Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart
Preambule
Overwegende, dat de toekomstige ontwikkeling van de internationale burgerluchtvaart belangrijk kan bijdragen tot het scheppen en bewaren van vriendschap en goed begrip tussen de naties en volkeren van de wereld, doch dat misbruik daarvan een bedreiging kan worden voor de algemene veiligheid; en
Overwegende, dat het wenselijk is wrijving te voorkomen en die samenwerking tussen naties en volkeren waarvan de wereldvrede afhangt, te bevorderen;
Zo is het, dat de ondertekenende Regeringen, na overeenstemming te hebben bereikt omtrent bepaalde beginselen en regelingen, opdat de internationale burgerluchtvaart zich kan ontwikkelen op een veilige en ordelijke wijze en internationale luchtvervoersdiensten ingesteld kunnen worden op basis van gelijke kansen en geëxploiteerd kunnen worden op een gezonde en economische wijze;
Dienovereenkomstig te dien einde dit Verdrag hebben gesloten.
DEEL I. LUCHTVAART
HOOFDSTUK I. Algemene beginselen en toepassing van het Verdrag
Artikel 1. Soevereiniteit
De Verdragsluitende Staten erkennen dat elke Staat de volledige en uitsluitende soevereiniteit heeft over de luchtruimte boven zijn grondgebied.
Artikel 2. Grondgebied
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt het grondgebied van een Staat geacht te omvatten het grondgebied en de daaraan grenzende territoriale wateren welke staan onder de soevereiniteit, suzereiniteit, bescherming of het mandaat van die Staat.
Artikel 3. Burgerluchtvaartuigen en staatsluchtvaartuigen
(a). Dit Verdrag is uitsluitend van toepassing op burgerluchtvaartuigen, niet op staatsluchtvaartuigen.
(b). Luchtvaartuigen, in gebruik voor militaire diensten, douane en politiediensten worden geacht staatsluchtvaartuigen te zijn.
(c). Geen staatsluchtvaartuig van een Verdragsluitende Staat mag over het grondgebied van een andere Staat vliegen of daarop landen, anders dan met vergunning krachtens een speciale regeling of anderszins en overeenkomstig de bepalingen daarvan.
(d). De Verdragsluitende Staten verbinden zich bij het uitvaardigen van voorschriften voor hun staatsluchtvaartuigen de veiligheid van het verkeer met burgerluchtvaartuigen in het oog te zullen houden.
Artikel 3 bis
a. De Verdragsluitende Staten erkennen dat elke Staat zich ervan dient te onthouden over te gaan tot het gebruik van wapens tegen burgerluchtvaartuigen tijdens de vlucht en dat, in geval van onderschepping, het leven van personen aan boord en de veiligheid van luchtvaartuigen niet in gevaar mogen worden gebracht. Deze bepaling mag niet zo worden uitgelegd dat daardoor op enigerlei wijze de rechten en plichten van Staten vervat in het Handvest van de Verenigde Naties worden gewijzigd.
b. De Verdragsluitende Staten erkennen dat elke Staat, in de uitoefening van zijn soevereiniteit, gerechtigd is de landing op een daartoe aangewezen vliegveld te eisen van een burgerluchtvaartuig dat zonder vergunning boven zijn grondgebied vliegt of indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat dit luchtvaartuig wordt gebruikt voor doeleinden die onverenigbaar zijn met de strekking van dit Verdrag; een Staat is tevens gerechtigd een dergelijk luchtvaartuig iedere andere instructie te geven ten einde dergelijke schendingen te beëindigen. Hiertoe kunnen de Verdragsluitende Staten alle passende maatregelen nemen, die verenigbaar zijn met de daarop betrekking hebbende regels van het internationale recht, waaronder de daarop betrekking hebbende bepalingen van dit Verdrag, in het bijzonder lid a van dit artikel. Elke Verdragsluitende Staat stemt ermede in zijn van kracht zijnde voorschriften betreffende de onderschepping van burgerluchtvaartuigen te publiceren.
c. Elk burgerluchtvaartuig dient een bevel, gegeven in overeenstemming met het bepaalde in lid b van dit artikel, op te volgen. Elke Verdragsluitende Staat neemt alle noodzakelijke bepalingen in zijn nationale wetten of voorschriften op ten einde het opvolgen van dergelijke bevelen verplicht te stellen voor elk burgerluchtvaartuig dat in die Staat is geregistreerd of wordt geëxploiteerd door een exploitant die zijn hoofdkantoor of zijn vaste woonplaats in deze Staat heeft. Elke Verdragsluitende Staat stelt iedere schending van zodanige toepasselijke wetten of voorschriften strafbaar met strenge straffen en brengt de zaak voor zijn bevoegde autoriteiten overeenkomstig zijn wetten of voorschriften.
d. Elke Verdragsluitende Staat neemt passende maatregelen ten einde het opzettelijke gebruik van een burgerluchtvaartuig dat in die Staat is geregistreerd of wordt geëxploiteerd door een exploitant die zijn hoofdkantoor of zijn vaste woonplaats in deze Staat heeft, voor alle doeleinden die onverenigbaar zijn met de strekking van dit Verdrag, te voorkomen. Deze bepaling laat onverlet het bepaalde in lid a en doet niets af aan het bepaalde in de leden b en c van dit artikel.
Artikel 4. Misbruik van de burgerluchtvaart
Elke Verdragsluitende Staat verbindt zich de burgerluchtvaart niet te gebruiken voor doeleinden welke onverenigbaar zijn met de strekking van dit Verdrag.
HOOFDSTUK II. Uitoefening van de luchtvaart boven het grondgebied der Verdragsluitende Staten
Artikel 5. Recht van niet-geregelde vluchten
Elke Verdragsluitende Staat stemt ermede in dat alle luchtvaartuigen van de andere Verdragsluitende Staten, in gebruik anders dan op geregelde internationale luchtdiensten, met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag, het recht hebben zijn grondgebied binnen te vliegen of erover te vliegen zonder tussenlanding en er te landen anders dan voor verkeersdoeleinden, zonder voorafgaande vergunning, behoudens het recht van de Staat over wiens grondgebied wordt gevlogen, landing te eisen. Elke Verdragsluitende Staat behoudt zich echter, om redenen van vliegveiligheid, het recht voor, luchtvaartuigen welke zich willen begeven boven gebieden die ontoegankelijk zijn of waar niet voldoende luchtverkeersfaciliteiten aanwezig zijn, op te dragen voorgeschreven routes te volgen of voor zodanige vluchten speciale vergunning te verkrijgen.
Indien zodanige luchtvaartuigen gebruikt worden voor het vervoer van passagiers, goederen of post tegen vergoeding of beloning, anders dan op geregelde internationale luchtdiensten, hebben zij bovendien, met inachtneming van het bepaalde in artikel 7, het recht passagiers, goederen of post op te nemen of af te zetten, behoudens het recht van een Staat waar zulk opnemen of afzetten plaatsvindt, om zodanige bepalingen, voorwaarden of beperkingen te stellen, als hem wenselijk voorkomen.
Artikel 6. Geregelde luchtdiensten
Geen geregelde internationale luchtdienst mag worden geëxploiteerd over of tot in het grondgebied van een Verdragsluitende Staat anders dan met de speciale toestemming of vergunning van die Staat en overeenkomstig de voorwaarden verbonden aan een zodanige toestemming of vergunning.
Artikel 7. Cabotage
Elke Verdragsluitende Staat heeft het recht aan de luchtvaartuigen van andere Verdragsluitende Staten vergunning te weigeren tot het opnemen binnen zijn grondgebied van passagiers, post en goederen tot vervoer tegen vergoeding of beloning bestemd voor een ander punt binnen zijn grondgebied. Elke Verdragsluitende Staat verbindt zich geen regelingen te treffen waarmede aan enige andere Staat of aan een luchtvaartmaatschappij van enige andere Staat bij uitsluiting een zodanig recht uitdrukkelijk wordt toegekend of waardoor van enige andere Staat een zodanig uitsluitend recht wordt verkregen.
Artikel 8. Onbemande luchtvaartuigen
Geen luchtvaartuig dat zonder bestuurder kan vliegen, mag zonder bestuurder vliegen over het grondgebied van een Verdragsluitende Staat anders dan met de speciale vergunning van die Staat en overeenkomstig de voorwaarden verbonden aan een zodanige vergunning.
Elke Verdragsluitende Staat verbindt zich te waarborgen dat de vlucht van zulk een luchtvaartuig zonder bestuurder in gebieden opengesteld voor burgerluchtvaartuigen zodanig wordt gecontroleerd, dat gevaar voor burgerluchtvaartuigen wordt voorkomen.
Artikel 9. Verboden gebieden
(a). Elke Verdragsluitende Staat kan, om redenen van militaire noodzaak of openbare veiligheid, het uitoefenen van de luchtvaart met luchtvaartuigen van andere Staten boven bepaalde delen van zijn grondgebied op eenvormige wijze beperken of verbieden, mits terzake geen onderscheid wordt gemaakt tussen de luchtvaartuigen, gebruikt op geregelde internationale luchtdiensten van de Staat wiens grondgebied in het geding is en de luchtvaartuigen van andere Verdragsluitende Staten welke op dezelfde wijze worden gebruikt. Zodanige verboden gebieden dienen redelijke afmetingen te hebben en zodanig te zijn gelegen dat zij niet onnodig de luchtvaart hinderen. Beschrijvingen van zodanige verboden gebieden op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, zowel als latere wijzigingen daarin, moeten zo spoedig mogelijk aan de andere Verdragsluitende Staten en aan de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie worden medegedeeld.
(b). Elke Verdragsluitende Staat behoudt zich tevens het recht voor, in buitengewone omstandigheden of in tijd van nood, dan wel in het belang van de openbare veiligheid, met onmiddellijke inwerkingtreding de uitoefening van de luchtvaart over zijn gehele grondgebied of een deel daarvan tijdelijk te beperken of te verbieden, onder voorwaarde dat zodanig (e) beperking of verbod zonder onderscheid van nationaliteit van toepassing zal zijn op luchtvaartuigen van alle andere Staten.
