheel voortbeweegt, moet een bestuurder hebben.

2.

Trekdieren, lastdieren en rijdieren moeten een bestuurder hebben en behalve in speciale gebieden, welke bij de toegangen als zodanig zijn aangegeven, moet vee worden begeleid.

3.

Een convooi van voertuigen of dieren moet het aantal bestuurders hebben, voorgeschreven door de nationale wetgeving;

4.

Een convooi moet zo nodig zijn verdeeld in afdelingen van matige lengte waartussen ten behoeve van het verkeer voldoende ruimte wordt gelaten. Dit voorschrift is niet van toepassing op streken, waar het trekken van nomaden voorkomt.

5.

Bestuurders moeten te allen tijde hun voertuigen of hun dieren in hun macht hebben. Bij het naderen van andere weggebruikers moeten zij de voor derzelver veiligheid vereiste voorzorgen in acht nemen.

Artikel 9
1.

Voertuigen, welke in dezelfde richting een weg volgen, moeten dezelfde zijde van die weg houden. In ieder land moet dit voor alle wegen op gelijke wijze zijn geregeld.

Een voorbehoud wordt gemaakt ten aanzien van de nationale voorschriften op het stuk van één-richting verkeer.

2.

Als algemene regel en zo dikwijls de in artikel 7 vervatte bepalingen zulks vereisen moet een bestuurder:

3.

Dieren moeten overeenkomstig de voorschriften der nationale wetgeving zo dicht mogelijk bij de kant van de weg worden gehouden.

Artikel 10

De bestuurder van een voertuig moet de snelheid daarvan te allen tijde in zijn macht hebben en met overleg en voorzichtig rijden. Hij moet vaart minderen of stilhouden, zo dikwijls de omstandigheden zulks vereisen of in het bijzonder, wanneer het zicht niet goed is.

Artikel 11
1.

Een bestuurder moet, wanneer hij een andere bestuurder tegenkomt, of wanneer hij wordt ingehaald, zo dicht mogelijk bij de kant van de rijbaan blijven op de rijstrook, bestemd voor het verkeer in de richting, waarin hij gaat. Bij het inhalen moet een bestuurder het ingehaalde voertuig of dier aan de linker- of rechterzijde voorbij gaan, al naar de in het betrokken land geldende regel. Deze voorschriften behoeven niet van toepassing te zijn op het inhalen van trams of langs de weg rijdende treinen, noch op het inhalen op bepaalde bergwegen.

2.

Bij de nadering van een voertuig of van een dier onder geleide moet een bestuurder:

3.

Bestuurders, die voornemens zijn in te halen, moeten zich er van vergewissen, dat er voldoende ruimte is en voldoende zicht vooruit om zonder gevaar te kunnen inhalen. Na het inhalen moeten zij hun voertuig weer naar rechts of naar links brengen, al naar de in het betrokken land geldende regel, doch slechts na zich er van te hebben vergewist, dat zulks voor de ingehaalde voetganger of het ingehaalde voertuig of dier geen ongerief zal medebrengen.

Artikel 12
1.

Een bestuurder, die een splitsing, een kruising of een samenkomst van wegen of een overweg nadert, moet bijzondere voorzorgen treffen ter vermijding van ongelukken.

2.

Ten aanzien van bepaalde wegen of weggedeelten kan bij kruisingen of verenigingen van wegen voorrang worden verleend. Zodanige voorrang moet door tekens zijn aangegeven. Een bestuurder, die zulk een weg of weggedeelte nadert, is gehouden de doorgang voor zich langs vrij te laten voor bestuurders, die deze weg of dit weggedeelte volgen.

3.

De bepalingen van Bijlage 2 betreffende de voorrang bij kruisingen, voor zover niet begrepen onder het in het tweede lid van dit artikel bepaalde, zijn van toepassing voor de door bedoelde Bijlage gebonden Staten.

4.

Een bestuurder moet, alvorens een andere weg in te slaan:

Artikel 13
1.

Stilstaande voertuigen of dieren moeten buiten de rijbaan worden opgesteld, indien dit mogelijk is en anders zo dicht mogelijk langs de kant van de rijbaan.

Bestuurders mogen hun voertuigen of dieren niet verlaten, dan nadat zij alle ter vermijding van ongelukken noodzakelijke voorzorgen hebben getroffen.

2.

