Verdrag betreffende de organisatie van de dienst voor de werkgelegenheid

Type Verdrag
Publication 1964-11-13
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau te San-Francisco bijeengeroepen en aldaar bijeengekomen op 17 Juni 1948 in haar een en dertigste zitting en besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende de organisatie van de dienst voor de werkgelegenheid, welk onderwerp begrepen is in het vierde punt van de agenda der zitting, en besloten hebbende, dat die voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag, neemt heden de negende Juli 1948 het volgende verdrag aan, dat genoemd zal worden „verdrag betreffende de dienst voor de werkgelegenheid 1948”.

Artikel 1
1.

Elk Lid van de Internationale Arbeidsorganisatie, ten aanzien van wie dit verdrag van kracht is, moet een openbare kosteloze dienst voor de werkgelegenheid in stand houden of er voor zorgen, dat zodanige dienst in stand gehouden wordt.

2.

Het is een essentiële taak van de dienst voor de werkgelegenheid om, in samenwerking, waar nodig, met andere openbare en bijzondere daarvoor in aanmerking komende lichamen, de best mogelijke organisatie van de arbeidsmarkt te verwezenlijken als een integrerend deel van het nationale welvaartsprogramma, dat de strekking heeft om „werk aan iedereen” te verzekeren en zulks te handhaven, alsmede om de productieve hulpbronnen te ontwikkelen en te gebruiken.

Artikel 2

De dienst voor de werkgelegenheid moet bestaan uit een nationaal systeem van arbeidsbureaux onder toezicht van een nationale autoriteit.

Artikel 3
1.

Het systeem moet een netwerk van plaatselijke bureaux en, zo nodig van regionale bureaux omvatten, voldoende in aantal om elke aardrijkskundige streek van het land te bedienen, en gunstig gelegen voor de werkgevers en de arbeiders.

2.

De organisatie van dat netwerk moet:

Artikel 4
1.

Passende regelingen moeten door middel van adviserende commissies genomen worden voor de samenwerking van vertegenwoordigers van werkgevers en arbeiders bij de organisatie en het werk van de dienst voor de werkgelegenheid alsmede de ontwikkeling van het beleid van die dienst.

2.

Die regelingen moeten een voorziening inhouden voor het instellen van een of meer nationale adviescommissies en, waar nodig, voor regionale en plaatselijke commissies.

3.

De vertegenwoordigers van werkgevers en arbeiders in die commissies, moeten in een gelijk aantal aangewezen worden, na overleg met de vertegenwoordigende organisaties van werkgevers en arbeiders, daar waar die bestaan.

Artikel 5

De algemene politiek van de dienst voor de werkgelegenheid ten opzichte van het verwijzen van arbeiders naar beschikbare arbeid, moet na raadpleging van de vertegenwoordigers van de werkgevers en van de arbeiders door middel van de adviserende commissies, bedoeld in artikel 4, vastgesteld worden.

Artikel 6

De dienst voor de werkgelegenheid moet zodanig ingericht worden, dat een doeltreffende aanwerving en plaatsing van de arbeiders verzekerd is; te dien einde moet hij:

Artikel 7

Maatregelen moeten genomen worden:

Artikel 8
1.

Binnen het kader van de diensten voor de werkgelegenheid en voor de beroepskeuzevoorlichting moeten bijzondere maatregelen voor jeugdige personen genomen en ontwikkeld worden.

Artikel 9
1.

Het personeel van de dienst voor de werkgelegenheid moet bestaan uit openbare ambtenaren, die een zodanige rechtspositie en dienstvoorwaarden hebben, dat zij onafhankelijk zijn van elke verandering in de Regering en van elke ongepaste invloed van buiten en zij, met behoud van de belangen van de dienst, verzekerd zijn van hun blijvend dienstverband.

2.

