Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties
Aangezien art. 104 van het Handvest van de Verenigde Naties bepaalt, dat de Organisatie op het gebied van ieder van haar Leden zodanige rechtsbevoegdheid zal bezitten, als nodig zal zijn voor de uitoefening van haar functies en het verwezenlijken van haar doeleinden, en
Aangezien art. 105 van het Handvest van de Verenigde Naties bepaalt, dat de Organisatie op het gebied van ieder van haar Leden zodanige voorrechten en immuniteiten zal genieten, als nodig zullen zijn voor het verwezenlijken van haar doeleinden en dat vertegenwoordigers van de Leden van de Verenigde Naties en functionarissen van de Organisatie eveneens zodanige voorrechten en immuniteiten zullen genieten, als nodig zullen zijn voor de onafhankelijke uitoefening van hun functies in verband met de Organisatie,
Heeft derhalve de Algemene Vergadering in een resolutie, aangenomen op 13 Februari 1946, het volgende Verdrag goedgekeurd en stelt zij voor, dat ieder Lid van de Verenigde Naties hiertoe zal toetreden.
Artikel I. Rechtspersoonlijkheid.
§ 1. De Verenigde Naties zullen rechtspersoonlijkheid bezitten. Zij zullen de bevoegdheid hebben:
- (a) Overeenkomsten aan te gaan;
- (b) Onroerend en roerend goed te verwerven en hierover te beschikken;
- (c) In rechte te verschijnen.
Artikel II. Eigendommen, fondsen en bezittingen.
§ 2. De Verenigde Naties, haar eigendommen en bezittingen, waar deze ook gelegen zijn, en wie deze ook onder zich heeft, zullen vrijgesteld zijn van rechtsvervolging, behoudens wanneer de Verenigde Naties in een bijzonder geval uitdrukkelijk afstand zullen hebben gedaan van haar immuniteit. Het is echter wel verstaan, dat afstand van immuniteit zich niet uitstrekt tot enige maatregel van tenuitvoerlegging.
§ 3. De gebouwen en de terreinen van de Verenigde Naties zullen onschendbaar zijn. De eigendommen en bezittingen van de Verenigde Naties, waar deze ook gelegen zijn en wie deze ook onder zich heeft, zullen vrijgesteld zijn van onderzoek, vordering, confiscatie, onteigening of van iedere andere vorm van ingrijpen, hetzij door optreden van uitvoerende, administratieve, rechterlijke of wetgevende aard.
§ 4. Het archief van de Verenigde Naties en in het algemeen alle stukken, die aan haar behoren of die zij onder zich hebben, zullen onschendbaar zijn, waar deze zich ook bevinden.
§ 5. Zonder beperkt te worden door financiële voorschriften, regelen of moratoria van enigerlei aard,
- (a) kunnen de Verenigde Naties fondsen, goud of valuta's van enigerlei aard bezitten en rekeningen hebben in iedere geldsoort;
- (b) zullen de Verenigde Naties vrij zijn haar fondsen, goud of valuta van het ene land naar het andere land of binnen een land te vervoeren en een valuta, die zij bezitten, om te zetten in enige andere valuta.
§ 6. Bij de uitoefening van de rechten, die haar zijn verleend krachtens § 5 hierboven, zullen de Verenigde Naties de nodige aandacht schenken aan vertogen van de Regering van een Lid, voor zover geoordeeld wordt, dat aan zodanig vertoog gevolg kan worden gegeven zonder de belangen van de Verenigde Naties te schaden.
