Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika met betrekking tot belastingen van inkomsten en bepaalde andere belastingen
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, de wens koesterende een verdrag te sluiten ter voorkoming van dubbele belasting en ter vermijding van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen van inkomsten en bepaalde andere belastingen, hebben te dien einde tot hun Gevolmachtigden benoemd:
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden: de heer E. N. van Kleffens, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden, en
De Regering van de Verenigde Staten van Amerika: de heer George C. Marshall, Secretaris van Staat,
die, na elkander mededeling te hebben gedaan van hun volmachten, welke in behoorlijke vorm werden bevonden, over de volgende artikelen tot overeenstemming zijn gekomen:
Artikel I
(1). De belastingen welke het onderwerp van dit Verdrag vormen zijn:
- (a). Voor zoveel de Verenigde Staten betreft: de Federal income taxes (de inkomstenbelastingen van de Federatie).
- (b). Voor zoveel Nederland betreft.
- (i). voor de toepassing van de bepalingen van het Verdrag met uitzondering van Artikel XX, de inkomstenbelasting met inbegrip van de voorheffingen, de vennootschapsbelasting met inbegrip van de voorheffingen, de vermogensbelasting en de commissarissenbelasting, en
- (ii). voor de toepassing van de Artikelen XX tot en met XXVIII (met uitzondering van de Artikelen XXIV en XXVII), de vermogensaanwasbelasting en de vermogensheffing ineens.
(2). Dit Verdrag zal ook van toepassing zijn op elke andere belasting van in wezen gelijksoortige aard, door een der Verdragsluitende Staten geheven na de dagtekening van ondertekening van dit Verdrag, of (voor zoveel Nederland betreft) door de Regering van enig overzees deel van het Koninkrijk of (voor zoveel de Verenigde Staten betreft) enig overzees gebiedsdeel waartoe dit Verdrag volgens Artikel XXVII is uitgebreid na de dagtekening van de kennisgeving van deze uitbreiding.
(3). In geval van belangrijke veranderingen in de belastingwetten van een der Verdragsluitende Staten zullen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten met elkander in overleg treden.
Artikel II
(1). In dit Verdrag betekent, tenzij het zinsverband iets anders vereist:
- (a) De uitdrukking „Verenigde Staten”: de Verenigde Staten van Amerika, en wanneer deze uitdrukking in aardrijkskundige zin wordt gebezigd: de Staten en het District Columbia.
- (b) De uitdrukking „Nederland”: alleen het Rijk in Europa.
- (c) De uitdrukking „een lichaam der Verenigde Staten”: een vennootschap, vereniging of andere organisatie of rechtskundige eenheid — al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittende — opgericht in de Verenigde Staten of naar het recht van de Verenigde Staten of van een Staat of gebiedsdeel van de Verenigde Staten.
- (d) De uitdrukking „Nederlands lichaam”: een vennootschap, vereniging of andere organisatie of rechtskundige eenheid — al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittende — opgericht in Nederland of naar Nederlands recht.
- (e) De uitdrukking „lichaam van een Verdragsluitende Staat” en „lichaam van de andere Verdragsluitende Staat”: een lichaam der Verenigde Staten of een Nederlands lichaam, al naar het zinsverband vereist.
- (f) De uitdrukking „onderneming der Verenigde Staten”: een onderneming op het gebied van nijverheid of handel, gedreven in de Verenigde Staten door een burger of inwoner van de Verenigde Staten of door een lichaam der Verenigde Staten.
- (g) De uitdrukking „Nederlandse onderneming”: een onderneming op het gebied van nijverheid of handel, gedreven in Nederland door een burger of inwoner van Nederland of door een Nederlands lichaam.
- (h) De uitdrukking „onderneming van een der Verdragsluitende Staten” en „onderneming van de andere Verdragsluitende Staat”: een onderneming der Verenigde Staten of een Nederlandse onderneming al naar het zinsverband vereist.
- (i)
- (A). De uitdrukking „vaste inrichting”: een vaste bedrijfsinrichting waarin de werkzaamheden van een onderneming van een der Verdragsluitende Staten geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.
- (B). Als vaste inrichtingen worden met name beschouwd:
- (i). een filiaal;
- (ii). een kantoor;
- (iii). een verkoopgelegenheid;
- (iv). een fabriek;
- (v). een werkplaats;
- (vi). een mijn, een steengroeve of een andere plaats van natuurlijke hulpbronnen in exploitatie;
- (vii). uitvoering van een bouwwerk of constructiewerkzaamheden, waarvan de duur twaalf maanden overschrijdt.
