Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
De ondergetekenden, Gevolmachtigden van de Regeringen, vertegenwoordigd op de Diplomatieke Conferentie welke te Genève van 21 April tot 12 Augustus 1949 is bijeengekomen voor het opstellen van een Verdrag voor de bescherming van burgers in oorlogstijd, zijn het volgende overgekomen:
TITEL I. Algemene bepalingen
Artikel 1
De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich dit Verdrag onder alle omstandigheden te eerbiedigen en te doen eerbiedigen.
Artikel 2
Onverminderd de bepalingen welke reeds in tijd van vrede in werking moeten treden, is dit Verdrag van toepassing ingeval een oorlog is verklaard of bij ieder ander gewapend conflict dat ontstaat tussen twee of meer der Hoge Verdragsluitende Partijen, zelfs indien de oorlogstoestand door één der Partijen niet wordt erkend.
Het Verdrag is eveneens van toepassing in alle gevallen van gehele of gedeeltelijke bezetting van het grondgebied van een Hoge Verdragsluitende Partij, zelfs indien deze bezetting geen gewapende tegenstand ontmoet.
Indien één der in conflict zijnde Mogendheden geen partij is bij dit Verdrag, blijven de Mogendheden die wel partij zijn, niettemin in haar onderlinge betrekkingen hierdoor gebonden. Bovendien zullen zij door het Verdrag gebonden zijn ten opzichte van bedoelde Mogendheid, indien deze de bepalingen daarvan aanvaardt en toepast.
Artikel 3
In geval van een gewapend conflict op het grondgebied van één der Hoge Verdragsluitende Partijen, hetwelk geen internationaal karakter draagt, is ieder der Partijen bij het conflict gehouden ten minste de volgende bepalingen toe te passen:
-
- Personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, met inbegrip van personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft nedergelegd, en zij die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of enige andere oorzaak, moeten onder alle omstandigheden menslievend worden behandeld, zonder enig voor hen nadelig onderscheid, gegrond op ras, huidkleur, godsdienst of geloof, geslacht, geboorte of maatschappelijke welstand of enig ander soortgelijk criterium. Te dien einde zijn en blijven te allen tijde en overal ten aanzien van bovengenoemde personen verboden:
- a. aanslag op het leven en lichamelijke geweldpleging, in het bijzonder het doden op welke wijze ook, verminking, wrede behandeling en marteling;
- b. het nemen van gijzelaars;
- c. aanranding van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling;
- d. het uitspreken en tenuitvoerleggen van vonnissen zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, door de beschaafde volken als onmisbaar erkend.
-
- De gewonden en zieken moeten worden verzameld en verzorgd.
Een onpartijdige humanitaire organisatie, zoals het Internationale Comité van het Rode Kruis, kan haar diensten aan de Partijen bij het conflict aanbieden.
De Partijen bij het conflict zullen er verder naar streven door middel van bijzondere overeenkomsten de andere of een deel der andere bepalingen van dit Verdrag van kracht te doen worden.
De toepassing van bovenstaande bepalingen zal niet van invloed zijn op de juridische status van de Partijen bij het conflict.
Artikel 4
Dit Verdrag beschermt personen die, op welk tijdstip en op welke wijze ook, in geval van een conflict of bezetting, zich in de macht bevinden van een Partij bij het conflict of van een bezettende Mogendheid, van welke zij geen onderdanen zijn.
Onderdanen van een Staat die niet gebonden is door het Verdrag, worden hierdoor niet beschermd. Onderdanen van een onzijdige Staat, die zich bevinden op het grondgebied van een oorlogvoerende Staat, en onderdanen van een mede-oorlogvoerende Staat worden niet als beschermde personen beschouwd zolang de Staat van welke zij onderdanen zijn, een normale diplomatieke vertegenwoordiging heeft bij de Staat in wiens macht zij zich bevinden.
Echter bestrijken de bepalingen van Titel II, wat haar toepassing betreft, een ruimer terrein, zoals omschreven in artikel 13.
Personen, beschermd door het Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde, van 12 Augustus 1949, of door het Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden, zieken en schipbreukelingen van de strijdkrachten ter zee, van 12 Augustus 1949, of door het Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen, van 12 Augustus 1949, worden niet beschouwd als beschermde personen in de zin van dit Verdrag.
Artikel 5
Indien, op het grondgebied van een Partij bij het conflict, deze Partij ernstige redenen heeft om een bepaald door dit Verdrag beschermd persoon te verdenken van handelingen, schadelijk voor de veiligheid van de Staat, of indien vaststaat, dat hij zodanige handelingen pleegt, zal deze persoon geen aanspraak kunnen maken op de rechten en voorrechten krachtens dit Verdrag, welke, indien hij deze zou genieten, nadeel zouden kunnen berokkenen aan de veiligheid van de Staat.
Indien, in bezet gebied, een bepaald beschermd persoon in bewaring wordt gesteld als spion of saboteur, dan wel omdat hij onder gegronde verdenking staat van een voor de veiligheid van de bezettende Mogendheid schadelijke handeling, zal die persoon, in de gevallen waarin de militaire veiligheid zulks gebiedend vereist, worden geacht het recht zich met anderen in verbinding te stellen, als bedoeld in dit Verdrag, te hebben verbeurd.
In elk dezer gevallen moeten de in de voorgaande leden bedoelde personen niettemin menslievend worden behandeld en, bij vervolging, mag hun het recht op een rechtvaardige en regelmatige berechting, als voorgeschreven in dit Verdrag, niet worden onthouden. Zij moeten voorts de volledige rechten en voorrechten van een beschermd persoon, in de zin van dit Verdrag, herkrijgen zodra zulks verenigbaar is met de veiligheid van de Staat of van de bezettende Mogendheid, al naar het geval ligt.
Artikel 6
Dit Verdrag vindt toepassing van het begin af van ieder conflict of iedere bezetting, als bedoeld in artikel 2.
Op het grondgebied van de Partijen bij het conflict houdt de toepassing van dit Verdrag op bij de algemene beëindiging van de militaire operaties.
In bezet gebied houdt de toepassing van dit Verdrag op één jaar na de algemene beëindiging van de militaire operaties; niettemin is de bezettende Mogendheid voor de duur van de bezetting - voor zover die Mogendheid de regeringsbevoegdheden in het betrokken gebied uitoefent - gebonden door de bepalingen van de volgende artikelen van dit Verdrag: 1 tot 12, 27, 29 tot 34, 47, 49, 51, 52, 53, 59, 61 tot 77, en 143.
Beschermde personen wier invrijheidstelling, repatriëring of nieuwe vestiging plaats vinden na die termijnen, blijven in afwachting daarvan de voordelen van dit Verdrag genieten.
Artikel 7
Onverminderd de overeenkomsten, uitdrukkelijk voorzien in de artikelen 11, 14, 15, 17, 36, 108, 109, 132, 133 en 149, kunnen de Hoge Verdragsluitende Partijen andere bijzondere overeenkomsten sluiten betreffende alle aangelegenheden waarvoor zij afzonderlijke regelingen menselijk achten. Geen bijzondere overeenkomst mag de positie van beschermde personen, zoals in dit Verdrag geregeld, ongunstig beïnvloeden, noch de rechten welke dit hun toekent, beperken.
Beschermde personen zullen de voordelen van zodanige overeenkomsten blijven genieten zolang het Verdrag op hen van toepassing is, tenzij uitdrukkelijk het tegendeel is bepaald in bovenbedoelde of nadien gesloten overeenkomsten, dan wel gunstiger maatregelen door één der Partijen bij het conflict ten aanzien van hen zijn genomen.
Artikel 8
Beschermde personen mogen onder geen enkele omstandigheid geheel of gedeeltelijk afstand doen van de rechten welke dit Verdrag en eventueel de bijzondere overeenkomsten, bedoeld in het voorgaand artikel, hun waarborgen.
Artikel 9
Dit Verdrag zal worden toegepast met de medewerking en onder het toezicht van de beschermende Mogendheden die belast zijn met het behartigen van de belangen van de Partijen bij het conflict. Te dien einde kunnen de beschermende Mogendheden, naast haar diplomatiek of consulair personeel, gedelegeerden benoemen uit haar eigen onderdanen of uit die van andere onzijdige Mogendheden. De benoeming van deze gedelegeerden moet worden onderworpen aan de goedkeuring van de Mogendheid bij welke zij hun taak zullen vervullen.
De Partijen bij het conflict zullen zo veel mogelijk de taak van de vertegenwoordigers of gedelegeerden van de beschermende Mogendheden vergemakkelijken.
De vertegenwoordigers of gedelegeerden van de beschermende Mogendheden mogen in geen geval de grenzen van de hun krachtens dit Verdrag opgedragen taak overschrijden; zij moeten in het bijzonder rekening houden met de gebiedende eisen van veiligheid van de Staat bij welke zij hun taak vervullen.
Artikel 10
De bepalingen van dit Verdrag vormen geen belemmering voor de menslievende werkzaamheden welke, met toestemming van de betrokken Partijen bij het conflict, het Internationale Comité van het Rode Kruis of enige andere onpartijdige humanitaire organisatie op zich neemt voor de bescherming van burgers en voor aan hen te verlenen hulp.
Artikel 11
De Hoge Verdragsluitende Partijen kunnen te allen tijde overeenkomen de taak welke krachtens dit Verdrag op de beschermende Mogendheden rust, toe te vertrouwen aan een organisatie die alle waarborgen van onpartijdigheid en doeltreffendheid biedt.
Indien beschermde personen, om welke reden ook, niet of niet meer de voordelen genieten van de werkzaamheden van een beschermende Mogendheid of van een organisatie, aangewezen overeenkomstig het eerste lid, moet de gevangenhoudende Mogendheid een onzijdige Staat of een organisatie, als bovenbedoeld, verzoeken de taak op zich te nemen, welke krachtens dit Verdrag rust op door de Partijen bij het conflict aangewezen beschermende Mogendheden.
Indien op deze wijze niet in de bescherming kan worden voorzien, moet de gevangenhoudende Mogendheid een humanitaire organisatie, zoals het Internationale Comité van het Rode Kruis, verzoeken de menslievende taak, anders krachtens dit Verdrag door beschermende Mogendheden uitgeoefend, op zich te nemen, dan wel, behoudens de bepalingen van dit artikel, het aanbod van de diensten door een zodanige organisatie aanvaarden.
Iedere onzijdige Mogendheid of iedere organisatie die door de belanghebbende Mogendheid wordt aangezocht dan wel zich met het bovenbedoeld oogmerk aanbiedt, moet zich bij haar optreden bewust blijven van haar verantwoordelijkheid ten opzichte van de Partij bij het conflict, tot welke de door dit Verdrag beschermde personen behoren, en moet voldoende waarborgen bieden, dat zij in staat is de betreffende taak op zich te nemen en deze op onpartijdige wijze uit te voeren.
Van de voorgaande bepalingen mag niet worden afgeweken bij bijzondere overeenkomst tussen Mogendheden van welke zich één ten gevolge van het verloop der krijgsverrichtingen, zelfs tijdelijk, ten opzichte van de andere Mogendheid of haar bondgenoten in haar vrijheid van onderhandelen beperkt ziet, in het bijzonder ingeval het grondgebied van eerstbedoelde Mogendheid, of een belangrijk gedeelte daarvan, is bezet.
Waar in dit Verdrag wordt gesproken van een beschermende Mogendheid, wordt daaronder begrepen een vervangende organisatie in de zin van dit artikel.
De bepalingen van dit artikel hebben bovendien betrekking op en worden overeenkomstig toegepast in alle gevallen waarin onderdanen van een onzijdige Staat zich in een bezet gebied of op het grondgebied van een oorlogvoerende Staat bevinden, terwijl de Staat van welke zij onderdanen zijn, bij deze geen normale diplomatieke vertegenwoordiging heeft.
Artikel 12
In alle gevallen waarin zij zulks in het belang van de beschermde personen raadzaam achten, in het bijzonder bij meningsverschil tussen de Partijen bij het conflict over de toepassing of uitlegging van de bepalingen van dit Verdrag, zullen de beschermende Mogendheden haar goede diensten verlenen tot oplossing van het geschil.
