Verdrag betreffende de nachtarbeid van jeudige personen in de nijverheid werkzaam

Type Verdrag
Publication 1964-11-13
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie,

Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te San Francisco en aldaar bijeengekomen in haar een en dertigste zitting op 17 Juni 1948,

Besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de gedeeltelijke herziening van het verdrag betreffende de nachtarbeid van jeugdige personen (nijverheid), 1919, door de Conferentie in hare eerste zitting aangenomen, welk onderwerp het tiende punt van de agenda der zitting is,

Overwegende, dat die voorstellen de vorm moeten aannemen van een internationaal verdrag,

Neemt heden, de 10de Juli 1948, het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden „verdrag nachtarbeid van jeugdige personen in de nijverheid werkzaam, herzien 1948”.

DEEL I. Algemene bepalingen

Artikel 1
1.

Voor de toepassing van dit verdrag worden als „nijverheidsondernemingen” met name beschouwd:

2.

De bevoegde autoriteit zal de scheidingslijn aangeven tussen de nijverheid enerzijds en de landbouw, de handel en de andere niet-industriële werkzaamheden anderzijds.

3.

De nationale wetgeving zal van de toepassing van dit verdrag kunnen uitzonderen het tewerkstellen bij arbeid, welke als niet schadelijk of nadelig voor jeugdige personen, noch gevaarlijk voor hen wordt beschouwd, in familie-ondernemingen, waarin uitsluitend de ouders en hun kinderen of pupillen werkzaam zijn.

Artikel 2
1.

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder „nacht” verstaan: een tijdruimte van ten minste twaalf achtereenvolgende uren.

2.

Voor jeugdige personen beneden zestien jaar moet in die tijdruimte het tijdsverloop tussen tien uur 's avonds en zes uur ’s morgens begrepen zijn.

3.

Voor jeugdige personen, die de leeftijd van zestien jaar bereikt hebben, doch beneden achttien jaar zijn, moet in die tijdruimte een tijdsverloop, door de bevoegde autoriteit vast te stellen, van ten minste zeven achtereenvolgende uren, liggende tussen tien uur 's avonds en zeven uur 's morgens, vallen; de bevoegde autoriteit kan verschillende tijdruimten voor verschillende streken, industrieën, ondernemingen of takken van industrieën of ondernemingen, voorschrijven, doch moet, vóórdat zij een tijdruimte na elf uur ’s avonds aanvangende vaststelt, de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties raadplegen.

Artikel 3
1.

Jeugdige personen beneden achttien jaar mogen gedurende de nacht niet in dienst zijn van noch arbeid verrichten in enige nijverheidsonderneming, hetzij het betreft een overheidsonderneming of een onderneming van een bijzonder persoon, of in een toebehoor daarvan, behalve in de hierna voorziene gevallen.

2.

Wanneer de behoeften van hun leerlingopleiding of hun beroepsopleiding in bepaalde industrieën of bezigheden, waar de arbeid onafgebroken dag en nacht moet doorgaan, het vereisen, mag de bevoegde autoriteit, na raadpleging van de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties, nachtarbeid van jeugdige personen, die de leeftijd van zestien jaar bereikt hebben, doch beneden achttien jaar zijn, toestaan.

3.

De jeugdige personen, overeenkomstig het vorig lid, ’s nachts tewerkgesteld, moeten tussen twee arbeidstijden een rusttijd van ten minste dertien achtereenvolgende uren genieten.

4.

Indien bij de wetgeving van het land de nachtarbeid in broodbakkerijen aan het gehele personeel is verboden, mag de bevoegde autoriteit voor de jeugdige personen, die de leeftijd van zestien jaar bereikt hebben, wanneer hun leerlingopleiding of hun beroepsopleiding het vereisen, de tijdruimte tussen negen uur 's avonds en vier uur 's morgens in de plaats te stellen van de tijdruimte van ten minste zeven achtereenvolgende uren, liggende tussen tien uur 's avonds en zeven uur 's morgens, door de bevoegde autoriteit krachtens lid 3 van artikel 2 voorgeschreven.

Artikel 4
1.

In landen, waar het klimaat het werken overdag bijzonder bezwaarlijk maakt, mogen de tijdruimte en het tijdsverloop van het verbod korter zijn dan de tijdruimte en het tijdsverloop bij de voorgaande artikelen vastgesteld, op voorwaarde, dat overdag een evenredig langere rusttijd wordt toegestaan.

