Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting van zeeschepen
De Regeringen van België, Denemarken, Finland, Frankrijk, IJsland, Nederland, Noorwegen en Zweden;
Overwegende, dat verschillen in de voorschriften voor de meting van zeeschepen en in de toepassing van zodanige voorschriften tot ernstig ongerief kunnen leiden, bestaande in een ongelijke behandeling van de schepen en belemmerende formaliteiten en onnodige kosten veroorzaken;
Verlangende derhalve praktische uitwerking te geven aan het voorbereidende werk gedurende een aantal jaren ondernomen met betrekking tot het opheffen van dergelijke verschillen door het vaststellen van eenvormige voorschriften voor de meting van zeeschepen, gebaseerd op het stelsel, toegepast door de meeste zeevarende landen;
Hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben als hun Gevolmachtigden de volgende personen aangewezen:
De Regering van België:
G. de Winne, Hoofd-Ingenieur, Directeur bij de Marine-Administratie;
De Regering van Denemarken:
P. Fischer, Scheepvaartkundig Hoofd-Ingenieur bij de Scheepvaartafdeling van het Ministerie van Handel, Nijverheid en Scheepvaart;
J. Christiansen, Afdelingshoofd bij het Ministerie van Handel, Nijverheid en Scheepvaart;
De Regering van Finland:
W. K. Åström, Hoofd-Inspecteur voor de Scheepsmeting;
De Regering van Frankrijk:
Z.E. J. F. Blondel, Ambassadeur in Noorwegen;
De Regering van IJsland:
O. T. Sveinsson, Inspecteur-Generaal voor de Scheepvaart;
De Regering van Nederland:
A. van Driel, Hoofd-Ingenieur en Hoofd-Inspecteur voor de Scheepsmeting (afgetreden);
H. E. Scheffer, Administrateur bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (Directoraat-Generaal van Scheepvaart);
E. Smit Fzn., Hoofd-Ingenieur en Hoofd-Inspecteur voor de Scheepsmeting;
De Regering van Noorwegen:
K. Aall, Hoofd van de Afdeling Scheepsmeting van het Koninklijk Ministerie van Financiën en Douane;
V. Dunér, Afdelingshoofd bij het Koninklijk Ministerie van Financiën en Douane;
A. Sveen, Reder;
De Regering van Zweden:
G. M. E. Böös, Handelsraad, Hoofd van de Scheepvaartafdeling van het Koninklijk Ministerie van Handel;
A. J. Anderson, Hoofd-Inspecteur voor de Scheepsmeting bij het Koninklijk Ministerie van Handel;
G. J. Ambjörn, Hoogleraar aan de Technische Hogeschool te Chalmers,
die, na hun volmachten te hebben overgelegd, welke in goede orde zijn bevonden, tot overeenstemming zijn gekomen ten aanzien van de volgende bepalingen:
Artikel 1
Bij het meten van zeeschepen, met het doel hun inhoud vast te stellen en bij het merken van zeeschepen in verband met zodanige meting, verbinden de verdragsluitende Regeringen zich de voorschriften in acht te nemen, bekend onder de naam „Internationale Voorschriften voor de Meting van Zeeschepen”, vastgesteld vanwege de Volkenbond en gedateerd 30 Juni 1939, hierbij als Bijlage toegevoegd, en welke derhalve thans door alle verdragsluitende Regeringen bij dit Verdrag als de voorschriften voor het meten en merken van zeeschepen worden beschouwd.
Het Verdrag en de Bijlage kunnen worden gewijzigd overeenkomstig Artikel 12.
Artikel 2
Het meten en merken van zeeschepen geschiedt vanwege de bevoegde autoriteit door ambtenaren, die aan de noodzakelijke eisen van bekwaamheid voldoen. De betrokken Regering kan evenwel het meten en merken toevertrouwen aan een instelling, voor dit doel door de Regering officiëel erkend. In beide gevallen staat de betrokken Regering er ten volle voor in, dat het meten en merken volledig en doelmatig wordt verricht.