(c). Elke Verdragsluitende Staat kan op grond van door hem uitgevaardigde voorschriften eisen dat luchtvaartuigen die gebieden als onder (a) en (b) bedoeld, binnenvliegen, zo spoedig mogelijk daarna landen op een aangewezen luchthaven binnen zijn grondgebied.
Artikel 10. Landing op douaneluchthaven
Behoudens de gevallen waarin op grond van de bepalingen van dit Verdrag of van een speciale vergunning, luchtvaartuigen zonder landing over het grondgebied van een Verdragsluitende Staat mogen vliegen, moet elk luchtvaartuig dat het grondgebied van een Verdragsluitende Staat binnenvliegt, indien de reglementen van die Staat zulks eisen, landen op een door die Staat aangewezen luchthaven voor douanecontrole en ander onderzoek. Bij vertrek uit het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, moet een zodanig luchtvaartuig vertrekken van een eveneens door die Staat aangewezen douaneluchthaven. Bijzonderheden omtrent alle aangewezen douaneluchthavens worden door de Staat bekendgemaakt en gezonden aan de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie, opgericht krachtens Deel II van dit Verdrag, ter mededeling aan alle andere Verdragsluitende Staten.
Artikel 11. Toepasselijkheid van luchtvaartvoorschriften
Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag dienen de wetten en voorschriften van een Verdragsluitende Staat betreffende de toelating tot of het vertrek uit zijn grondgebied van luchtvaartuigen gebruikt in de internationale luchtvaart of betreffende de exploitatie van en het vliegen met zulke luchtvaartuigen, zolang zij zich binnen zijn grondgebied bevinden, zonder onderscheid van nationaliteit, van toepassing te zijn op de luchtvaartuigen van alle Verdragsluitende Staten; deze wetten en voorschriften moeten door deze luchtvaartuigen worden nagekomen bij het binnenvliegen of verlaten van het grondgebied of gedurende het verblijf binnen het grondgebied van die Staat.
Artikel 12. Luchtverkeersregels
Elke Verdragsluitende Staat verbindt zich maatregelen te treffen ten einde te verzekeren dat elk luchtvaartuig dat over zijn grondgebied vliegt of zich binnen zijn grondgebied beweegt en elk luchtvaartuig dat zijn nationaliteitskenmerk draagt, waar het zich ook bevindt, de aldaar van kracht zijnde regels en voorschriften inzake het vliegen en het zich bewegen van luchtvaartuigen in acht neemt.
Elke Verdragsluitende Staat verbindt zich zijn eigen voorschriften op dit gebied zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met die, welke van tijd tot tijd uit hoofde van dit Verdrag worden vastgesteld. Boven volle zee zijn de krachtens dit Verdrag vastgestelde bepalingen van kracht.
Elke Verdragsluitende Staat verbindt zich de vervolging van allen die de toepasselijke voorschriften overtreden te verzekeren.
Artikel 13. Voorschriften voor toelating en in- en uitklaring
De wetten en voorschriften van een Verdragsluitende Staat betreffende de toelating tot of het vertrek uit zijn grondgebied van passagiers, bemanningen of lading van luchtvaartuigen, zoals voorschriften betreffende toelating, in- en uitklaring, immigratie, paspoorten, douane en quarantaine, moeten door of vanwege deze passagiers, bemanningen dan wel ten behoeve van deze lading bij binnenkomst in of vertrek uit of tijdens het verblijf binnen het grondgebied van die Staat worden nagekomen.
Artikel 14. Voorkoming van verbreiding van ziekten
Elke Verdragsluitende Staat verbindt zich doeltreffende maatregelen te nemen tot het voorkomen van de verbreiding, door middel van de luchtvaart, van cholera, vlektyfus (epidemische), pokken, gele koorts, pest en zodanige andere besmettelijke ziekten als de Verdragsluitende Staten van tijd tot tijd zullen besluiten aan te wijzen; te dien einde onderhouden de Verdragsluitende Staten nauw contact met de instanties die bemoeienis hebben met de internationale voorschriften inzake gezondheidsmaatregelen van toepassing op luchtvaartuigen. Dit overleg laat de toepassing van bestaande internationale verdragen op dit gebied, waarbij de Verdragsluitende Staten partij kunnen zijn, onverlet.
Artikel 15. Luchthavenrechten en soortgelijke heffingen
Elke luchthaven in een Verdragsluitende Staat, opengesteld voor openbaar gebruik door zijn eigen luchtvaartuigen, is eveneens, behoudens het bepaalde in artikel 68, onder gelijke voorwaarden opengesteld voor de luchtvaartuigen van alle andere Verdragsluitende Staten. Deze gelijke voorwaarden hebben betrekking op het gebruik door luchtvaartuigen van iedere Verdragsluitende Staat van alle luchtverkeersfaciliteiten, radiodiensten en meteorologische diensten inbegrepen, welke voor openbaar gebruik voor de veiligheid van de luchtvaart en een vlot luchtverkeer ter beschikking kunnen worden gesteld.
De heffingen opgelegd door of met toestemming van een Verdragsluitende Staat voor het gebruik van zodanige luchthavens en luchtverkeersfaciliteiten door de luchtvaartuigen van een andere Verdragsluitende Staat mogen niet hoger zijn:
- (a). ten aanzien van niet op geregelde internationale luchtdiensten gebruikte luchtvaartuigen, dan die welke zouden moeten worden betaald door zijn eigen luchtvaartuigen van hetzelfde type gebruikt voor dezelfde doeleinden, en
- (b). ten aanzien van op geregelde internationale luchtdiensten gebruikte luchtvaartuigen, dan die welke zouden moeten worden betaald door zijn eigen luchtvaartuigen gebruikt in soortgelijke internationale luchtdiensten.
Al deze heffingen worden openbaar gemaakt en medegedeeld aan de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie, met dien verstande dat, op verzoek van een belanghebbende Verdragsluitende Staat, de heffingen in rekening gebracht voor het gebruik van luchthavens en andere faciliteiten, onderworpen worden aan een onderzoek door de Raad, die daarover verslag uitbrengt en aanbevelingen doet ter overweging van de daarbij betrokken Staat of Staten.
Geen tarieven, rechten of andere heffingen mogen door een Verdragsluitende Staat worden opgelegd voor het enkele recht van het vliegen over, het binnenvliegen in of het vertrek uit zijn grondgebied door een luchtvaartuig van een Verdragsluitende Staat of van daarmede vervoerde personen of eigendommen.
Artikel 16. Doorzoeken van luchtvaartuigen
De bevoegde autoriteiten van elk van de Verdragsluitende Staten hebben het recht zonder onredelijke vertraging luchtvaartuigen van de andere Verdragsluitende Staten bij landing of vertrek te doorzoeken en de bewijzen en andere bescheiden, door dit Verdrag voorgeschreven, te controleren.
HOOFDSTUK III. Nationaliteit van luchtvaartuigen
Artikel 17. Nationaliteit van luchtvaartuigen
Luchtvaartuigen hebben de nationaliteit van de Staat waar zij zijn ingeschreven.
Artikel 18. Dubbele inschrijving
Een luchtvaartuig kan niet rechtsgeldig in meer dan een Staat zijn ingeschreven, maar het kan van de ene Staat naar een andere worden overgeschreven.
Artikel 19. Nationale wetten inzake inschrijving
De inschrijving of overschrijving van luchtvaartuigen in een Verdragsluitende Staat geschiedt overeenkomstig zijn wetten en voorschriften.
Artikel 20. Voeren van kenmerken
Elk luchtvaartuig gebruikt in de internationale luchtvaart, moet het aan dat luchtvaartuig toegekende nationaliteits- en inschrijvingskenmerk voeren.
Artikel 21. Rapporten omtrent inschrijvingen
Elke Verdragsluitende Staat verbindt zich aan iedere andere Verdragsluitende Staat of aan de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie op verzoek inlichtingen te verstrekken betreffende de inschrijving en de eigendom van elk in die Staat ingeschreven luchtvaartuig. Bovendien doet elke Verdragsluitende Staat aan de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie, volgens door deze te stellen richtlijnen, rapporten toekomen, waarin de beschikbare, ter zake betrekkelijke gegevens voorkomen betreffende de eigendom van en het toezicht op luchtvaartuigen in die Staat ingeschreven en gewoonlijk gebruikt in de internationale luchtvaart. De aldus door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie verkregen gegevens worden door haar, op verzoek, ter beschikking van de andere Verdragsluitende Staten gesteld.
HOOFDSTUK IV. Maatregelen ter vergemakkelijking van de luchtvaart
Artikel 22. Vergemakkelijking van formaliteiten
Elke Verdragsluitende Staat verbindt zich door middel van speciale voorschriften of anderszins, alle uitvoerbare maatregelen te treffen om het verkeer met luchtvaartuigen tussen de grondgebieden van de Verdragsluitende Staten te vergemakkelijken en te bespoedigen en onnodige vertragingen voor luchtvaartuigen, bemanningen, passagiers en lading te voorkomen, in het bijzonder met betrekking tot de toepassing van wetten inzake de immigratie, quarantaine, douane en in- en uitklaring.
Artikel 23. Douane- en immigratiebepalingen
Elke Verdragsluitende Staat verbindt zich, voorzover hij zulks uitvoerbaar acht, douane- en immigratiebepalingen vast te stellen met betrekking tot de internationale luchtvaart overeenkomstig de werkwijzen welke op grond van dit Verdrag van tijd tot tijd kunnen worden vastgesteld of aanbevolen. Niets in dit Verdrag mag worden uitgelegd als een beletsel voor de instelling van vrijhavens voor de luchtvaart.