Te dien einde kan ieder der beschermende Mogendheden, op uitnodiging van één Partij of op eigen initiatief, aan de Partijen bij het conflict een bijeenkomst voorstellen van haar vertegenwoordigers, in het bijzonder van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor beschermde personen, eventueel op passend gekozen onzijdig gebied. De Partijen bij het conflict zijn gehouden gevolg te geven aan de voorstellen welke haar tot dit doel worden gedaan. De beschermende Mogendheden kunnen, zo nodig, de Partijen bij het conflict voorstellen de benoeming van een bepaald persoon, behorend tot een onzijdige Mogendheid of afgevaardigd door het Internationale Comité van het Rode Kruis, die zal worden uitgenodigd aan een zodanige bijeenkomst deel te nemen, goed te keuren.
TITEL II. Algemene bescherming der bevolkingen tegen bepaalde gevolgen van de oorlog
Artikel 13
De bepalingen van deze Titel zijn van toepassing op het geheel der bevolkingen van de bij een conflict betrokken landen, zonder enig voor haar nadelig onderscheid, in het bijzonder gegrond op ras, nationaliteit, godsdienst of politieke overtuiging, en hebben ten doel het door de oorlog veroorzaakt lijden te verzachten.
Artikel 14
In tijd van vrede kunnen de Hoge Verdragsluitende Partijen en, na het uitbreken der vijandelijkheden, de Partijen bij het conflict, op haar eigen grondgebied en, zo nodig, in bezet gebied, hospitalisatieen veiligheidsgebieden en -plaatsen instellen, zodanig ingericht, dat zij aan gewonden, zieken, gebrekkigen, ouden van dagen, kinderen beneden vijftien jaar, zwangere vrouwen en moeders van kinderen beneden zeven jaar bescherming bieden tegen het oorlogsgeweld.
Bij het uitbreken van een conflict en tijdens de vijandelijkheden kunnen de betrokken Partijen overeenkomsten sluiten tot erkenning van de gebieden en plaatsen welke zij hebben ingesteld. Zij kunnen te dien einde de bepalingen, opgenomen in de ontwerp-overeenkomst welke als bijlage aan dit Verdrag is gehecht, in werking doen treden, eventueel met de wijzigingen welke zij nodig mochten achten.
De beschermende Mogendheden en het Internationale Comité van het Rode Kruis worden uitgenodigd hun goede diensten te verlenen om de instelling en erkenning van deze hospitalisatie- en veiligheidsgebieden en -plaatsen te vergemakkelijken.
Artikel 15
Iedere Partij bij het conflict kan, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een onzijdige Staat of van een humanitaire organisatie, aan de tegenpartij voorstellen om in streken waar gevechten plaats vinden, geneutraliseerde gebieden in te stellen, welke ten doel hebben aan de volgende personen, zonder enig onderscheid, bescherming te bieden tegen het oorlogsgeweld:
- a. gewonden en zieken, zowel strijders als niet-strijders;
- b. burgers die niet aan de vijandelijkheden deelnemen en die, gedurende hun verblijf in die gebieden, geen arbeid verrichten, welke een militair karakter draagt.
Wanneer de betrokken Partijen overeenstemming hebben bereikt ten aanzien van de aardrijkskundige ligging, het beheer, de voedselvoorziening en de controle van het beoogde geneutraliseerd gebied, zal een schriftelijke overeenkomst worden opgesteld en ondertekend door de vertegenwoordigers van de Partijen bij het conflict. In deze overeenkomst zullen de aanvang en de duur van de neutralisatie van het gebied worden vastgesteld.
Artikel 16
De gewonden en zieken, evenals de gebrekkigen en de zwangere vrouwen, moeten in het bijzonder worden beschermd en ontzien.
Voor zover de militaire vereisten zulks toelaten, zal iedere Partij bij het conflict het nemen van maatregelen vergemakkelijken om de doden en gewonden op te zoeken, de schipbreukelingen en andere personen die aan ernstig gevaar blootstaan, te hulp te komen en hen te beschermen tegen plundering en slechte behandeling.
Artikel 17
De Partijen bij het conflict zullen streven naar liet sluiten van plaatselijke overeenkomsten voor de evacuatie van gewonden, zieken, gebrekkigen, ouden van dagen, kinderen en kraamvrouwen uit belegerde of omsingelde gebieden, alsmede voor het doorlaten van geestelijken van alle gezindten, van geneeskundig personeel en van geneeskundig materieel, bestemd voor die gebieden.
Artikel 18
Burgerziekeninrichtingen, ingericht voor de verzorging van de gewonden, zieken, gebrekkigen en kraamvrouwen, mogen onder geen omstandigheid het doelwit van aanvallen zijn, doch moeten te allen tijde worden ontzien en beschermd door de Partijen bij het conflict.
Staten die Partij zijn bij een conflict, moeten alle burgerziekeninrichtingen voorzien van een bewijsstuk waaruit blijkt, dat zij burgerziekeninrichtingen zijn en dat de in gebruik zijnde gebouwen niet worden aangewend voor doeleinden welke deze inrichtingen zouden kunnen beroven van de bescherming overeenkomstig artikel 19.
Burgerziekeninrichtingen zullen worden aangeduid door middel van het embleem, bedoeld in artikel 38 van het Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde, van 12 Augustus 1949, doch uitsluitend indien zij daartoe door de Staat zijn gemachtigd.
De Partijen bij het conflict zullen, voor zover de militaire vereisten zulks toelaten, de nodige maatregelen nemen om de kentekenen waardoor de burgerziekeninrichtingen worden aangeduid, duidelijk zichtbaar te maken voor de vijandelijke strijdkrachten te land, in de lucht en ter zee, ten einde iedere mogelijkheid van een vijandelijke aanval te voorkomen.
Met het oog op de gevaren waaraan ziekeninrichtingen zijn blootgesteld indien zij dicht bij militaire objecten zijn gelegen, verdient het aanbeveling, dat deze inrichtingen zo ver mogelijk van zodanige objecten verwijderd zijn.
Artikel 19
De bescherming waarop burgerziekeninrichtingen recht hebben, zal niet eindigen, tenzij daarvan, buiten haar menslievende taak, gebruik wordt gemaakt voor het plegen van voor de vijand schadelijke handelingen. De bescherming zal echter eerst eindigen na een sommatie waarbij, in alle daarvoor in aanmerking komende gevallen, een redelijke termijn is gesteld en waaraan geen gevolg is gegeven.
Het feit, dat zieke of gewonde leden van de gewapende macht in deze inrichtingen worden verpleegd, of dat daarin aan deze strijders ontnomen draagbare wapens en munitie welke nog niet aan de bevoegde tak van dienst zijn afgeleverd, aanwezig zijn, zal niet worden beschouwd als een voor de vijand schadelijke handeling.
Artikel 20
Het vaste personeel, uitsluitend belast met het werk in en het beheer van burgerziekeninrichtingen, met inbegrip van het personeel, belast met het opzoeken, verzamelen, vervoeren en behandelen van gewonde en zieke burgers, van gebrekkigen en kraamvrouwen, moet worden ontzien en beschermd.
In bezet gebied en in gebieden waar militaire operaties plaats vinden, zal dit personeel zich kenbaar maken door middel van een identiteitskaart welke de hoedanigheid van de houder vermeldt en voorzien is van diens fotografie en van het droogstempel van de bevoegde autoriteit, en bovendien door middel van een gestempelde en tegen vocht bestand zijnde armband, welke het bij het verrichten van zijn werkzaamheden om de linkerarm zal dragen. Deze armband zal worden verstrekt door de Staat en voorzien zijn van het embleem, bedoeld in artikel 38 van het Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde, van 12 Augustus 1949.
Ander personeel, belast met het werk in en het beheer van burgerziekeninrichtingen, heeft het recht, bij het verrichten van zijn werkzaamheden, te worden ontzien en beschermd en de armband te dragen, zoals bepaald en op de voorwaarden vervat in dit artikel. De identiteitskaart zal de werkzaamheden vermelden, welke hun zijn opgedragen.
De directie van iedere ziekeninrichting zal te allen tijde een dagelijks bijgehouden lijst van haar personeel ter beschikking houden van de bevoegde nationale dan wel bezettingsautoriteiten.
Artikel 21
Transporten van gewonde en zieke burgers, van gebrekkigen en kraamvrouwen, uitgevoerd te land door konvooien van voertuigen en door hospitaaltreinen of, op zee, door in het bijzonder daarvoor bestemde schepen, moeten op dezelfde wijze worden ontzien en beschermd als de in artikel 18 bedoelde zlekeninrichtingen en zullen, met toestemming van de Staat, worden voorzien van het kenteken, bedoeld in artikel 38 van het Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde, van 12 Augustus 1949.
Artikel 22
Vliegtuigen welke uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van gewonde en zieke burgers, van gebrekkigen en kraamvrouwen, dan wel voor het vervoer van geneeskundig personeel en materieel, mogen niet worden aangevallen, maar moeten worden ontzien zolang zij vliegen op hoogten, op tijden en volgens routes, zoals deze uitdrukkelijk bij overeenkomst tussen alle betrokken Partijen bij het conflict zijn vastgesteld.
Zij mogen worden voorzien van het kenteken, bedoeld in artikel 38 van het Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde, van 12 Augustus 1949.
Tenzij anders overeengekomen, is het overvliegen van vijandelijk of door de vijand bezet gebied verboden.
Bedoelde vliegtuigen moeten aan iedere sommatie om te landen gevolg geven. In geval van een zodanige gedwongen landing mag het vliegtuig met de inzittenden, na een eventueel onderzoek, zijn vlucht vervolgen.
Artikel 23
Iedere Hoge Verdragsluitende Partij zal de vrije doorvoer toestaan van alle zendingen van geneeskundige voorraden en ziekenhuisbenodigdheden, alsmede van voorwerpen, nodig voor de eredienst, welke uitsluitend bestemd zijn voor burgers van een andere Hoge Verdragsluitende Partij, zelfs indien deze haar tegenstander is. Zij zal eveneens de vrije doorvoer toestaan van alle zendingen van onontbeerlijke levensmiddelen, kleding en versterkende middelen, bestemd voor kinderen beneden vijftien jaar, zwangere vrouwen en kraamvrouwen.
De verplichting van een Hoge Verdragsluitende Partij om de vrije doorvoer toe te staan van de in het voorgaand lid bedoelde zendingen is onderworpen aan de voorwaarde, dat deze Partij overtuigd is, dat er geen ernstige redenen bestaan te vrezen:
- a. dat de zendingen zullen worden onttrokken aan haar bestemming,
- b. dat de controle niet doeltreffend zal zijn, of
- c. dat de vijand daarvan kennelijk profijt zal trekken voor zijn militaire inspanning of zijn economie, door deze zendingen in de plaats te stellen van goederen welke hij anders zelf zou hebben moeten verschaffen of produceren, of door materiaal, productiemiddelen of diensten vrij te maken, welke hij anders zelf zou hebben moeten aanwenden voor de productie van die goederen.
De Mogendheid die de doorvoer van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde zendingen toestaat, mag aan haar toestemming de voorwaarde verbinden, dat de uitdeling aan de begunstigden geschiedt onder het toezicht ter plaatse van de beschermende Mogendheden.
Deze zendingen moeten zo spoedig mogelijk worden doorgezonden en de Mogendheid die de vrije doorvoer daarvan toestaat, heeft het recht de technische regelingen voor te schrijven, waaronder de doorvoer zal worden toegestaan.
Artikel 24
De Partijen bij het conflict zullen de nodige maatregelen nemen, opdat kinderen beneden vijftien jaar, die ten gevolge van de oorlog wees zijn geworden of van hun familie zijn gescheiden, niet aan hun lot worden overgelaten en opdat, onder alle omstandigheden, hun verzorging, de vervulling van hun godsdienstplichten en hun opvoeding worden vergemakkelijkt. Hun opvoeding zal, voor zover mogelijk, worden toevertrouwd aan personen van gelijke culturele traditie.
De Partijen bij het conflict zullen de opneming van deze kinderen in een onzijdig land voor de duur van het conflict bevorderen, zulks met toestemming van de beschermende Mogendheid, indien deze bestaat, en mits er voldoende waarborgen zijn, dat de beginselen, omschreven in het eerste lid, in acht zullen worden genomen.
