Verdrag tot uitbreiding en coördinatie van de toepasselijkheid van de wetgeving inzake sociale zekerheid op de onderdanen van de landen, welke partij zijn bij het Verdrag van Brussel
De Regeringen van België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en het Verenigd Koninkrijk Groot-Brittannië en Noord-Ierland;
Besloten hebbende om — in overeenstemming met de doelstelling van het Verdrag van Brussel, getekend op 17 Maart 1948 — haar samenwerking uit te breiden op sociaal gebied;
Opnieuw bevestigende het beginsel van de gelijkheid van behandeling van haar onderdanen met betrekking tot de toepasselijkheid van de sociale verzekeringswetgeving en overwegende het belang om aan de onderdanen van de onderscheidene Verdragsluitende Partijen de voordelen te waarborgen, welke aan die wetgeving zijn verbonden, hoe zij ook hun verblijfplaats mogen overbrengen van het gebied van de ene Verdragsluitende Partij naar dat van de andere;
Het wenselijk achtende tot dit doel een Verdrag te sluiten;
Zijn als volgt overeengekomen:
Artikel 1
(a). Onder de voorwaarden, gesteld bij dit Verdrag, zijn de bepalingen van elk der Wederkerigheidsverdragen inzake sociale zekerheid, welke gesloten zijn of gesloten worden tussen twee of meer Partijen bij dit Verdrag, alsmede alle aanvullende overeenkomsten, hoe ook genaamd, aangegaan in overeenstemming met de regelingen van dergelijke Verdragen (verder aangeduid als „Wederkerigheidsverdragen”) van toepassing op de onderdanen van elk der Verdragsluitende Partijen, voor zover die onderdanen vallen onder de wetgeving inzake sociale zekerheid van die Partijen.
(b). Voor de toepassing van dit Verdrag worden onder „onderdanen”, „grondgebied”, „wetgeving inzake sociale zekerheid” en „bevoegde autoriteiten” verstaan de onderdanen, het grondgebied, de wetgeving inzake sociale zekerheid en de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partij in de zin van het toepasselijke Wederkerigheidsverdrag of de toepasselijke Wederkerigheidsverdragen, welke van kracht zijn of van kracht worden.
Artikel 2
(a). In de gevallen, waarin een Wederkerigheidsverdrag voorziet in de samentelling van verzekeringstijdvakken, worden de verzekeringstijdvakken, welke zijn vervuld krachtens de wetgeving inzake sociale zekerheid van drie of meer van de Verdragsluitende Partijen, alsmede tijdvakken, welke krachtens bedoelde wetgeving worden beschouwd als verzekeringstijdvakken, tezamen in aanmerking genomen, op voorwaarde dat zij niet met elkaar samenvallen, zowel met het oog op de vaststelling van het recht op uitkering als met het oog op het behoud en het terugverkrijgen van dat recht.
(b). Indien de wetgeving inzake sociale zekerheid van een der Verdragsluitende Partijen de toekenning van uitkeringen afhankelijk maakt van de voorwaarde, dat de verzekeringstijdvakken zijn vervuld in een beroep, waarvoor een bijzondere verzekeringsregeling geldt, worden, voor de toepasselijkheid van lid 1 van dit artikel, met betrekking tot het verkrijgen van deze voordelen, slechts die tijdvakken in aanmerking genomen, welke zijn vervuld onder het overeenkomstige stelsel of de overeenkomstige stelsels van een of meer van de andere der Verdragsluitende Partijen. Indien in het gebied van een der Verdragsluitende Partijen geen bijzondere regeling bestaat voor het betrokken beroep, worden verzekeringstijdvakken, welke in dat beroep onder een van de sociale zekerheidsstelsels, bedoeld in lid 1 van dit artikel, zijn vervuld, nochtans tezamen in aanmerking genomen.
(c). In de gevallen, waarin de tijdvakken, welke tezamen in aanmerking moeten worden genomen om recht te geven op uitkering, krachtens diverse toepasselijke Wederkerigheidsverdragen volgens verschillende regels worden bepaald, wordt het tijdvak, hetwelk volgens de wetgeving van elke Verdragsluitende Partij in aanmerking moet worden genomen, bepaald door toepassing van de voor de betrokkenen gunstigste regeling, welke voorkomt in de Wederkerigheidsverdragen, welke gesloten zijn door de betrokken Partij en welke in het onderhavige geval van toepassing zijn.
Artikel 3
In de gevallen, waarin dit Verdrag of een Wederkerigheidsverdrag aan een onderdaan recht op moederschapsuitkering zou geven krachtens de wetgeving inzake sociale zekerheid van twee van de Verdragsluitende Partijen, wordt het recht van die onderdaan bepaald krachtens de wetgeving, welke van kracht is in het land waar de geboorte plaats vindt, waarbij rekening wordt gehouden met de verzekeringstijdvakken welke vervuld zijn krachtens de wetgeving inzake sociale zekerheid van elk der Verdragsluitende Partijen.