Artikel 24. Douanerechten
(a). Luchtvaartuigen op een vlucht naar, van of over het grondgebied van een andere Verdragsluitende Staat, moeten met inachtneming van de douanevoorschriften van die Staat tijdelijk vrij van rechten worden toegelaten. Brandstoffen, smeeroliën, reserveonderdelen, gewone uitrustingsstukken en voorraden, welke zich aan boord van een luchtvaartuig van een Verdragsluitende Staat bevinden bij aankomst op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Staat en welke zich nog aan boord bevinden bij het vertrek van het grondgebied van die Staat worden vrijgesteld van douanerechten, inspectie-kosten of soortgelijke nationale of plaatselijke rechten en kosten. Deze vrijstelling is niet van toepassing op geloste hoeveelheden of goederen, tenzij zulks geschiedt krachtens de douanevoorschriften van de Staat, welke kunnen eisen dat zij onder douanetoezicht moeten blijven.
(b). Reserveonderdelen en uitrustingsstukken welke op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat worden ingevoerd om te worden verwerkt of gebruikt in een luchtvaartuig van een andere Verdragsluitende Staat gebruikt in de internationale luchtvaart, dienen vrij van douanerechten te worden toegelaten, mits de voorschriften van de betrokken Staat, welke kunnen bepalen dat de goederen onder douanetoezicht en -controle blijven, worden nageleefd.
Artikel 25. In nood verkerende luchtvaartuigen
Elke Verdragsluitende Staat verbindt zich, zodanige maatregelen te treffen voor hulpverlening aan luchtvaartuigen, die boven zijn grondgebied in nood verkeren, als hij uitvoerbaar acht en onder toezicht van zijn eigen autoriteiten de eigenaren van het luchtvaartuig of de autoriteiten van de Staat waarin het luchtvaartuig is ingeschreven, toe te staan zodanige bijstand te verlenen als de omstandigheden noodzakelijk maken. Elke Verdragsluitende Staat doet opsporing van vermiste luchtvaartuigen geschieden in geordende samenwerking volgens maatregelen welke op grond van dit Verdrag van tijd tot tijd kunnen worden aanbevolen.
Artikel 26. Onderzoek van ongevallen
Indien een luchtvaartuig van een Verdragsluitende Staat binnen het grondgebied van een andere Verdragsluitende Staat een ongeval overkomt dat dood of ernstige verwonding ten gevolge heeft of dat wijst op een ernstig technisch gebrek aan het luchtvaartuig of in de luchtverkeersfaciliteiten, stelt de Staat waarin het ongeval plaatsheeft een onderzoek in naar de omstandigheden van het ongeval, overeenkomstig, voor zover zijn wetten dit toestaan, de procedure welke door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie kan worden aanbevolen. Aan de Staat waarin het luchtvaartuig is ingeschreven dient gelegenheid te worden gegeven waarnemers te benoemen om bij het onderzoek aanwezig te zijn, en de Staat die het onderzoek instelt, dient het rapport en de bevindingen terzake aan die Staat toe te zenden.
Artikel 27. Vrijwaring van beslag wegens inbreuk op octrooien
(a). Indien daarvoor vergunning is verleend, heeft het binnenkomen van een luchtvaartuig van een Verdragsluitende Staat in het grondgebied van een andere Verdragsluitende Staat of het overvliegen van het grondgebied van zodanige Staat met of zonder landing, indien dit luchtvaartuig wordt gebruikt in de internationale luchtvaart, niet tot gevolg het leggen van beslag op, of het vasthouden van het luchtvaartuig of het aansprakelijk stellen van de eigenaar of exploitant daarvan, dan wel van enige andere inmenging door of vanwege die Staat of enige persoon daarin, op grond van het feit dat de bouw, het mechanisme, de onderdelen, de uitrustingsstukken of het gebruik van het luchtvaartuig inbreuk maken op enig octrooi, ontwerp of model, dat behoorlijk is verleend of geregistreerd in de Staat in het grondgebied waarvan het luchtvaartuig is binnengekomen, terwijl wordt overeengekomen dat in geen geval zekerheidstelling in verband met de vorenstaande vrijwaring van het leggen van beslag op of het vasthouden van het luchtvaartuig zal worden geëist in de Staat waarin het luchtvaartuig is binnengekomen.
(b). De bepalingen onder (a) van dit artikel zijn ook van toepassing op de opslag van reserveonderdelen en reserve-uitrustingsstukken voor luchtvaartuigen en op het recht deze te gebruiken en te verwerken bij het herstellen van een luchtvaartuig van een Verdragsluitende Staat op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Staat, mits geen geoctrooieerd onderdeel of uitrustingsstuk, dat op deze wijze is opgeslagen, binnen die Staat wordt verkocht of verspreid dan wel voor handelsdoeleinden uit de Verdragsluitende Staat waarin het luchtvaartuig is binnengekomen, wordt uitgevoerd.
(c). De voorrechten van dit artikel zijn slechts van toepassing op de Staten, die partij zijn bij dit Verdrag die
- (1). aangesloten zijn bij het Internationale Verdrag voor de bescherming van de Industriële Eigendom en de wijzigingen daarvan dan wel
- (2). octrooiwetten hebben uitgevaardigd, welke uitvindingen gedaan door de onderdanen van de andere Staten die partij zijn bij dit Verdrag, erkennen en voldoende beschermen.
Artikel 28. Luchtverkeersfaciliteiten en standaardsystemen
Elke Verdragsluitende Staat verbindt zich, voor zover zulks door hem uitvoerbaar is
- (a). op zijn grondgebied luchthavens, radiodiensten, meteorologische diensten en andere luchtverkeersfaciliteiten ter beschikking te stellen overeenkomstig de normen en werkwijzen, welke van tijd tot tijd op grond van dit Verdrag worden aanbevolen of vastgesteld;
- (b). de geschikte standaardsystemen voor de berichtenwisseling, codes, tekens, seinen, verlichting en andere operationele gebruiken en voorschriften te aanvaarden en in werking te stellen, welke van tijd tot tijd op grond van dit Verdrag kunnen worden aanbevolen of vastgesteld;
- (c). mede te werken aan internationale maatregelen ter verzekering van de publikatie van luchtvaartkaarten, in overeenstemming met de normen welke van tijd tot tijd op grond van dit Verdrag kunnen worden aanbevolen of vastgesteld.
HOOFDSTUK V. Voorwaarden waaraan luchtvaartuigen moeten voldoen
Artikel 29. In luchtvaartuigen mede te voeren bescheiden
In ieder luchtvaartuig van een Verdragsluitende Staat gebruikt in de internationale luchtvaart moeten, in overeenstemming met de in dit Verdrag gestelde voorwaarden, de volgende bescheiden worden medegevoerd:
- (a). het bewijs van inschrijving;
- (b). het bewijs van luchtwaardigheid;
- (c). de vereiste bewijzen van bevoegdheid voor elk lid van de bemanning;
- (d). het journaal;
- (e). indien het is voorzien van een radio-installatie, de daarvoor vereiste vergunning;
- (f). indien het passagiers vervoert, een lijst van hun namen en de plaatsen van vertrek en van bestemming;
- (g). indien het lading vervoert, een manifest en een gespecificeerde verklaring omtrent de lading.
Artikel 30. Radio-uitrusting van luchtvaartuigen
(a). Luchtvaartuigen van elke Verdragsluitende Staat mogen binnen of boven het grondgebied van andere Verdragsluitende Staten slechts dan een radiozendinstallatie aan boord hebben, indien een vergunning tot het inbouwen en gebruik daarvan is uitgereikt door de bevoegde autoriteiten van de Staat waarin het luchtvaartuig is ingeschreven. Het gebruik van radiozendinstallaties binnen het grondgebied van de Verdragsluitende Staat over wiens grondgebied wordt gevlogen, moet geschieden overeenkomstig de door die Staat gegeven voorschriften.
(b). Radiozendinstallaties mogen slechts worden bediend door die leden van de bemanning die in het bezit zijn van een speciaal daartoe strekkende vergunning uitgereikt door de bevoegde autoriteiten van de Staat waarin het luchtvaartuig is ingeschreven.
Artikel 31. Bewijzen van luchtwaardigheid
Elk luchtvaartuig gebruikt in de internationale luchtvaart moet voorzien zijn van een bewijs van luchtwaardigheid, uitgereikt of geldig verklaard door de Staat waarin het is ingeschreven.
Artikel 32. Bewijzen van bevoegdheid van personeel
(a). De bestuurder van elk luchtvaartuig en de andere leden van de bemanning van elk luchtvaartuig gebruikt in de internationale luchtvaart, moeten in het bezit zijn van bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen uitgereikt of geldig verklaard door de Staat waarin het luchtvaartuig is ingeschreven.
(b). Elke Verdragsluitende Staat behoudt zich het recht voor voor vluchten boven zijn eigen grondgebied de erkenning te weigeren van bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen die aan zijn onderdanen door een andere Verdragsluitende Staat zijn uitgereikt.
Artikel 33. Erkenning van bewijzen van luchtwaardigheid en van bevoegdheid
Bewijzen van luchtwaardigheid, bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen, uitgereikt of geldig verklaard door de Verdragsluitende Staat waarin het luchtvaartuig is ingeschreven, worden door de andere Verdragsluitende Staten erkend, mits de eisen op grond waarvan zodanige bewijzen en vergunningen zijn uitgereikt of geldig verklaard, gelijk zijn aan of zwaarder zijn dan de minimumnormen, welke van tijd tot tijd op grond van dit Verdrag kunnen worden vastgesteld.
Artikel 34. Journalen
Voor elk luchtvaartuig, gebruikt in de internationale luchtvaart, wordt een journaal gehouden waarin worden opgenomen bijzonderheden omtrent het luchtvaartuig, zijn bemanning en elke reis, in zodanige vorm als van tijd tot tijd op grond van dit Verdrag kan worden voorgeschreven.