Bovendien zullen zij er naar streven de nodige maatregelen te nemen, opdat alle kinderen beneden twaalf jaar geïdentificeerd kunnen worden, hetzij door het dragen van een identiteitsplaatje, hetzij op andere wijze.
Artikel 25
Alle personen die zich op het grondgebied van een Partij bij het conflict of in een door haar bezet gebied bevinden, zullen in de gelegenheid worden gesteld aan de leden van hun naaste familie, waar dezen zich ook bevinden, berichten van strikt persoonlijke aard te zenden en berichten van hen te ontvangen. Deze correspondentie zal met spoed en zonder ongerechtvaardigde vertraging worden verzonden.
Indien, ten gevolge van omstandigheden, de correspondentie tussen familieleden langs de normale weg moeilijk of onmogelijk is geworden, zullen de betrokken Partijen bij het conflict zich wenden tot een onzijdig bemiddelaar, zoals het in artikel 140 bedoeld Centraal Bureau, ten einde in overleg daarmede te bepalen op welke wijze het nakomen van haar verplichtingen onder de gunstigste omstandigheden wordt gewaarborgd, in het bijzonder met medewerking van de nationale Rode Kruis (Rode Halve Maan, Rode Leeuw en Zon) Verenigingen.
Indien de Partijen bij het conflict het nodig oordelen de correspondentie tussen familieleden te beperken, mogen zij niet verder gaan dan het gebruik van standaard-formulieren voor te schrijven, welke vijf en twintig woorden naar vrije keuze mogen bevatten, en het aantal van deze te verzenden formulieren tot één per maand te beperken.
Artikel 26
Iedere Partij bij het conflict zal de nasporingen vergemakkelijken, welke worden ingesteld door leden van ten gevolge van de oorlog verspreide gezinnen om het contact met elkander weder op te nemen en zo mogelijk het gezin te herenigen. Zij zal in het bijzonder de werkzaamheden bevorderen van organisaties die zich aan deze taak wijden, mits deze voor haar aanvaardbaar zijn en zich gedragen naar de door haar vastgestelde voorschriften met betrekking tot de veiligheid.
TITEL III. Status en behandeling van beschermde personen
AFDELING I. Gemeenschappelijke bepalingen voor de grondgebieden van de Partijen bij het conflict en voor bezette gebieden
Artikel 27
Beschermde personen hebben, onder alle omstandigheden, recht op eerbieding van hun persoon, hun eer, hun familierechten, hun godsdienstige overtuiging en de waarneming van hun godsdienstplichten, en hun zeden en gewoonten. Zij moeten te allen tijde menslievend worden behandeld en worden beschermd, in het bijzonder tegen iedere daad van geweld of vreesaanjaging, tegen beledigingen en de nieuwsgierigheid van het publiek.
Vrouwen moeten in het bijzonder worden beschermd tegen iedere aanslag op haar eer, met name tegen verkrachting, gedwongen prostitutie en iedere aanranding van haar eerbaarheid.
Onverminderd de bepalingen betreffende de gezondheidstoestand, leeftijd en sekse, moeten alle beschermde personen door de Partij bij het conflict, in wier macht zij zich bevinden, gelijkelijk worden ontzien, zonder enig voor hen nadelig onderscheid, gegrond in het bijzonder op ras, godsdienst of politieke overtuiging.
De Partijen bij het conflict mogen echter ten aanzien van beschermde personen die contrôle- of veiligheidsmaatregelen nemen, welke ten gevolge van de oorlog nodig mochten zijn.
Artikel 28
Beschermde personen mogen niet worden gebruikt om door hun aanwezigheid bepaalde punten of streken te vrijwaren voor militaire operaties.
Artikel 29
De Partij bij het conflict, in wier macht zich beschermde personen bevinden, is verantwoordelijk voor de behandeling welke hun door haar beambten wordt aangedaan, onverminderd de persoonlijke aansprakelijkheid welke mocht bestaan.
Artikel 30
Beschermde personen zullen alle faciliteiten genieten om zich te wenden tot de beschermende Mogendheden, het Internationale Comité van het Rode Kruis, de nationale Rode Kruis (Rode Halve Maan, Rode Leeuw en Zon) Vereniging van het land waar zij zich bevinden, zomede tot iedere organisatie die hun hulp zou kunnen verlenen.
Deze verschillende organisaties zullen daartoe van de zijde der autoriteiten alle faciliteiten ontvangen, binnen de grenzen, gesteld door militaire noodzaak of veiligheidsoverwegingen.
Afgezien van de in artikel 143 bedoelde bezoeken van de gedelegeerden van de beschermende Mogendheden en van het Internationale Comité van het Rode Kruis, zullen de gevangenhoudende of bezettende Mogendheden zoveel mogelijk bezoeken vergemakkelijken aan beschermde personen door de vertegenwoordigers van andere organisaties die tot doel hebben geestelijke bijstand of materiële hulp aan die personen te bieden.
Artikel 31
Geen lichamelijke of morele dwang mag ten aanzien van beschermde personen worden uitgeoefend, in het bijzonder met het doel om inlichtingen van hen of van derden te verkrijgen.
Artikel 32
De Hoge Verdragsluitende Partijen komen nadrukkelijk overeen, dat het ieder van haar verboden is enige maatregel te nemen, welke lichamelijk lijden of uitroeiing van beschermde personen die zich in haar macht bevinden, veroorzaken. Dit verbod betreft niet alleen levensberoving, marteling, lijfstraffen, verminking en geneeskundige of wetenschappelijke proefnemingen welke de geneeskundige behandeling van een beschermd persoon niet vereist, maar ook alle andere vormen van ruwheid, door burger- dan wel militaire functionarissen toegepast.
Artikel 33
Geen beschermd persoon mag worden gestraft voor een vergrijp dat hij niet persoonlijk heeft begaan. Collectieve straffen, evenals alle maatregelen van vreesaanjaging of terrorisme, zijn verboden.
Plundering is verboden.
Represaillemaatregelen ten aanzien van beschermde personen en hun eigendommen zijn verboden.
Artikel 34
Het nemen van gijzelaars is verboden.
AFDELING II. Vreemdelingen op het grondgebied van een Partij bij het conflict
Artikel 35
Alle beschermde personen die het grondgebied bij het begin of in de loop van een conflict wensen te verlaten, hebben het recht zulks te doen, tenzij hun vertrek in strijd is met de nationale belangen van de Staat. Op de aanvragen van deze personen om het grondgebied te mogen verlaten moet worden beslist volgens een op regelmatige wijze vastgestelde procedure en de beslissing moet zo spoedig mogelijk worden genomen. Degenen aan wie is toegestaan het grondgebied te verlaten, mogen de voor hun reis benodigde gelden en een redelijke hoeveelheid goederen en voorwerpen voor persoonlijk gebruik medenemen.
Personen aan wie toestemming tot het verlaten van het grondgebied is geweigerd, hebben er recht op, dat een bevoegd gerecht of een daartoe door de gevangenhoudende Mogendheid aangewezen administratief college deze weigering zo spoedig mogelijk opnieuw in beschouwing neemt.
Op verzoek zal aan de vertegenwoordigers van de beschermende Mogendheid - tenzij redenen van veiligheid zich daartegen verzetten of de betrokken personen bezwaren hebben - mededeling worden gedaan van de redenen tot afwijzing van de door deze personen ingediende verzoeken tot het verlaten van het grondgebied en, zo spoedig mogelijk, van de namen van alle personen aan wie toestemming is geweigerd.
Artikel 36
Bij het vertrek, toegestaan krachtens het bepaalde in het voorgaand artikel, moeten de veiligheid, hygiëne, gezondheidszorg en voeding voldoende gewaarborgd zijn. Alle hieraan verbonden kosten worden, van het punt af waarop het grondgebied van de gevangenhoudende Mogendheid wordt verlaten, gedragen door het land van bestemming of, in geval van verblijf in een onzijdig land, door de Mogendheid van welke de betrokken personen onderdanen zijn. De practische uitvoering van deze verplaatsingen kan, zo nodig, bij bijzondere overeenkomsten tussen de betrokken Mogendheden worden vastgesteld.
Het bovenstaande doet geen afbreuk aan de bijzondere overeenkomsten welke tussen Partijen bij het conflict gesloten mochten zijn met betrekking tot de uitwisseling en repatriëring van haar onderdanen die in vijandelijke handen zijn gevallen.
Artikel 37
Beschermde personen die zich in voorlopige hechtenis bevinden of een vrijheidsstraf ondergaan, moeten gedurende hun gevangenhouding menslievend worden behandeld.
Zodra zij zijn vrijgelaten, kunnen zij, overeenkomstig de voorgaande artikelen, verzoeken het grondgebied te mogen verlaten.
Artikel 38
Met uitzondering van de bijzondere maatregelen welke krachtens dit Verdrag, in het bijzonder op grond van de artikelen 27 en 41, kunnen worden genomen, zal de positie van beschermde personen in beginsel beheerst blijven door de bepalingen betreffende de behandeling van vreemdelingen in vredestijd. In ieder geval zullen hun de volgende rechten worden verleend:
-
- zij mogen de aan hen gerichte persoonlijke of collectieve zendingen ontvangen;
-
- zij zullen, indien hun gezondheid zulks vereist, eenzelfde geneeskundige behandeling en ziekenhuisverpleging ontvangen als de onderdanen van de betrokken Staat;
-
- zij zullen in staat worden gesteld hun godsdienstplichten te vervullen en geestelijke bijstand van de bedienaars van hun eredienst te ontvangen;
-
- indien zij verblijven in een streek welke bijzonder aan oorlogsgevaren is blootgesteld, zullen zij evenzeer als de onderdanen van de betrokken Staat gerechtigd zijn die streek te verlaten.
-
- kinderen beneden vijftien jaar, zwangere vrouwen en moeders van kinderen beneden zeven jaar zullen, wat hun behandeling betreft, dezelfde voorrechten genieten als de onderdanen van de betrokken Staat.
Artikel 39
Beschermde personen die, ten gevolge van de oorlog, hun broodwinning hebben verloren, zullen in staat worden gesteld betaalde arbeid te verkrijgen en zullen te dien einde, behoudens veiligheidsoverwegingen en de bepalingen van artikel 40, dezelfde voordelen genieten als de onderdanen van de Mogendheid op wier grondgebied zij zich bevinden.
Indien een Partij bij het conflict een beschermd persoon onderwerpt aan controlemaatregelen welke het hem onmogelijk maken in zijn onderhoud te voorzien, in het bijzonder wanneer deze persoon om veiligheidsredenen wordt belet op redelijke voorwaarden betaalde arbeid te vinden, zal bedoelde Partij voorzien in zijn onderhoud en in dat van hen die van hem afhankelijk zijn.
Beschermde personen mogen, in alle gevallen, toelagen ontvangen van hun land van herkomst, van de beschermende Mogendheid of van de in artikel 30 bedoelde verenigingen tot hulpverlening.
Artikel 40
Beschermde personen mogen uitsluitend in dezelfde mate als de onderdanen van de Partij bij het conflict, op wier grondgebied zij zich bevinden, tot arbeid worden verplicht.
Indien beschermde personen de nationaliteit van een vijandelijke Staat bezitten, mogen zij uitsluitend worden verplicht tot werkzaamheden welke normaal nodig zijn om de voedselvoorziening, huisvesting, kleding, het vervoer en de gezondheid van mensen te verzekeren en welke niet rechtstreeks verband houden met het voeren van militaire operaties.
In de gevallen, genoemd in de twee voorgaande leden, zullen voor de tot arbeid verplichte beschermde personen dezelfde arbeidsvoorwaarden en beschermingsmaatregelen gelden als voor de arbeiders van het land waar zij zich bevinden, in het bijzonder wat betreft loon, arbeidstijden, kleding en uitrusting, vooropleiding en vergoeding terzake van beroepsongevallen en -ziekten.
In geval van schending van bovenstaande bepalingen, zijn de beschermde personen bevoegd hun recht van beklag uit te oefenen, overeenkomstig artikel 30.
Artikel 41
Indien de Mogendheid in wier macht zich beschermde personen bevinden, de andere in dit Verdrag genoemde controlemaatregelen niet voldoende acht, zijn de strengste controlemaatregelen welke zij mag toepassen, die van het aanwijzen van een gedwongen verblijfplaats of internering, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 42 en 43.