Artikel 4
(a). De voordelen waarop een onderdaan aanspraak kan doen gelden krachtens de wetgeving inzake sociale zekerheid van een der Verdragsluitende Partijen betreffende ouderdom of dood (renten), zullen in beginsel worden bepaald door vast te stellen het totaal van de voordelen, waarop hij aanspraak zou hebben gehad, indien het geheel van verzekeringstijdvakken, bedoeld in artikel 2, was vervuld krachtens de wetgeving inzake sociale zekerheid van elk der Verdragsluitende Partijen ingevolge welke die onderdaan verzekerd was.
(b). Elke Verdragsluitende Partij zal in overeenstemming met zijn eigen wetgeving inzake sociale zekerheid bepalen of die onderdaan, in aanmerking genomen al de verzekeringstijdvakken, zonder onderscheid in welk land zij zijn vervuld, voldoet aan de voorwaarden krachtens die wetgeving om aanspraak te maken op de voordelen daarvan.
(c). Elk der Verdragsluitende Partijen berekent het bedrag van de uitkering in geld waarop die onderdaan aanspraak zou hebben gehad indien alle verzekeringstijdvakken uitsluitend onder haar eigen wetgeving inzake sociale zekerheid waren vervuld, en stelt vervolgens het bedrag der verschuldigde uitkering vast in verhouding tot de duur van de tijdvakken, welke onder de eigen wetgeving inzake sociale zekerheid vervuld zijn.
(d). Indien die onderdaan met inachtneming van het totaal der verzekeringstijdvakken, bedoeld in artikel 2, niet gelijktijdig voldoet aan de voorwaarden, gesteld door de wettelijke regelingen van al de betrokken Verdragsluitende Partijen, wordt zijn recht op uitkering vastgesteld naarmate hij aan die voorwaarden voldoet.
(e). Voor de toepassing van dit artikel worden onder uitkeringen terzake van overlijden verstaan pensioenen, renten of uitkeringen welke worden toegekend aan overlevenden volgens gelijksoortige regels als die, welke gelden voor de ouderdomsverzekering krachtens de wetgeving inzake sociale zekerheid van elk der Verdragsluitende Partijen, met uitsluiting van de voordelen, welke worden verleend zonder dat een wachttijd of premiebetaling is vereist.
Artikel 5
(a). Elke onderdaan kan op het tijdstip waarop zijn aanspraak op enig voordeel, bedoeld in artikel 4, ontstaat, afstand doen van de regeling van artikel 2 van dit Verdrag. De voordelen waarop hij recht kan doen gelden volgens de wetgeving van elke Verdragsluitende Partij worden alsdan afzonderlijk uitbetaald door de betrokken organen, hetzij onafhankelijk van de verzekeringstijdvakken of van de daarmede gelijkgestelde tijdvakken, welke in een of meer andere landen zijn vervuld, hetzij overeenkomstig de toepasselijke Wederkerigheidsverdragen.
(b). Die onderdaan heeft de bevoegdheid opnieuw een keus te doen tussen de voordelen van de bepalingen van artikel 2 en die van het onderhavige artikel, op het tijdstip, waarop hij een nieuw recht op rente verkrijgt, krachtens één der op hem van kracht zijnde wetgevingen inzake sociale zekerheid, indien dit in zijn belang is, hetzij ten gevolge van een wijziging in de wetgeving inzake sociale zekerheid van een van de Verdragsluitende Partijen, hetzij in verband met zijn verhuizing van het ene land naar het andere land, hetzij in het geval bedoeld in lid (d) van artikel 4.
Artikel 6
Indien volgens de wetgeving inzake sociale zekerheid van een van de Verdragsluitende Partijen de uitbetaling van een uitkering aan een onderdaan geschiedt met in achtneming van het gemiddelde loon, genoten gedurende het gehele verzekeringstijdvak of gedurende een gedeelte daarvan, wordt het gemiddelde loon, dat in acht genomen wordt voor de berekening van de uitkeringen, welke ten laste komen van die Verdragsluitende Partij, vastgesteld volgens het loon, dat de onderdaan gedurende het verzekeringstijdvak overeenkomstig de wetgeving inzake sociale zekerheid van die Partij heeft genoten.
Artikel 7
Indien een onderdaan onderworpen is geweest aan de wetgeving inzake sociale zekerheid van twee of meer Verdragsluitende Partijen en de Wederkerigheidsverdragen tussen deze Partijen geen regeling hebben getroffen dat invaliditeitspensioenen ten laste van de organen van een enkel land komen, worden die pensioenen of gedeelten van pensioenen, welke ten laste van de organen van elk dier landen komen, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 4, 5 en 6 van dit Verdrag, terwijl de invaliditeitspensioenen dan worden beschouwd als voordelen en uitkeringen in de zin van die artikelen.