Artikel 35. Beperking van lading
(a). Geen oorlogsmunitie of oorlogstuig mag worden vervoerd binnen of boven het grondgebied van een Staat in luchtvaartuigen gebruikt in de internationale luchtvaart, behalve met vergunning van die Staat. Elke Staat legt in voorschriften vast, wat in de zin van dit artikel onder oorlogsmunitie of oorlogstuig moet worden verstaan, daarbij met het oog op de eenvormigheid behoorlijk aandacht schenkende aan de aanbevelingen, welke de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie van tijd tot tijd kan doen.
(b). Elke Verdragsluitende Staat behoudt zich het recht voor, om redenen van openbare orde en veiligheid het vervoer binnen of boven zijn grondgebied van andere goederen dan onder (a) opgesomd, te regelen of te verbieden, mits op dit punt geen onderscheid wordt gemaakt tussen zijn eigen luchtvaartuigen gebruikt in de internationale luchtvaart en de daarin gebruikte luchtvaartuigen van de andere Staten en voorts mits geen beperking wordt opgelegd welke het vervoer en gebruik in luchtvaartuigen van toestellen, nodig voor het gebruik of de besturing van het luchtvaartuig of de veiligheid van het personeel of de passagiers zou kunnen aantasten.
Artikel 36. Fotoapparatuur
Elke Verdragsluitende Staat kan het gebruik van fotoapparatuur in luchtvaartuigen boven zijn grondgebied verbieden of aan regels onderwerpen.
HOOFDSTUK VI. Internationale normen en aanbevolen werkwijzen
Artikel 37. Aanvaarding van internationale normen en methoden
Elke Verdragsluitende Staat verbindt zich mede te werken tot het verkrijgen van de grootst mogelijke mate van eenvormigheid in de voorschriften, normen, methoden en organisatie met betrekking tot luchtvaartuigen, personeel, luchtlijnen en hulpdiensten in alle aangelegenheden waarin een zodanige eenvormigheid de luchtvaart zal vergemakkelijken en haar ten goede zal komen.
Daartoe zal de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie van tijd tot tijd, naar gelang dit nodig is, internationale normen en aanbevolen werkwijzen en methoden aanvaarden en wijzigen, betreffende:
- (a). de communicatiesystemen en navigatiehulpmiddelen, grondtekens daaronder begrepen;
- (b). de eisen te stellen aan luchthavens en landingsterreinen;
- (c). de luchtverkeersregels en verkeersleidingsprocedures;
- (d). de uitreiking van bewijzen van bevoegdheid aan het personeel, betrokken bij de vluchtuitvoering, en aan het technisch personeel;
- (e). de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen;
- (f). de inschrijving en identificatie van luchtvaartuigen;
- (g). het verzamelen en uitwisselen van meteorologische gegevens;
- (h). journalen en logboeken;
- (i). luchtvaartkaarten;
- (j). douane- en immigratiemaatregelen;
- (k). in nood verkerende luchtvaartuigen en het onderzoek van ongevallen; alsmede zodanige andere aangelegenheden betreffende de veiligheid, regelmaat en doeltreffendheid van de luchtvaart als van tijd tot tijd wenselijk wordt geacht.
Artikel 38. Afwijkingen van internationale normen en methoden
Een Staat die het onuitvoerbaar acht in alle opzichten een internationale norm of methode na te leven, dan wel zijn voorschriften of werkwijzen geheel in overeenstemming te brengen met een internationale norm of methode, nadat deze is gewijzigd, of die het nodig acht voorschriften of werkwijzen te aanvaarden welke in een bepaald opzicht afwijken van die vastgesteld bij een internationale norm, dient onmiddellijk aan de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie kennis te geven van de verschillen tussen zijn eigen systeem en dat vastgesteld bij de internationale normen. In geval van wijziging van internationale normen doet een Staat die niet de nodige wijzigingen aanbrengt in zijn eigen voorschriften of werkwijzen, hiervan mededeling aan de Raad binnen een termijn van zestig dagen na de aanvaarding van de wijziging in de internationale normen of geeft hij de maatregelen aan welke hij zich voorstelt te nemen. In zulke gevallen doet de Raad onmiddellijk aan alle andere Staten mededeling van het verschil, dat bestaat tussen een of meer kenmerken van een internationale norm en de overeenkomstige nationale werkwijze van die Staat.
Artikel 39. Aantekeningen op bewijzen van luchtwaardigheid en van bevoegdheid
(a). Indien een luchtvaartuig of een deel daarvan, ten aanzien waarvan een internationale norm voor luchtwaardigheid of prestatie bestaat, ten tijde van het onderzoek van de luchtwaardigheid in enig opzicht aan die norm niet voldoet, wordt op het bewijs van luchtwaardigheid aangetekend of daaraan vastgehecht een volledige opsomming van de punten, waarop het aan die norm niet heeft voldaan.
(b). Indien een persoon houder is van een bewijs van bevoegdheid, doch niet ten volle voldoet aan de eisen van de internationale norm gesteld voor het bewijs of certificaat, waarvan hij houder is, wordt op dat bewijs aangetekend of daaraan vastgehecht een volledige opsomming van de punten, waarop hij niet aan die eisen voldoet.
Artikel 40. Geldigheid van bewijzen van luchtwaardigheid en van bevoegdheid voorzien van aantekeningen
Luchtvaartuigen of personeel, op de bewijzen waarvan zodanige aantekeningen zijn gesteld, mogen niet aan de internationale luchtvaart deelnemen, tenzij met vergunning van de Staat over wiens grondgebied gevlogen wordt. De inschrijving of het gebruik van zodanige luchtvaartuigen of van een onderdeel, waarvoor een bewijs is afgegeven in een andere Staat dan die waarin oorspronkelijk het bewijs werd uitgereikt, staat ter beoordeling van de Staat waarin het luchtvaartuig of het onderdeel wordt ingevoerd.
Artikel 41. Erkenning van bestaande luchtwaardigheidsnormen
De bepalingen van dit Hoofdstuk zijn niet van toepassing op luchtvaartuigen en uitrustingsstukken van types, waarvan het prototype tot het verkrijgen van een bewijs aan een onderzoek door de bevoegde nationale autoriteiten wordt onderworpen op een eerder tijdstip dan drie jaar na de aanvaarding van een internationale norm voor de luchtwaardigheid daarvan.
Artikel 42. Erkenning van bestaande normen voor bevoegdheid van personeel
De bepalingen van dit Hoofdstuk zijn niet van toepassing op personeel waarvan de bewijzen oorspronkelijk zijn uitgereikt op een eerder tijdstip dan een jaar na de aanvankelijke aanvaarding van een internationale keuringsnorm voor zodanig personeel, doch zij zullen in elk geval van toepassing zijn op het personeel, waarvan de bewijzen geldig blijven vijf jaar na het tijdstip van aanvaarding van zodanige norm.
DEEL II. DE INTERNATIONALE BURGERLUCHTVAARTORGANISATIE
HOOFDSTUK VII. De Organisatie
Artikel 43. Naam en samenstelling
Bij dit Verdrag wordt ingesteld een organisatie, genaamd de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.
Zij bestaat uit een Algemene Vergadering, een Raad en zodanige andere organen als nodig kunnen blijken.
Artikel 44. Doel
De Organisatie heeft ten doel de ontwikkeling van de beginselen en techniek van de internationale luchtvaart en het aanmoedigen van het ontwikkelen en uitbreiden van internationaal luchtvervoer, zoals:
- (a). het verzekeren van de veilige en geordende ontplooiing van de internationale burgerluchtvaart over de gehele wereld;
- (b). het aanmoedigen van het ontwerpen en gebruiken van luchtvaartuigen voor vreedzame doeleinden;
- (c). het aanmoedigen van de ontwikkeling van luchtroutes, luchthavens en luchtverkeersfaciliteiten voor de internationale burgerluchtvaart;
- (d). het tegemoetkomen aan de behoefte van de volkeren der wereld aan veilig, regelmatig, doeltreffend en economisch luchtvervoer;
- (e). het voorkomen van verspilling op economisch gebied, veroorzaakt door onredelijke concurrentie;
- (f). het verzekeren van de volledige eerbiediging van de rechten der Verdragsluitende Staten en van het verkrijgen door elke Verdragsluitende Staat van een eerlijke kans op het exploiteren van internationale luchtlijnen;
- (g). het vermijden van het maken van onderscheid tussen de Verdragsluitende Staten;
- (h). het bevorderen van de veiligheid in de internationale luchtvaart;
- (i). in het algemeen het bevorderen van een alzijdige ontwikkeling van de internationale burgerluchtvaart.
Artikel 45. Permanente zetel
De plaats waar de permanente zetel van de Organisatie zal zijn gevestigd, wordt bepaald in de slotzitting van de Tijdelijke Vergadering van de Voorlopige Internationale Burgerluchtvaartorganisatie, ingesteld bij de Tijdelijke Overeenkomst inzake de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie, ondertekend te Chicago, op 7 december 1944. De zetel kan tijdelijk naar elders worden verplaatst bij besluit van de Raad en, anders dan tijdelijk, bij besluit van de Algemene Vergadering, welk besluit bij een door de Algemene Vergadering nader te bepalen aantal stemmen moet worden genomen. Het aldus bepaalde aantal stemmen mag niet minder dan drie vijfde van het totale aantal der Verdragsluitende Staten bedragen.
Artikel 46. Eerste zitting van de Algemene Vergadering
De eerste zitting van de Algemene Vergadering zal, zodra het Verdrag van kracht zal zijn geworden, door de Tijdelijke Raad van bovengenoemde Voorlopige Organisatie worden bijeengeroepen op een tijdstip en op een plaats als door de Tijdelijke Raad vast te stellen.
Artikel 47. Juridische bevoegdheden
De Organisatie geniet op het grondgebied van elke Verdragsluitende Staat zodanige juridische bevoegdheden als nodig kunnen zijn voor de uitoefening van haar functie. Volledige rechtspersoonlijkheid wordt toegekend, overal waar dit verenigbaar is met de Grondwet en wetten van de betreffende Staat.