- (C). Niettegenstaande letter (i) (A) van dit lid wordt een vaste inrichting niet aanwezig geacht bij een of meer van de volgende werkzaamheden:
- (i). het gebruik maken van inrichtingen voor de opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar;
- (ii). het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar voor de opslag, uitstalling of aflevering;
- (iii). het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar voor de bewerking of verwerking door een andere onderneming;
- (iv). het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting voor de aankoop van goederen of koopwaar of voor de inwinning van inlichtingen voor de onderneming;
- (v). het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting voor reclamedoeleinden, voor het geven van inlichtingen, voor wetenschappelijk onderzoek of voor het verrichten van soortgelijke werkzaamheden, indien zij voor de onderneming van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben.
- (D). Zelfs indien een onderneming van een der Verdragsluitende Staten niet een vaste inrichting in de andere Staat heeft ingevolge letters (i) (A) tot (C) van dit lid, wordt zij toch geacht een vaste inrichting in laatstbedoelde Staat te bezitten indien zij in die Staat haar bedrijf uitoefent door middel van een vertegenwoordiger die een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit recht in die Staat geregeld uitoefent, tenzij de machtiging beperkt is tot de aankoop van goederen of waren voor rekening van de onderneming.
- (E). Een onderneming van een der Verdragsluitende Staten wordt niet geacht een vaste inrichting in de andere Staat te bezitten, enkel op grond van het feit, dat zij aldaar haar bedrijf uitoefent door middel van een makelaar, commissionnair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, ingeval deze personen in de normale uitoefening van hun bedrijf handelen.
- (F). De omstandigheid dat een inwoner of een lichaam van een der Verdragsluitende Staten beheerst of door zulk een lichaam wordt beheerst dan wel door dezelfde persoon of personen wordt beheerst als laatstbedoeld lichaam, wordt niet in aanmerking genomen bij het bepalen of zulk een inwoner of lichaam een vaste inrichting in die andere Staat bezit.
- (i). een lichaam van de andere Staat, of
- (ii). een lichaam, dat in die andere Staat zijn bedrijf uitoefent (hetzij door middel van een vaste inrichting of op andere wijze)
- (j) De uitdrukking „bevoegde autoriteit” of „bevoegde autoriteiten”, voor zoveel betreft de Verenigde Staten: de „Commissioner of Internal Revenue” of zijn bevoegde vertegenwoordiger en voor zoveel Nederland betreft: de Directeur-Generaal der Belastingen of zijn bevoegde vertegenwoordiger; en met betrekking tot enig (gebieds) deel, waartoe bepalingen van dit Verdrag zijn uitgebreid ingevolge Artikel XXVII, de bevoegde autoriteit voor de uitvoering in zulk (gebieds) deel van de belastingen, waarop de bedoelde bepalingen van toepassing zijn.
(2). Voor de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag door ieder van de Verdragsluitende Staten zal elke niet nader in dit Verdrag omschreven uitdrukking, tenzij het zinsverband iets anders vereist, de betekenis hebben, welke die uitdrukking heeft volgens de wetten van die Verdragsluitende Staat met betrekking tot de belastingen, welke het onderwerp zijn van dit Verdrag.
Artikel III
(1). De nijverheids- of handelsvoordelen van een onderneming van een der Verdragsluitende Staten zijn vrijgesteld van belasting geheven door de andere Staat tenzij de onderneming in die andere Staat een vaste inrichting bezit. Indien de onderneming zulk een vaste inrichting bezit, mag die andere Staat belasting heffen van de nijverheids- of handelsvoordelen van de onderneming, maar slechts van dat deel daarvan dat aan de vaste inrichting kan worden toegerekend of dat in die andere Staat wordt behaald met de verkoop van goederen of koopwaar van dezelfde aard als welke worden verkocht, of met andere bedrijfshandelingen van dezelfde aard als welke worden verricht, door middel van de vaste inrichting.
(2). Indien een onderneming van een der Verdragsluitende Staten in de andere Staat een vaste inrichting bezit, worden in elk der Verdragsluitende Staten aan die vaste inrichting toegerekend de nijverheids- of handelsvoordelen, welke zij geacht zou kunnen worden te behalen indien zij een onafhankelijke onderneming ware, die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden uitoefende onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden en die als willekeurige derde transacties aanging met de onderneming, waarvan zij een vaste inrichting is. Indien de onderneming, behalve de voordelen behaald door middel van de vaste inrichting, andere voordelen behaalt van de in het eerste lid vermelde aard, worden die andere voordelen behandeld alsof zij door middel van de vaste inrichting waren behaald.
