Verdrag voor de vreedzame beslechting van internationale geschillen
Zijne Majesteit de Keizer van Duitsland, Koning van Pruisen; Zijne Majesteit de Keizer van Oostenrijk, Koning van Bohemen enz. en Apostolisch Koning van Hongarije; Zijne Majesteit de Koning der Belgen; Zijne Majesteit de Keizer van China; Zijne Majesteit de Koning van Denemarken; Zijne Majesteit de Koning van Spanje en in Hoogstdeszelfs naam de Koningin-Regentes van het Koninkrijk; de President van de Verenigde Staten van Amerika; de President van de Verenigde Mexicaanse Staten; de President van de Franse Republiek; Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland, Keizerin van Indië; Zijne Majesteit de Koning der Hellenen; Zijne Majesteit de Koning van Italië; Zijne Majesteit de Keizer van Japan; Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hertog van Nassau; Zijne Hoogheid de Prins van Montenegro; Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden; Zijne Keizerlijke Majesteit de Sjah van Perzië; Zijne Majesteit de Koning van Portugal en de Algarven enz.; Zijne Majesteit de Koning van Roemenië; Zijne Majesteit de Keizer aller Russen; Zijne Majesteit de Koning van Servië; Zijne Majesteit de Koning van Siam; Zijne Majesteit de Koning van Zweden en Noorwegen; de Zwitserse Bondsraad; Zijne Majesteit de Keizer van Turkije en Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins van Bulgarije,
Bezield met de vaste wil samen te werken aan de handhaving van de algemene vrede;
Vastbesloten alles in het werk te stellen om de minnelijke beslechting van internationale geschillen te bevorderen;
Erkennend de solidariteit die de leden van de gemeenschap van beschaafde naties verenigt;
Geleid door de wens de rechtsstaat uit te breiden en het bewustzijn van de internationale gerechtigheid te versterken;
Overtuigd dat de permanente instelling van een voor allen toegankelijke arbitrale rechtspraak te midden van onafhankelijke mogendheden een krachtige bijdrage aan dat doel kan leveren;
In aanmerking nemend de voordelen die voortvloeien uit een algemene en regelmatige arbitrale procedure;
Met de doorluchtige initiatiefnemer van de Internationale Vredesconferentie van oordeel zijnd dat de beginselen van billijkheid en recht waarop de veiligheid van de staten en het welzijn van de volkeren berusten, behoren te worden bezegeld in een internationale overeenkomst.
De wens uitsprekend daartoe een Verdrag te sluiten, hebben benoemd tot hun gevolmachtigden:
Zijne Majesteit de Keizer van Duitsland, Koning van Pruisen:
Zijne Excellentie Graaf van MÜNSTER, Prins van DERNEBURG, zijn ambassadeur te Parijs.
Zijne Majesteit de Keizer van Oostenrijk, Koning van Bohemen enz. en Apostolisch Koning van Hongarije:
Zijne Excellentie Graaf R. DE WELSERSHEIMB, zijn buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur.
De heer ALEXANDRE OKOLICSANYI D’OKOLICSNA, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te ‘s-Gravenhage.
Zijne Majesteit de Koning der Belgen:
Zijne Excellentie de heer AUGUSTE BEERNAERT, zijn minister van Staat, Voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers.
Graaf DEGRELLE ROGIER, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te ‘s-Gravenhage.
Ridder DESCAMPS, senator.
Zijne Majesteit de Keizer van China:
De heer YANG YÜ, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te St. Petersburg.
Zijne Majesteit de Koning van Denemarken:
Zijn kamerheer FR. E. DE BILLE, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Londen.
Zijne Majesteit de Koning van Spanje en in Hoogstdeszelfs naam de Koningin-Regentes van het Koninkrijk:
Zijne Excellentie Hertog van TETUAN, oud-minister van Buitenlandse Zaken.
De heer W. RAMEREZ DE VILLA URRUTIA, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Brussel.