HOOFDSTUK VIII. De Algemene Vergadering
Artikel 48. Zittingen van de Algemene Vergadering en het stemmen
(a). De Algemene Vergadering komt ten minste eens in de drie jaar bijeen en wordt door de Raad bijeengeroepen op een geschikt tijdstip en op een geschikte plaats. Een buitengewone zitting van de Vergadering kan op elk willekeurig tijdstip worden gehouden na oproep door de Raad of op een tot de Secretaris-Generaal gericht verzoek van niet minder dan een vijfde van het totale aantal Verdragsluitende Staten.
(b). Alle Verdragsluitende Staten hebben gelijkelijk het recht in de zittingen van de Algemene Vergadering vertegenwoordigd te zijn en elke Verdragsluitende Staat heeft recht op het uitbrengen van één stem. De afgevaardigden die Verdragsluitende Staten vertegenwoordigen, kunnen zich doen bijstaan door technische adviseurs, die aan de zittingen mogen deelnemen, maar geen stem mogen uitbrengen.
(c). Een meerderheid van de Verdragsluitende Staten is vereist om het quorum voor de zittingen van de Algemene Vergadering te vormen. Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald, worden besluiten van de Algemene Vergadering genomen bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen.
Artikel 49. Bevoegdheden en verplichtingen van de Algemene Vergadering
De Algemene Vergadering heeft de volgende bevoegdheden en verplichtingen:
- (a). het op iedere zitting verkiezen van haar Voorzitter en andere functionarissen;
- (b). het verkiezen van de Verdragsluitende Staten die vertegenwoordigd zullen zijn in de Raad, overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk IX;
- (c). het bestuderen van de verslagen van de Raad, het geven van het nodige gevolg daaraan en het nemen van besluiten inzake iedere aangelegenheid welke door de Raad naar haar wordt verwezen;
- (d). het vaststellen van haar eigen huishoudelijk reglement en het instellen van de subcommissies, welke zij nodig of raadzaam oordeelt;
- (e). het goedkeuren van jaarlijkse begrotingen en het vaststellen van de geldelijke regelingen van de Organisatie in overeenstemming met de bepalingen van Hoofdstuk XII;
- (f). het controleren van de uitgaven en het goedkeuren van de boeken van de Organisatie;
- (g). het verwijzen, naar eigen inzicht, van aangelegenheden binnen haar werkingssfeer naar de Raad, naar ondergeschikte commissies of naar een ander orgaan;
- (h). het delegeren aan de Raad van de bevoegdheden en het gezag nodig of wenselijk voor het vervullen van de taken van de Organisatie; deze delegaties van bevoegdheden kunnen te allen tijde worden herroepen of gewijzigd;
- (i). het uitvoeren van de daarvoor in aanmerking komende bepalingen van Hoofdstuk XIII;
- (j). het overwegen van voorstellen voor de wijziging of verbetering van de bepalingen van dit Verdrag en het aanbevelen daarvan, indien zij de voorstellen goedkeurt, aan de Verdragsluitende Staten overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk XXI;
- (k). het behandelen van elke aangelegenheid binnen de werkingssfeer van de Organisatie welke niet uitdrukkelijk aan de Raad is toegewezen.
HOOFDSTUK IX. De Raad
Artikel 50. Samenstelling en verkiezing van de Raad
(a). De Raad is een permanent orgaan, dat verantwoording schuldig is aan de Algemene Vergadering. Hij is samengesteld uit zesendertig Verdragsluitende Staten, verkozen door de Vergadering. Een verkiezing dient te worden gehouden bij de eerste zitting van de Algemene Vergadering en daarna om de drie jaar; de aldus verkozen leden van de Raad hebben zitting tot de eerstvolgende verkiezing.
(b). Bij de verkiezing van de leden van de Raad draagt de Vergadering zorg dat in passende mate vertegenwoordigd zijn:
- (1). de belangrijkste Staten op het gebied van het luchtvervoer;
- (2). de niet op andere gronden verkozen Staten die de grootste bijdrage leveren in de beschikbaarstelling van hulpmiddelen voor het internationale burgerluchtverkeer; en
- (3). de niet op andere gronden verkozen Staten, welker aanwijzing zal verzekeren dat alle belangrijke geografische gebieden van de wereld in de Raad vertegenwoordigd zijn.
Een vacature in de Raad wordt door de Algemene Vergadering zo spoedig mogelijk vervuld; een aldus in de Raad gekozen Staat heeft zitting voor de resterende zittingstijd van zijn voorganger.
(c). Geen vertegenwoordiger van een Verdragsluitende Staat in de Raad mag actief betrokken of financieel geïnteresseerd zijn bij de exploitatie van een internationale luchtdienst.
Artikel 51. Voorzitter van de Raad
De Raad kiest zijn Voorzitter voor een termijn van drie jaar. Hij is herkiesbaar. Hij heeft geen stemrecht. De Raad kiest uit zijn leden één of meer Vice-Voorzitters die hun stemrecht behouden wanneer zij als Voorzitter fungeren. De Voorzitter behoeft niet te worden verkozen uit de vertegenwoordigers van de leden van de Raad; is wel een vertegenwoordiger verkozen, dan wordt diens zetel geacht te zijn opengevallen en wordt deze bezet door de Staat, die hij vertegenwoordigde. De Voorzitter heeft tot taak:
- (a). het bijeenroepen van de zittingen van de Raad, van het Comité inzake Luchtvervoer en van de Commissie voor het Luchtverkeer;
- (b). het vertegenwoordigen van de Raad, en
- (c). het namens de Raad uitvoeren van de werkzaamheden, welke de Raad hem opdraagt.
Artikel 52. Stemmen in de Raad
Besluiten van de Raad behoeven de goedkeuring van een meerderheid van zijn leden. De Raad kan met betrekking tot een bepaalde aangelegenheid bevoegdheden delegeren aan een commissie uit zijn leden. Tegen beslissingen van een commissie uit de Raad staat voor iedere belanghebbende Verdragsluitende Staat beroep open op de Raad.
Artikel 53. Deelneming zonder stemrecht
Een Verdragsluitende Staat kan, zonder stemrecht, deelnemen aan de behandeling door de Raad en door zijn comités en commissies van zaken, welke in het bijzonder zijn belangen raken. Geen lid van de Raad mag zijn stem uitbrengen bij de behandeling door de Raad van een geschil, waarbij dit lid partij is.
Artikel 54. Verplichte functies van de Raad
De Raad is gehouden:
- (a). jaarverslagen uit te brengen aan de Algemene Vergadering;
- (b). de opdrachten uit te voeren van de Vergadering alsmede zich te kwijten van de taken en verplichtingen welke hem bij dit Verdrag zijn opgedragen;
- (c). zijn organisatie en huishoudelijk reglement vast te stellen;
- (d). de verplichtingen vast te stellen en uit te werken van een Comité inzake Luchtvervoer, dat gekozen wordt uit de vertegenwoordigers van de leden van de Raad en dat aan hem verantwoordelijk zal zijn;
- (e). een Commissie in te stellen voor het Luchtverkeer, overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk X;
- (f). de geldmiddelen van de Organisatie te beheren in overeenstemming met de bepalingen van de Hoofdstukken XII en XV;
- (g). de bezoldiging vast te stellen van de Voorzitter van de Raad;
- (h). een hoogste uitvoerende ambtenaar als Secretaris-Generaal aan te stellen en te voorzien in de aanstelling van het overige benodigde personeel, overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk XI;
- (i). inlichtingen te verzoeken, te verzamelen, te bestuderen en te publiceren betreffende de bevordering van de luchtvaart en de exploitatie van internationale nachtdiensten, daaronder begrepen inlichtingen omtrent de exploitatiekosten en bijzonderheden omtrent bijdragen aan luchtvaartmaatschappijen uit openbare middelen;
- (j). ter kennis van de Verdragsluitende Staten te brengen alle inbreuken op dit Verdrag zomede alle gevallen waarin verzuimd is de aanbevelingen of beslissingen van de Raad uit te voeren;
- (k). alle inbreuken op dit Verdrag waarbij een Verdragsluitende Staat in gebreke is gebleven binnen een redelijke termijn na op de inbreuk te zijn gewezen, passende stappen te doen, ter kennis van de Algemene Vergadering te brengen;
- (l). overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk VI van dit Verdrag, internationale normen vast te stellen en werkwijzen aan te bevelen; deze eenvoudigheidshalve aan te wijzen als bijlagen bij dit Verdrag en alle Verdragsluitende Staten mededeling te doen van de genomen stappen;
- (m). de aanbevelingen van de Commissie voor het Luchtverkeer tot wijziging van de Bijlagen in overweging te nemen en overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk XX stappen te doen;
- (n). alle het Verdrag betreffende aangelegenheden welke een Verdragsluitende Staat naar de Raad verwijst, in overweging te nemen.
Artikel 55. Toegelaten functies van de Raad
De Raad is bevoegd:
- (a). waar zulks passend is en de ervaring zulks wenselijk doet zijn, subcommissies voor het luchtvervoer in te stellen op een regionale of andere basis en groepen van Staten of luchtvaartmaatschappijen aan te wijzen waarmede hij kan onderhandelen of door welker tussenkomst hij kan optreden ter vergemakkelijking van het bereiken van de doeleinden van dit Verdrag;
- (b). aan de Commissie voor het Luchtverkeer werkzaamheden te delegeren in aanvulling op die, vervat in het Verdrag en zodanige delegaties van bevoegdheden te allen tijde in te trekken of te wijzigen;
- (c). onderzoekingen te leiden op alle gebieden van het luchtvervoer en van het luchtverkeer, welke van internationaal belang zijn; de resultaten van zijn onderzoekingen mede te delen aan de Verdragsluitende Staten en de uitwisseling van inlichtingen tussen Verdragsluitende Staten inzake aangelegenheden van luchtvervoer en luchtverkeer te vergemakkelijken;
- (d). alle aangelegenheden, rakende de organisatie en exploitatie van internationaal luchtvervoer te bestuderen, daaronder begrepen de internationale eigendom en de exploitatie van internationale luchtdiensten op de hoofdlijnen en aan de Vergadering daarmede verband houdende plannen voor te leggen;
- (e). op verzoek van een Verdragsluitende Staat een onderzoek in te stellen naar toestanden, welke de indruk wekken aan de ontwikkeling van de internationale luchtvaart vermijdbare hindernissen in de weg te leggen, en, na zodanig onderzoek, voor zover nodig, rapporten uit te brengen.
