Notawisseling nopens de voorrechten en immuniteiten van het Internationale Gerechtshof

Type Verdrag
Publication 1946-12-11
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

's-Gravenhage, den 26sten Juni 1946.

Mijnheer de President,

Ik heb de eer de ontvangst te bevestigen van het schrijven van Uwe Excellentie d.d. 26 Juni, waarin Zij wel mijn aandacht heeft willen vestigen op de door de Zesde Commissie van de Vergadering der Vereenigde Naties opgestelde resolutie betreffende de aan het Internationale Gerechtshof te verleenen voorrechten en immuniteiten.

Ik heb met genoegen vastgesteld, dat Uwe Excellentie wel heeft willen vermelden, dat de besprekingen, welke hebben plaatsgevonden tusschen vertegenwoordigers van het Hof en vertegenwoordigers van mijn Ministerie, waren beheerscht door de uitstekende betrekkingen, die van oudsher hebben bestaan tusschen de internationaalrechtelijke organen eenerzijds en Harer Majesteit's Regeering anderzijds, en ik geef Uwer Excellentie de stellige verzekering, dat ook Harer Majesteit’s Regeering een aangename herinnering bewaart aan de betrekkingen, welke tusschen haar en het Permanente Hof van Internationale Justitie hebben bestaan.

Ik stel er prijs op om ingevolge Uwer Excellentie's verzoek te bevestigen, dat de bijlage, gevoegd bij Haar bovengenoemden brief, geheel in overeenstemming is met de tijdens die besprekingen tot stand gebrachte overeenkomst en dat zij volledig de zienswijze van Harer Majesteit's Regeering in dezen weergeeft.

Ik waardeer het ten zeerste, dat in het rapport, waarin het Hof zijn aanbevelingen doet met betrekking tot de voorrechten en immuniteiten en waarin het den Secretaris-Generaal der Vereenigde Naties uitnoodigt de Algemeene Vergadering te verzoeken om de tusschen de Nederlandsche Regeering en het Hof tot stand gebrachte regeling goed te keuren, uitdrukkelijk gewag wordt gemaakt van de vrijgevigheid der Nederlandsche tradities in dit opzicht.

Onder verwijzing naar de laatste alinea van Uwer Excellentie's meergenoemd schrijven, moge ik bij dezen bevestigen, dat overeengekomen wordt, dat de kwestie van voorrang, die destijds werd behandeld sub paragraaf IV van de Algemeene Beginselen, als bijlage gevoegd bij de briefwisseling tusschen den President van het Permanente Hof van Internationale Justitie en den Nederlandschen Minister van Buitenlandsche Zaken van 27 Mei 1928, buiten het bestek van het onderhavige accoord blijft.

Ik maak van deze gelegenheid gebruik, Mijnheer de President, om aan Uwe Excellentie de verzekering mijner meeste hoogachting te hernieuwen.

(w.g.) J. G. GUERRERO,

Président de la Cour internationale de Justice.

Son Excellence Monsieur J. H. van Roijen,

Ministre des Affaires étrangères des Pays-Bas,

La Haye.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.