Artikel 3
Een certificaat, genoemd „Internationale Meetbrief, overeenkomstig het Verdrag, gesloten te Oslo op 10 Juni 1947” (hierna te noemen Internationale Meetbrief), wordt afgegeven voor elk schip, dat gemeten en gemerkt is overeenkomstig dit Verdrag. Zulk een certificaat mag voor geen ander schip worden afgegeven.
Een Internationale Meetbrief wordt afgegeven door de bevoegde autoriteit of door een instelling, officiëel erkend overeenkomstig artikel 2. In beide gevallen aanvaardt de betrokken Regering de volle aansprakelijkheid voor het certificaat.
Artikel 4
De Regering van een land, waar dit Verdrag van toepassing is, kan op verzoek van of namens de Regering van elk ander land, waar dit Verdrag van toepassing is, elk zeeschip, dat thuis behoort in laatstgenoemd land, doen meten en merken op kosten van de eigenaar van het schip, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en een Internationale Meetbrief voor zulk een schip op haar eigen verantwoordelijkheid afgeven. Op dezelfde wijze kan het meten en merken geschieden van een schip, dat in aanbouw is voor rekening van een eigenaar in een ander land, waar dit Verdrag van toepassing is.
Elke meetbrief, op deze wijze afgegeven, bevat een verklaring, behelzende, dat hij is afgegeven op verzoek van de Regering van het land, waar het schip thuisbehoort of bestemd is thuis te behoren en een dergelijke meetbrief geniet dezelfde erkenning als een meetbrief, afgegeven krachtens artikel 3 van dit Verdrag.
De Regering, die een zodanige meetbrief heeft afgegeven, doet aan de Regering van het land, waar het schip thuis behoort, een gewaarmerkt afschrift toekomen van de Meetbrief en van de Metingstaten, waarop de meetbrief is gegrond.
Wanneer een schip wordt overgedragen van een land, waar dit Verdrag van toepassing is, naar enig ander land, waar dit Verdrag van toepassing is, doet de Regering van het eerstbedoelde land op verzoek van de Regering van het laatstbedoelde land aan deze Regering onverwijld een gewaarmerkt afschrift toekomen van de Meetbrief, geldig voor het schip en van de Metingstaten, waarop die meetbrief is gegrond.
Artikel 5
De Internationale Meetbrief wordt opgemaakt in de officiële taal van het land, waardoor hij wordt afgegeven. Indien dit niet de Engelse taal is, wordt de tekst vertaald in het Engels, geheel of gedeeltelijk al naar gelang zulks nodig voorkomt.
Het formulier van de Meetbrief is overeenkomstig het betreffende model, aangegeven in de aanhangsels 1 en 2 van de Bijlage.
Artikel 6
Een Internationale Meetbrief blijft van kracht zolang het schip, waarvoor hij is afgegeven, niet zodanig is veranderd, dat het niet overeenstemt met de bijzonderheden betreffende de inhoud of de omschrijving, vervat in de Meetbrief.
Indien zulk een verandering is aangebracht, wordt, nadat het schip in voldoende mate is hermeten, de Meetbrief dienovereenkomstig gewijzigd of wordt een nieuwe Meetbrief afgegeven, overeenkomstig de beslissing van de bevoegde autoriteit.
Indien een schip, voorzien van een Internationale Meetbrief, is overgedragen van een land, waar dit Verdrag van toepassing is, naar een ander land, waar dit Verdrag van toepassing is, wordt het schip, nadat het in voldoende mate is hermeten, zo spoedig mogelijk voorzien van een nieuwe Internationale Meetbrief, afgegeven door of namens het land, waarnaar het schip is overgedragen.
Artikel 7
Aan Internationale Meetbrieven, afgegeven op gezag van een verdragsluitende Regering, wordt door de andere verdragsluitende Regeringen dezelfde waarde toegekend als aan de Internationale Meetbrieven, door haar afgegeven voor schepen, thuisbehorende in haar onderscheidenlijke landen.