2.

Het bepaalde in de artikelen 2 en 3 is niet van toepassing op de nachtarbeid van jeugdige personen van zestien tot achttien jaar, wanneer een geval van overmacht, dat niet kon worden voorzien of voorkomen en dat geen periodiek karakter heeft, de gewone gang van een nijverheidsonderneming belet.

Artikel 5

Wanneer, ten gevolge van zeer bijzonder ernstige omstandigheden, het nationaal belang dat vereist, kan het verbod van nachtarbeid, voor zoveel het de jeugdige personen van zestien tot achttien jaar betreft, bij een beslissing van de openbare autoriteit opgeschort worden.

Artikel 6
1.

De wetgeving, welke uitvoering aan de bepalingen van dit verdrag geeft, moet:

2.

De jaarverslagen door de Leden, overeenkomstig artikel 22 van het Statuut der Internationale Arbeidsorganisatie in te dienen, moeten volledige inlichtingen bevatten over de wetgeving, in het vorig lid bedoeld, en een algemene uiteenzetting van de resultaten van de inspecties, overeenkomstig dit artikel verricht.

DEEL II. Bijzondere bepalingen betreffende bepaalde landen

Artikel 7
1.

Elk Lid, dat vóór de datum, waarop het een wetgeving aanneemt, welke de bekrachtiging van dit verdrag mogelijk maakt, een wetgeving had, welke de nachtarbeid van jeugdige personen in de nijverheid regelde en een leeftijdsgrens kent lager dan die van achttien jaar, kan, bij een aan zijn bekrachtiging gehechte verklaring, de leeftijd van achttien jaar, bij lid 1 van artikel 3 voorgeschreven, vervangen door een leeftijd lager dan achttien jaar, doch in geen geval lager dan zestien jaar.

2.

Elk Lid, dat een dergelijke verklaring gedaan heeft, kan die te allen tijde tenietdoen bij een latere verklaring.

3.

Elk Lid, voor wie een verklaring, overeenkomstig het eerste lid van dit artikel gedaan, van kracht is, moet elk jaar, in zijn verslag over de toepassing van dit verdrag, aangeven, in welke mate enige vooruitgang ten aanzien van de algehele toepassing van de bepalingen van dit verdrag gemaakt is.

Artikel 8
1.

Het bepaalde in deel I van dit verdrag is op India van toepassing met de wijzigingen in dit artikel neergelegd.

2.

De bedoelde bepalingen zijn van toepassing op alle gebieden, waarop de wetgeving van India de bevoegdheid heeft ze toe te passen.

3.

Als „nijverheidsondernemingen” worden beschouwd:

4.

Artikel 2, lid 2, moet van toepassing zijn op jeugdige personen, dertien jaar oud doch jonger dan vijftien jaar.

5.

Artikel 2, lid 3, moet van toepassing zijn op jeugdige personen, vijftien jaar oud, doch jonger dan zeventien jaar.

6.

Artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, moeten van toepassing zijn op jeugdige personen beneden zeventien jaar.

7.

Artikel 3, lid 2, 3 en 4, artikel 4 lid 2, en artikel 5, moeten van toepassing zijn op jeugdige personen van vijftien jaar, doch jonger dan zeventien jaar.

8.

Artikel 6, lid 1e, moet van toepassing zijn op jeugdige personen beneden zeventien jaar.

Artikel 9
1.

De bepalingen in deel I van dit verdrag zijn van toepassing op Pakistan met de wijzigingen in dit artikel neergelegd.

2.

De bedoelde bepalingen zijn van toepassing op alle gebieden, waarvoor de wetgeving van Pakistan (Pakistan legislature) bevoegdheid heeft ze toe te passen.

3.

Als “nijverheidsondernemingen” worden beschouwd:

4.

Artikel 2, lid 2, moet van toepassing zijn op jeugdige personen van dertien jaar, doch beneden vijftien jaar.

5.

Artikel 2, lid 3, moet van toepassing zijn op jeugdige personen van vijftien jaar, doch beneden zeventien jaar.

6.

Artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, moeten van toepassing zijn op jeugdige personen beneden zeventien jaar.

7.

Artikel 3, lid 2, 3 en 4, artikel 4, lid 2, en artikel 5, moeten van toepassing zijn op jeugdige personen van vijftien jaar, doch beneden zeventien jaar.

8.