Bij het toepassen van de bepalingen van artikel 39, tweede lid, op de gevallen waarin personen hun gewone verblijfplaats moeten verlaten krachtens een beslissing waarbij hun een gedwongen verblijfplaats elders wordt aangewezen, zal de gevangenhoudende Mogendheid zich zo nauwkeurig mogelijk houden aan de bepalingen welke betrekking hebben op de behandeling van geïnterneerden (Afdeling IV, Titel III van dit Verdrag).
Artikel 42
De internering van of de aanwijzing van een gedwongen verblijfplaats voor beschermde personen mag alleen dan worden gelast indien de veiligheid van de gevangenhoudende Mogendheid zulks volstrekt noodzakelijk maakt.
Indien een persoon, door tussenkomst van de vertegenwoordigers van de beschermende Mogendheid, uit vrije wil verzoekt te worden geïnterneerd en indien zijn toestand zulks noodzakelijk maakt, zal hij door de Partij bij het conflict, in wier macht hij zich bevindt, worden geïnterneerd.
Artikel 43
Ieder beschermd persoon die geïnterneerd is of aan wie een gedwongen verblijfplaats is aangewezen, heeft het recht te verzoeken, dat een bevoegd gerecht of een daartoe door de gevangenhoudende Mogendheid aangewezen administratief college de te zijnen aanzien genomen beslissing zo spoedig mogelijk aan een nieuw onderzoek onderwerpt. Indien de internering of de aanwijzing van een gedwongen verblijfplaats wordt gehandhaafd, zal het gerecht of het administratief college op gezette tijden, en ten minste tweemaal per jaar, de zaak onderzoeken ten einde de oorspronkelijke beslissing ten gunste van de betrokken persoon te wijzigen, indien de omstandigheden zulks veroorloven.
Tenzij de betrokken beschermde personen zich daartegen verzetten, zal de gevangenhoudende Mogendheid, zo spoedig mogelijk, aan de beschermende Mogendheid mededeling doen van de namen van de beschermde personen die geïnterneerd zijn of aan wie een gedwongen verblijfplaats is aangewezen, en van hen die uit internering zijn ontslagen of wier gedwongen verblijf is beëindigd. De beslissingen van de in het eerste lid van dit artikel genoemde gerechten of colleges zullen eveneens, onder dezelfde voorwaarden, zo spoedig mogelijk ter kennis van de beschermende Mogendheid worden gebracht.
Artikel 44
Bij het toepassen van de in dit Verdrag bedoelde controlemaatregelen zal de gevangenhoudende Mogendheid vluchtelingen die in feite geen bescherming van enige regering genieten, niet behandelen als vijandelijke vreemdelingen uitsluitend op grond van het feit, dat zij rechtens tot een vijandelijke Staat behoren.
Artikel 45
Beschermde personen mogen niet worden overgedragen aan een Mogendheid die geen partij is bij dit Verdrag.
Deze bepaling vormt geen belemmering voor de repatriëring van beschermde personen of voor hun terugkeer naar het land van hun domicilie na het einde der vijandelijkheden.
Beschermde personen mogen door de gevangenhoudende Mogendheid slechts aan een Mogendheid die partij is bij dit Verdrag worden overgedragen, en dan alleen nadat de gevangenhoudende Mogendheid zich ervan heeft vergewist, dat die andere Mogendheid bereid en in staat is het Verdrag toe te passen. Wanneer beschermde personen onder die omstandigheden worden overgedragen, berust de verantwoordelijkheid voor de toepassing van het Verdrag bij de Mogendheid die zich bereid heeft verklaard hen op te nemen, gedurende de tijd, dat zij aan haar zijn toevertrouwd. Niettemin moet, ingeval deze Mogendheid in gebreke blijft op enig belangrijk punt de bepalingen van het Verdrag uit te voeren, de Mogendheid die de beschermde personen heeft overgedragen, op mededeling daarvan door de beschermende Mogendheid, doeltreffende maatregelen nemen om in de toestand afdoende verbetering te brengen dan wel verzoeken haar de beschermde personen terug te zenden. Aan dit verzoek moet worden voldaan.
Een beschermd persoon mag onder geen omstandigheid worden overgedragen aan een land waar hij vervolging kan vrezen op grond van zijn politieke of godsdienstige overtuiging.
De bepalingen van dit artikel vormen geen belemmering voor de uitlevering - krachtens vóór het uitbreken der vijandelijkheden gesloten uitleveringsverdragen - van beschermde personen, beschuldigd van misdrijven tegen het gemene strafrecht
Artikel 46
Voor zover zulks niet eerder is geschied, zullen de ten aanzien van beschermde personen genomen beperkende maatregelen zo spoedig mogelijk na het einde der vijandelijkheden worden ingetrokken.
De ten aanzien van hun bezittingen genomen beperkende maatregelen zullen, in overeenstemming met de metten van de gevangenhoudende Mogendheid, zo spoedig mogelijk na het einde der vijandelijkheden, worden ingetrokken.
AFDELING III. Bezette gebieden
Artikel 47
Beschermde personen die zich in bezet gebied bevinden, mogen, in geen geval en op geen enkele wijze, worden beroofd van de voordelen van dit Verdrag, noch krachtens enige wijziging welke zich, als gevolg van het feit der bezetting, in de instellingen of in de regering van het bezette gebied heeft voorgedaan, noch door een overeenkomst, gesloten tussen de autoriteiten van het bezette gebied en de bezettende Mogendheid, noch op grond van een annexatie door de bezettende Mogendheid van het geheel of een deel van het bezette gebied.
Artikel 48
Beschermde personen die geen onderdanen zijn van de Mogendheid wier grondgebied bezet is, kunnen gebruik maken van het recht het grondgebied te verlaten onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 35; de beslissingen dienaangaande zullen worden genomen overeenkomstig de door de bezettende Mogendheid met inachtneming van genoemd artikel vast te stellen procedure.
Artikel 49
Gedwongen overbrenging van groepen of individuele personen, alsmede deportatie van beschermde personen van het bezette gebied naar het grondgebied van de bezettende Mogendheid dan wel naar dat van een andere al of niet bezette Staat, zijn verboden, welke de redenen daarvoor ook mogen zijn.
Niettemin mag de bezettende Mogendheid tot gehele of gedeeltelijke evacuatie van een bepaalde bezette streek overgaan, indien de veiligheid van de bevolking of dwingende militaire redenen zulks vereisen. Deze evacuaties mogen geen verplaatsing van beschermde personen buiten het bezette gebied medebrengen, tenzij het om materiële redenen onmogelijk is een zodanige verplaatsing te vermijden. De op deze wijze geëvacueerde personen moeten naar hun haardsteden worden teruggevoerd zodra de vijandelijkheden in die streek zijn geëindigd.
De bezettende Mogendheid die tot deze overbrenging of evacuatie overgaat, zal, zoveel in haar vermogen ligt, zorg dragen, dat de beschermde personen behoorlijk worden ondergebracht, dat de overbrenging, wat hygiëne, gezondheid, veiligheid en voeding betreft, onder bevredigende omstandigheden wordt uitgevoerd en dat de leden van eenzelfde familie niet van elkander worden gescheiden.
De beschermende Mogendheid zal in kennis worden gesteld met iedere overbrenging en evacuatie, zodra deze hebben plaatsgevonden.
De bezettende Mogendheid mag beschermde personen niet dwingen te blijven in een bijzonder aan oorlogsgevaren blootgestelde streek, tenzij de veiligheid van de bevolking of dwingende militaire redenen zulks vereisen.
De bezettende Mogendheid mag niet overgaan tot deportatie of overbrenging van een gedeelte van haar eigen burgerbevolking naar het door haar bezette gebied.
Artikel 50
De bezettende Mogendheid zal, met de medewerking van de nationale en plaatselijke autoriteiten, het goed functionneren van instellingen, gewijd aan de zorg voor en de opvoeding van kinderen, vergemakkelijken.
De bezettende Mogendheid zal alle nodige maatregelen nemen om de identificatie van kinderen en de registratie van hun betrekking tot hun naaste familie te vergemakkelijken. Zij mag in geen geval hun persoonlijke staat wijzigen, noch hen doen dienst nemen in aan haar ondergeschikte formaties of organisaties.
Indien de plaatselijke instellingen daartoe niet bij machte zijn, zal de bezettende Mogendheid regelingen treffen voor het onderhoud en de opvoeding - zo mogelijk door personen van dezelfde nationaliteit, taal en godsdienst - van kinderen die ten gevolge van de oorlog wees zijn geworden of van hun ouders zijn gescheiden en die niet behoorlijk verzorgd kunnen worden door een lid van hun naaste familie of een vriend.
Een afzonderlijke afdeling van het krachtens de bepalingen van artikel 136 opgerichte Bureau zal worden belast met het nemen van de nodige maatregelen om kinderen wier identiteit onzeker is, te identificeren. Aanwijzingen omtrent hun ouders of andere naaste verwanten behoren, indien beschikbaar, steeds te worden geregistreerd.
De bezettende Mogendheid mag de toepassing niet belemmeren van voorkeursmaatregelen op het gebied van voeding, geneeskundige verzorging en bescherming tegen de gevolgen van de oorlog, welke, vóór de bezetting, mochten zijn ingevoerd ten gunste van kinderen beneden vijftien jaar, zwangere vrouwen en moeders van kinderen beneden zeven jaar.
Artikel 51
De bezettende Mogendheid mag beschermde personen niet dwingen te dienen bij haar gewapende macht of hulpdiensten. Iedere pressie of propaganda, welke op vrijwillige dienstneming is gericht, is verboden.
De bezettende Mogendheid mag beschermde personen niet dwingen tot arbeid, tenzij zij ouder zijn dan achttien jaar en dan alleen tot werkzaamheden ten behoeve van het bezettingsleger of van de openbare nutsbedrijven, of van de voedselvoorziening, huisvesting, kleding, het vervoer of de gezondheid van de bevolking van het bezette land. Beschermde personen mogen niet worden gedwongen tot enige arbeid welke hen zou verplichten aan krijgsverrichtingen deel te nemen. De bezettende Mogendheid mag beschermde personen niet dwingen met geweld de veiligheid van de inrichtingen waar zij verplichte arbeid verrichten, te verzekeren.
De arbeid mag slechts worden verricht binnen het bezette gebied waar de personen wier diensten zijn gevorderd, zich bevinden. Iedere gevorderde persoon zal, voor zover mogelijk, op de plaats worden gehouden, waar hij gewoon is zijn arbeid te verrichten. De arbeid moet naar billijkheid worden beloond en in overeenstemming zijn met de lichamelijke en verstandelijke vermogens van de arbeiders. De in het bezette land van kracht zijnde wetten betreffende de arbeidsvoorwaarden en de beschermende maatregelen, in het bijzonder met betrekking tot lonen, arbeidstijden, uitrusting, vooropleiding en vergoeding terzake van beroepsongevallen en -ziekten, zullen van toepassing zijn op de beschermde personen aan wie de in dit artikel bedoelde werkzaamheden zijn opgedragen.
In geen geval mag vordering van arbeidskrachten leiden tot een mobilisatie van arbeiders in een organisatie van militair of semi-militair karakter.
Artikel 52
Geen contract, overeenkomst of regeling mag inbreuk maken op het recht van iedere vrijwillige of niet-vrijwillige arbeider, waar deze zich ook bevindt, zich te wenden tot de vertegenwoordigers van de beschermende Mogendheid om haar bemiddeling in te roepen.
Iedere maatregel welke ten doel heeft om werkloosheid te veroorzaken of om arbeidsmogelijkheden van arbeiders in een bezet gebied te beperken, ten einde hen te bewegen voor de bezettende Mogendheid te werken, is verboden.
Artikel 53
Het is de bezettende Mogendheid verboden roerende of onroerende goederen, hetzij individueel hetzij collectief toebehorend aan particulieren, aan de Staat of aan openbare lichamen, aan sociale of coöperatieve organisaties, te vernielen, behoudens in de gevallen waarin militaire operaties een zodanige vernieling volstrekt noodzakelijk maken.
