Protocol nopens de verkeerstekens
De Staten, Partij bij dit Protocol, verlangend de veiligheid van het wegverkeer te verzekeren en het internationale wegverkeer te vergemakkelijken door een gelijkvormig stelsel van verkeerstekens, zijn de volgende bepalingen overeengekomen:
DEEL I. Algemene bepalingen
Artikel 1
De Partijen bij dit Protocol aanvaarden het daarin omschreven stelsel van verkeerstekens en verbinden zich hetzelve zo spoedig mogelijk in te voeren. Zij plaatsen daartoe de in dit Protocol opgenomen verkeerstekens zo dikwijls nieuwe tekens geplaatst of de thans bestaande vernieuwd moeten worden. De volledige vervanging van de verkeerstekens, welke niet met het in dit Protocol voorgeschreven stesel overeenkomen, vindt plaats binnen tien jaren na het tijdstip, waarop dit Protocol voor de onderscheidene Partijen in werking treedt.
Artikel 2
De Verdragsluitende Partijen verbinden zich die verkeerstekens, welke weliswaar hetzelfde kenmerkend uiterlijk hebben als een teken, behorend tot het in dit Protocol voorgeschreven stelsel, doch met een andere strekking dan die welke dat verkeersteken in dit stelsel heeft worden gebruikt, te vervangen zodra dit Protocol in werking treedt.
DEEL II. Verkeerstekens langs de weg
HOOFDSTUK I
Artikel 3
Het internationale stelsel van verkeerstekens langs de weg omvat drie categorieën van tekens en wel:
- a. gevaarstekens;
- b. tekens, welke een bepaald voorschrift weergeven, onderscheiden in:
-
- verbodstekens;
-
- gebodstekens.
- c. tekens, welke een enkele aanduiding inhouden, onderscheiden in:
-
- aanwijzingstekens;
-
- richtingvooraanduidings- en richtingaanduidingstekens;
-
- plaatsaanduidings- en wegaanduidingstekens.
Artikel 4
Voor elke categorie van tekens heeft het verkeersbord een afzonderlijke vorm.
Artikel 5
De symbolen van de verkeerstekens, zoals deze in de bij dit Protocol behorende tabellen zijn weergegeven, worden door de Partijen aanvaard als de grondslag voor hun verkeerstekens langs de weg. Als regel blijven de tekens binnen de omlijning van het verkeersbord.
Zo dikwijls de Partijen het nodig oordelen de symbolen te wijzigen, moeten de wijzigingen van dien aard zijn, dat zij het wezenlijke kenmerk der symbolen niet aantasten.
Ter verduidelijking van de tekens mogen toelichtende mededelingen worden gedaan op een onder het verkeersbord aangebracht rechthoekig bord.
Zo dikwijls in de tekens zelf of op de aanvullingsborden een opschrift wordt gebezigd, luidt dit in de nationale taal of talen, alsmede desgewenst in een der officiële talen van de Verenigde Naties. De bepalingen van dit lid zijn niet van toepassing op het opschrift „stop” als bedoeld in artikel 33, lid 2.
Nieuwe tekens, door de Partijen ingevoerd overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van artikel 17 van het op 19 September 1949 te Genève voor ondertekening opengestelde Verdrag nopens het wegverkeer worden aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties medegedeeld, die alle Partijen daarvan kennis geeft.
Artikel 6
Voor de tekens, symbolen en opschriften worden de in dit Protocol voorgeschreven kleuren gebruikt, tenzij bijzondere omstandigheden de toepassing er van verhinderen.
Wanneer de keuze der kleuren vrij is, past elk land voor eenzelfde categorie van tekens, gebruikt onder gelijke omstandigheden, dezelfde kleuren toe.
De keerzijde der verkeersborden draagt een neutrale kleur behoudens voorzoveel betreft de borden, weergegeven onder III, C, 1a en III, C, 1b en het symbool, weergegeven onder II, A, 15 indien dit aan de keerzijde van het onder II, A, 14 weergegeven bord is aangebracht.