De heer ARTHUR DE BAGUER, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te ‘s-Gravenhage.
De President van de Verenigde Staten van Amerika:
Zijne Excellentie de heer ANDREW D. WHITE, ambassadeur van de Verenigde Staten te Berlijn.
De heer SETH LOW, voorzitter van de Columbia University te New York.
De heer STANFORD NEWEL, buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te ‘s-Gravenhage.
De heer ALFRED T. MAHAN, kapitein-ter-zee.
De heer WILLIAM CROZIER, kapitein der artillerie.
De President van de Verenigde Mexicaanse Staten:
De heer DE MIER, buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Parijs.
De heer ZENIL, minister-resident te Brussel.
De President van de Franse Republiek:
De heer LEON BOURGEOIS, oud-voorzitter van de Raad, oud-minister van Buitenlandse Zaken, lid van de Kamer van Afgevaardigden.
De heer GEORGES BIHOURD, buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te ‘s-Gravenhage.
Baron D’ESTOURNELLES DE CONSTANT, gevolmachtigd minister, lid van de Kamer van Afgevaardigden.
Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland, Keizerin van Indië:
Zijne Excellentie de Zeer Eerwaarde Baron PAUNCEFOTE DE PRESTON, lid van de Privy Council van Hare Majesteit, haar buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur te Washington.
De heer HENRY HOWARD, haar buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te ‘s-Gravenhage.
Zijne Majesteit de Koning der Hellenen:
De heer N. DELYANNI, oud-voorzitter van de Raad, oud-minister van Buitenlandse Zaken, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Parijs.
Zijne Majesteit de Koning van Italië:
Zijne Excellentie Graaf NIGRA, zijn ambassadeur te Wenen, senator van het Koninkrijk.
Graaf A. ZANNINI, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te ‘s-Gravenhage.
Commandeur GUIDO POMPILJ, gedeputeerde in het Italiaanse Parlement.
Zijne Majesteit de Keizer van Japan:
De heer I. MOTONO, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Brussel.
Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hertog van Nassau:
Zijne Excellentie de heer EYSCHEN, zijn minister van Staat, voorzitter van de Regering van het Groothertogdom.
Zijne Hoogheid de Prins van Montenegro:
Zijne Hoogheid, de huidige persoonlijke raadsheer DE STAAL, ambassadeur van Rusland te Londen.
Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:
Jonkheer A. P. C. VAN KARNEBEEK, oud-minister van Buitenlandse Zaken, lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
Generaal J. C. C. DEN BEER POORTUGAEL, oud-minister van Oorlog, lid van de Raad van State.
De heer T. M. C. ASSER, lid van de Raad van State.
De heer E. N. RAHUSEN, lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.
Zijne Majesteit de Sjah van Perzië:
Zijn aide de camp Generaal MIRZA RIZA KHAN, Arfa-ud-Dovleh, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te St. Petersburg en te Stockholm.
Zijne Majesteit de Koning van Portugal en de Algarven, enz.:
Graaf DE MACEDO, Pair van het Koninkrijk, oud-minister van Marine en Koloniën, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Madrid.
De heer D’ORNELLAS ET VASCONCELLOS, Pair van het Koninkrijk, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te St. Petersburg.
Graaf DE SELIR, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te ’s-Gravenhage.
Zijne Majesteit de Koning van Roemenië:
De heer ALEXANDRE BELDIMAN, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Berlijn.
De heer JEAN N. PAPINIU, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te ’s-Gravenhage.
Zijne Majesteit de Keizer aller Russen:
Zijne Excellentie, de huidige persoonlijke raadsheer DE STAAL, zijn ambassadeur te Londen.
De heer DE MARTENS, permanent lid van de Raad van het Keizerlijk Ministerie van Buitenlandse Zaken, zijn persoonlijke raadsheer.
Zijn huidige staatsraad DE BASILY, kamerheer, directeur van het eerste departement van het Keizerlijk Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Zijne Majesteit de Koning van Servië:
De heer MIYATOVITCH, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Londen en te ’s-Gravenhage.