Behoudens de voorwaarden voor het aanstellen van leden van de openbare diensten door de nationale wetgeving vast te stellen, moeten de ambtenaren van de dienst voor de werkgelegenheid uitsluitend aangesteld worden op grond van de geschiktheid van de candidaat voor de vervulling van de op zich te nemen taak.

3.

De middelen om die geschiktheid te onderzoeken moeten door de bevoegde autoriteit vastgesteld worden.

4.

De ambtenaren van de dienst voor de werkgelegenheid moeten een voor de uitoefening van hun functies geschikte opleiding ontvangen.

Artikel 10

Door de dienst voor de werkgelegenheid en zo daartoe aanleiding is, door andere autoriteiten moeten, in samenwerking met de werkgevers- en arbeidersorganisaties en met andere belanghebbende organismen, alle mogelijke maatregelen genomen worden om het volle gebruik van de dienst voor de werkgelegenheid door de werkgevers en arbeiders, op basis van vrijwilligheid, aan te moedigen.

Artikel 11

De bevoegde autoriteiten moeten alle nodige maatregelen nemen om een doeltreffende samenwerking tussen de openbare dienst voor de werkgelegenheid en de bijzondere bureaux voor arbeidsbemiddeling, welke niet beogen winst te maken, te verzekeren.

Artikel 12
1.

Wanneer het gebied van een Lid uitgestrekte streken bevat, waar tengevolge van het dun bevolkt zijn of tengevolge van de staat van hun ontwikkeling, de bevoegde autoriteit het ondoenlijk acht de bepalingen van het onderhavige verdrag toe te passen, kan zij bedoelde streken van de toepassing van het verdrag uitzonderen hetzij geheel, hetzij met de uitzonderingen, welke zij voor bepaalde inrichtingen of bepaalde werkzaamheden geschikt acht.

2.

Elk Lid moet in zijn eerste jaarverslag over de toepassing van dit verdrag, in te dienen overeenkomstig het bepaalde in artikel 22 van het Statuut der Internationale Arbeidsorganisatie, de streek aanduiden, waarvoor het zich voorstelt een beroep te doen op de bepalingen van dit artikel en moet de redenen opgeven, waarom het zich voorstelt op die bepalingen een beroep te doen. Daarna zal geen Lid een beroep kunnen doen op de bepalingen van dit artikel, behoudens voor zoveel betreft de streken, welke het Lid aldus zal hebben aangeduid.

3.

Elk Lid dat een beroep heeft gedaan op de bepalingen van dit artikel, moet in zijn volgende jaarverslagen de streken aangeven, ten aanzien van welke het afstand doet van het recht om op bedoelde bepalingen een beroep te doen.

Artikel 13
1.

Voor zoveel betreft de gebieden, genoemd in artikel 35 van het Statuut der Internationale Arbeidsorganisatie, zoals dit is gewijzigd bij de akte van wijziging van het Statuut der Internatonale Arbeidsorganisatie 1946, behoudens de gebieden bedoeld in de leden 4 en 5 van dat aldus gewijzigde artikel, moet elk Lid van de Organisatie, dat dit verdrag bekrachtigt, zo spoedig mogelijk na zijn bekrachtiging aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau een verklaring doen toekomen, waarin het mededeelt:

2.

De verplichtingen, bedoeld onder a en b van het eerste lid van dit artikel, zullen geacht worden een integrerend deel van de bekrachtiging uit te maken en zullen dezelfde gevolgen hebben.

3.

Elk Lid zal bij een nadere verklaring afstand kunnen doen van alle of een deel der voorbehouden neergelegd in zijn oorspronkelijke verklaring ingevolge het bepaalde onder b, c en d van het eerste lid van dit artikel.

4.

Elk Lid zal op enig tijdstip, waarop dit verdrag overeenkomstig het bepaalde in artikel 17 kan worden opgezegd, aan de Directeur-Generaal een nadere verklaring kunnen doen toekomen, waarbij in enig ander opzicht de inhoud van een vroegere verklaring gewijzigd wordt en de toestand ten aanzien van bepaalde aangegeven gebieden uiteengezet wordt.