(3). Bij het bepalen van de nijverheids- of handelsvoordelen van een onderneming van een der Verdragsluitende Staten, die in de andere Staat overeenkomstig het eerste en het tweede lid belastbaar zijn, worden als aftrek toegelaten alle kosten, waar ook gemaakt, welke redelijkerwijs verband houden met de aldus belastbare voordelen, daaronder begrepen de kosten van de leiding en algemene administratiekosten.
(4). Geen voordelen worden aan een vaste inrichting toegerekend enkel op grond van de aankoop door die vaste inrichting of door de onderneming zelf, van goederen of koopwaar voor rekening van de onderneming.
(5). De uitdrukking „nijverheids- of handelsvoordelen” betekent inkomsten behaald met de actieve bedrijfsvoering, maar omvat niet inkomsten behandeld in Artikel VII (dividenden), Artikel VIII (interest), Artikel IX (royalty's), Artikelen V en X (inkomsten uit onroerende zaken en natuurlijke hulpbronnen), Artikel XI (vermogenswinsten) en Artikel XVI (persoonlijke diensten), andere dan inkomsten omschreven in de Artikelen VII, derde lid, VIII, tweede lid, IX, derde lid en XI, tweede lid. De uitdrukking „nijverheids- of handelsvoordelen” omvat mede voordelen behaald door een onderneming met het verlenen van diensten van werknemers of ander personeel.
Artikel IV
(1). Indien een inwoner of een lichaam van een Verdragsluitende Staat en enige andere persoon verbonden zijn en indien deze verbonden personen onder elkaar regelingen treffen of aan elkaar voorwaarden opleggen welke afwijken van die, welke zouden zijn gemaakt tussen onafhankelijke personen, mogen alle inkomsten, welke zonder deze regelingen of voorwaarden aan deze inwoner of aan dit lichaam zouden zijn opgekomen, voor de toepassing van dit Verdrag in de inkomsten van deze inwoner of dit lichaam worden begrepen en dienovereenkomstig worden belast.
- (a). Een persoon, niet zijnde een lichaam, is met een lichaam verbonden, indien deze persoon onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van het lichaam.
- (b). Een lichaam is met een ander lichaam verbonden indien een van beiden onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van het andere lichaam, of indien een persoon of personen onmiddellijk of middellijk deelnemen aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van beide lichamen.
Artikel V
Inkomsten uit onroerende zaken (daaronder begrepen voordelen verkregen uit de verkoop van deze zaken, maar niet daaronder begrepen interest van vorderingen of obligaties, verzekerd door hypotheek op onroerende zaken) en royalty's ter zake van de exploitatie van mijnen, steengroeven of andere natuurlijke hulpbronnen, mogen worden belast in de Verdragsluitende Staat, waar deze zaken zijn gelegen.
Artikel VI
(1). Inkomsten welke een onderneming van een der Verdragsluitende Staten verwerft met de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen, welke in die Staat zijn ingeschreven, zijn slechts belastbaar in de Staat waar zodanige schepen of luchtvaartuigen zijn ingeschreven. Inkomsten welke een dergelijke onderneming verwerft met de exploitatie van niet aldus ingeschreven schepen of luchtvaartuigen zullen vallen onder de bepalingen van Artikel III.
(2). Zolang dit Verdrag van kracht is tussen de partijen waarop dit Artikel van toepassing is, zal het geacht worden de bepalingen van de regeling op te schorten, welke getroffen is door uitwisseling van nota's tussen Nederland en de Verenigde Staten, gedagtekend 13 September, 19 October en 27 November 1926, houdende een voorziening tot voorkoming van dubbele inkomstenbelasting op scheepvaartwinsten.
(3). Ingeval de toepasselijkheid van dit Artikel is uitgebreid tot Nederlandsch-Indië overeenkomstig Artikel XXVII, zal de uitwisseling van nota's tussen Nederland en de Verenigde Staten, gedagtekend 8 Maart, 23 Mei en 8 November 1939, betreffende de toepasselijkheid van de in het tweede lid van dit Artikel bedoelde regeling op Nederlandsch-Indië, geacht worden te zijn opgeschort voor zolang als dit Artikel van toepassing blijft met betrekking tot Nederlandsch-Indië.