§ 7. De Verenigde Naties, haar bezittingen, inkomen en verdere eigendommen zullen:
- (a) vrijgesteld zijn van alle directe belastingen; het is echter wel te verstaan, dat de Verenigde Naties geen vrijstelling zullen opeisen van belastingen, die in feite niet anders zijn dan retributies voor algemene overheidsdiensten;
- (b) vrijgesteld zijn van douanerechten, alsmede van verboden en beperkingen van invoer en uitvoer met betrekking tot artikelen, die door de Verenigde Naties worden ingevoerd of uitgevoerd voor haar officieel gebruik. Het is echter wel verstaan, dat de artikelen, die met zodanige vrijstelling zijn ingevoerd, in het land, waarin zij werden ingevoerd, niet zullen worden verkocht anders dan op voorwaarden, waaromtrent met de Regering van dat land overeenstemming zal zijn bereikt;
- (c) vrijgesteld zijn van douanerechten, alsmede van verboden en beperkingen van invoer en uitvoer met betrekking tot haar publicaties.
§ 8. Terwijl de Verenigde Naties in principe geen vrijstelling zullen opeisen van accijnzen en van belastingen op de verkoop van roerend en onroerend goed, welke een deel vormen van de te betalen prijs, zullen desniettemin, wanneer de Verenigde Naties voor officieel gebruik belangrijke inkopen doen van goederen, waarop zodanige rechten en belastingen gelegd zijn of gelegd kunnen worden, de Leden, telkens wanneer dit mogelijk is, de nodige administratieve regelingen treffen voor de kwijtschelding of teruggave van het bedrag van zodanige rechten of belastingen.
Artikel III. Faciliteiten met betrekking tot communicatiemiddelen.
§ 9. De Verenigde Naties zullen op het grondgebied van ieder Lid voor haar officiële mededelingen een behandeling genieten, die niet minder gunstig zal zijn dan die, welke door de Regering van dat Lid wordt toegestaan aan enige andere Regering met inbegrip van haar diplomatieke missie, wat betreft prioriteiten, tarieven en belastingen op post, kabeltelegrammen, telegrammen, radiogrammen, telefoto's, telefoon en andere communicatiemiddelen, alsmede perstarieven voor mededelingen aan pers of radio. Op de officiële correspondentie en andere officiële mededelingen van de Verenigde Naties zal geen censuur worden toegepast.
§ 10. De Verenigde Naties zullen het recht hebben codes te gebruiken en haar correspondentie te verzenden en te ontvangen per koerier of in zakken, welke dezelfde immuniteiten en voorrechten zullen hebben als diplomatieke koeriers en zakken.
Artikel IV. Vertegenwoordigers van Leden.
§ 11. De vertegenwoordigers van Leden in de voornaamste en hulporganen van de Verenigde Naties en op conferenties, die door de Verenigde Naties zijn bijeengeroepen, zullen gedurende de uitoefening van hun functies en gedurende hun reis naar en van de plaats van samenkomst de volgende voorrechten en immuniteiten genieten:
- (a) immuniteit van persoonlijke arrestatie of gevangenhouding en van inbeslagneming van hun persoonlijke bagage, alsmede met betrekking tot in hun hoedanigheid van vertegenwoordigers door hen gesproken of geschreven woorden en alle door hen verrichte handelingen, vrijstelling van rechtsvervolging;
- (b) onschendbaarheid voor alle papieren en stukken;
- (c) het recht codes te gebruiken en papieren of correspondentie te ontvangen per koerier of in verzegelde zakken;
- (d) vrijstelling met betrekking tot hen zelf en hun echtgenoten van immigratiebeperkingen, vreemdelingenregistratie of nationale dienstplicht in de landen, die zij bezoeken of waar zij doorreizen in de uitoefening van hun functies;
- (e) dezelfde faciliteiten met betrekking tot beperkingen nopens geld of het wisselen van geld als worden toegestaan aan vertegenwoordigers van vreemde Regeringen, die met een tijdelijke officiële zending zijn belast;
- (f) dezelfde immuniteiten en faciliteiten met betrekking tot hun persoonlijke bagage als worden toegestaan aan hen, die met een diplomatieke zending zijn belast; en voorts,
- (g) zodanige andere voorechten, immuniteiten en faciliteiten, die niet onverenigbaar zijn met het voorafgaande, als zij, die met een diplomatieke zending zijn belast, genieten, behoudens, dat zij niet het recht zullen hebben vrijstelling te eisen van douanerechten op ingevoerde goederen (andere dan dezulke, die deel uitmaken van hun persoonlijke bagage) of wel van accijnzen of belastingen op verkoop.