Zijne Majesteit de Koning van Siam:
De heer PHYA SURIYA NUVATR, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te St. Petersburg en te Parijs.
De heer PHYA VISUDDHA SURIYASAKTI, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te ’s-Gravenhage en te Londen.
Zijne Majesteit de Koning van Zweden en van Noorwegen:
Baron DE BILDT, zijn buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Rome.
De Zwitserse Bondsraad:
Doctor ARNOLD ROTH, buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Berlijn.
Zijne Majesteit de Keizer van Turkije:
Zijne Excellentie TURKHAN PACHA, oud-minister van Buitenlandse Zaken, lid van zijn Raad van State.
NOURY BEY, secretaris-generaal van het ministerie van Buitenlandse Zaken.
Zijne Hoogheid de Prins van Bulgarije:
Doctor DIMITRI STANCIOFF, diplomaat te St. Petersburg.
Majoor CHRISTO HESSAPTCHIEFF, militair attaché te Belgrado.
Die, na elkaar hun volmachten te hebben meegedeeld, die in goede en behoorlijke vorm zijn bevonden, de volgende bepalingen zijn overeengekomen:
De Franse tekst van het Verdrag en de vertaling zijn oorspronkelijk gepubliceerd in Stb. 1900/163.
TITEL I. HANDHAVING VAN DE ALGEMENE VREDE
Artikel 1
Teneinde zoveel mogelijk te voorkomen dat in de betrekkingen tussen de staten onderling tot geweld wordt overgegaan, komen de ondertekenende mogendheden overeen alles in het werk te stellen om de vreedzame beslechting van internationale geschillen te waarborgen.
TITEL II. GOEDE DIENSTEN EN BEMIDDELING
Artikel 2
Bij ernstige onenigheid of een geschil komen de ondertekenende mogendheden overeen, alvorens hun toevlucht tot de wapens te nemen, een beroep te doen op de goede diensten of de bemiddeling van een of meer bevriende mogendheden, voor zover de omstandigheden dit toelaten.
Artikel 3
Afgezien van dit beroep, achten de ondertekenende mogendheden het nuttig dat een of meer buiten het geschil staande mogendheden uit eigen beweging, voor zover de omstandigheden zich daartoe lenen, hun goede diensten of bemiddeling aanbieden aan de staten in geschil.
Buiten het geschil staande mogendheden hebben het recht goede diensten of bemiddeling aan te bieden, zelfs wanneer de vijandelijkheden reeds zijn aangevangen.
De uitoefening van dit recht kan door beide partijen in geschil nooit als een minder vriendschappelijke daad worden beschouwd.
Artikel 4
De taak van de bemiddelaar bestaat uit het verzoenen van de staten in geschil en het wegnemen van hun onderlinge gevoeligheden.
Artikel 5
De werkzaamheden van de bemiddelaar eindigen op het moment waarop wordt vastgesteld, hetzij door een van de partijen in geschil, hetzij door de bemiddelaar zelf, dat de door hem voorgestelde middelen van verzoening niet zijn aanvaard.
Artikel 6
De goede diensten en de bemiddeling, hetzij ingeroepen door de partijen in geschil, hetzij op initiatief van de buiten het geschil staande mogendheden, hebben uitsluitend een adviserend karakter en zijn nimmer bindend.
Artikel 7
Het aanvaarden van de bemiddeling brengt, tenzij anders wordt overeengekomen, niet met zich mee dat de mobilisatie en andere maatregelen tot voorbereiding van de oorlog worden gestaakt, vertraagd of belemmerd.
Indien de bemiddeling plaatsvindt na het uitbreken van de vijandelijkheden, worden, tenzij anders wordt overeengekomen, reeds in gang gezette militaire operaties er niet door onderbroken.