Voertuigen of dieren mogen niet wachten ter plaatse, waar zij gevaar of hinder zouden kunnen opleveren en in het bijzonder niet op een kruispunt, in een bocht, op een heuveltop of in de nabijheid daarvan.

Artikel 14

Alle nodige voorzorgen moeten worden genomen, opdat de lading van een voertuig geen schade of gevaar kan veroorzaken.

Artikel 15
1.

Van het vallen der duisternis af en gedurende de nacht, alsmede wanneer de weersomstandigheden het noodzakelijk maken, moet een voertuig of een samenstel van voertuigen op een weg ten minste een wit licht aan de voorzijde voeren en ten minste een rood licht aan de achterzijde. Wanneer een voertuig, voor zover geen rijwiel of motorrijwiel zonder zijspan, aan de voorzijde slechts met een wit licht is uitgerust, moet dit zijn aangebracht aan de zijde, het dichtst bij het tegenliggende verkeer. In landen, waar twee witte voorlichten zijn voorgeschreven, moeten deze rechts en links aan het voertuig zijn aangebracht. Het rode licht mag worden voortgebracht door een afzonderlijke inrichting, dan wel door dezelfde als die van het voorlicht of de voorlichten, indien het voertuig daarvoor niet te lang is en de bouw zulks toelaat.

2.

In geen geval mag een voertuig een naar voren gericht rood licht of een naar voren gerichte rode reflector voeren, noch een naar achteren gericht wit licht of een naar achteren gerichte witte reflector. Dit voorschrift is niet van toepassing op een wit of geel achteruitrijlicht, zo dikwijls de wetgeving van het land van inschrijving van het voertuig zulk een licht toelaat.

3.

De lichten en reflectors moeten zodanig zijn, dat zij het voertuig voor andere weggebruikers duidelijk waarneembaar maken.

4.

De Verdragsluitende Staten of hun samenstellende delen mogen, onder voorwaarde dat alle maatregelen ter verzekering van normale verkeersveiligheid zijn genomen, van de bepalingen van dit artikel uitzonderen:

Artikel 16
1.

De bepalingen van dit Hoofdstuk zijn van toepassing op trolleybussen.

HOOFDSTUK III. Verkeerstekens

Artikel 17
1.

Ter verzekering van een gelijksoortig stelsel moeten de in elk der Verdragsluitende Staten aangenomen verkeerstekens, voorzover mogelijk, de enige zijn, welke langs de wegen van die Staat worden aangebracht. Voorzover het noodzakelijk mocht zijn een nieuw teken in te voeren, moeten de vorm en de kleur daarvan, alsmede het daarvoor gebezigde soort symbool overeenstemmen met het in die Staat geldende stelsel.

2.

Het aantal vastgestelde tekens moet tot het strikt noodzakelijke beperkt blijven. De tekens mogen slechts worden aangebracht op plaatsen, waar hun tegenwoordigheid is vereist.

3.

Gevaar-tekens moeten zijn aangebracht op een zodanige afstand van de plaats, waarop zij de aandacht moeten vestigen, dat een doelmatige waarschuwing van de weggebruikers is gewaarborgd.

4.

Het is niet toegestaan aan een vastgesteld teken enige aanduiding aan te brengen, welke met het doel van dat teken geen verband houdt of de zichtbaarheid daarvan zou kunnen beperken, dan wel het kenmerkende ervan veranderen.

5.

Borden en aanduidingen, welke met de vastgestelde tekens zouden kunnen worden verward of hun leesbaarheid zouden kunnen bemoeilijken, zijn niet toegestaan.

HOOFDSTUK IV. Bepalingen van toepassing op motorrijtuigen en aanhangwagens in het internationale verkeer

Artikel 18
1.

Om de voorrechten van dit Verdrag te kunnen genieten moet een motorrijtuig door een Verdragsluitende Staat of door een zijner samenstellende delen overeenkomstig deszelfs wetgeving zijn ingeschreven.

2.

Door het bevoegde gezag, dan wel door een naar behoren daartoe gemachtigde vereniging, wordt op aanvraag een kentekenbewijs afgegeven, hetwelk in ieder geval vermeldt:

3.

De gegevens van een kentekenbewijs, bedoeld in het vorige lid, worden door de Verdragsluitende Staten, behoudens tegenbewijs, als juist aangenomen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.