Artikel 8
Een schip, voorzien van een Internationale Meetbrief, is, wanneer het zich bevindt in een haven van een land, waar het niet thuisbehoort, maar waar dit Verdrag van toepassing is, onderworpen aan contrôle met betrekking tot de meting van zeeschepen. Een dergelijke contrôle zal uitsluitend ten doel hebben zekerheid te verkrijgen:
- (a). dat de netto inhoud, gemerkt op het schip, overeenstemt met de netto inhoud, vermeld op de Meetbrief;
- (b). dat het schip niet is veranderd als bedoeld in artikel 6 van dit Verdrag.
Slechts ambtenaren, die hiertoe bevoegd zijn, zijn gerechtigd vermelde contrôle uit te oefenen.
In geen geval mag de uitoefening van zodanige contrôle kosten of vertraging voor het schip veroorzaken.
Indien uit de contrôle blijkt, dat de werkelijke toestand op het schip verschilt van die, vermeld in de Meetbrief, wordt aan de Regering van het land, waar het schip thuisbehoort, onverwijld hiervan mededeling gedaan, teneinde tot een oplossing van de kwestie te komen.
Zodra verbetering is aangebracht, wordt de Regering van het land, waar de waarnemingen werden gedaan, hiervan in kennis gesteld.
Artikel 9
Op de rechten uit dit Verdrag kan geen aanspraak worden gemaakt ten behoeve van enig schip, dat niet in het bezit is van een Internationale Meetbrief.
Artikel 10
Indien een schip, thuisbehorend in een land, waar dit Verdrag van toepassing is, is gemeten overeenkomstig de beginselen, omschreven in de Bijlage bij dit Verdrag (algemeen bekend als het Engelse systeem), voordat het Verdrag van kracht is geworden in het betreffende land, geeft de meetbrief, aangevende de inhoud, gebaseerd op een dergelijke meting en afgegeven in het land, waar het schip thuisbehoort, aanspraak op dezelfde rechten als een Internationale Meetbrief.
Indien een schip, na de afgifte van een dergelijke meetbrief, verandering heeft ondergaan, als bedoeld in artikel 6 van dit Verdrag, wordt het schip voorzien van een Internationale Meetbrief, nadat het is hermeten in de mate als nodig wordt geacht.
Artikel 11
De verdragsluitende Regeringen verplichten zich elkaar mededeling te doen van:
-
- de tekst van wetten, besluiten, voorschriften en beschikkingen van algemene toepassing, welke worden uitgevaardigd met betrekking tot de verschillende onderwerpen, vallende binnen het kader van dit Verdrag;
-
- alle beschikbare officiële raporten of officiële samenvattingen van rapporten, voorzover zij het resultaat tonen van de bepalingen van dit Verdrag, mits dergelijke rapporten of samenvattingen van rapporten niet van vertrouwelijke aard zijn.
De Regering van Noorwegen wordt uitgenodigd haar bemiddeling te verlenen voor het verzamelen van deze gegevens en voor mededeling daarvan aan de andere verdragsluitende Regeringen.
Artikel 12
Wijzigingen van dit Verdrag, welke nuttig of noodzakelijk worden geacht, alsmede van de hierbij gevoegde voorschriften, kunnen te allen tijde worden voorgesteld door iedere verdragsluitende Regering aan de Regering van Noorwegen; deze voorstellen worden door laatstgenoemde aan alle andere verdragsluitende Regeringen medegedeeld en, indien een zodanige wijziging wordt aangenomen door alle verdragsluitende Regeringen (inbegrepen de Regeringen, die oorkonden van bekrachtiging of toetreding hebben nedergelegd, zonder dat het Verdrag te haren opzichte in werking is getreden), wordt dit Verdrag en/of worden de voorschriften dienovereenkomstig gewijzigd.
Conferenties, beogende zodanige herziening, worden gehouden op zodanige tijden en plaatsen als door de verdragsluitende Regeringen wordt overeengekomen.
Een Conferentie met dit oogmerk wordt bijeengeroepen door de Regering van Noorwegen, telkens wanneer vijf of een/derde — welk aantal het kleinste is — van de verdragsluitende Regeringen haar verlangen daartoe kenbaar maken.