§ 12. Ten einde de vertegenwoordigers van Leden in de voornaamste en hulporganen van de Verenigde Naties en op conferenties, die door de Verenigde Naties zijn bijeengeroepen, volledige vrijheid van het woord en onafhankelijkheid bij de uitoefening van hun taak te verzekeren, zal de immuniteit van rechtsvervolging met betrekking tot door hen gesproken of geschreven woorden en alle door hen in de uitoefening van hun taak verrichte handelingen toegekend blijven ook wanneer de betrokken personen niet langer de vertegenwoordigers van Leden zijn.
§ 13. In die gevallen, waarin de verschuldigdheid tot enige vorm van belasting afhangt van verblijf, zullen de perioden, gedurende welke de vertegenwoordigers van Leden in de voornaamste en hulporganen van de Verenigde Naties en op conferenties, die door de Verenigde Naties zijn bijeengeroepen, in een Staat aanwezig zijn voor de uitoefening van hun taak, niet geacht worden perioden van verblijf te zijn.
§ 14. Voorrechten en immuniteiten worden aan de vertegenwoordigers van Leden niet toegekend voor het persoonlijke voordeel van deze individuele vertegenwoordigers, doch ten einde de onafhankelijke uitoefening van hun functies in verband met de Verenigde Naties te verzekeren. Derhalve heeft een Lid niet alleen het recht, maar is het verplicht afstand te doen van de immuniteit van zijn vertegenwoordiger telkens wanneer naar het oordeel van dit Lid de immuniteit aan de loop van de gerechtigheid in de weg zou staan en van de immuniteit afstand kan worden gedaan zonder dat inbreuk wordt gemaakt op het doel, waarvoor de immuniteit wordt toegekend.
§ 15. De bepalingen van § 11, 12 en 13 zijn niet van toepassing tussen een vertegenwoordiger en de autoriteiten van de Staat, waarvan hij een onderdaan is of waarvan hij de vertegenwoordiger is of is geweest.
§ 16. In dit artikel wordt de uitdrukking „vertegenwoordigers” geacht te omvatten alle gedelegeerden, plaatsvervangende gedelegeerden, adviseurs, technische deskundigen en secretarissen van delegaties.
Artikel V. Functionarissen.
§ 17. De Secretaris-Generaal zal aangeven, op welke categoriën van functionarissen de bepalingen van dit artikel en art. VII van toepassing zullen zijn. Hij zal deze categoriën voorleggen aan de Algemene Vergadering. Daarna zullen deze categoriën aan de Regeringen van alle Leden worden medegedeeld. De namen van de functionarissen, die in deze categoriën begrepen zijn, zullen van tijd tot tijd ter kennis van de Regeringen van de Leden worden gebracht.
§ 18. De functionarissen van de Verenigde Naties zullen:
- (a) vrijgesteld zijn van rechtsvervolging met betrekking tot woorden, door hen gesproken of geschreven, en alle handelingen, door hen verricht in hun officiële hoedanigheid;
- (b) vrijgesteld zijn van belasting op de salarissen en emolumenten, welke door de Verenigde Naties aan hen worden uitbetaald;
- (c) vrijgesteld zijn van nationale dienstplicht;
- (d) te zamen met hun echtgenoten en van hen afhankelijke verwanten vrijgesteld zijn van immigratiebeperkingen en vreemdelingenregistratie;
- (e) dezelfde voorrechten met betrekking tot faciliteiten nopens het wisselen van geld ontvangen als verleend worden aan ambtenaren van vergelijkbare rang, die deel uitmaken van diplomatieke zendingen bij de betrokken Regering;
- (f) te zamen met hun echtgenooten en van hen afhankelijke verwanten dezelfde repatriëringsfaciliteiten ontvangen in tijden van internationale crisis als personen, die met een diplomatieke zending zijn belast;
- (g) het recht hebben hun huisraad en goederen vrij van rechten in te voeren de eerste maal, dat zij hun post aanvaarden in het betreffende land.