Artikel 14
1.

Wanneer de in dit verdrag behandelde aangelegenheden vallen binnen de eigen bevoegdheden van de autoriteiten van een buiten het moederland gelegen gebied, zal het Lid, dat verantwoordelijk is voor de buitenlandse betrekkingen van dat gebied, in overeenstemming met de Regering van dat gebied, de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau een verklaring kunnen doen toekomen, waarbij het, namens dat gebied, de verplichtingen in het verdrag neergelegd, aanvaardt.

2.

Een verklaring, waarbij de verplichtingen neergelegd in dit verdrag worden aanvaard, kan aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau worden medegedeeld:

3.

De verklaringen aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau, overeenkomstig de bepalingen van de voorgaande leden van dit artikel medegedeeld, moeten vermelden of de bepalingen van het verdrag in het betreffende gebied met of zonder wijzigingen toegepast zullen worden; wanneer de verklaringen inhoudt, dat de bepalingen van het verdrag onder voorbehoud van wijzigingen zullen worden toegepast, moet zij vermelden, waarin die wijzigingen bestaan.

4.

Het betreffende Lid of de betreffende Leden, of de betreffende internationale autoriteit, zullen bij een latere verklaring geheel of gedeeltelijk afstand kunnen doen van het recht zich te beroepen op een wijziging in een vroegere verklaring medegedeeld.

5.

Het betreffende Lid of de betreffende Leden of de betreffende internationale autoriteit, zullen op enig tijdstip, waarop dit verdrag overeenkomstig het bepaalde in artikel 17 opgezegd kan worden, aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau een nieuwe verklaring kunnen doen toekomen, waarbij in enig opzicht de inhoud van een vroegere verklaring gewijzigd wordt en de toestand ten aanzien van de toepassing van dit verdrag medegedeeld wordt.

Artikel 15

De officiële bekrachtigingen van dit verdrag zullen worden medegedeeld aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en door hem worden ingeschreven.

Artikel 16
1.

Dit verdrag zal slechts verbindend zijn voor de Leden der Internationale Arbeidsorganisatie, die hun bekrachtigingen door de Directeur-Generaal hebben doen inschrijven.

2.

Het zal van kracht worden twaalf maanden nadat de bekrachtigingen van twee Leden door de Directeur-Generaal zullen zijn ingeschreven.

3.

Vervolgens zal dit verdrag voor ieder der Leden in werking treden twaalf maanden na de datum, waarop zijn bekrachtiging zal zijn ingeschreven.

Artikel 17
1.

Ieder Lid, dat dit verdrag heeft bekrachtigd, kan het opzeggen na verloop van een termijn van tien jaren na de datum, waarop dit verdag van kracht is geworden, zulks bij een verklaring toegezonden aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en door deze in te schrijven. De opzegging wordt eerst van kracht een jaar nadat zij is ingeschreven.

2.

Ieder Lid, dat dit verdrag heeft bekrachtigd en binnen een jaar na verloop van de termijn van tien jaren bedoeld in het vorige lid, geen gebruik maakt van de bevoegdheid tot opzegging voorzien in dit artikel, zal voor een nieuwe termijn van tien jaren gebonden zijn en zal daarna dit verdrag kunnen opzeggen na verloop van elke termijn van tien jaren, onder de voorwaarden bedoeld in dit artikel.

Artikel 18
1.

De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau zal aan alle Leden der Internationale Arbeidsorganisatie kennis geven van de inschrijving van alle bekrachtigingen, verklaringen en opzeggingen, welke hem door de Leden der Organisatie zullen zijn medegedeeld.

2.

Bij de kennisgeving aan de Leden der Organisatie van de inschrijving van de tweede hem medegedeelde bekrachtiging, zal de Directeur-Generaal de aandacht van de Leden der Organisatie vestigen op de datum, waarop dit verdrag van kracht zal worden.

Artikel 19

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.