Artikel 13
Een verdragsluitende Regering kan ten tijde van de ondertekening, bekrachtiging, toetreding of daarna bij schriftelijke kennisgeving van de Regering van Noorwegen haar verlangen kenbaar maken, dat dit Verdrag toepasselijk zal zijn op alle of enkele van haar overzeese gebiedsdelen, koloniën, protectoraten of gebiedsdelen onder suzereiniteit of mandaat; het Verdrag zal toepasselijk zijn op alle gebiedsdelen, genoemd in een zodanige kennisgeving, twee maanden na de datum van de ontvangst daarvan, doch zonder zulk een kennisgeving is dit Verdrag op geen enkel zodanig gebiedsdeel van toepassing.
Een verdragsluitende Regering kan te allen tijde, bij schriftelijke kennisgeving aan de Regering van Noorwegen zijn verlangen kenbaar maken, dat dit Verdrag zal ophouden toepasselijk te zijn op alle of enkele van haar overzeese gebiedsdelen, koloniën, protectoraten of gebiedsdelen onder suzereiniteit of mandaat, waarop dit Verdrag krachtens de bepalingen van het voorafgaande lid toepasselijk zal zijn geweest voor een periode van niet minder dan vijf jaar en in een zodanig geval zal dit Verdrag twaalf maanden na de datum van de ontvangst van zulk een kennisgeving door de Regering van Noorwegen ophouden van toepassing te zijn op alle gebiedsdelen, daarin genoemd.
De Regering van Noorwegen stelt alle andere verdragsluitende Regeringen in kennis van de toepasselijkheid van dit Verdrag op enig overzees gebied, kolonie, protectoraat of gebied onder suzereiniteit of mandaat, krachtens de bepalingen van lid 1 van dit artikel en van de beëindiging van elke toepasselijkheid krachtens lid 2, onder vermelding bij elk geval van de datum, te rekenen waarvan dit Verdrag toepasselijk is geworden of zal ophouden toepasselijk te zijn.
Artikel 14
Dit Verdrag, waarvan de Engelse en Franse teksten beide authentiek zijn, wordt bekrachtigd.
De bekrachtigingsoorkonden worden nedergelegd in de archieven van de Regering van Noorwegen, die alle andere Regeringen, die dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden, in kennis stelt van alle bekrachtigingen en van de datum van de nederlegging der oorkonden.
Artikel 15
Een Regering (uitgezonderd de Regering van een gebied, waarop Artikel 13 van toepasing is), namens welke dit Verdrag niet is getekend, zal tot dit Verdrag mogen toetreden te allen tijde, nadat het Verdrag in werking is getreden.
Toetredingen geschieden door middel van schriftelijke kennisgeving aan de Regering van Noorwegen en worden van kracht drie maanden na de ontvangst ervan.
De Regering van Noorwegen stelt alle Regeringen, die dit Verdrag hebben ondertekend en alle Regeringen, die tot dit Verdrag zijn toegetreden, in kennis van alle toetredingen en van de datum van ontvangst der kennisgeving.
Artikel 16
Dit Verdrag treedt in werking op 1 Juni 1948 tussen de Regeringen, die hun bekrachtigingsoorkonden op die datum hebben nedergelegd, mits tenminste vijf bekrachtigingsoorkonden zijn nedergelegd bij de Regering van Noorwegen. Mochten er op die datum geen vijf bekrachtigingsoorkonden zijn nedergelegd, dan treedt dit Verdrag in werking drie maanden na de datum, waarop de vijfde bekrachtigingsoorkonde is nedergelegd. Bekrachtigingen na de datum, waarop dit Verdrag in werking is getreden, worden van kracht drie maanden na naderlegging der oorkonde.
Artikel 17
Dit Verdrag kan worden opgezegd door elke verdragsluitende Regering op elk tijdstip na het verloop van vijf jaar na de datum, waarop het Verdrag in werking treedt ten aanzien van die Regering. Opzegging geschiedt door schriftelijke kennisgeving aan de Regering van Noorwegen, die alle andere verdragsluitende Regeringen in kennis stelt van alle opzeggingen en van de datum van de ontvangst ervan.