Artikel VII
(1). Dividenden betaald door een lichaam van een der Verdragsluitende Staten aan een inwoner of een lichaam van de andere Verdragsluitende Staat worden in de eerstbedoelde Staat als volgt belast:
- (a). naar een tarief dat 15 procent van het werkelijk uitgedeelde bruto-bedrag niet overschrijdt; of
- (b). naar een tarief dat 5 procent van het werkelijk uitgedeelde bruto-bedrag niet overschrijdt, indien de genieter een lichaam is, dat gedurende het gedeelte van het belastingjaar van het betalende lichaam, dat aan de datum van betaling van het dividend voorafgaat en gedurende het gehele daaraan voorafgaande belastingjaar (zo dit er is), tenminste 25 procent van het stemgerechtigde aandelenkapitaal van het betalende lichaam heeft bezeten, hetzij alleen, hetzij tezamen met een ander lichaam van die andere Staat, op voorwaarde dat elk der ontvangende lichamen tenminste 10 procent van dat stemgerechtigde aandelenkapitaal heeft bezeten.
(2). De bepalingen van letter (b) zijn niet van toepassing indien meer dan 25 procent van de bruto-inkomsten van het betalende lichaam in dat voorafgaande belastingjaar (zo dit er is) uit interest en dividenden bestond (niet zijnde interest behaald met de uitoefening van een bank-, verzekerings- of financieringsbedrijf en dividenden of interest ontvangen van onderhorige lichamen, van welker stemgerechtigde aandelenkapitaal het betalende lichaam ten tijde van het ontvangen van die dividenden of interest 50 procent of meer bezat).
(3). Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing indien de genieter van de dividenden een vaste inrichting in eerstbedoelde Staat bezit en de aandelen, ter zake waarvan de dividenden worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van de vaste inrichting behoren. In zodanig geval zijn de bepalingen van artikel III van toepassing.
Artikel VIII
(1). Interest op obligaties, schuldbewijzen, pandbrieven, deposito's of terzake van enige andere vorm van schuldenaarschap (daaronder begrepen interest van vorderingen of obligaties, verzekerd door hypotheek op onroerende zaken), betaald aan een inwoner of een lichaam van een der Verdragsluitende Staten is vrijgesteld van belasting geheven door de andere Verdragsluitende Staat. De in dit lid bedoelde vrijstelling geldt slechts voor interest betaald met betrekking tot schuldtitels uitgegeven op of voor 15 oktober 1984 door een persoon van de Verenigde Staten aan een verbonden buitenlands lichaam waarin deze een meerderheidsbelang heeft, welk lichaam voor 15 oktober 1984 bestond en dat als voornaamste doelstelling had de uitgifte van schuldbrieven of het houden van kortlopende schuldbrieven en het uitlenen van de opbrengsten van deze schuldbrieven aan aangesloten (rechts)personen.
(2). Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing indien de genieter van de interest een vaste inrichting in de andere Verdragsluitende Staat bezit en de vordering ter zake waarvan de interest wordt betaald tot het bedrijfsvermogen van de vaste inrichting behoort. In zodanig geval zijn de bepalingen van artikel III van toepassing.
(3). Indien een interest, betaald door een persoon aan een met deze verbonden persoon, als omschreven in artikel IV, hoger is dan een billijke en redelijke vergoeding ter zake van de schuld waarvoor zij wordt voldaan, is het eerste lid van dit artikel slechts van toepassing op dat deel van de interest dat met zulk een billijke en redelijke vergoeding overeenkomt; de beoordeling van de aard van het daarboven uitgaande deel van de betaling en de belastingheffing hiervan geschiedt overeenkomstig de wetten van elk der Verdragsluitende Staten, met inbegrip van de bepalingen van dit Verdrag waar deze toepasselijk zijn.
Artikel IX
(1). Royalty's betaald aan een inwoner of een lichaam van een der Verdragsluitende Staten zijn vrijgesteld van belasting geheven door de andere Verdragsluitende Staat.
(2). Voor de toepassing van dit artikel betekent de uitdrukking „royalty's” alle royalty's, huren of andere bedragen betaald als vergoeding voor het gebruik van, of het recht van gebruik van
- (a). auteursrechten, werken op het gebied van kunst of wetenschap, octrooien, modellen, plannen, geheime procédé's of recepten, handelsmerken, bioscoopfilms, films of banden voor radio- of televisieuitzendingen, of andere soortgelijke zaken of rechten, of
- (b). inlichtingen ter zake van kennis, ervaring of bekwaamheid op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap.
(3). Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing indien de genieter van de royalty's een vaste inrichting in de andere Staat bezit en het recht of de zaak ter zake waarvan de royalty's worden betaald tot het bedrijfsvermogen van de vaste inrichting behoort. In zodanig geval zijn de bepalingen van artikel III van toepassing.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.