Internationaal Verdrag ter bestrijding van de handel in vrouwen en kinderen, zoals gewijzigd door het Protocol van 12 november 1947
Albanië, Duitschland, Oostenrijk, België, Brazilië, het Britsche Rijk (met Canada, Australië, Zuid-Afrika, Nieuw-Zeeland en Indië), Chili, China, Columbia, Costa-Rica, Cuba, Estland, Griekenland, Hongarije, Italië, Japan, Letland, Lithauen, Noorwegen, Nederland, Perzië, Polen (met Dantzig), Portugal, Roemenië, Siam, Zweden, Zwitserland en Tsjecho-Slowakije,
Bezield met den wensch om op meer volledige wijze de bestrijding van den handel in vrouwen en kinderen te verzekeren, welke in de considerans van de regeling van 18 Mei 1904 en van het verdrag van 4 Mei 1910 wordt aangeduid onder den naam van „den zoogenaamden handel in vrouwen en meisjes”;
Kennis genomen hebbende van de aanbevelingen neergelegd in de slotakte van de Internationale Conferentie, die bijeengeroepen was door den Raad van den Volkenbond en te Genève is bijeengekomen van 30 Juni tot 5 Juli 1921; en
Besloten hebbende een verdrag te sluiten ter aanvulling van bovengenoemde regeling en verdrag;
Hebben te dien einde als haar gevolmachtigden benoemd:
Zie voor de namen van de gevolmachtigden de Engelse tekst.
die, na mededeeling van hunne volmachten welke in goede orde zijn bevonden, het volgende zijn overeengekomen:
Het oorspronkelijke Verdrag is tot stand gekomen op 30 september 1921 (Stb. 1923/526) en is voor het Koninkrijk der Nederlanden in werking getreden op 19 september 1923 (Trb. 1961/103).
Artikel 1
De Hooge Verdragsluitende Partijen komen overeen, voorzoover zij nog geen Partij zijn bij de bovenvermelde regeling van 18 Mei 1904 en het verdrag van 4 Mei 1910, zoo spoedig mogelijk en op de wijze voorzien in bovenbedoelde regeling en verdrag, haar bekrachtigingen van genoemde akten of haar toetredingen tot genoemde akten over te leggen.
Artikel 2
De Hooge Verdragsluitende Partijen komen overeen, alle maatregelen te nemen tot het opsporen en straffen van personen, die zich bezig houden met den handel in kinderen van beide seksen, welk misdrijf moet worden opgevat in den zin van artikel 1 van het verdrag van 4 Mei 1910.
Artikel 3
De Hooge Verdragsluitende Partijen komen overeen, de noodige maatregelen te nemen, teneinde strafbaar te stellen de pogingen en, binnen de perken der wet, de voorbereidende handelingen tot de misdrijven bedoeld in de artikelen 1 en 2 van het verdrag van 4 Mei 1910.
Artikel 4
De Hooge Verdragsluitende Partijen komen overeen, voorzoover er tusschen haar geen uitleveringsverdragen van kracht zijn, alle maatregelen te nemen, die in haar macht staan, teneinde te geraken tot de uitlevering van personen beschuldigd van of veroordeeld wegens de misdrijven bedoeld in de artikelen 1 en 2 van het verdrag van 4 Mei 1910.
Artikel 5
In Paragraaf B van het slotprotokol van het Verdrag van 1910 zullen de woorden „twintig jaar” vervangen worden door de woorden „eenentwintig jaar”.
Artikel 6
De Hooge Verdragsluitende Partijen komen overeen, ingeval zij nog geen wettelijke of administratieve maatregelen hebben genomen met betrekking tot het verleenen van vergunningen voor en het houden van toezicht op arbeidsbeurzen en plaatsingsbureau's, zoodanige regelingen uit te vaardigen als noodig zijn om de bescherming van vrouwen en kinderen, die werk zoeken in een ander land, te verzekeren.
Artikel 7
De Hooge Verdragsluitende Partijen komen overeen, met betrekking tot immigratie en emigratie, zoodanige wettelijke en administratieve maatregelen te nemen als noodig zijn om den handel in vrouwen en kinderen tegen te gaan. In het bijzonder verbinden zij zich om de maatregelen uit te vaardigen noodig voor de bescherming van vrouwen en kinderen, die op landverhuizersschepen reizen, niet alleen bij vertrek en aankomst, maar ook gedurende de reis, en tevens om te zorgen, dat in de spoorwegstations en bij de havens bekendmakingen worden aangeslagen, waarbij vrouwen en kinderen worden gewaarschuwd tegen de gevaren van den vrouwenhandel en waarbij wordt aangegeven, waar men onderkomen en bijstand kan verkrijgen.
Artikel 8
Dit verdrag, waarvan zoowel de Fransche als de Engelsche tekst authentiek is, zal den datum dragen van dezen dag en zal geteekend kunnen worden tot op 31 Maart 1922.
Artikel 9
Dit Verdrag is onderworpen aan bekrachtiging. Van 1 Januari 1948 af zullen de akten van bekrachtiging worden gezonden aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die de ontvangst er van ter kennis zal brengen van de Leden van de Verenigde Naties en van de Staten, niet-Leden, aan welke de Secretaris-Generaal een afschrift van het Verdrag heeft gezonden. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd in het archief van het Secretariaat van de Verenigde Naties.
Teneinde te voldoen aan de bepalingen van artikel 18 van het Volkenbondverdrag, zal de Secretaris-Generaal dit verdrag inschrijven, zoodra de nederlegging van de eerste bekrachtiging zal hebben plaats gehad.
Artikel 10
Leden van de Verenigde Naties kunnen tot dit Verdrag toetreden.
Hetzelfde geldt voor Staten, niet-Leden, ten aanzien waarvan de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties zal besluiten dit Verdrag officieel te hunner kennis te brengen.
De toetredingen zullen worden medegedeeld aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die daarvan alle Leden van de Verenigde Naties en de niet-Leden, aan welke de Secretaris-Generaal een afschrift van het Verdrag heeft gezonden, in kennis zal stellen.
Artikel 11
Dit verdrag zal voor iedere partij van kracht worden op den datum van de nederlegging van haar bekrachtiging of akte van toetreding.
Artikel 12
Dit Verdrag kan worden opgezegd door elke Staat, welke Partij is, met inachtneming van een opzeggingstermijn van twaalf maanden.
Opzegging zal geschieden door schriftelijke kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. Afschriften van zodanige kennisgeving zullen onmiddellijk door hem worden overgelegd aan alle Leden van de Verenigde Naties en aan de Staten, niet-Leden, aan welke de Secretaris-Generaal een afschrift van het Verdrag heeft gezonden. De opzegging zal van kracht worden één jaar na de datum, waarop deze aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties werd bericht, en zal alleen gelden ten aanzien van de Mogendheid, welke de opzegging heeft medegedeeld.
Artikel 13
De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties zal een afzonderlijk register houden, waaruit zal blijken, wie van de Partijen dit Verdrag hebben ondertekend, bekrachtigd, tot dit Verdrag zijn toegetreden of het Verdrag hebben opgezegd. Dit register zal te allen tijde door elk Lid van de Verenigde Naties, of elke Staat, niet-Lid, aan welke de Secretaris-Generaal een afschrift van het Verdrag heeft gezonden, kunnen worden geraadpleegd; het zal, overeenkomstig door de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties te geven instructies, zo dikwijls mogelijk worden openbaar gemaakt.
Artikel 14
Vervallen
Done at Geneva, the thirtieth day of September, nineteen hundred and twenty-one, in a single copy, which shall remain deposited in the archives of the League of Nations.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.