← Geldende tekst · Geschiedenis

Internationaal Verdrag ter bestrijding van de handel in meerderjarige vrouwen, zoals gewijzigd door het Protocol van 12 november 1947

Geldende tekst a fecha 1970-01-02

Zie voor een opsomming van Staatshoofden de Engelse tekst.

Bezield met den wensch op meer volledige wijze de bestrijding van den handel in vrouwen en kinderen te verzekeren;

Kennis genomen hebbende van de aanbevelingen, vervat in het rapport van het Comité inzake den handel in vrouwen en kinderen aan den Volkenbondsraad nopens de werkzaamheden van zijn twaalfde zitting;

Besloten hebbende, door een nieuw verdrag de Regeling van 18 Mei 1904 en de Verdragen van 4 Mei 1910 en van 30 September 1921 betreffende de bestrijding van den handel in vrouwen en kinderen aan te vullen,

Hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen:

Zie voor de Lijst van Gevolmachtigden de Engelse tekst.

Welke, na elkander hun in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen:

Het oorspronkelijke verdrag is tot stand gekomen op 11 oktober 1933 (Stb. 1935/598) en is voor het Koninkrijk der Nederlanden in werking getreden op 19 november 1935 (Trb. 1961/104).

Artikel 1

Gestraft wordt ieder, die, ter voldoening van eens anders lusten, eene meerderjarige vrouw of meisje, zelfs met haar goedvinden, met het oog op het plegen van ontucht in een ander land, heeft aangeworven, medegenomen of ontvoerd, zelfs dan wanneer de verschillende handelingen, die de bestanddeelen van het strafbare feit uitmaken, in verschillende landen gepleegd zijn.

De poging is eveneens strafbaar. Hetzelfde is het geval, binnen de grenzen der wet, met voorbereidende handelingen.

In den zin van dit artikel omvat het woord „land” de koloniën en protectoraten van de desbetreffende Hooge Verdragsluitende Partij, evenals de gebieden, welke onder haar suzereiniteit staan en die, waarvoor haar een mandaat is toevertrouwd.

Artikel 2

De Hooge Verdragsluitende Partijen, wier wetgeving op dit oogenblik nog niet voldoende is tot het strafbaar stellen van de in het voorgaande artikel omschreven feiten, verbinden zich die maatregelen te nemen, welke vereischt worden opdat bedoelde feiten in verhouding tot den ernst daarvan strafbaar worden gesteld.

Artikel 3

De Hooge Verdragsluitende Partijen verbinden zich elkander met betrekking tot iedere persoon van het eene of het andere geslacht, die een van de strafbare feiten, bedoeld in dit Verdrag of in de Verdragen van 1910 en 1921 nopens de bestrijding van den handel in vrouwen en kinderen, zal hebben begaan of gepoogd zal hebben te begaan, indien de bestanddeelen van het strafbare feit in verschillende landen gepleegd zijn of hadden moeten worden gepleegd, de volgende inlichtingen mede te deelen (of gelijksoortige inlichtingen, welke de binnenlandsche wetten en regelingen mogelijk maken te verschaffen):

Deze stukken en gegevens zullen rechtstreeks en onverwijld worden toegezonden aan de autoriteiten van de landen, die bij ieder bijzonder geval betrokken zijn, door de autoriteiten, welke aangewezen zijn overeenkomstig artikel 1 van de Regeling op 18 Mei 1904 te Parijs gesloten. Deze toezending zal, voor zoover mogelijk, plaats hebben in alle gevallen, waarin een strafbaar feit, een veroordeeling, een weigering van toelating of een uitwijzing is vastgesteld.

Artikel 4

Indien tusschen de Hooge Verdragsluitende Partijen eenig geschil rijst nopens de uitlegging of toepassing van dit Verdrag of van de Verdragen van 1910 en 1921 en indien dit geschil niet op bevredigende wijze is opgelost kunnen worden langs diplomatieken weg, zal het worden geregeld overeenkomstig de bepalingen, die tusschen de partijen van kracht zijn met betrekking tot de regeling van internationale geschillen.

Ingeval zoodanige bepalingen niet zouden bestaan tusschen de bij het geschil betrokken partijen, zullen zij het geschil onderwerpen aan een scheidsrechterlijke of rechterlijke procedure. Bij gebreke aan overeenstemming ten aanzien van de keuze van een ander gerecht zullen zij, op verzoek van een harer, het geschil onderwerpen aan het Internationale Gerechtshof, indien zij alle partij zijn bij het Statuut van het Internationale Gerechtshof, en, indien zij niet alle partij bij het Statuut van het Internationale Gerechtshof zijn, aan een scheidsgerecht, dat samengesteld zal worden overeenkomstig het Haagsche Verdrag van 18 October 1907 nopens de vreedzame beslechting van internationale geschillen.

Artikel 5

Dit Verdrag, waarvan de Fransche en Engelsche teksten beide authentiek zijn, zal de dagteekening van heden dragen en zal tot 1 April 1934 kunnen worden onderteekend door ieder Lid van den Volkenbond of door iederen Staat niet-Lid, die zich heeft doen vertegenwoordigen op de Conferentie, die dit Verdrag heeft opgesteld, of aan wien de Raad van den Volkenbond daartoe afschrift van dit Verdrag heeft doen toekomen.

Artikel 6

Dit Verdrag zal worden bekrachtigd. Van 1 Januari 1948 af zullen de oorkonden van bekrachtiging worden overgelegd aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die van de nederlegging daarvan mededeling zal doen aan alle Leden van de Verenigde Naties en aan de Staten, niet-Leden, aan welke de Secretaris-Generaal een afschrift van het Verdrag heeft gezonden.

Artikel 7

Leden van de Verenigde Naties kunnen tot dit Verdrag toetreden. Hetzelfde geldt voor Staten, niet-Leden, ten aanzien waarvan de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties zal besluiten dit Verdrag officieel te hunner kennis te brengen.

De oorkonden van toetreding zullen worden overgelegd aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die van de nederlegging daarvan mededeling zal doen aan alle Leden van de Verenigde Naties, en aan de Staten, niet-Leden, aan welke de Secretaris-Generaal een afschrift van het Verdrag heeft gezonden.

Artikel 8

Dit Verdrag zal in werking treden zestig dagen nadat de Secretaris-Generaal van den Volkenbond twee bekrachtigingen of toetredingen zal hebben ontvangen.

Het zal worden geregistreerd door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond op den dag zijner inwerkingtreding.

De latere bekrachtigingen of toetredingen zullen van kracht worden na afloop van een termijn van zestig dagen van den dag af harer ontvangst door den Secretaris-Generaal.

Artikel 9

Dit Verdrag zal opgezegd kunnen worden door een mededeeling, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. Deze opzegging zal van kracht worden een jaar nadat zij door de Secretaris-Generaal zal zijn ontvangen en uitsluitend voor de Hooge Verdragsluitende Partij, die haar zal hebben medegedeeld.

Artikel 10

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties zal aan alle Leden van de Verenigde Naties en aan de Staten, niet-Leden, aan welke de Secretaris-Generaal een afschrift van het Verdrag heeft gezonden, de opzeggingen, voorzien in artikel 9, mededelen.

IN FAITH WHEREOF the abovementioned Plenipotentiaries have signed the present Convention.

DONE at Geneva, the eleventh day of October, one thousand nine hundred and thirty-three, in a single copy, which shall remain deposited in the archives of the Secretariat of the League of Nations, and certified true copies of which shall be delivered to all the Members of the League and to the non-member States referred to in Article 5.