HOOFDSTUK X. De Commissie voor het Luchtverkeer
Artikel 56. Benoeming en instelling van de Commissie
De Commissie voor het Luchtverkeer bestaat uit negentien leden, benoemd door de Raad uit personen voorgedragen door de Verdragsluitende Staten. Deze personen moeten ter zake kundig zijn en ervaring hebben op het gebied van de wetenschap en de praktijk van de luchtvaart. De Raad richt tot alle Verdragsluitende Staten het verzoek een voordracht in te dienen. De Voorzitter van de Commissie voor het Luchtverkeer wordt benoemd door de Raad.
Artikel 57. Verplichtingen van de Commissie
De Commissie voor het Luchtverkeer is gehouden:
- (a). wijzigingen van de Bijlagen van dit Verdrag te overwegen en aan de Raad voorstellen tot aanvaarding daarvan te doen;
- (b). technische subcommissies in te stellen, waarin elke Verdragsluitende Staat, indien hij dat wenst, vertegenwoordigd kan zijn;
- (c). de Raad advies uit te brengen omtrent het verzamelen en het toezenden aan de Verdragsluitende Staten van alle gegevens, welke zij nodig en nuttig oordeelt ter bevordering van de luchtvaart.
HOOFDSTUK XI. Personeel
Artikel 58. Aanstelling van personeel
Met inachtneming van de voorschriften vastgesteld door de Vergadering en van de bepalingen van dit Verdrag, stelt de Raad de wijze van aanstelling en ontslag, de opleiding, de salarissen en toelagen en de dienstvoorwaarden van de Secretaris-Generaal en ander personeel van de Organisatie vast; hij kan gebruik maken van de diensten van onderdanen van elk der Verdragsluitende Staten of onderdanen van deze in dienst nemen.
Artikel 59. Internationaal karakter van het personeel
Noch de Voorzitter van de Raad, noch de Secretaris-Generaal, noch ander personeel mag van enig gezag buiten de Organisatie opdrachten vragen of aanvaarden met betrekking tot de vervulling van zijn taak. Elke Verdragsluitende Staat verbindt zich het internationale karakter van de taak van het personeel volledig te eerbiedigen en niet te zullen trachten zijn onderdanen bij de vervulling van hun taak te beïnvloeden.
Artikel 60. Immuniteiten en voorrechten van het personeel
Elke Verdragsluitende Staat verbindt zich, voor zoveel zulks met zijn staatsregeling in overeenstemming te brengen is, aan de voorzitter van de Raad, aan de Secretaris-Generaal en aan het verdere personeel van de Organisatie de immuniteiten en voorrechten toe te staan welke worden toegekend aan overeenkomstig personeel van andere openbare internationale organisaties. Indien een algemene internationale overeenkomst betreffende de immuniteiten en de voorrechten van internationale burgerlijke ambtenaren wordt getroffen, zullen de immuniteiten en de voorrechten, toegekend aan de Voorzitter, de Secretaris-Generaal en aan het verdere personeel van de Organisatie, zijn de immuniteiten en de voorrechten, toegekend op grond van die algemene internationale overeenkomst.
HOOFDSTUK XII. Geldmiddelen
Artikel 61. Begroting en verdeling van de uitgaven
De Raad legt aan de Vergadering jaarlijkse begrotingen, jaarlijkse afrekeningen en ramingen van alle ontvangsten en uitgaven voor. De Vergadering keurt de begrotingen goed met de wijzigingen welke haar goeddunken en slaat, met uitzondering van de bijdragen bedoeld in Hoofdstuk XV van de Staten welke daarmede instemmen, de uitgaven van de Organisatie om over de Verdragsluitende Staten op de grondslag, die zij van tijd tot tijd zal vaststellen.
Artikel 62. Opschorting stemrecht
Indien een Verdragsluitende Staat in gebreke blijft binnen een redelijke termijn aan zijn financiële verplichtingen tegenover de Organisatie te voldoen, kan de Vergadering het stemrecht van die Staat in de Vergadering en in de Raad opschorten.
Artikel 63. Kosten van delegaties en andere vertegenwoordigers
Elke Verdragsluitende Staat draagt de kosten van zijn eigen delegatie naar de Vergadering, zomede de vergoeding, reiskosten en andere kosten van personen, die hij ten dienste van de Raad aanwijst en benoemt of van vertegenwoordigers in ondergeschikte comités of commissies van de Organisatie.
HOOFDSTUK XIII. Andere internationale regelingen
Artikel 64. Veiligheidsmaatregelen
De Organisatie kan met betrekking tot luchtvaartaangelegenheden binnen de kring van haar bevoegdheid gelegen, welke rechtstreeks de wereldveiligheid raken, krachtens besluit van de Vergadering, met iedere algemene organisatie, opgericht door de volkeren der wereld ter bewaring van de vrede, passende maatregelen treffen tot behoud van de vrede.
Artikel 65. Regelingen met andere internationale lichamen
De Raad kan namens de Organisatie met andere internationale organen overeenkomsten sluiten ter handhaving van gemeenschappelijke diensten en om te komen tot gemeenschappelijke personeelsvoorzieningen en met de goedkeuring van de Vergadering andere overeenkomsten sluiten ter vergemakkelijking van het werk van de Organisatie.
Artikel 66. Taken met betrekking tot andere overeenkomsten
(a). De Organisatie voert tevens iedere taak uit, welke haar in overeenstemming met de daarin vervatte bepalingen en voorwaarden zijn opgedragen bij de Overeenkomst inzake de Doortocht van Internationale Luchtdiensten en bij de Overeenkomst inzake het Internationale Luchtvervoer, vastgesteld te Chicago op 7 december 1944.
(b). Leden van de Vergadering en van de Raad, die de Overeenkomst inzake de Doortocht van Internationale Luchtdiensten of de Overeenkomst inzake het Internationale Luchtvervoer vastgesteld te Chicago op 7 december 1944 niet hebben aanvaard, hebben niet het recht te stemmen over aangelegenheden, welke op grond van de betrokken Overeenkomst bij de Vergadering of de Raad zijn aanhangig gemaakt.
Deel III. INTERNATIONAAL LUCHTVERVOER
HOOFDSTUK XIV. Gegevens en rapporten
Artikel 67. Indienen van gegevens bij de Raad
Elke Verdragsluitende Staat verplicht zich ervoor te zorgen dat zijn internationale luchtvaartmaatschappijen, in overeenstemming met de door de Raad vastgestelde eisen, bij de Raad vervoerstaten, kostenstatistieken en financiële verslagen indienen onder meer vermeldende alle inkomsten en de bronnen daarvan.
HOOFDSTUK XV. Luchthavens en andere luchtvaartfaciliteiten
Artikel 68. Aanwijzing van routes en luchthavens
Elke Verdragsluitende Staat kan met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag de route aanwijzen welke binnen zijn grondgebied door internationale luchtdiensten moet worden gevolgd en de luchthavens welke zodanige diensten mogen gebruiken.
Artikel 69. Verbetering van luchtverkeersfaciliteiten
Indien de Raad van oordeel is dat de luchthavens of andere luchtverkeersfaciliteiten van een Verdragsluitende Staat, radiodiensten en meteorologische diensten daaronder begrepen, niet redelijkerwijze voldoende zijn voor de veilige, regelmatige, doeltreffende en economische exploitatie van aanwezige of geprojecteerde internationale luchtdiensten, dan treedt de Raad in overleg met de onmiddellijk daarbij betrokken Staat alsook met andere belanghebbende Staten, met het doel middelen te vinden, waardoor de situatie kan worden verbeterd; de Raad kan ter zake aanbevelingen doen. Een Verdragsluitende Staat maakt zich niet schuldig aan inbreuk op dit Verdrag, indien hij in gebreke blijft, aan deze aanbevelingen gevolg te geven.
Artikel 70. Financiering van luchtverkeersfaciliteiten
Een Verdragsluitende Staat kan in de omstandigheden bedoeld in artikel 69 een regeling treffen met de Raad met betrekking tot het ten uitvoer brengen van zodanige aanbevelingen. De Staat kan op zich nemen alle uit zodanige overeenkomst voortvloeiende kosten te dragen. Verkiest de Staat zulks niet te doen, dan kan de Raad op verzoek van de Staat er in toestemmen, de kosten geheel of gedeeltelijk te dragen.
Artikel 71. Inrichting en onderhoud van faciliteiten door de Raad
Op verzoek van een Verdragsluitende Staat kan de Raad besluiten een of meer of alle luchthavens en andere luchtverkeersfaciliteiten, radiodiensten en meteorologische diensten daaronder begrepen, op het grondgebied van die Staat, vereist voor de veilige, regelmatige, doeltreffende en economische exploitatie van de internationale luchtdiensten van de andere Overeenkomstsluitende Staten in te richten, van personeel te voorzien, te onderhouden en te beheren; voor de verschafte faciliteiten kan de Raad billijke en redelijke kosten in rekening brengen.
Artikel 72. Verkrijging of gebruik van grond
Waar grond benodigd is voor faciliteiten welke op verzoek van een Verdragsluitende Staat geheel of gedeeltelijk worden bekostigd door de Raad, moet die Staat de grond zelf verschaffen, desgewenst de eigendom daarover behoudende, dan wel zijn bemiddeling verlenen, opdat de Raad het gebruik van het land verkrijgt op billijke en redelijke voorwaarden en in overeenstemming met de wetten van de betrokken Staat.
