Protocol nopens de verkeerstekens

Type Verdrag
Publication 1964-10-22
State In force
Source BWB
artikelen 64
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staten, Partij bij dit Protocol, verlangend de veiligheid van het wegverkeer te verzekeren en het internationale wegverkeer te vergemakkelijken door een gelijkvormig stelsel van verkeerstekens, zijn de volgende bepalingen overeengekomen:

DEEL I. Algemene bepalingen

Artikel 1

De Partijen bij dit Protocol aanvaarden het daarin omschreven stelsel van verkeerstekens en verbinden zich hetzelve zo spoedig mogelijk in te voeren. Zij plaatsen daartoe de in dit Protocol opgenomen verkeerstekens zo dikwijls nieuwe tekens geplaatst of de thans bestaande vernieuwd moeten worden. De volledige vervanging van de verkeerstekens, welke niet met het in dit Protocol voorgeschreven stesel overeenkomen, vindt plaats binnen tien jaren na het tijdstip, waarop dit Protocol voor de onderscheidene Partijen in werking treedt.

Artikel 2

De Verdragsluitende Partijen verbinden zich die verkeerstekens, welke weliswaar hetzelfde kenmerkend uiterlijk hebben als een teken, behorend tot het in dit Protocol voorgeschreven stelsel, doch met een andere strekking dan die welke dat verkeersteken in dit stelsel heeft worden gebruikt, te vervangen zodra dit Protocol in werking treedt.

DEEL II. Verkeerstekens langs de weg

HOOFDSTUK I

Artikel 3

Het internationale stelsel van verkeerstekens langs de weg omvat drie categorieën van tekens en wel:

  • a. gevaarstekens;
  • b. tekens, welke een bepaald voorschrift weergeven, onderscheiden in:
    1. verbodstekens;
    1. gebodstekens.
  • c. tekens, welke een enkele aanduiding inhouden, onderscheiden in:
    1. aanwijzingstekens;
    1. richtingvooraanduidings- en richtingaanduidingstekens;
    1. plaatsaanduidings- en wegaanduidingstekens.

Artikel 4

Voor elke categorie van tekens heeft het verkeersbord een afzonderlijke vorm.

Artikel 5

1.

De symbolen van de verkeerstekens, zoals deze in de bij dit Protocol behorende tabellen zijn weergegeven, worden door de Partijen aanvaard als de grondslag voor hun verkeerstekens langs de weg. Als regel blijven de tekens binnen de omlijning van het verkeersbord.

2.

Zo dikwijls de Partijen het nodig oordelen de symbolen te wijzigen, moeten de wijzigingen van dien aard zijn, dat zij het wezenlijke kenmerk der symbolen niet aantasten.

3.

Ter verduidelijking van de tekens mogen toelichtende mededelingen worden gedaan op een onder het verkeersbord aangebracht rechthoekig bord.

4.

Zo dikwijls in de tekens zelf of op de aanvullingsborden een opschrift wordt gebezigd, luidt dit in de nationale taal of talen, alsmede desgewenst in een der officiële talen van de Verenigde Naties. De bepalingen van dit lid zijn niet van toepassing op het opschrift „stop” als bedoeld in artikel 33, lid 2.

5.

Nieuwe tekens, door de Partijen ingevoerd overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van artikel 17 van het op 19 September 1949 te Genève voor ondertekening opengestelde Verdrag nopens het wegverkeer worden aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties medegedeeld, die alle Partijen daarvan kennis geeft.

Artikel 6

1.

Voor de tekens, symbolen en opschriften worden de in dit Protocol voorgeschreven kleuren gebruikt, tenzij bijzondere omstandigheden de toepassing er van verhinderen.

2.

Wanneer de keuze der kleuren vrij is, past elk land voor eenzelfde categorie van tekens, gebruikt onder gelijke omstandigheden, dezelfde kleuren toe.

3.

De keerzijde der verkeersborden draagt een neutrale kleur behoudens voorzoveel betreft de borden, weergegeven onder III, C, 1a en III, C, 1b en het symbool, weergegeven onder II, A, 15 indien dit aan de keerzijde van het onder II, A, 14 weergegeven bord is aangebracht.