Artikel 7
Het gebruik van lichten of van reflecterende materialen of voorwerpen wordt tenminste aanbevolen voor gevaarstekens en tekenswaarmede bepaalde aanwijzingen worden gegeven, wanneer het gebruik daarvan des nachts bijdraagt tot de zichtbaarheid van verkeerstekens langs de weg; doch zij mogen de weggebruikers niet verblinden of de duidelijkheid van het symbool of van het opschrift nadelig beïnvloeden.
Artikel 8
De afmetingen der verkeersborden zijn zodanig, dat het teken op een afstand goed zichtbaar is en goed begrijpelijk van nabij.
Ter verzekering van de grootst mogelijke eenvormigheid zijn de afmetingen der onderscheidene tekens in elk land genormaliseerd. Als regel worden voor elk soort verkeersteken twee formaten gebruikt, te weten een standaard formaat en een verkleind formaat ten gebruike onder omstandigheden, welke de opstelling van het standaard formaat verhinderen of zo dikwijls de veiligheid der weggebruikers zulks niet vereist. Onder bijzondere omstandigheden mag binnen bebouwde kommen of ter herhaling van het hoofdteken een speciaal klein formaat teken worden gebruikt.
Artikel 9
Buiten bebouwde kommen bedraagt de afstand tussen de midden loodlijn van het verkeersbord en de naastbijzijnde kant van de rijweg ten hoogste 2 meter, tenzij bijzondere omstandigheden zulks verhinderen.
Binnen bebouwde kommen en in bergachtige streken bedraagt de afstand tussen de naar de rijweg gekeerde rand van het verkeersbord en een op de kant van de rijweg opgerichte verticale lijn tenminste 50 centimeter. In bijzondere omstandigheden mag deze afstand evenwel kleiner zijn.
Artikel 10
In dit Protocol betekent de hoogte van verkeersborden boven de grond: de hoogte, gemeten van de benedenzijde van het bord tot het door de weg gaande horizontale vlak.
Voorzoveel mogelijk wordt langs eenzelfde weg een gelijke hoogte in acht genomen.
HOOFDSTUK II. Categorie I. Gevaarstekens
Artikel 11
De borden voor de gevaarstekens hebben de vorm van een gelijkzijdige driehoek met één punt omhoog gericht, behalve dat voor het teken nadering voorrangsweg (I, 22), waarvan één punt omlaag is gericht.
Deze verkeersborden hebben een rode rand om een witte of gele achtergrond. De symbolen zijn zwart, althans donker van kleur.
Voor tekens van het standaard formaat bedraagt de lengte van elke zijde van de driehoek tenminste 90 centimeter; van het verkleinde formaat tenminste 60 centimeter.
De tekens zijn aangebracht aan de wegzijde, waarlangs het verkeer, waarop zij betrekking hebben, nadert en zijn het verkeer tegemoet gewend. Zij mogen aan de andere zijde van de weg worden herhaald.
Voorzover hierna in dit Protocol niet anders wordt bepaald, zijn de tekens aangebracht op een afstand van tenminste 150 en ten hoogste 250 meter van het gevaarlijke punt, waarop zij doelen, tenzij zulks ten gevolge van plaatselijke omstandigheden onuitvoerbaar is. In dergelijke uitzonderingsgevallen wordt het teken aangebracht op minder dan 150 meter afstand, doch zo ver mogelijk verwijderd van het gevaarlijke punt en worden bijzondere voorzieningen getroffen.
De hoogte der tekens bedraagt ten hoogste 2.20 meter en, buiten bebouwde kommen, tenminste 60 centimeter.
De tekens zijn zo aangebracht, dat zij niet aan het oog kunnen worden onttrokken en geen hinder aan voetgangers kunnen berokkenen.
Artikel 12
Het teken „UITHOLLING OVERDWARS” (I, 1) wordt gebruikt, waar het bevoegde gezag zulks nodig oordeelt ter aanduiding van de nadering van weggedeelten waarvan het wegdek oneffen is, van een dwars over de weg lopende goot of greppel of van een bult in de weg of een hoge brug.