Artikel 8
Alle verkregen rechten, welke krachtens een Wederkerigheidsverdrag zouden worden gehandhaafd voor de onderdanen, bedoeld in dat Wederkerigheidsverdrag, van het tijdstip af, dat zij binnen het grondgebied van een der beide Verdragsluitende Partijen verblijf houden, worden eveneens gehandhaafd voor de onderdanen, bedoeld in dit Verdrag, zolang zij verblijf houden binnen het grondgebied van een der Verdragsluitende Partijen.
Artikel 9
(a). Wanneer een Wederkerigheidsverdrag ophoudt van kracht te zijn, zal het onderhavige Verdrag ophouden van toepassing te zijn op de onderdanen van elk der beide Partijen ten opzichte van de Wederkerigheidsverdragen, welke bestaan tussen de ene Partij en een der andere Verdragsluitende Partijen.
(b). In dat geval blijven de bepalingen van dit Verdrag van toepassing op de verkregen rechten voor zover in het behoud van deze rechten is voorzien in het bedoelde Wederkerigheidsverdrag.
Artikel 10
(a). Behoudens bijzondere regelingen voorzien bij afzonderlijke Verdragen, in het bijzonder met betrekking tot grens- en seizoenarbeiders, genieten de indirect verzekerden van een arbeider of een daarmee gelijkgestelde onderdaan van een van de Verdragsluitende Partijen, die gewoonlijk verblijf houden op het grondgebied van een van de voornoemde Partijen, terwijl de arbeider werkzaam is binnen het grondgebied van een andere van deze Partijen, de uitkeringen in natura, ingevolge de wetgeving inzake sociale zekerheid van het land, waar zij verblijf houden en wel ten laste van de organen van dat land. In dat geval worden de verzekeringstijdvakken door de onderdaan in het land waar hij werkzaam is vervuld, gelijkgesteld met verzekeringstijdvakken, welke vervuld zijn in het land waar de rechthebbende verblijf houdt.
(b). De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing in het geval waarin de indirect-verzekerde, voor wie de uitkeringen worden gevraagd, zijn gewone verblijfplaats in het land, waar deze aangevraagd wordt eerst gevestigd heeft na het ongeval of na de vermoedelijke datum van de conceptie.
Artikel 11
Dit Verdrag kan met goedvinden van alle Partijen bij dit Verdrag worden uitgebreid tot de onderdanen van elk land, hetwelk Wederkerigheidsverdragen inzake sociale verzekering heeft aangegaan met alle genoemde Partijen.
Artikel 12
(a). Zo nodig zullen overeenkomsten tussen de bevoegde administratieve autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen worden gesloten, waarin maatregelen, noodzakelijk voor de toepassing van dit Verdrag, worden getroffen.
(b). Elk geschil tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen betreffende de interpretatie of de toepasselijkheid van dit Verdrag zal worden opgelost langs de weg van directe onderhandelingen.
(c). Indien het geschil langs deze weg niet kan worden opgelost binnen een termijn van drie maanden na de aanvang van de onderhandelingen, zal het worden voorgelegd aan een scheidsrechterlijk orgaan, waarvan de samenstelling en de te volgen procedure zal worden bepaald door een accoord tussen de Verdragsluitende Partijen.
(d). De beslissing van het scheidsrechterlijk orgaan zal worden genomen overeenkomstig de grondbeginselen en de geest van dit Verdrag; zij zal bindend zijn en zonder mogelijkheid van beroep.
Artikel 13
(a). Dit Verdrag zal worden bekrachtigd en de bekrachtigingsoorkonden zullen zo spoedig mogelijk worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Permanente Commissie van het Verdrag van Brussel.
(b). Het treedt in werking tussen die ondertekenaars, die het zullen hebben bekrachtigd, twee maanden na de dag, waarop de derde bekrachtigingsoorkonde zal zijn nedergelegd. Het treedt in werking voor ieder der andere ondertekenaars op de eerste dag van de maand volgende op die waarin zijn bekrachtigingsoorkonde is nedergelegd.
(c). Dit Verdrag zal van kracht blijven, behoudens het recht van iedere Verdragsluitende Partij om het op te zeggen door hiervan de Secretaris-Generaal te verwittigen; deze opzegging zal zes maanden na ontvangst door de Secretaris-Generaal van kracht worden.
(d). De Secretaris-Generaal zal aan de andere ondertekenaars van dit Verdrag mededeling doen van het nederleggen van iedere bekrachtigingsoorkonde en van iedere opzegging.
In witness whereof the undersigned, duly authorised by their respective Governments, have signed the present Convention and have affixed thereto their seals.
Done at Paris, the 7th November, 1949, in French and English, both texts being equally authorative, in a single copy which shall be deposited in the archives of the Secretariat-General of the Brussels Treaty Permanent Commission and of which a certified copy shall be transmitted by the Secretary-General to each of the signatory Governments.