Artikel 54
Het is de bezettende Mogendheid verboden de staat van ambtenaren of van leden van de rechterlijke macht in het bezette gebied te wijzigen of op enigerlei wijze te hunnen aanzien strafmaatregelen toe te passen dan wel dwang- of discriminerende maatregelen te nemen, ingeval zij zich op grond van gewetensbezwaren van de uitoefening van hun functie mochten onthouden.
Dit verbod vormt geen belemmering voor de toepassing van het tweede lid van artikel 51. Het laat het recht van de bezettende Mogendheid om dragers van openbare ambten van hun functies te ontheffen onverlet.
Artikel 55
De bezettende Mogendheid is verplicht met alle haar ten dienste staande middelen de voorziening van de bevolking met levensmiddelen en geneeskundige benodigdheden te verzekeren; zij moet in het bijzonder levensmiddelen, geneeskundige voorraden en andere noodzakelijke artikelen invoeren, indien de hulpbronnen van het bezette gebied ontoereikend zijn.
De bezettende Mogendheid mag levensmiddelen, artikelen of geneeskundige voorraden, welke zich in bezet gebied bevinden, uitsluitend vorderen ten behoeve van het bezettingsleger en de bezettingsadministratie; zij moet daarbij echter rekening houden met de behoeften van de burgerbevolking. Behoudens bepalingen van andere internationale verdragen, moet de bezettende Mogendheid de nodige regelingen treffen, opdat de juiste waarde wordt vergoed voor alle gevorderde goederen.
De beschermende Mogendheden mogen, te allen tijde, onbelemmerd de stand van de voorziening met levensmiddelen en geneeskundige benodigdheden in bezette gebieden nagaan, behoudens tijdelijke beperkingen welke door dwingende militaire noodzaak mochten worden opgelegd.
Artikel 56
De bezettende Mogendheid is verplicht met alle haar ten dienste staande middelen, met medewerking van de nationale en plaatstelijke autoriteiten, de ziekeninrichtingen en de geneeskundige diensten in stand te houden, alsmede de volksgezondheid en de algemene hygiëne in het bezette gebied te verzekeren, in het bijzonder door de invoering en toepassing van prophylactische en preventieve maatregelen welke noodzakelijk zijn om de verbreiding van besmettelijke ziekten en van epidemieën te bestrijden. Aan het geneeskundig personeel van alle categorieën zal worden toegestaan zijn taak te vervullen.
Indien nieuwe ziekeninrichtingen worden geopend in bezet gebied en, de bevoegde organen van de bezette Staat aldaar niet meer functioneren, moeten de bezettingsautoriteiten, zo nodig, aan die ziekeninrichtingen de erkenning, als bedoeld in artikel 18, verlenen. Onder soortgelijke omstandigheden moeten de bezettingsautoriteiten eveneens het personeel van de ziekeninrichtingen en de transportvoertuigen krachtens de bepalingen van de artikelen 20 en 21 erkennen.
Bij de invoering van maatregelen voor de volksgezondheid en hygiëne, alsmede bij hun toepassing, moet de bezettende Mogendheid rekening houden met de morele en ethische opvattingen van de bevolking van het bezette gebied.
Artikel 57
De bezettende Mogendheid mag burgerziekeninrichtingen slechts tijdelijk en slechts in gevallen van uiterste noodzaak vorderen voor de verpleging van gewonde en zieke militairen en dan onder voorwaarde, dat tijdig doeltreffende maatregelen worden genomen om de verpleging en behandeling van de patiënten te verzekeren en te voldoen aan de behoeften van de burgerbevolking op het gebied van ziekenhuisverpleging.
Het materiaal en de voorraden van burgerziekeninrichtingen mogen niet worden gevorderd zolang deze nodig zijn voor de behoeften van de burgerbevolking.
Artikel 58
De bezettende Mogendheid zal aan bedienaars van een eredienst toestaan aan hun geloofsgenoten geestelijke bijstand te verlenen.
De bezettende Mogendheid zal eveneens zendingen van boeken en voorwerpen, nodig voor de eredienst, in ontvangst nemen en de uitdeling daarvan in bezet gebied vergemakkelijken.
Artikel 59
Indien de gehele bevolking van een bezet gebied of een deel daarvan onvoldoende bevoorraad is, zal de bezettende Mogendheid hulpacties ten behoeve van die bevolking toestaan en deze met alle haar ten dienste staande middelen vergemakkelijken.
Deze acties, welke mogen worden ondernomen hetzij door Staten, hetzij door een onpartijdige humanitaire organisatie, zoals het Internationale Comité van het Rode Kruis, zullen in het bijzonder bestaan uit zendingen van levensmiddelen, geneeskundige benodigheden en kleding.
Alle Verdragsluitende Partijen moeten de vrije doorvoer van deze zendingen toestaan en de bescherming daarvan waarborgen.
Een Mogendheid die de vrije doorvoer toestaat van zendingen, bestemd voor door een vijandelijke Partij bij het conflict bezet gebied, heeft echter het recht de zendingen te onderzoeken, de doorvoer te regelen volgens voorgeschreven tijden en routes en van de beschermende Mogendheid de redelijke zekerheid te verkrijgen, dat de zendingen bestemd zijn tot ondersteuning van de noodlijdende bevolking en niet zullen worden gebruikt ten voordele van de bezettende Mogendheid.
Artikel 60
Zendingen tot hulpverlening zullen de bezettende Mogendheid in genen dele ontheffen van de aansprakelijkheid welke op haar rust ingevolge de artikelen 55, 56 en 59. De bezettende Mogendheid mag in geen enkel opzicht de zendingen tot hulpverlening onttrekken aan het doel waarvoor zij zijn bestemd, behoudens in gevallen van dringende noodzaak, in het belang van de bevolking van het bezette gebied en met toestemming van de beschermende Mogendheid.
Artikel 61
De verdeling van de zendingen tot hulpverlening, bedoeld in de voorgaande artikelen, zal worden uitgevoerd met de medewerking en onder het toezicht van de beschermende Mogendheid. Deze taak mag ook, bij overeenkomst tussen de bezettende Mogendheid en de beschermende Mogendheid, worden gedelegeerd aan een onzijdige Staat, het Internationale Comité van het Rode Kruis of enige andere onpartijdige humanitaire organisatie.
Deze zendingen tot hulpverlening zullen in bezet gebied vrijgesteld zijn van alle rechten, belastingen of accijnzen, tenzij deze heffingen in het belang van de economie van het gebied noodzakelijk zijn. De bezettende Mogenheid moet een vlotte verdeling van deze zendingen vergemakkelijken.
Alle Verdragsluitende Partijen zullen er naar streven de doorvoer en het vervoer van deze voor bezette gebieden bestemde zendingen tot hulpverlening kosteloos toe te staan.
Artikel 62
Tenzij dwingende veiligheidsoverwegingen zich daartegen verzetten, zal het beschermde personen die zich in bezet gebied bevinden, geoorloofd zijn de aan hen gerichte persoonlijke zendingen tot hulpverlening te ontvangen.
Artikel 63
Behoudens tijdelijke maatregelen, welke bij uitzondering wegens dwingende veiligheidsoverwegingen door de bezettende Mogendheid mochten worden opgelegd:
- a. mogen de erkende nationale Rode Kruis (Rode Halve Maan, Rode Leeuw en Zon) Verenigingen haar werkzaamheden blijven verrichten overeenkomstig de beginselen van het Rode Kruis, zoals deze door de Internationale Rode Kruis Conferenties zijn vastgesteld. Andere verenigingen tot hulpverlening mogen haar liefdadige werkzaamheden onder soortgelijke voorwaarden voortzetten;
- b. mag de bezettende Mogendheid in de personeelsbezetting en structuur van deze verenigingen geen enkele wijziging eisen, welke de bovenbedoelde werkzaamheden nadelig zou kunnen beïnvloeden.
Dezelfde beginselen zijn van toepassing op de werkzaamheden en het personeel van bijzondere organisaties van niet-militaire aard, die reeds bestaan of mochten worden opgericht om de bestaansvoorwaarden van de burgerbevolking te waarborgen door het instandhouden van de belangrijke openbare nutsbedrijven, het verdelen van zendingen tot hulpverlening en het organiseren van reddingswerk.
Artikel 64
De strafwetgeving van het bezette gebied zal van kracht blijven, behoudens voor zover zij mag worden ingetrokken of opgeschort door de bezettende Mogendheid ingeval deze wetgeving een bedreiging vormt voor haar veiligheid dan wel de toepassing van dit Verdrag belemmert. Behoudens laatstgenoemde overweging en de noodzakelijkheid om een doeltreffende rechtsbedeling te verzekeren, zullen de gerechten van het bezette gebied hun werkzaamheden met betrekking tot alle vergrijpen in bedoelde strafwetgeving voorzien, blijven verrichten.
De bezettende Mogendheid mag de bevolking van het bezette gebied echter onderwerpen aan bepalingen welke noodzakelijk zijn om de bezettende Mogendheid in staat te stellen haar uit dit Verdrag voortvloeiende verplichtingen na te komen, het geregeld bestuur van het gebied te handhaven, alsmede de veiligheid te verzekeren van de bezettende Mogendheid, van de leden en de eigendommen van het bezettingsleger of de bezettingsadministratie, zomede van de door haar gebruikte instellingen en verbindingslijnen.
Artikel 65
De door de bezettende Mogendheid uitgevaardigde strafbepalingen zullen niet van kracht worden dan nadat zij zijn gepubliceerd en in de eigen taal van de bevolking te harer kennis zijn gebracht. Aan deze strafbepalingen mag geen terugwerkende kracht worden verleend.
Artikel 66
De bezettende Mogendheid mag, in geval van schending van de door haar krachtens het tweede lid van artikel 64 afgekondigde strafbepalingen, de verdachte verwijzen naar haar op regelmatige wijze samengestelde, niet-politieke, militaire gerechten, mits deze gerechten in het bezette land zetelen. Beroepsinstanties zullen bij voorkeur in het bezette land zetelen.
Artikel 67
De gerechten mogen slechts die wettelijke bepalingen toepassen, welke van kracht waren vóór het vergrijp werd gepleegd en welke in overeenstemming zijn met de algemeene rechtsbeginselen, in het bijzonder met het beginsel, dat de straf evenredig moet zijn aan het gepleegde feit. Zij moeten rekening houden met het feit, dat de verdachte geen onderdaan is van de bezettende Mogendheid.
Artikel 68
Wanneer beschermde personen een vergrijp plegen uitsluitend met het oogmerk de bezettende Mogendheid te benadelen, zonder dat dit feit een aanslag op het leven van of lichamelijke geweldpleging tegen leden van het bezettingsleger af de bezettingsadministratie inhoudt, noch een ernstig gemeen gevaar oplevert, noch zware schade toebrengt aan de eigendommen van het bezettingsleger of van de bezettingsadministratie of van de bij deze in gebruik zijnde installaties, kunnen deze personen worden onderworpen aan internering of gewone gevangenisstraf, mits de duur van deze internering of gevangenschap evenredig is aan het gepleegde feit. Bovendien zal voor deze vergrijpen internering of gevangenisstraf de enige maatregel van vrijheidsberoving zijn, welke op beschermde personen mag worden toegepast. De gerechten, bedoeld in artikel 66 van dit Verdrag, mogen naar eigen goeddunken een gevangenisstraf vervangen door een maatregel tot internering van dezelfde duur.
De strafbepalingen, door de bezettende Mogendheid afgekondigd overeenkomstig de artikelen 64 en 65, mogen alleen dan de doodstraf ten aanzien van beschermde personen inhouden indien deze schuldig zijn aan spionnage, aan een ernstige daad van sabotage tegen de militaire installaties van de bezettende Mogendheid of aan opzettelijke vergrijpen welke de dood van één of meer personen tot gevolg hebben gehad, mits bij de wetten van het bezette gebied, van kracht zijnde vóór het begin der bezetting, op deze vergrijpen de doodstraf was gesteld.
De doodstraf mag niet worden uitgesproken tegen een beschermd persoon, tenzij de aandacht van het gerecht in het bijzonder is gevestigd op het feit, dat de verdachte, geen onderdaan zijnde van de bezettende Mogendheid, niet door enige plicht van trouw jegens haar is gebonden.
In geen geval mag de doodstraf worden uitgesproken tegen een beschermd persoon die de leeftijd van achttien jaar ten tijde van het plegen van het feit niet had bereikt.