Artikel 13
Het teken gevaarlijke bocht of gevaarlijke bochten (I, 2) wordt slechts gebruikt ter aanduiding van de nadering van een bocht of van bochten, welke gevaarlijk zijn door hun uiterlijke eigenschappen of door gebrek aan zicht.
Ter vervanging van het hierboven bedoelde teken mag elk der Partijen tekens kiezen, welke een duidelijker aanduiding van de bocht of bochten inhouden. Zulk een vervanging is voor het gehele grondgebied van de betrokken Partij van toepassing. Deze vervangende tekens zijn:
- I, 3. — bocht naar rechts;
- I, 4. — bocht naar links;
- I, 5. — S-bocht, eerst naar rechts;
- I, 6. — S-bocht, eerst naar links.
Artikel 14
Het teken kruispunt (I, 7) wordt gebruikt, waar het bevoegde gezag zulks nodig oordeelt ter aanduiding van de nadering van een splitsing, een kruising of een vereniging van wegen. Binnen bebouwde kommen wordt dit teken slechts in uitzonderingsgevallen gebruikt.
Wanneer moet worden aangegeven dat zich op het kruispunt een verkeersplein bevindt, kan het hieronder weergegeven teken I, 7bis in plaats van het teken I, 7 worden gebruikt; waar links houden als regel geldt wijzen de pijlen in tegenovergestelde richting.
Artikel 15
Het teken „BEWAAKTE SPOORWEGOVERGANG” (I, 8) wordt gebruikt ter aanduiding van de nadering van iedere bewaakte spoorwegovergang en van iedere spoorwegovergang welke is voorzien van schuins tegenover elkaar gelegen halve afsluitbomen aan weerszijden van de spoorbaan.
Het teken „ONBEWAAKTE SPOORWEGOVERGANG” (I, 9) wordt gebruikt ter aanduiding van de nadering van iedere spoorwegovergang, welke niet is voorzien van afsluitbomen of halve afsluitbomen.
Op wegen met een intensief verkeer met motorrijtuigen gedurende de nacht zijn de in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde tekens doelmatig verlicht of voorzien van reflectoren of reflecterende materialen.
Wanneer op spoorwegovergangen, welke zijn voorzien van afsluitbomen of halve afsluitbomen deze afsluitbomen of halve afsluitbomen dwars over de weg zijn neergelaten, betekent dit dat geen enkele weggebruiker de spoorbaan mag oversteken; het neerlaten of ophalen van afsluitbomen of halve afsluitbomen heeft dezelfde betekenis.
De afsluitbomen en halve afsluitbomen van spoorwegovergangen zijn geschilderd in rode en witte, dan wel in rode en lichtgele strepen. De afsluitbomen mogen evenwel ook wit of lichtgeel zijn geschilderd met in het midden een grote rode schijf. Teneinde de afsluitbomen des nachts beter zichtbaar te maken, zijn zij voorzien van rode lichten of rode reflectoren, dan wel verlicht door een schijnwerper, zolang zij niet volledig zijn geopend.
Bij alle spoorwegovergangen, welke niet zijn voorzien van afsluitbomen of halve afsluitbomen is in de onmiddellijke nabijheid van de spoorweg een teken aangebracht in de vorm van een Andreaskruis (I, 10 en I, 11) of een rechthoekig verkeersbord, waarop dat kruis tegen een neutrale achtergrond is aangebracht. Het Andreaskruis, of in elk geval de naar beneden gerichte armen ervan, kunnen dubbel zijn ingeval van dubbel- of meervoudig spoor. Het is rood en wit of rood en lichtgeel geschilderd.
Ten aanzien van overgangen van locaalspoorwegen, aftakkingen naar fabrieken of daarmede gelijk te stellen zijsporen, in het bijzonder ten aanzien van minder belangrijke wegen voor locaal verkeer of waar een overweg samenvalt met een kruispunt, kan iedere Verdragsluitende Partij:
- -. buiten de bebouwde kom bepaalde vereenvoudigingen van of uitzonderingen op de in de leden 1, 2, 3, 5 en 6 gegeven voorschriften toegestaan;
- -. binnen de bebouwde kom die voorschriften geven, welke zij gewenst achten ter vervanging van het in de leden 1, 2, 3, 5 en 6 van dit artikel bepaalde.