Artikel 73. Uitgaven en aanslagen voor kapitaalsuitgaven
Binnen de grenzen van de geldmiddelen welke hem door de Vergadering ter beschikking kunnen worden gesteld krachtens Hoofdstuk XII, kan de Raad voor de doeleinden vervat in dit Hoofdstuk, uit de algemene geldmiddelen van de Organisatie lopende uitgaven doen. De Raad kan de Verdragsluitende Staten die daarmede instemmen en welker luchtvaartmaatschappijen van de faciliteiten gebruik maken, over een redelijk tijdvak naar tevoren overeengekomen verhoudingen aanslaan in de kapitaalsuitgaven benodigd voor de in dit Hoofdstuk vervatte doeleinden. De Raad kan eveneens Staten die hiermede instemmen aanslaan in eventuele bedrijfskosten.
Artikel 74. Technische bijstand en aanwending van de opbrengst
Indien de Raad, op verzoek van een Verdragsluitende Staat, geldmiddelen voorschiet dan wel luchthavens of andere faciliteiten geheel of gedeeltelijk ter beschikking stelt, kan de regeling, met goedvinden van die Staat, voorzien in technische bijstand bij het toezicht op en de exploitatie van de luchthavens en andere faciliteiten, alsook in de betaling uit de opbrengst van de exploitatie van de luchthavens en andere faciliteiten van de exploitatiekosten van de luchthavens en de andere faciliteiten en van rente en aflossing.
Artikel 75. Overneming van de faciliteiten van de Raad
Een Verdragsluitende Staat kan zich te allen tijde onttrekken aan een verbintenis welke hij op grond van artikel 70 heeft aangegaan en de luchthavens en andere faciliteiten, welke de Raad op zijn grondgebied uit hoofde van de bepalingen van de artikelen 71 en 72 heeft ingericht, overnemen, door aan de Raad een bedrag te betalen dat, naar het oordeel van de Raad, in de gegeven omstandigheden redelijk is. Indien de Staat van oordeel is, dat het door de Raad vastgestelde bedrag onredelijk is, kan hij tegen de beslissing van de Raad in beroep komen bij de Vergadering; deze kan de beslissing van de Raad bevestigen of wijzigen.
Artikel 76. Restitutie van gelden
Geldmiddelen welke de Raad heeft verkregen door terugbetaling op grond van artikel 75 en door ontvangst van rente en aflossing op grond van artikel 74, worden, ingeval het voorschotten betreft oorspronkelijk door Staten gedaan op grond van artikel 73, aan de Staten die oorspronkelijk waren aangeslagen, gerestitueerd in de verhouding van hun aanslagen, zoals deze door de Raad waren vastgesteld.
HOOFDSTUK XVI. Organisatie voor gezamenlijke exploitatie en diensten, welke in belangengemeenschap worden geëxploiteerd
Artikel 77. Organisaties voor gezamenlijke exploitatie toegestaan
Niets in dit Verdrag verhindert het oprichten van organisaties voor de gezamenlijke exploitatie van luchtvervoer of internationale exploitatiebureaus, dan wel van het gemeenschappelijk uitoefenen van luchtdiensten op enige route of in enig gebied; wel echter zijn zodanige organisaties of bureaus en zodanige gemeenschappelijke diensten onderworpen aan alle bepalingen van dit Verdrag, daaronder begrepen die betreffende de registratie van overeenkomsten bij de Raad.
De Raad bepaalt, op welke wijze de bepalingen van dit Verdrag betreffende de nationaliteit van luchtvaartuigen van toepassing zijn op luchtvaartuigen geëxploiteerd door internationale exploitatiebureaus.
Artikel 78. Functie van de Raad
De Raad kan aan de betrokken Verdragsluitende Staten in overweging geven gezamenlijke organisaties voor de exploitatie van luchtdiensten op enige route of in enig gebied te vormen.
Artikel 79. Deelneming in exploitatie-organisaties
Een Staat kan in een organisatie voor gezamenlijke exploitatie of aan regelingen voor gemeenschappelijke uitoefening van luchtdiensten deelnemen, hetzij door zijn Regering, hetzij door een of meer luchtvaartmaatschappijen aangewezen door zijn Regering. De maatschappijen kunnen, zulks naar de uitsluitende beoordeling van de betrokken Staat, staatseigendom, gedeeltelijk staatseigendom dan wel particulier eigendom zijn.
DEEL IV. SLOTBEPALINGEN
HOOFDSTUK XVII. Andere luchtvaartovereenkomsten en regelingen
Artikel 80. Verdragen van Parijs en van Havanna
Elke Verdragsluitende Staat verbindt zich onmiddellijk na het in werking treden van dit Verdrag, het Verdrag houdende Regeling van de Luchtvaart, ondertekend te Parijs op 13 oktober 1919, of het Verdrag inzake de Handelsluchtvaart, ondertekend te Havanna op 20 februari 1928, indien hij bij een dezer verdragen partij is, op te zeggen. Voor de rechtsverhouding tussen de Verdragsluitende Staten treedt dit Verdrag in de plaats van de eerdergenoemde Verdragen van Parijs en van Havanna.
Artikel 81. Registratie van bestaande overeenkomsten
Alle luchtvaartovereenkomsten welke bij het in werking treden van dit Verdrag bestaan tussen een Verdragsluitende Staat en een andere Staat of tussen een luchtvaartmaatschappij van een Verdragsluitende Staat en een andere Staat of de luchtvaartmaatschappij van een andere Staat, worden onverwijld bij de Raad geregistreerd.
Artikel 82. Buitenwerkingstelling van onverenigbare regelingen
De Verdragsluitende Staten aanvaarden de buitenwerkingstelling door dit Verdrag van alle tussen hen bestaande verplichtingen en afspraken welke onverenigbaar zijn met zijn bepalingen en verbinden zich zodanige verplichtingen of afspraken niet aan te gaan. Een Verdragsluitende Staat, die voordat hij lid van de Organisatie werd ten opzichte van een niet Verdragsluitende Staat of een onderdaan van een Verdragsluitende Staat, of van een niet Verdragsluitende Staat verplichtingen heeft aangegaan, welke onverenigbaar zijn met de bepalingen van dit Verdrag, dient onmiddellijk stappen te doen om van zijn verplichtingen te worden ontslagen. Indien een luchtvaartmaatschappij van een Verdragsluitende Staat zodanige onverenigbare verplichtingen heeft aangegaan, dient de Staat waartoe zij behoort zijn beste krachten aan te wenden, ten einde deze onverwijld te doen beëindigen en in ieder geval zorg te dragen dat zij worden beëindigd zo spoedig als na het in werking treden van dit Verdrag wettelijk kan geschieden.
Artikel 83. Registratie van nieuwe regelingen
Met inachtneming van de bepalingen van het vorige artikel kan een Verdragsluitende Staat regelingen treffen welke niet onverenigbaar zijn met de bepalingen van dit Verdrag. Elke zodanige regeling wordt onverwijld geregistreerd bij de Raad, die deze zo spoedig mogelijk bekendmaakt.
Artikel 83 bis. Overdracht van bepaalde functies en taken
(a). Wanneer een in een Verdragsluitende Staat ingeschreven luchtvaartuig ingevolge een lease-, charter-, of ruilovereenkomst of soortgelijke regeling wordt geëxploiteerd door een exploitant die zijn hoofdkantoor of, bij afwezigheid daarvan, zijn vaste woonplaats in een andere Verdragsluitende Staat heeft, kan de Staat waarin het luchtvaartuig is ingeschreven, niettegenstaande het bepaalde in de artikelen 12, 30, 31 en 32(a), met die andere Staat overeenkomen dat eerstgenoemde Staat de hem in zijn hoedanigheid als Staat waarin het desbetreffende luchtvaartuig is ingeschreven ingevolge de artikelen 12, 30, 31 en 32(a) toebedeelde functies en taken geheel of ten dele aan die andere Staat overdragen. De Staat waarin het luchtvaartuig is ingeschreven, wordt ontslagen van de verantwoordelijkheid voor de overgedragen functies en taken.
(b). De overdracht heeft geen gevolgen met betrekking tot andere Verdragsluitende Staten zolang de overeenkomst tussen de Staten waarin deze overdracht is vastgelegd niet bij de Raad is geregistreerd en niet ingevolge artikel 83 is bekendgemaakt, of zolang het bestaan en de strekking van de overeenkomst niet rechtstreeks aan de autoriteiten van de andere betrokken Verdragsluitende Staat of Staten door een Staat die partij is bij de overeenkomst is medegedeeld.
(c). Het bepaalde in de paragrafen (a) en (b) is tevens van toepassing op de gevallen waarin artikel 77 voorziet.
HOOFDSTUK XVIII. Geschillen en verzuimen
Artikel 84. Beslechting van geschillen
Indien een meningsverschil tussen twee of meer Verdragsluitende Staten betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag en zijn Bijlagen niet door onderhandelingen kan worden opgelost, wordt daarin, op verzoek van een der bij het meningsverschil betrokken Staten, door de Raad beslist. Geen lid van de Raad mag zijn stem uitbrengen bij de behandeling door de Raad van een geschil waarbij hij partij is. Een Verdragsluitende Staat kan met inachtneming van artikel 85 van de beslissing van de Raad in beroep gaan bij een met de andere bij het geschil betrokken partijen overeengekomen scheidsgerecht ad hoc of bij het Permanente Hof van Internationale Justitie. Van een zodanig beroep wordt aan de Raad mededeling gedaan binnen een termijn van zestig dagen na de ontvangst van het bericht van de beslissing van de Raad.