Artikel 6, lid 1e, moet van toepassing zijn op jeugdige personen beneden zeventien jaar.

Artikel 10
1.

De Internationale Arbeidsconferentie kan in elke zitting, op welker agenda de aangelegenheid geplaatst is, bij meerderheid van twee derden der stemmen ontwerp-amendementen op één of meer van de voorgaande artikelen van deel II van dit verdrag aannemen.

2.

Een zodanig amendement moet het Lid of de Leden aanwijzen, op wie het van toepassing is en moet, binnen het tijdvak van een jaar, of in buitengewone omstandigheden, binnen een tijdvak van achttien maanden na de sluiting van de zitting van de Conferentie, door het Lid of de Leden, voor wie het van toepassing is, voorgelegd worden aan de bevoegde autoriteit of autoriteiten, ten einde de aangelegenheid in een wet te belichamen of andere maatregelen ter zake te nemen.

3.

Het Lid, dat de toestemming van de bevoegde autoriteit of autoriteiten heeft verkregen, deelt de officiële bekrachtiging van het amendement ter inschrijving mede aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau.

4.

Een dergelijk ontwerp-amendement, eenmaal door het Lid of de Leden waarvoor het van toepassing is, bekrachtigd, treedt als amendement op dit verdrag in werking.

DEEL III. Slotbepalingen

Artikel 11

De officiële bekrachtigingen van dit verdrag zullen worden medegedeeld aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en door hem worden ingeschreven.

Artikel 12
1.

Dit verdrag zal slechts verbindend zijn voor de Leden der Internationale Arbeidsorganisatie, die hun bekrachtigingen door de Directeur-Generaal hebben doen inschrijven.

2.

Het zal van kracht worden twaalf maanden, nadat de bekrachtigingen van twee Leden door de Directeur-Generaal zullen zijn ingeschreven.

3.

Vervolgens zal dit verdrag voor ieder der Leden in werking treden twaalf maanden na de datum, waarop zijn bekrachtiging zal zijn ingeschreven.

Artikel 13
1.

Ieder Lid, dat dit verdrag heeft bekrachtigd, kan het opzeggen na verloop van een termijn van tien jaren na de datum, waarop dit verdrag van kracht is geworden, zulks bij een verklaring toegezonden aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en door deze in te schrijven. De opzegging wordt eerst van kracht een jaar, nadat zij is ingeschreven.

2.

Ieder Lid, dat dit verdrag heeft bekrachtigd en binnen een jaar na verloop van de termijn van tien jaren, bedoeld in het vorig lid, geen gebruik maakt van de bevoegdheid tot opzegging, voorzien in dit artikel, zal voor een nieuwe termijn van tien jaren gebonden zijn en zal daarna dit verdrag kunnen opzeggen na verloop van elke termijn van tien jaren, onder de voorwaarden, bedoeld in dit artikel.

Artikel 14
1.

De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau zal aan alle Leden der Internationale Arbeidsorganisatie kennisgeven van de inschrijving van alle bekrachtigingen en opzeggingen, welke hem door de Leden der Organisatie zullen zijn medegedeeld.

2.

Bij de kennisgeving aan de Leden der Organisatie van de tweede hem medegedeelde bekrachtiging, zal de Directeur-Generaal de aandacht van de Leden der Organisatie vestigen op de datum, waarop dit verdrag van kracht zal worden.

Artikel 15

De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau zal aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties mededeling doen ter registratie, overeenkomstig het bepaalde in artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties, van de volledige bijzonderheden omtrent alle bekrachtigingen en opzeggingen, welke hij overeenkomstig de voorgaande artikelen heeft geregistreerd.

Artikel 16

Telkens wanneer de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau zulks nodig acht legt deze een verslag inzake de toepassing van dit Verdrag voor aan de Algemene Conferentie, en gaat na of het wenselijk is de kwestie van de gehele of gedeeltelijke herziening van het Verdrag op de agenda van de Conferentie te plaatsen.

Artikel 17
1.

Indien de Conferentie een nieuw verdrag aanneemt, houdende gehele of gedeeltelijke wijziging van het onderhavige verdrag, zal, tenzij het nieuwe verdrag anders bepaalt:

2.

Het onderhavige verdrag zal echter van kracht blijven naar vorm en inhoud voor de Leden, die het bekrachtigd hebben en die het nieuwe verdrag, houdende herziening, niet bekrachtigen.

Artikel 18

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.