Artikel 16
Het teken gevaarlijke helling (I, 12) wordt gebruikt, waar het bevoegde gezag zulks nodig oordeelt ter aanduiding van de nadering van een gevaarlijke helling. De helling moet sterker zijn dan een op tien of de omstandigheden ter plaatse moeten van dien aard zijn, dat de helling gevaar oplevert.
De sterkte der helling wordt in het teken aangegeven, zoals bijvoorbeeld in de figuren I, 12a en I, 12b.
Artikel 17
Het teken wegversmalling (I, 13) wordt gebruikt, waar het bevoegde gezag zulks nodig oordeelt ter aanduiding van de nadering van een punt, waar de rijweg in die mate smaller wordt, dat dit gevaar zou kunnen opleveren.
Artikel 18
Het teken beweegbare brug (I, 14) wordt gebruikt, waar het bevoegde gezag zulks nodig oordeelt ter aanduiding van de nadering van een brug, welke kan worden geopend.
Artikel 19
Het teken opgebroken weg (I, 15) wordt gebruikt ter aanduiding van de nadering van een plaats, waar aan de weg een werk wordt uitgevoerd.
Het begin en het einde van het werk worden des nachts duidelijk aangegeven.
Artikel 20
Het teken mogelijkheid slipgevaar (I, 16) wordt gebruikt, waar het bevoegde gezag zulks nodig oordeelt ter aanduiding van de nadering van een gedeelte van de rijbaan, hetwelk onder bepaalde omstandigheden een glad wegdek kan hebben.
Artikel 21
Het teken oversteekplaats voor voetgangers (I, 17) wordt gebruikt, waar het bevoegde gezag zulks nodig oordeelt ter aanduiding van de nadering van een oversteekplaats voor voetgangers. De wijze, waarop deze oversteekplaatsen zelve zijn aangegeven, wordt vastgesteld door het bevoegde gezag.
Op dit teken zijn de bepalingen van het vijfde lid van artikel 11 van dit Protocol niet van toepassing.
Artikel 22
Het teken kinderen! (I, 18) wordt gebruikt, waar het bevoegde gezag zulks nodig oordeelt ter aanduiding van de nadering van een plaats, waar gewoonlijk veel kinderen zijn, zoals een school of een speelplaats.
Op dit teken zijn de bepalingen van het vijfde lid van artikel 11 van dit Protocol niet van toepassing.
Artikel 23
Het teken pas op voor dieren (I, 19) wordt gebruikt, waar het bevoegde gezag zulks noodzakelijk oordeelt ter aanduiding van een punt, waar de weg in een speciaal gebied komt, waar men rekening moet houden met het tegenkomen van loslopende dieren; het symbool op dit teken kan naar behoefte worden gewijzigd.
Artikel 24
Het teken kruising met niet-voorrangsweg (I, 20) wordt gebruikt, waar het bevoegde gezag zulks op een voorrangsweg of hoofdverkeersweg nodig oordeelt ter aanduiding van de nadering van een kruispunt met een niet-voorrangsweg, zulks in het gebied van een Partij, waar het gebruik van dit teken met de verkeersvoorschriften overeenstemt.
Artikel 25
Het teken ander gevaar (I, 21) wordt gebruikt, waar het bevoegde gezag zulks nodig oordeelt ter aanduiding van de nadering van een ander gevaar dan die, omschreven in de artikelen 12 tot en met 24 van dit Protocol.
Het symbool mag evenwel worden vervangen door een binnen het teken aangebracht opschrift in zwart of andere donkere kleur, waarmede het gevaar zoals beperkte hoogte of breedte, een pont of, vallend gesteente wordt omschreven.
Dit teken draagt steeds of het symbool of een opschrift, dan wel beide.
Beneden het verkeersbord mag daarenboven een rechthoekig bord worden aangebracht met een opschrift of een in het gebied van de betrokken Partij gangbaar symbool.
Artikel 26
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.