Artikel 69
In alle gevallen zal de duur van de voorlopige hechtenis in mindering worden gebracht op iedere vrijheidsstraf welke een beschermd persoon wordt opgelegd.
Artikel 70
Beschermde personen mogen door de bezettende Mogendheid niet in hechtenis worden genomen, worden vervolgd of veroordeeld wegens handelingen begaan of meningen geuit vóór de bezetting of gedurende een tijdelijke onderbreking daarvan, met uitzondering van schendingen van de wetten en gebruiken van de oorlog.
Onderdanen van de bezettende Mogendheid, die, vóór het uitbreken van de vijandelijkheden, toevlucht hebben gezocht op het grondgebied, van de bezette Staat, mogen slechts in hechtenis worden genomen, worden vervolgd, veroordeeld of buiten het bezette gebied gedeporteerd wegens vergrijpen, gepleegd na het uitbreken der vijandelijkheden, of wegens misdrijven tegen het gemene recht, begaan vóór het uitbreken der vijandelijkheden, welke, volgens de wetten van de bezette Staat, in vredestijd uitlevering gerechtvaardigd zouden hebben.
Artikel 71
De bevoegde gerechten van de bezettende Mogendheid mogen geen vonnis uitspreken, dat niet is voorafgegaan door een regelmatig proces.
Verdachten tegen wie door de bezettende Mogendheid een vervolging wordt ingesteld, moeten onverwijld schriftelijk, in een voor hen begrijpelijke taal, op de hoogte worden gesteld van de bijzonderheden van de tegen hen uitgebrachte telastlegging; hun zaak moet zo spoedig mogelijk worden voorgebracht. De beschermende Mogendheid moet in kennis worden gesteld met iedere door de bezettende Mogendheid tegen een beschermd persoon ingestelde vervolging, indien de telastlegging de doodstraf of een gevangenisstraf van twee jaar of meer ten gevolge kan hebben; de beschermende Mogendheid moet te allen tijde inlichtingen kunnen verkrijgen betreffende de stand van het proces. Bovendien heeft de beschermende Mogendheid het recht, op haar verzoek, te worden ingelicht omtrent alle bijzonderheden betreffende deze processen en iedere andere vervolging, door de bezettende Mogendheid tegen beschermde personen ingesteld.
De kennisgeving aan de beschermende Mogendheid, als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, moet onmiddellijk worden verzonden en de beschermende Mogendheid in ieder geval drie weken vóór de datum van de eerste terechtzitting bereiken. Indien bij de aanvang van de terechtzitting geen bewijs wordt overgelegd, dat de bepalingen van dit artikel ten volle in acht zijn genomen, zal de terechtzitting geen voortgang vinden. De kennisgeving moet in het bijzonder de volgende punten bevatten:
- a. identiteit van de verdachte;
- b. verblijfplaats of plaats van bewaring;
- c. gespecificeerde telastlegging (met vermelding van de strafbepalingen waarop deze is gegrond);
- d. opgave van het gerecht dat met de berechting van de zaak is belast;
- e. plaats en datum van de eerste terechtzitting.
Artikel 72
Iedere verdachte heeft het recht de voor zijn verdediging benodigde bewijzen aan te voeren en mag in het bijzonder getuigen doen oproepen. Hij heeft het recht te worden bijgestaan door een bevoegd raadsman van zijn eigen keuze, die hem vrijelijk zal mogen bezoeken en de nodige faciliteiten zal genieten om de verdediging voor te bereiden.
Indien de verdachte geen raadsman heeft gekozen, zal de beschermende Mogendheid daarin voorzien. Indien tegen de verdachte een ernstige beschuldiging is ingebracht en er geen beschermende Mogendheid optreedt, moet de bezettende Mogendheid, behoudens toestemming van de verdachte, hem een raadsman ter beschikking stellen.
Iedere verdachte zal, tenzij hij daarvan vrijwillig afstand doet, zowel tijdens het vooronderzoek als tijdens de terechtzitting door een tolk worden bijgestaan. Hij heeft te allen tijde het recht de tolk te wraken en diens vervanging te verzoeken.
Artikel 73
Iedere veroordeelde heeft het recht van hoger beroep overeenkomstig de door het gerecht toegepaste wetten. Hij zal volledig worden ingelicht omtrent deze rechtsmiddelen, alsmede omtrent de termijnen waarbinnen deze kunnen worden aangewend.
De strafrechtelijke procedure, bedoeld in deze Afdeling, zal, op overeenkomstige wijze, van toepassing zijn op het hoger beroep. Indien de door het gerecht toegepaste wetten niet voorzien in de mogelijkheid van hoger beroep, heeft de veroordeelde het recht tegen de conclusie en de veroordeling bij de bevoegde autoriteit van de bezettende Mogendheid op te komen.
Artikel 74
De vertegenwoordigers van de beschermende Mogendheid hebben het recht de behandeling ter terechtzitting van iedere zaak tegen een beschermd persoon bij te wonen, tenzij deze, bij uitzondering, met gesloten deuren plaats heeft in het belang van de veiligheid van de bezettende Mogendheid, die dan de beschermende Mogendheid dienaangaande zal inlichten. Een kennisgeving, houdende opgave van de plaats en datum van de aanvang van de terechtzitting, moet aan de beschermende Mogendheid worden gezonden.
Alle vonnissen welke de doodstraf of een gevangenisstraf van twee jaar of meer inhouden, zullen, met vermelding van de motivering, zo spoedig mogelijk aan de beschermende Mogendheid worden medegedeeld; hierbij zal mededeling worden gedaan, dat de in artikel 71 bedoelde kennisgeving is geschied en zal, ingeval het vonnis een vrijheidsstraf inhoudt, de naam worden vermeld van de plaats waar de straf zal worden ondergaan. De overige vonnissen zullen worden ingeschreven in de registers van het gerecht, welke door de vertegenwoordigers van de beschermende Mogendheid mogen worden ingezien. In geval van een veroordeling tot de doodstraf of tot een vrijheidsstraf van twee jaar of meer, zullen de termijnen van hoger beroep eerst beginnen te lopen van het tijdstip af, waarop de beschermende Mogendheid mededeling van het vonnis heeft ontvangen.
Artikel 75
In geen geval mag aan terdoodveroordeelden het recht om gratie te verzoeken worden onthouden.
Geen doodvonnis mag worden tenuitvoergelegd, alvorens een termijn is verlopen van ten minste zes maanden van het tijdstip af, waarop de beschermende Mogendheid de mededeling van de einduitspraak welke de veroordeling tot de doodstraf bevestigt, dan wel van de afwijzing van het gratieverzoek heeft ontvangen.
Deze termijn van zes maanden mag in bepaalde gevallen worden verkort, wanneer ten gevolge van ernstige en critieke omstandigheden de veiligheid van de bezettende Mogendheid of van haar strijdkrachten aan een georganiseerde bedreiging wordt blootgesteld, mits aan de beschermende Mogendheid van de verkorting van die termijn steeds mededeling wordt gedaan en haar steeds de gelegenheid wordt geboden bij de bevoegde bezettingsautoriteiten stappen te ondernemen met betrekking tot deze doodvonnissen.
Artikel 76
Beschermde personen, verdacht van strafbare feiten, zullen de voorlopige hechtenis en, indien zij zijn veroordeeld, hun straf in het bezette land ondergaan. Zij zullen, zo mogelijk, van andere gedetineerden gescheiden worden gehouden; voedings- en hygiënische omstandigheden moeten zodanig zijn, dat zij voldoende zijn voor het behoud van een goede gezondheid en ten minste overeenkomen met die in de strafinrichtingen van het bezette land.
Zij zullen de geneeskundige verzorging ontvangen, welke hun gezondheidstoestand vereist.
Zij zijn eveneens gerechtigd de geestelijke bijstand te ontvangen, welke zij mochten verlangen,
Vrouwen zullen in afzonderlijke verblijven worden ondergebracht en onder rechtstreeks toezicht van vrouwen staan.
Rekening moet worden gehouden met de bijzondere voorschriften voor minderjarigen.
Gedetineerde beschermde personen hebben het recht bezoek te ontvangen van gedelegeerden van de beschermende Mogendheid en van het Internationale Comité van het Rode Kruis, overeenkomstig de bepalingen van artikel 143.
Bovendien hebben deze personen het recht ten minste één pakket tot hulpverlening per maand te ontvangen.
Artikel 77
Verdachte of door de gerechten in het bezette gebied veroordeelde beschermde personen zullen bij het einde van de bezetting, met de hen betreffende dossiers, aan de autoriteiten van het bevrijde gebied worden overgedragen.
Artikel 78
Indien de bezettende Mogendheid het om dwingende redenen van veiligheid nodig acht ten aanzien van beschermde personen veiligheidsmaatregelen te nemen, mag zij hun ten hoogste een gedwongen verblijfplaats aanwijzen of hen aan internering onderwerpen.
Beslissingen ten aanzien van gedwongen verblijf of internering zullen worden genomen volgens een regelmatige procedure, welke door de bezettende Mogendheid overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag moet zijn vastgesteld. Deze procedure moet voorzien in het recht van hoger beroep voor de belanghebbende partijen. Ten aanzien van dit beroep moet binnen de kortst mogelijke termijn worden beslist. Indien de beslissingen worden gehandhaafd, zal een door genoemde Mogendheid ingesteld bevoegd orgaan deze met geregelde tussenpozen, zo mogelijk iedere zes maanden, aan herziening onderwerpen.
Beschermde personen aan wie een gedwongen verblijfplaats is aangewezen en die dientengevolge worden gedwongen hun woning te verlaten, zullen zonder enige beperking de voordelen der bepalingen van artikel 39 van dit Verdrag genieten.
AFDELING IV. Regelen betreffende de behandeling van geïnterneerden
HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen
Artikel 79
De Partijen bij het conflict mogen beschermde personen uitsluitend interneren overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 41, 42, 43, 68 en 78.
Artikel 80
Geïnterneerden behouden hun volle burgerlijke bevoegdheid en mogen de rechten welke daaruit voortvloeien, uitoefenen voor zover zulks verenigbaar is met de staat van geïnterneerde.
Artikel 81
De Partijen bij het conflict zijn gehouden kosteloos te voorzien in het onderhoud van door haar geïnterneerde beschermde personen en hun op dezelfde voorwaarde de geneeskundige verzorging te verschaffen, welke hun gezondheidstoestand noodzakelijk maakt.
Voor het terugbetalen van deze kosten mag geen aftrek worden toegepast op de toelagen, lonen of tegoeden van de geïnterneerden.
De gevangenhoudende Mogendheid moet voorzien in het onderhoud van personen die afhankelijk zijn van geïnterneerden, indien deze personen onvoldoende middelen van bestaan hebben of niet in staat zijn zelf voor hun levensonderhoud te zorgen.
Artikel 82
De gevangenhoudende Mogendheid zal de geïnterneerden zoveel mogelijk naar hun nationaliteit, taal en gewoonten indelen. Geïnterneerde onderdanen van eenzelfde land mogen niet worden gescheiden op grond van het enkele feit, dat zij verschillende talen spreken.
Gedurende de gehele interneringstijd zullen leden van eenzelfde familie, en in het bijzonder ouders en kinderen, verenigd blijven in hetzelfde interneringsoord, met uitzondering van de gevallen waarin de werkzaamheden, de gezondheidstoestand of de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk IX van deze Afdeling een tijdelijke scheiding noodzakelijk maken. Geïnterneerden kunnen verzoeken, dat hun kinderen die, zonder toezicht van de ouders, in vrijheid zijn gebleven, met hen worden geïnterneerd.
Geïnterneerde leden van eenzelfde familie zullen, voor zover enigszins mogelijk, in dezelfde lokaliteiten worden gehuisvest en gescheiden van andere geïnterneerden worden ondergebracht. Het leiden van een familieleven moet hun worden mogelijk gemaakt.
HOOFDSTUK II. Interneringsoorden
Artikel 83
De gevangenhoudende Mogendheid mag interneringsoorden niet instellen in gebieden welke bijzonder aan oorlogsgevaren zijn blootgesteld.
De gevangenhoudende Mogendheid zal, door tussenkomst van de beschermende Mogendheid, aan de vijandelijke Mogendheden mededeling doen van alle vereiste gegevens betreffende de aardrijkskundige ligging der interneringsoorden.