§ 19. Behalve de immuniteiten en voorrechten, die aangegeven zijn in § 18, zullen aan de Secretaris-Generaal en alle adjunct-Secretarissen-Generaal met betrekking tot hen zelf, hun echtgenoten en minderjarige kinderen de voorrechten en immuniteiten, vrijstellingen en faciliteiten worden toegestaan, welke overeenkomstig het internationale recht worden toegestaan aan hen, die met een diplomatieke zending zijn belast.
§ 20. Voorrechten en immuniteiten worden aan functionarissen verleend in het belang van de Verenigde Naties en niet voor het persoonlijke voordeel van deze individuële functionarissen. De Secretaris-Generaal zal het recht en de plicht hebben afstand te doen van de immuniteit van een functionaris, telkens wanneer naar zijn oordeel de immuniteit aan de loop van de gerechtigheid in de weg zou staan en van de immuniteit afstand kan worden gedaan zonder dat inbreuk wordt gemaakt op de belangen van de Verenigde Naties. Ingeval het de Secretaris-Generaal betreft, zal de Veiligheidsraad het recht hebben afstand te doen van de immuniteit.
§ 21. De verenigde Naties zullen te allen tijde met de daarvoor aangewezen autoriteiten van de Leden samenwerken om de juiste rechtsbedeling te bevorderen, het nakomen van politievoorschriften te verzekeren en te voorkomen dat misbruik optreedt in verband met de voorrechten, immuniteiten en faciliteiten, bedoeld in dit artikel.
Artikel VI. Deskundigen met zendingen voor de Verenigde Naties.
§ 22. Aan deskundigen (andere dan de functionarissen, die binnen het kader van art. V vallen), die zendingen voor de Verenigde Naties verrichten, zullen zodanige voorechten en immuniteiten worden verleend als noodzakelijk zal zijn voor de onafhankelijke uitoefening van hun functies gedurende de periode van hun zendingen, met inbegrip van de tijd gebruikt voor reizen in verband met hun zendingen. In het bijzonder zullen hun worden verleend:
- (a) immuniteit van persoonlijke arrestatie of gevangenhouding en van inbeslagneming van hun persoonlijke bagage;
- (b) met betrekking tot gedurende de vervulling van hun zending door hen gesproken of geschreven woorden en door hen verrichte handelingen, immuniteit van rechtsvervolging. Deze vrijstelling van rechtsvervolging zal toegekend blijven ook wanneer de betrokken personen niet langer een zending vervullen voor de Verenigde Naties;
- (c) onschendbaarheid voor alle papieren en stukken;
- (d) voor hun contact met de Verenigde Naties het recht codes te gebruiken en papieren of correspondentie te ontvangen per koerier of in verzegelde zakken;
- (e) dezelfde faciliteiten met betrekking tot beperkingen nopens geld of het wisselen van geld als worden toegestaan aan vertegenwoordigers van vreemde Regeringen, die met een tijdelijke officiële zending zijn belast;
- (f) dezelfde immuniteiten en faciliteiten met betrekking tot hun persoonlijke bagage als worden toegestaan aan hen, die met een diplomatieke zending zijn belast.
§ 23. Voorrechten en immuniteiten worden aan de deskundigen verleend in het belang van de Verenigde Naties en niet voor het persoonlijke voordeel van de individuele deskundigen. De Secretaris-Generaal zal het recht en de plicht hebben afstand te doen van de immuniteit van een deskundige, telkens wanneer naar zijn oordeel de immuniteit aan de loop van de gerechtigheid in de weg zou staan en van de immuniteit afstand kan worden gedaan zonder dat inbreuk wordt gemaakt op de belangen van de Verenigde Naties.