Artikel 7

Het gebruik van lichten of van reflecterende materialen of voorwerpen wordt tenminste aanbevolen voor gevaarstekens en tekenswaarmede bepaalde aanwijzingen worden gegeven, wanneer het gebruik daarvan des nachts bijdraagt tot de zichtbaarheid van verkeerstekens langs de weg; doch zij mogen de weggebruikers niet verblinden of de duidelijkheid van het symbool of van het opschrift nadelig beïnvloeden.

Artikel 8

1.

De afmetingen der verkeersborden zijn zodanig, dat het teken op een afstand goed zichtbaar is en goed begrijpelijk van nabij.

2.

Ter verzekering van de grootst mogelijke eenvormigheid zijn de afmetingen der onderscheidene tekens in elk land genormaliseerd. Als regel worden voor elk soort verkeersteken twee formaten gebruikt, te weten een standaard formaat en een verkleind formaat ten gebruike onder omstandigheden, welke de opstelling van het standaard formaat verhinderen of zo dikwijls de veiligheid der weggebruikers zulks niet vereist. Onder bijzondere omstandigheden mag binnen bebouwde kommen of ter herhaling van het hoofdteken een speciaal klein formaat teken worden gebruikt.

Artikel 9

1.

Buiten bebouwde kommen bedraagt de afstand tussen de midden loodlijn van het verkeersbord en de naastbijzijnde kant van de rijweg ten hoogste 2 meter, tenzij bijzondere omstandigheden zulks verhinderen.

2.

Binnen bebouwde kommen en in bergachtige streken bedraagt de afstand tussen de naar de rijweg gekeerde rand van het verkeersbord en een op de kant van de rijweg opgerichte verticale lijn tenminste 50 centimeter. In bijzondere omstandigheden mag deze afstand evenwel kleiner zijn.

Artikel 10

1.

In dit Protocol betekent de hoogte van verkeersborden boven de grond: de hoogte, gemeten van de benedenzijde van het bord tot het door de weg gaande horizontale vlak.

2.

Voorzoveel mogelijk wordt langs eenzelfde weg een gelijke hoogte in acht genomen.

HOOFDSTUK II. Categorie I. Gevaarstekens

Artikel 11

1.

De borden voor de gevaarstekens hebben de vorm van een gelijkzijdige driehoek met één punt omhoog gericht, behalve dat voor het teken nadering voorrangsweg (I, 22), waarvan één punt omlaag is gericht.

2.

Deze verkeersborden hebben een rode rand om een witte of gele achtergrond. De symbolen zijn zwart, althans donker van kleur.

3.

Voor tekens van het standaard formaat bedraagt de lengte van elke zijde van de driehoek tenminste 90 centimeter; van het verkleinde formaat tenminste 60 centimeter.

4.

De tekens zijn aangebracht aan de wegzijde, waarlangs het verkeer, waarop zij betrekking hebben, nadert en zijn het verkeer tegemoet gewend. Zij mogen aan de andere zijde van de weg worden herhaald.

5.

Voorzover hierna in dit Protocol niet anders wordt bepaald, zijn de tekens aangebracht op een afstand van tenminste 150 en ten hoogste 250 meter van het gevaarlijke punt, waarop zij doelen, tenzij zulks ten gevolge van plaatselijke omstandigheden onuitvoerbaar is. In dergelijke uitzonderingsgevallen wordt het teken aangebracht op minder dan 150 meter afstand, doch zo ver mogelijk verwijderd van het gevaarlijke punt en worden bijzondere voorzieningen getroffen.

6.

De hoogte der tekens bedraagt ten hoogste 2.20 meter en, buiten bebouwde kommen, tenminste 60 centimeter.

7.

De tekens zijn zo aangebracht, dat zij niet aan het oog kunnen worden onttrokken en geen hinder aan voetgangers kunnen berokkenen.

Artikel 12

Het teken „UITHOLLING OVERDWARS” (I, 1) wordt gebruikt, waar het bevoegde gezag zulks nodig oordeelt ter aanduiding van de nadering van weggedeelten waarvan het wegdek oneffen is, van een dwars over de weg lopende goot of greppel of van een bult in de weg of een hoge brug.