Een opzegging wordt van kracht twaalf maanden na de datum, waarop kennisgeving daarvan is ontvangen door de Regering van Noorwegen.
DEEL I. VOORSCHRIFTEN
HOOFDSTUK I. Administratieve bepalingen
Aanvraag door de eigenaar
Artikel 1
Indien een schip moet worden gemeten of hermeten moet de eigenaar een aanvraag hiertoe inzenden bij de daartoe bevoegde scheepsmetingsautoriteit.
Bij deze aanvraag moeten, zo mogelijk, tekeningen gevoegd zijn.
Indien voor bepaalde ruimten aanspraak wordt gemaakt op vrijstelling van meting in de bruto inhoud, moeten tekeningen worden overgelegd, welke in onderdelen de bijzonderheden aangeven, op grond waarvan zodanige vrijstelling wordt gevraagd.
Meting volgens Regel I of Regel II
Artikel 2
De meting en de hermeting geschieden overeenkomstig Regel I (Inwendige Meting) of Regel II (Uitwendige Meting), waarvan de bijzonderheden zijn gegeven in de Hoofdstukken II tot en met VI van deze Voorschriften.
De toepassing van Regel II wordt beperkt tot gevallen, waarbij de toepassing van Regel I praktisch onuitvoerbaar is — b.v., bij een geladen schip — en is afhankelijk gesteld van de beslissing van de betrokken nationale centrale scheepsmetingsautoriteit.
Het schip moet echter zo spoedig mogelijk overeenkomstig Regel I worden hermeten.
Metingstaten
Artikel 3
Bij het meten zullen de genomen afmetingen, zowel als andere aantekeningen, welke dienen voor het vaststellen van de bruto- en de netto inhoud, als omschreven in Hoofdstuk II, artikel 7, en nader aangegeven in de Hoofdstukken III tot en met VI, worden ingeschreven in de door elke nationale autoriteit te gebruiken metingstaten. Wanneer de meting voltooid is, moeten de metingsmaten behoorlijk ondertekend ter contrôle en goedkeuring opgezonden worden aan een nationale centrale scheepmetingsautoriteit.
Deze nationale centrale scheepsmetingsautoriteit moet bij het uitoefenen van de contrôle in alle gevallen voorzover hij dit nodig oordeelt (behalve wanneer een schip volgens Regel II gemeten is) gebruik maken van de contrôlekrommen in overeenstemming met de bepalingen van Hoofdstuk III, artikel 44. Genoemde autoriteit zal ook, indien nodig, de meting door middel van de contrôlekrommen vervolledigen.
Meetbrieven
Artikel 4
Nadat de meting gecontroleerd en voorzover nodig vervolledigd is, zal de nationale centrale scheepsmetingsautoriteit de meetbrieven doen afgeven, al naar het geval is, volgens Regel I of Regel II.
De meetbrieven moeten geheel overeenkomen met de modellen aangegeven in de Aanhangsels 2 en 3, en de bijzonderheden bevatten, welke daarin zijn vermeld.
Het merken
Artikel 5
De ruimten, genoemd in de artikelen 61 tot en met 63 en 66 tot en met 71, moeten, indien zij ingevolge artikel 7 afgetrokken zijn van de bruto inhoud, behoorlijk gemerkt zijn, waarbij in ieder geval hun juiste bestemming vastgesteld wordt.
De netto inhoud, als omschreven in artikel 7, moet in onuitwisbare merken worden aangegeven op de luikbalk of op de binnenzijde van de luikhoofdplaat van een van de bovenste luikhoofden (bij voorkeur luikhoofd no. 2 gerekend van het voorschip) of, indien zulks onmogelijk is, op een andere geschikte plaats.
HOOFDSTUK II. Bepaling en omschrijving van de inhoud
Eenheden van meting; graad van nauwkeurigheid; omschrijving van lengte en breedte
Artikel 6
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.