Artikel 85. Scheidsrechterlijke procedure
Indien een Verdragsluitende Staat, partij bij een geschil waarbij tegen de beslissing van de Raad beroep is aangetekend, het Statuut van het Permanente Hof van Internationale Justitie niet heeft aanvaard en de Verdragsluitende Staten, partij bij het geschil, niet tot overeenstemming kunnen komen omtrent de keuze van een scheidsgerecht, dient elke van de Verdragsluitende Staten, partij bij het geschil, één arbitrant te benoemen, die een scheidsman aanwijst. Indien één der Verdragsluitende Staten, partij bij het geschil, in gebreke blijft een arbitrant te benoemen binnen een termijn van drie maanden na de dag van het beroep, wordt voor die Staat een arbitrant benoemd door de Voorzitter van de Raad uit een door de Raad gehouden lijst van kundige en beschikbare personen. Indien binnen een termijn van dertig dagen de arbitranten niet tot overeenstemming kunnen komen omtrent een scheidsman, wijst de Voorzitter van de Raad een scheidsman aan uit de vorenbedoelde lijst. De arbitranten en de scheidsman vormen dan gezamenlijk een scheidsgerecht. Een scheidsgerecht, ingesteld op grond van dit of van het voorgaande artikel, stelt zijn eigen werkwijze vast en geeft zijn beslissing bij meerderheid van stemmen, met dien verstande dat de Raad, in geval van naar zijn oordeel buitensporige vertraging, de procesgang kan bepalen.
Artikel 86. Beroep
Tenzij de Raad anders beslist, blijft een beslissing van de Raad omtrent de vraag of een internationale luchtvaartmaatschappij haar luchtlijnen exploiteert in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, van kracht, tenzij in beroep anders wordt bepaald. In alle andere aangelegenheden worden beslissingen van de Raad, indien daartegen beroep wordt aangetekend, opgeschort, totdat in beroep is beslist. De beslissingen van het Permanente Hof van Internationale Justitie en van een scheidsgerecht zijn definitief en bindend.
Artikel 87. Strafmaatregelen voor luchtvaartmaatschappij bij overtreding van beslissing
Elke Verdragsluitende Staat verbindt zich de exploitatie van een luchtvaartmaatschappij van een Verdragsluitende Staat door het luchtruim boven zijn grondgebied niet toe te staan, indien de Raad heeft beslist dat de betrokken luchtvaartmaatschappij zich niet houdt aan een uiteindelijke beslissing, te geven overeenkomstig het voorgaande artikel.
Artikel 88. Strafmaatregelen voor Staten bij overtreding van beslissing
Indien een Verdragsluitende Staat wordt bevonden in gebreke te blijven op grond van de bepalingen van dit Hoofdstuk, schort de Vergadering diens stemrecht in de Vergadering en in de Raad op.
HOOFDSTUK XIX. Oorlog
Artikel 89. Toestand van oorlog en gevaar
In geval van oorlog laten de bepalingen van dit Verdrag de vrijheid van handelen van de betrokken Verdragsluitende Staten onverkort, hetzij zij in de oorlog betrokken dan wel neutraal zijn. Hetzelfde beginsel is van toepassing in het geval dat een Verdragsluitende Staat verklaart dat het land in gevaar verkeert en van die omstandigheid mededeling doet aan de Raad.
HOOFDSTUK XX. Bijlagen
Artikel 90. Aanvaarding en wijziging van Bijlagen
(a). De aanvaarding door de Raad van de Bijlagen, omschreven in artikel 54, onder (1), vereist een meerderheid van twee derde van de stemmen van de Raad in een tot dat doel bijeengeroepen zitting; zij worden daarop door de Raad aan elke Verdragsluitende Staat voorgelegd. De Bijlagen of een wijziging van een Bijlage treden in werking binnen drie maanden na de voorlegging aan de Verdragsluitende Staten of na afloop van een zodanige langere termijn als de Raad kan voorschrijven, tenzij inmiddels, een meerderheid van de Verdragsluitende Staten hun afkeuring bij de Raad kenbaar maakt.
(b). De Raad geeft onmiddellijk alle Verdragsluitende Staten kennis van de inwerkingtreding van een Bijlage of van een wijziging daarin.
HOOFDSTUK XXI. Bekrachtiging, toetreding, wijzigingen en opzeggingen
Artikel 91. Bekrachtiging van het Verdrag
(a). Dit Verdrag moet worden bekrachtigd door de Staten die het ondertekenen. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd in de archieven van de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, die aan elk van de Verdragsluitende en toegetreden Staten mededeling doet van de datum van de nederlegging.
(b). Zodra zesentwintig Staten dit Verdrag hebben bekrachtigd dan wel daartoe zijn toegetreden, treedt het tussen hen in werking op de dertigste dag na de nederlegging van de zesentwintigste akte van bekrachtiging. Voor elke Staat die het daarna bekrachtigt, wordt het van kracht op de dertigste dag na de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging.
(c). Op de Regering van de Verenigde Staten van Amerika rust de verplichting de Regering van elk der Verdragsluitende of toegetreden Staten mededeling te doen van de datum waarop het Verdrag in werking treedt.
Artikel 92. Toetreding tot het Verdrag
(a). Tot het Verdrag kunnen toetreden leden van de Verenigde Naties, Staten die daarbij aangesloten zijn, en Staten die gedurende het huidige wereldconflict neutraal zijn gebleven.
(b). Toetreding geschiedt door middel van een mededeling, gericht aan de Regering van de Verenigde Staten van Amerika en wordt van kracht te rekenen van de dertigste dag na de ontvangst van de mededeling door de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, die alle Verdragsluitende Staten daarvan in kennis stelt.
Artikel 93. Toelating van andere Staten
Andere Staten dan die bedoeld in de artikelen 91 en 92 onder (a) kunnen, onder voorwaarde van goedkeuring door een algemene internationale organisatie, door de volkeren van de wereld ingesteld ter waarborging van de vrede, tot deelneming aan dit Verdrag worden toegelaten door middel van een besluit van de Vergadering, waarvoor een meerderheid van vier vijfde van de stemmen moet zijn verkregen en op zodanige voorwaarden als de Vergadering kan bepalen, met dien verstande dat in elk geval de goedkeuring nodig is van de Staat, die door de Staat die toelating verzoekt, gedurende de huidige oorlog is overvallen dan wel aangevallen.
Artikel 93bis
(a). Niettegenstaande het bepaalde in de artikelen 91, 92 en 93:
- (1). houdt een Staat ten aanzien van welks Regering de Algemene Vergadering der Verenigde Naties heeft aanbevolen haar uit te sluiten van het lidmaatschap van internationale organisaties welke zijn opgericht door of verbonden zijn met de Verenigde Naties, automatisch op lid te zijn van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie;
- (2). houdt een Staat die is geroyeerd als lid van de Verenigde Naties, automatisch op lid te zijn van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie, tenzij de Algemene Vergadering der Verenigde Naties aan de akte van royement een aanbeveling toevoegt, welke het tegendeel uitdrukt.
(b). Een Staat die als gevolg van het bepaalde in het voorgaande lid (a) ophoudt lid te zijn van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie kan, na goedkeuring door de Algemene Vergadering der Verenigde Naties, wederom worden toegelaten als lid van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie op zijn verzoek en na goedkeuring door de meerderheid van de Raad.
(c). Leden van de Organisatie die in de uitoefening en het genot van de rechten en voorrechten van het lidmaatschap van de Verenigde Naties zijn geschorst, worden op verzoek van de Verenigde Naties geschorst in de rechten en voorrechten van het lidmaatschap van deze Organisatie.
Artikel 94. Wijziging van het Verdrag
(a). Voorgestelde wijzigingen van dit Verdrag moeten door de Vergadering worden goedgekeurd met een meerderheid van twee derde der stemmen en worden dan van kracht voor de Staten die zodanige wijziging hebben bekrachtigd, wanneer bekrachtiging is geschied door het door de Algemene Vergadering bepaalde aantal Verdragsluitende Staten. Dit aantal mag niet geringer zijn dan twee derde van het totale aantal Verdragsluitende Staten.
(b). Indien naar haar mening de wijziging van dien aard is dat zulks gerechtvaardigd is, kan de Algemene Vergadering in haar besluit waarbij zij de aanvaarding aanbeveelt bepalen dat een Staat die niet tot bekrachtiging is overgegaan binnen een bepaald tijdsverloop nadat de wijziging van kracht is geworden, zal ophouden lid van de Organisatie en partij bij het Verdrag te zijn.
Artikel 95. Opzegging van het Verdrag
(a). Een Verdragsluitende Staat kan dit Verdrag opzeggen drie jaar na zijn inwerkingtreding door middel van een mededeling, gericht tot de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, die elk der Verdragsluitende Staten daarvan in kennis stelt.
(b). De opzegging wordt van kracht een jaar na de datum van de mededeling en geldt slechts voor de Staat die heeft opgezegd.
HOOFDSTUK XXII. Definities
Artikel 96
Dit Verdrag verstaat onder:
- (a). „Luchtdienst”: een geregelde luchtdienst, uitgevoerd door lucht vaartuigen bestemd voor het openbaar vervoer van passagiers, post of goederen;
- (b). „Internationale luchtdienst”: een luchtdienst, welke door het luchtruim boven het grondgebied van meer dan één Staat voert;
- (c). „Luchtvaartmaatschappij”: een luchtvervoersonderneming, die een internationale luchtdienst exploiteert of de gelegenheid biedt van een internationale dienst gebruik te maken;
- (d). „Landing, anders dan voor verkeersdoeleinden”: een landing, gemaakt anders dan voor het opnemen of afzetten van passagiers, lading of post.
SIGNATURE OF CONVENTION
In witness whereof, the undersigned plenipotentiaries, having been duly authorized, sign this Convention on behalf of their respective governments on the dates appearing opposite their signatures.
Done at Chicago the seventh day of December 1944 in the English language. The texts of this Convention drawn up in the English, French, Russian and Spanish languages are of equal authenticity. These texts shall be deposited in the archives of the Government of the United States of America, and certified copies shall be transmitted by that Government to the Governments of all the States which may sign or adhere to this Convention. This Convention shall be open for signature at Washington, D.C.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)