Telkens wanneer overwegingen van militaire aard zulks veroorloven, zullen interneringskampen kenbaar worden gemaakt door de de letters IC, zodanig aangebracht, dat zij overdag uit de lucht duidelijk zichtbaar zijn; echter kunnen de belanghebbende Mogendheden een ander middel van aanduiding overeenkomen. Geen ander oord dan een interneringskamp mag op deze wijze worden aangeduid.
Artikel 84
Geïnterneerden moeten afgezonderd van krijgsgevangenen en van om enige andere reden van hun vrijheid beroofde personen worden ondergebracht en verzorgd.
Artikel 85
De gevangenhoudende Mogendheid is verplicht alle nodige en mogelijke maatregelen te nemen om beschermde personen, van de aanvang van hun internering af, onder te brengen in gebouwen of verblijven welke alle waarborgen bieden voor hygiëne en gezondheid, alsmede afdoende bescherming tegen de wisselvalligheden van het klimaat en de gevolgen van de oorlog. In geen geval mogen permanente interneringsoorden gelegen zijn in ongezonde streken of in streken waar het klimaat schadelijk zou zijn voor de geïnterneerden. In alle gevallen waarin beschermde personen tijdelijk in een ongezonde streek, of in een streek waar het klimaat schadelijk is voor hun gezondheid, worden geïnterneerd, moeten zij, zodra de omstandigheden zulks veroorloven, worden overgebracht naar een interneringsoord waar deze gevaren niet zijn te vrezen.
De lokaliteiten moeten geheel vochtvrij zijn en voldoende verwarmd en verlicht, in het bijzonder tussen het invallen van de duisternis en het doven van de lichten. De slaapvertrekken moeten van voldoende afmetingen zijn en een goede luchtverversing moet mogelijk zijn; iedere geïnterneerde moet over een behoorlijk nachtleger en een voldoend aantal dekens beschikken, gelet op het klimaat, en op leeftijd, sekse en gezondheidstoestand van de geïnterneerden.
Geïnterneerden moeten dag en nacht kunnen beschikken over privaten en urinoirs welke in overeenstemming zijn met de regels der hygiëne en in een voortdurende staat van zindelijkheid worden gehouden. Aan de geïnterneerden moeten in voldoende hoeveelheid water en zeep worden verstrekt voor hun dagelijkse lichaamsverzorging en voor het wassen van hun linnengoed; daartoe zullen de nodige installaties en hulpmiddelen te hunner beschikking worden gesteld. Zij moeten bovendien kunnen beschikken over douches of baden. De nodige tijd voor de hygiënische verzorging en de reinigingswerkzaamheden moet hun worden gegund.
Voor het geval het nodig mocht zijn, als tijdelijke uitzonderingsmaatregel, geïnterneerde vrouwen die niet tot één familiegroep behoren, onder te brengen in hetzelfde interneringsoord als mannen, is het te harer beschikking stellen van afzonderlijke slaapvertrekken en privaten verplicht.
Artikel 86
De gevangenhoudende Mogendheid zal passende lokaliteiten ter beschikking stellen van de geïnterneerden, welke hun gezindte ook moge zijn, voor het houden van hun godsdienstoefeningen.
Artikel 87
Tenzij geïnterneerden over andere soortgelijke faciliteiten kunnen beschikken, zal in ieder interneringsoord een cantine worden ingericht, opdat de geïnterneerden de mogelijkheid hebben zich levensmiddelen en voorwerpen voor dagelijks gebruik, zeep en tabak hieronder begrepen, welke hun persoonlijk welzijn en gerief kunnen verhogen, aan te schaffen tegen prijzen welke in geen geval die van de handel ter plaatse mogen te boven gaan.
De winsten van de cantines zullen worden gestort in een speciaal hulpfonds, hetwelk in ieder interneringsoord zal worden gesticht en geadministreerd ten bate van de geïnterneerden in dat interneringsoord. Het Comité van geïnterneerden, bedoeld in artikel 102, heeft het recht van toezicht op de administratie van de cantine en op het beheer van dit fonds.
Bij de opheffing van een interneringsoord zal het batig saldo van het hulpfonds worden overgemaakt naar het hulpfonds van een ander interneringsoord van geïnterneerden van dezelfde nationaliteit, dan wel, indien een zodanig oord niet bestaat, naar een centraal hulpfonds, hetwelk ten voordele van alle geïnterneerden die in de macht van de gevangenhoudende Mogendheid verblijven, zal worden beheerd. In geval van algemene invrijheidstelling zullen de saldi door de gevangenhoudende Mogendheid worden behouden, tenzij anders overeengekomen tussen de betrokken Mogendheden.
Artikel 88
In alle interneringsoorden, blootgesteld aan luchtbombardementen of andere oorlogsgevaren, zal een voldoend aantal passende schuilplaatsen worden ingericht om de nodige bescherming te verzekeren. In geval van alarm moeten de geïnterneerden zich zo spoedig mogelijk daarheen kunnen begeven, met uitzondering van hen die mochten deelnemen aan de bescherming van hun verblijven tegen bovengenoemde gevaren. Iedere beschermingsmaatregel welke ten behoeve van de bevolking wordt genomen, zal evenzeer op hen van toepassing zijn.
In interneringsoorden moeten voldoende voorzorgsmaatregelen tegen brandgevaar worden genomen.
HOOFDSTUK III. Voeding en kleding
Artikel 89
Het dagelijks voedselrantsoen van geïnterneerden moet, wat hoeveelheid, hoedanigheid en afwisseling betreft, voldoende zijn om een normale gezondheidstoestand te verzekeren en het ontstaan van stoornissen door gemis aan bepaalde stoffen te voorkomen. Rekening moet ook worden gehouden met de voeding waaraan de geïnterneerden gewend waren.
Geïnterneerden zullen bovendien de middelen ontvangen om zelf het extra voedsel waarover zij mochten beschikken, toe te bereiden.
Voldoende drinkwater moet aan de geïnterneerden worden verstrekt. Het gebruik van tabak is geoorloofd.
Geïnterneerden die arbeiden, moeten extra voeding ontvangen in evenredigheid met de aard van de arbeid welke zij verrichten.
Zwangere en zogende vrouwen en kinderen beneden 15 jaar moeten extra voeding ontvangen, overeenkomstig hun lichamelijke behoeften.
Artikel 90
Alle faciliteiten zullen aan geïnterneerden worden verleend om zich te voorzien van kleding, schoeisel en extra ondergoed, zowel op het ogenblik van hun aanhouding als later, indien zulks nodig is. Indien geïnterneerden niet beschikken over voldoende kleding, gelet op het klimaat, en zij zich deze niet zelf kunnen verschaffen, zal de gevangenhoudende Mogendheid hun deze kosteloos verstrekken.
Kledingstukken welke de gevangenhoudende Mogendheden aan geïnterneerden verstrekt, en uitwendige merktekens welke op de kleding van geïnterneerden worden aangebracht, mogen geen onterend karakter hebben, noch hen belachelijk maken.
Werkende geïnterneerden moeten voor hun arbeid geschikte kleding ontvangen, waaronder begrepen beschermende kleding, telkens wanneer de aard van de arbeid zulks vereist.
HOOFDSTUK IV. Hygiëne en geneeskundige verzorging
Artikel 91
Ieder interneringsoord moet voorzien zijn van een behoorlijk ziekenverblijf, geplaatst onder het gezag van een bevoegd geneesheer, waar de geïnterneerden de verzorging welke zij nodig mochten hebben, zomede een passende dieetvoeding kunnen ontvangen. Isolatievertrekken moeten worden bestemd voor gevallen van besmettelijke of geesteszieken.
Kraamvrouwen en geïnterneerden, lijdende aan een ernstige ziekte, of wier toestand een bijzondere behandeling, operatief ingrijpen of verzorging in een ziekeninrichting noodzakelijk maakt, moeten in een inrichting welke geschikt is om hen te behandelen, worden opgenomen en daar een verzorging ontvangen, welke niet mag achterstaan bij die welke aan de bevolking in het algemeen wordt gegeven.
Geïnterneerden zullen bij voorkeur door geneeskundig personeel van hun eigen nationaliteit worden behandeld.
Geïnterneerden mag niet worden verhinderd zich bij de geneeskundige autoriteiten voor onderzoek aan te melden. De geneeskundige autoriteiten van de gevangenhoudende Mogendheid zullen aan iedere behandelde geïnterneerde op diens verzoek een officiële verklaring verstrekken, welke de aard van zijn ziekte of verwonding en de duur en aard van zijn behandeling vermeldt. Een duplicaat van deze verklaring zal aan het Centraal Informatiebureau, bedoeld in artikel 140, worden gezonden.
De behandeling van een geïnterneerde zal kosteloos geschieden, evenals het verschaffen van de apparatuur, nodig om hem in goede gezondheid te houden, in het bijzonder van tand- of andere prothesen en van brillen.
Artikel 92
Ten minste éénmaal per maand zullen geneeskundige inspecties van de geïnterneerden worden gehouden. Deze inspecties hebben in het bijzonder ten doel de algemene gezondheids- en voedingstoestand en staat van zindelijkheid der geïnterneerden te contrôleren, zomede besmettelijke ziekten, in het bijzonder tuberculose, geslachtsziekten en malaria, op te sporen. De inspecties zullen in het bijzonder een contrôle op het lichaamsgewicht van iedere geïnterneerde en, ten minste éénmaal per jaar, een röntgenologisch onderzoek omvatten.
HOOFDSTUK V. Godsdienst, studie en lichaamsoefeningen
Artikel 93
Geïnterneerden genieten volledige vrijheid om hun godsdienstplichten te vervullen, waaronder begrepen het bijwonen van hun erediensten, mits zij zich gedragen naar de door de gevangenhoudende autoriteiten voorgeschreven maatregelen van orde.
Geïnterneerde bedienaars van een eredienst zijn bevoegd hun ambt vrijelijk onder hun geloofsgenoten uit te oefenen. Te dien einde zal de gevangenhoudende Mogendheid zorg dragen, dat zij evenredig worden verdeeld over de verschillende interneringsoorden waarin zich geïnterneerden bevinden, die dezelfde taal spreken en dezelfde godsdienst belijden. Indien het aantal van deze bedienaars niet voldoende is, zal de gevangenhoudende Mogendheid hun de nodige faciliteiten verlenen, waaronder vervoermiddelen, ten einde zich van het ene interneringsoord naar het andere te begeven, en zal hun worden toegestaan de geïnterneerden in ziekeninrichtingen te bezoeken. Bedienaars van een eredienst genieten voor hun ambtelijke aangelegenheden vrijheid van correspondentie met de geestelijke overheden van het land waar zij zijn geïnterneerd, en, voor zover mogelijk, met de internationale godsdienstige organisaties van hun geloofsbelijdenis. Deze correspondentie wordt niet geacht deel uit te maken van het aantal brieven en briefkaarten, bedoeld in artikel 107, maar is wel onderworpen aan de bepalingen van artikel 112.
Wanneer geïnterneerden niet beschikken over de bijstand van bedienaars van hun eredienst, of deze in onvoldoend aantal aanwezig zijn, mag de plaatselijke geestelijke overheid van dezelfde geloofsbelijdenis, in overleg met de gevangenhoudende Mogendheid, een geestelijke van hetzelfde geloof als dat der geïnterneerden aanwijzen, dan wel, indien zulks uit confessioneel oogpunt mogelijk is, een geestelijke van een aanverwant geloof of een daartoe bekwame leek. Deze zal de voordelen genieten, verbonden aan het ambt dat hij op zich heeft genomen. De aldus aangewezen personen moeten zich gedragen naar alle voorschriften, door de gevangenhoudende Mogendheid vastgesteld in het belang van de orde en tucht en de veiligheid.
Artikel 94
De gevangenhoudende Mogendheid zal bezigheden van intellectuele, opvoedende, ontspannende en sportieve aard onder de geïnterneerden aanmoedigen, hen daarbij geheel vrijlatend daaraan al of niet deel te nemen. Zij zal alle mogelijke maatregelen nemen om de uitoefening daarvan te verzekeren, in het bijzonder door geschikte lokaliteiten te hunner beschikking te stellen.