Artikel 8
De ondertekenende mogendheden komen overeen, in de gevallen waarin dit mogelijk is, de toepassing van bijzondere bemiddeling aan te bevelen, in de volgende vorm:
In geval van een ernstig, de vrede bedreigend geschil kiest elk van de staten in geschil een mogendheid aan welke hij de opdracht toevertrouwt zich rechtstreeks in verbinding te stellen met de door de andere staat gekozen mogendheid, teneinde het verbreken van de vreedzame betrekkingen te voorkomen.
Tijdens deze opdracht, waarvan de duur dertig dagen niet te boven kan gaan, tenzij anders is overeengekomen, staken de staten in geschil alle rechtstreekse betrekkingen ter zake van het geschil, die geacht worden uitsluitend aan de bemiddelende mogendheden te zijn overgelaten. Deze dienen alles in het werk te stellen om het geschil te beslechten.
In geval van feitelijke verbreking van de vreedzame betrekkingen, blijven deze mogendheden belast met de gemeenschappelijke opdracht elke gelegenheid te baat te nemen om de vrede te herstellen.
TITEL III. INTERNATIONALE ONDERZOEKSCOMMISSIES
Artikel 9
In internationale geschillen waarbij noch de eer, noch wezenlijke belangen betrokken zijn en die voortvloeien uit een verschil van mening omtrent feitelijke punten, achten de ondertekenende mogendheden het nuttig dat partijen die niet langs diplomatieke weg tot overeenstemming konden komen, voor zover de omstandigheden het toelaten, een internationale onderzoekscommissie instellen die de opdracht krijgt de oplossing van deze geschillen te vergemakkelijken door de feitelijke kwesties op te helderen met een onpartijdig en nauwgezet onderzoek.
Artikel 10
Bij een bijzondere overeenkomst tussen de partijen in geschil wordt een internationale onderzoekscommissie ingesteld.
In de onderzoeksovereenkomst worden de te onderzoeken feiten en de bevoegdheden van de commissarissen vastgesteld.
De wijze van behandeling wordt erin geregeld. Het onderzoek geschiedt op tegenspraak.
De vorm en de in acht te nemen termijnen worden, voor zover zij niet in de onderzoeksovereenkomst zijn vastgesteld, door de commissie zelf bepaald.
Artikel 11
Een internationale onderzoekscommissie wordt, tenzij anders wordt overeengekomen, samengesteld op de wijze zoals bepaald in artikel 32 van dit Verdrag.
Artikel 12
De mogendheden in geschil verbinden zich ertoe de internationale onderzoekscommissie, in de ruimste mate die zij mogelijk achten, alle middelen en medewerking te verschaffen die nodig zijn voor de volledige vaststelling en nauwkeurige beoordeling van de feiten in kwestie.
Artikel 13
De internationale onderzoekscommissie biedt de mogendheden in geschil haar door alle leden van de commissie ondertekende verslag aan.
Artikel 14
Het verslag van de internationale onderzoekscommissie beperkt zich tot het vaststellen van de feiten en heeft geenszins het karakter van een arbitrale uitspraak. Het laat de mogendheden in geschil de volledige vrijheid ten aanzien van het aan de vastgestelde feiten te geven gevolg.
TITEL IV. INTERNATIONALE ARBITRAGE
HOOFDSTUK I. DE ARBITRALE RECHTSPRAAK
Artikel 15
Internationale arbitrage heeft tot doel het beslechten van geschillen tussen staten door door hen gekozen arbiters en op basis van de eerbiediging van het recht.
Artikel 16
Bij geschillen van rechtskundige aard, en in eerste instantie bij kwesties inzake de uitlegging of toepassing van internationale overeenkomsten, wordt arbitrage door de ondertekenende mogendheden erkend als het effectiefste en tevens billijkste middel voor de beslechting van geschillen die niet langs diplomatieke weg zijn opgelost.
Artikel 17
De arbitrageovereenkomst wordt aangegaan voor reeds bestaande geschillen of geschillen die zich in de toekomst kunnen voordoen.
Zij kan alle geschillen betreffen of uitsluitend geschillen van een bepaalde categorie.