Artikel VII. Laissez-passer van de Verenigde Naties.
§ 24. De Verenigde Naties kunnen aan haar functionarissen laissez-passer uitgeven. Deze laissez-passer zullen door de autoriteiten van de Leden erkend en aanvaard worden als geldige reispapieren met inachtneming van de bepalingen van § 25.
§ 25. Aanvragen om visa, (indien deze nodig zijn), ingediend door de houders van laissez-passer van de Verenigde Naties zullen, indien zij vergezeld zijn van een certificaat, dat de houders reizen voor zaken van de Verenigde Naties, met zo groot mogelijke spoed behandeld worden. Bovendien zullen aan deze personen faciliteiten voor snel reizen worden verleend.
§ 26. Gelijksoortige faciliteiten, als bedoeld in § 25, zullen worden toegekend aan deskundigen en andere personen, die, hoewel zij geen houders van laissez-passer van de Verenigde Naties zijn, een certificaat hebben, dat zij reizen voor zaken van de Verenigde Naties.
§ 27. Aan de Secretaris-Generaal, de adjunct-Secretarissen-Generaal en de Directeuren, die reizen met laissez-passer van de Verenigde Naties voor zaken van de Verenigde Naties, zullen dezelfde faciliteiten worden verleend als worden toegekend aan personen, die met een diplomatieke zending belast zijn.
§ 28. De bepalingen van dit artikel kunnen worden toegepast op vergelijkbare functionarissen van gespecialiseerde organisaties, indien de overeenkomsten, waarbij deze organisaties krachtens art. 63 van het Handvest met de Verenigde Naties in verband worden gebracht dit voorzien.
Artikel VIII. Beslechting van geschillen.
§ 29. De Verenigde Naties zullen regelingen treffen voor passende wijzen van beslechting van:
- (a) geschillen, die voortvloeien uit overeenkomsten, of andere geschillen van privaatrechtelijke aard, waarbij de Verenigde Naties partij zijn;
- (b) geschillen, waarbij een functionaris van de Verenigde Naties betrokken is, die krachtens zijn officiële positie immuniteit geniet, indien van de immuniteit door de Secretaris-Generaal geen afstand is gedaan.
§ 30. Alle geschillen, die voortvloeien uit de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag, zullen gebracht worden voor het Internationale Gerechtshof, tenzij in een bepaald geval tussen de partijen is overeengekomen, dat zij zullen overgaan tot een andere wijze van beslechting. Indien een geschil ontstaat tussen de Verenigde Naties enerzijds en een Lid anderzijds, zal overeenkomstig art. 96 van het Handvest en art. 65 van het Statuut van het Hof een advies worden verzocht omtrent de hierbij betrokken rechtsquaesties. Het door het Hof gegeven advies zal door de partijen als beslissend worden aanvaard.
Slotartikel
§ 31. Dit Verdrag wordt aan alle Leden van de Verenigde Naties voor toetreding voorgelegd.
§ 32. De toetreding zal geschieden door het nederleggen van een akte bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties en het Verdrag zal ten aanzien van ieder Lid in werking treden op de datum, waarop de akte van toetreding zal zijn nedergelegd.
§ 33. De Secretaris-Generaal zal alle Leden van de Verenigde Naties in kennis stellen met het nederleggen van iedere toetreding.
§ 34. Het is wel verstaan, dat, wanneer een akte van toetreding namens een Lid wordt nedergelegd, dit Lid krachtens zijn eigen recht in staat zal zijn aan de bepalingen van dit Verdrag uitvoering te geven.
§ 35. Dit Verdrag zal van kracht blijven tussen de Verenigde Naties en ieder Lid, dat een akte van toetreding heeft nedergelegd, zolang dit Lid Lid blijft van de Verenigde Naties, of wel totdat een herzien algemeen Verdrag door de Algemene Vergadering zal zijn goedgekeurd en dit Lid partij zal zijn geworden bij dit herziene Verdrag.
⋯
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.