Alle faciliteiten zullen aan geïnterneerden worden verleend om hun studiën voort te zetten of nieuwe te beginnen. Het onderwijs aan kinderen en jongelieden moet worden verzekerd; zij moeten scholen kunnen bezoeken, hetzij in, hetzij buiten het interneringsoord.
Geïnterneerden moeten gelegenheid hebben zich te wijden aan lichaamsoefeningen en aan sport en spel in de open lucht. Daartoe moet in alle interneringsoorden worden voorzien in voldoende open ruimten. Speciale speelplaatsen zullen voor kinderen en jongelieden worden gereserveerd.
Artikel 95
De gevangenhoudende Mogendheid mag geïnterneerden slechts arbeid doen verrichten indien zij zulks wensen. Het gebruik voor arbeid welke, indien aan een niet-geïnterneerd beschermd persoon opgelegd, in strijd zou zijn met de artikelen 40 of 51 van dit Verdrag, alsmede het gebruik voor arbeid van onterende of vernederende aard, is in ieder geval verboden.
Na een arbeidsperiode van zes weken mogen geïnterneerden te allen tijde verklaren het werk te willen beëindigen, met inachtneming van een opzeggingstermijn van acht dagen.
Deze bepalingen doen geen afbreuk aan het recht van de gevangenhoudende Mogendheid om geïnterneerde geneesheren, tandartsen of ander geneeskundig personeel te verplichten hun ambt uit te oefenen ten behoeve van hun mede-geïnterneerden; om geïnterneerden te gebruiken voor administratieve en onderhoudswerkzaamheden ten dienste van het interneringsoord; om deze personen te belasten met werkzaamheden in de keuken of andere huishoudelijke werkzaamheden, of ten slotte om hen te gebruiken voor werkzaamheden, dienend tot het beschermen van geïnterneerden tegen luchtbombardementen of andere oorlogsgevaren. Echter mag geen geïnterneerde worden verplicht werkzaamheden te verrichten, waarvoor hij door een bevoegd geneesheer lichamelijk ongeschikt is verklaard.
De gevangenhoudende Mogendheid is verplicht de gehele verantwoordelijkheid op zich te nemen voor alle arbeidsvoorwaarden, de geneeskundige verzorging, de betaling van de lonen en de vergoeding terzake van beroepsongevallen en -ziekten. De arbeidsvoorwaarden en de vergoeding terzake van beroepsongevallen en -ziekten moeten overeenkomen met de nationale wetten en voorschriften en met het gebruik; zij mogen in geen geval achterstaan bij die, toegepast voor arbeid van dezelfde aard in dezelfde streek. De lonen zullen op billijke wijze worden vastgesteld bij overeenkomst tussen de gevangenhoudende Mogendheid, de geïnterneerden en eventueel de werkgever, indien deze een ander is dan de gevangenhoudende Mogendheid, onverminderd de verplichting van de gevangenhoudende Mogendheid om kosteloos te voorzien in het onderhoud van de geïnterneerde en in de geneeskundige verzorging welke zijn gezondheidstoestand noodzakelijk maakt. Geïnterneerden die blijvend worden gebruikt voor werkzaamheden, genoemd in het derde lid van dit artikel, zullen van de gevangenhoudende Mogendheid een billijk loon ontvangen; de arbeidsvoorwaarden en de vergoeding terzake van beroepsongevallen en -ziekten mogen niet achterstaan bij die, toegepast voor arbeid van dezelfde aard in dezelfde streek.
Artikel 96
Iedere werkgroep moet administratief ingedeeld zijn bij een interneringsoord. De bevoegde autoriteiten van de gevangenhoudende Mogendheid en de commandant van dat interneringsoord zullen verantwoordelijk zijn voor de naleving van de bepalingen van dit Verdrag in de werkgroep. De commandant zal dagelijks een lijst bijhouden van de onder hem ressorterende werkgroepen en deze ter beschikking stellen van de gedelegeerden van de beschermende Mogendheid, het Internationale Comité van het Rode Kruis of enige andere menslievende organisatie, die het interneringsoord mochten bezoeken.
HOOFDSTUK VI. Persoonlijke eigendommen en geldmiddelen
Artikel 97
Geïnterneerden zijn gerechtigd goederen en voorwerpen voor persoonlijk gebruik te behouden. Geldbedragen, cheques, waardepapieren, enz., evenals voorwerpen van waarde, welke zij bij zich hebben, mogen hun slechts overeenkomstig vastgestelde regelen worden ontnomen. Een gespecificeerd ontvangstbewijs moet hun daarvoor worden overhandigd.
De geldbedragen moeten op de rekening van iedere geïnterneerde worden tegoedgeschreven, zoals bepaald in artikel 98. Deze bedragen mogen niet worden omgerekend in een andere muntsoort, tenzij de wetten van het land waar de eigenaar geïnterneerd is, zulks vereisen of de geïnterneerde daarin toestemt.
Voorwerpen welke bovenal een persoonlijke of gevoelswaarde hebben, mogen hun niet worden ontnomen.
Een vrouwelijke geïnterneerde mag uitsluitend door een vrouw worden gefouilleerd.
Bij hun invrijheidstelling of repatriëring zullen de geïnterneerden in geld ontvangen het tegoed van hun rekening, bijgehouden overeenkomstig artikel 98, benevens alle voorwerpen, geldbedragen, cheques, waardepapieren enz., welke hun tijdens de internering zijn ontnomen, met uitzondering van de voorwerpen of waardepapieren, door de gevangenhoudende Mogendheid op grond van haar van kracht zijnde wetten achtergehouden. Ingeval eigendommen van een geïnterneerde op grond van deze wetten worden achtergehouden, zal de belanghebbende een gespecificeerd ontvangstbewijs ontvangen.
Familiepapieren en identiteitsbewijzen, welke geïnterneerden bij zich hebben, mogen hun slechts tegen ontvangstbewijs worden ontnomen. Nimmer mogen geïnterneerden zonder identiteitsbewijs zijn. Indien zij er geen bezitten, zullen zij speciale door de gevangenhoudende autoriteiten opgestelde bewijzen ontvangen, welke voor hen tot het einde der internering als identiteitsbewijs zullen dienen.
Geïnterneerden mogen enig geld in gangbare munt of in de vorm van aankoopbonnen bij zich dragen, ten einde inkopen te kunnen doen.
Artikel 98
Aan iedere geïnterneerde zal op geregelde tijden een toelage worden uitbetaald om hem in staat te stellen levensmiddelen en voorwerpen als tabak, toiletartikelen, enz. te kopen. Deze toelagen kunnen worden verstrekt in de vorm van credieten of aankoopbonnen.
Geïnterneerden mogen bovendien toelagen ontvangen van de Mogendheid van welke zij onderdanen zijn, van de beschermende Mogendheden, van iedere organisatie tot hulpverlening of van hun familie, alsmede de opbrengst van hun eigendommen overeenkomstig de wetten van de gevangenhoudende Mogendheid. Het bedrag der toelagen, toegekend door de Mogendheid van welke zij onderdanen zijn, zal gelijk zijn voor iedere categorie van geïnterneerden (gebrekkigen, zieken, zwangere vrouwen, enz.) en mag niet door deze Mogendheid worden vastgesteld noch door de gevangenhoudende Mogendheid worden verdeeld op grondslag van onderscheid tussen geïnterneerden, als in artikel 27 van dit Verdrag verboden.
De gevangenhoudende Mogendheid zal voor iedere geïnterneerde een rekening aanhouden, waarop tegoedgeschreven zullen worden de in dit artikel genoemde toelagen, het door de geïnterneerde verdiend loon en de door hem ontvangen geldzendingen benevens de geldbedragen welke hem zijn ontnomen en ingevolge de op het grondgebied waar de geïnterneerde zich bevindt, van kracht zijnde wetten, beschikbaar mochten zijn. Voor zover verenigbaar met de in het betrokken land van kracht zijnde wetten, zullen aan een geinterneerde alle faciliteiten worden verleend om geldzendingen over te maken aan zijn familie en aan de personen die van hem afhankelijk zijn. Hij mag van deze rekening de bedragen opnemen, nodig voor zijn persoonlijke uitgaven, binnen de door de gevangenhoudende Mogendheid vastgestelde grenzen. Hij zal te allen tijde, voor zover redelijkerwijs mogelijk, de gelegenheid hebben navraag te doen naar de stand van zijn rekening of zich daarvan uittreksels te verschaffen. De stand van de rekening zal, op verzoek, aan de beschermende Mogendheid worden medegedeeld, terwijl de rekening de geïnterneerde zal volgen in geval van overplaatsing.
HOOFDSTUK VII. Administratie en tucht
Artikel 99
Ieder interneringsoord zal worden geplaatst onder het gezag van een officier of verantwoordelijk ambtenaar, daartoe gekozen uit de geregelde krijgsmacht of de bestaande civiele administratie van de gevangenhoudende Mogendheid. De officier of ambtenaar, belast met het gezag over het interneringsoord, moet in het bezit zijn van de tekst van dit Verdrag in de officiële taal of één der officiële talen van zijn land en zal verantwoordelijk zijn voor de toepassing daarvan. Het personeel, belast met het toezicht op geïnterneerden, moet onderricht zijn in de bepalingen van dit Verdrag en van de reglementen, vastgesteld om de toepassing daarvan te verzekeren.
De tekst van dit Verdrag en de teksten van bijzondere overeenkomsten, ingevolge dit Verdrag gesloten, zullen, in een voor de geïnterneerden begrijpelijke taal, in het interneringsoord worden aangeslagen of zich in het bezit van het Comité van geïnterneerden bevinden.
Voorschriften, orders, waarschuwingen en bekendmakingen van iedere aard zullen aan de geïnterneerden worden medegedeeld en in een voor hen begrijpelijke taal in het interneringsoord worden aangeslagen.
Alle orders en bevelen, tot geïnterneerden persoonlijk gericht, moeten eveneens in een voor hem begrijpelijke taal worden gegeven.
Artikel 100
De tucht in interneringsoorden moet verenigbaar zijn met de beginselen van menselijkheid en mag in geen geval voorschriften inhouden, welke aan geïnterneerden lichamelijke inspanning, gevaarlijk voor hun gezondheid, dan wel lichamelijke of geestelijke martelingen zouden opleggen. Tatouëring of het aanbrengen van herkenningstekens op het lichaam is verboden.
In het bijzonder zijn verboden langdurig staan of langdurige appèls, lichamelijke oefeningen als strafmaatregel, militaire exercities en beperkingen van het voedselrantsoen.
Artikel 101
Geïnterneerden hebben het recht bij de autoriteiten in wier macht zij zich bevinden, verzoeken in te dienen met betrekking tot het interneringsregiem waaraan zij zijn onderworpen.
Evenzo hebben zij onbeperkt het recht, hetzij door tussenkomst van het Comité van geïnterneerden, hetzij rechtstreeks indien zij zulks noodzakelijk achten, zich te wenden tot de vertegenwoordigers van de beschermende Mogendheid, om hun aandacht te vestigen op de punten waarover zij zich mochten hebben te beklagen met betrekking tot het regiem der internering.
Deze verzoeken en klachten moeten met spoed en zonder wijziging worden doorgezonden. Zelfs indien deze als ongegrond worden aangemerkt, mogen zij geen aanleiding geven tot enigerlei bestraffing.
De Comité's van geïnterneerden kunnen aan de vertegenwoordigers van de beschermende Mogendheid periodieke rapporten over de toestand in de interneringsoorden en de behoeften van de geïnterneerden zenden.
Artikel 102
In ieder interneringsoord zullen de geïnterneerden iedere zes maanden, bij vrije en geheime stemming, de leden van een Comité kiezen, dat tot taak zal hebben hen te vertegenwoordigen bij de autoriteiten van de gevangenhoudende Mogendheid, bij de beschermende Mogendheden, het Internationale Comité van het Rode Kruis en bij iedere andere organisatie tot hulpverlening aan de geïnterneerden. De leden van dit Comité zijn herkiesbaar.
De aldus gekozen geïnterneerden zullen in functie treden nadat hun verkiezing door de gevangenhoudende autoriteiten is goedgekeurd. De redenen voor een eventuele weigering of ontzetting moeten aan de belanghebbende beschermende Mogendheden worden medegedeeld.
Artikel 103
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)