Artikel 18
De arbitrageovereenkomst brengt de verbintenis met zich mee zich te goeder trouw aan de arbitrale uitspraak te onderwerpen.
Artikel 19
Afgezien van algemene of bijzondere verdragen waarin thans voor de ondertekenende mogendheden de verplichting is opgenomen arbitrage in te roepen, behouden deze mogendheden zich het recht voor hetzij vóór de bekrachtiging van dit Verdrag, hetzij op een later tijdstip, nieuwe algemene of bijzondere overeenkomsten aan te gaan teneinde de verplichte arbitrage uit te breiden tot alle gevallen die naar hun oordeel daarvoor in aanmerking komen.
HOOFDSTUK II. HET PERMANENTE HOF VAN ARBITRAGE
Artikel 20
Ter bevordering van de onmiddellijke inzet van arbitrage bij internationale geschillen die niet langs diplomatieke weg konden worden beslecht, verbinden de ondertekenende mogendheden zich ertoe een Permanent Hof van Arbitrage in te stellen, dat te allen tijde toegankelijk is en, tenzij anderszins wordt overeengekomen tussen de partijen, optreedt overeenkomstig de procedureregels vervat in dit Verdrag.
Artikel 21
Het Permanente Hof is bevoegd voor alle arbitragezaken, tenzij de partijen overeenkomen een bijzonder gerecht in te stellen.
Artikel 22
Een Internationaal Bureau, gevestigd te ‘s-Gravenhage, fungeert als griffie voor het Hof.
Mededelingen betreffende de vergaderingen van het Hof geschieden door tussenkomst van dit Bureau.
Het Bureau bewaart het archief en beheert alle administratieve zaken.
De ondertekenende mogendheden verbinden zich ertoe het Internationaal Bureau te ‘s-Gravenhage een gewaarmerkt afschrift te doen toekomen van elke tussen hen tot stand gekomen overeenkomst inzake arbitrage en van elke arbitrale uitspraak die hen betreft en door een bijzonder gerecht is gedaan.
Zij verbinden zich ertoe het Bureau wetten, reglementen en documenten te doen toekomen waarbij in voorkomend geval mededeling wordt gedaan omtrent de uitvoering van de uitspraken die door het Hof zijn gedaan.
Artikel 23
Elke ondertekenende mogendheid wijst binnen drie maanden na haar bekrachtiging van dit Verdrag ten hoogste vier personen aan die beschikken over bewezen bekwaamheid op het gebied van internationaal recht, in hoog aanzien staan en bereid zijn de functie van arbiter te aanvaarden.
De aldus aangewezen personen worden als leden van het Hof ingeschreven op een lijst die door het Bureau aan alle ondertekenende mogendheden wordt medegedeeld.
Elke wijziging in de lijst van arbiters wordt door het Bureau ter kennis van de ondertekenende mogendheden gebracht.
Twee of meer mogendheden kunnen overeenstemming bereiken over de gezamenlijke aanwijzing van een of meer leden.
Dezelfde persoon kan door verschillende mogendheden worden aangewezen.
De leden van het Hof worden benoemd voor een termijn van zes jaar. Hun ambtstermijn kan worden verlengd.
In geval van overlijden of aftreden van een lid van het Hof wordt in zijn vervanging voorzien op de wijze vastgesteld voor zijn benoeming.
Artikel 24
Wanneer de ondertekenende mogendheden zich tot het Permanente Hof wensen te wenden voor de beslechting van een tussen hen gerezen geschil, dienen de arbiters die verzocht worden het scheidsgerecht te vormen dat bevoegd is tot een uitspraak over het geschil, te worden gekozen uit de algemene lijst van leden van het Hof.
Indien de partijen niet onmiddellijk overeenstemming bereiken omtrent de samenstelling van het scheidsgerecht, wordt op de volgende wijze gehandeld:
Elke partij benoemt twee arbiters en deze kiezen tezamen een opperarbiter.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.