Artikel 13

1.

Het teken gevaarlijke bocht of gevaarlijke bochten (I, 2) wordt slechts gebruikt ter aanduiding van de nadering van een bocht of van bochten, welke gevaarlijk zijn door hun uiterlijke eigenschappen of door gebrek aan zicht.

2.

Ter vervanging van het hierboven bedoelde teken mag elk der Partijen tekens kiezen, welke een duidelijker aanduiding van de bocht of bochten inhouden. Zulk een vervanging is voor het gehele grondgebied van de betrokken Partij van toepassing. Deze vervangende tekens zijn:

  • I, 3. — bocht naar rechts;
  • I, 4. — bocht naar links;
  • I, 5. — S-bocht, eerst naar rechts;
  • I, 6. — S-bocht, eerst naar links.

Artikel 14

1.

Het teken kruispunt (I, 7) wordt gebruikt, waar het bevoegde gezag zulks nodig oordeelt ter aanduiding van de nadering van een splitsing, een kruising of een vereniging van wegen. Binnen bebouwde kommen wordt dit teken slechts in uitzonderingsgevallen gebruikt.

2.

Wanneer moet worden aangegeven dat zich op het kruispunt een verkeersplein bevindt, kan het hieronder weergegeven teken I, 7bis in plaats van het teken I, 7 worden gebruikt; waar links houden als regel geldt wijzen de pijlen in tegenovergestelde richting.

Artikel 15

1.

Het teken „BEWAAKTE SPOORWEGOVERGANG” (I, 8) wordt gebruikt ter aanduiding van de nadering van iedere bewaakte spoorwegovergang en van iedere spoorwegovergang welke is voorzien van schuins tegenover elkaar gelegen halve afsluitbomen aan weerszijden van de spoorbaan.

2.

Het teken „ONBEWAAKTE SPOORWEGOVERGANG” (I, 9) wordt gebruikt ter aanduiding van de nadering van iedere spoorwegovergang, welke niet is voorzien van afsluitbomen of halve afsluitbomen.

3.

Op wegen met een intensief verkeer met motorrijtuigen gedurende de nacht zijn de in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde tekens doelmatig verlicht of voorzien van reflectoren of reflecterende materialen.

4.

Wanneer op spoorwegovergangen, welke zijn voorzien van afsluitbomen of halve afsluitbomen deze afsluitbomen of halve afsluitbomen dwars over de weg zijn neergelaten, betekent dit dat geen enkele weggebruiker de spoorbaan mag oversteken; het neerlaten of ophalen van afsluitbomen of halve afsluitbomen heeft dezelfde betekenis.

5.

De afsluitbomen en halve afsluitbomen van spoorwegovergangen zijn geschilderd in rode en witte, dan wel in rode en lichtgele strepen. De afsluitbomen mogen evenwel ook wit of lichtgeel zijn geschilderd met in het midden een grote rode schijf. Teneinde de afsluitbomen des nachts beter zichtbaar te maken, zijn zij voorzien van rode lichten of rode reflectoren, dan wel verlicht door een schijnwerper, zolang zij niet volledig zijn geopend.

6.

Bij alle spoorwegovergangen, welke niet zijn voorzien van afsluitbomen of halve afsluitbomen is in de onmiddellijke nabijheid van de spoorweg een teken aangebracht in de vorm van een Andreaskruis (I, 10 en I, 11) of een rechthoekig verkeersbord, waarop dat kruis tegen een neutrale achtergrond is aangebracht. Het Andreaskruis, of in elk geval de naar beneden gerichte armen ervan, kunnen dubbel zijn ingeval van dubbel- of meervoudig spoor. Het is rood en wit of rood en lichtgeel geschilderd.

7.

Ten aanzien van overgangen van locaalspoorwegen, aftakkingen naar fabrieken of daarmede gelijk te stellen zijsporen, in het bijzonder ten aanzien van minder belangrijke wegen voor locaal verkeer of waar een overweg samenvalt met een kruispunt, kan iedere Verdragsluitende Partij:

  • -. buiten de bebouwde kom bepaalde vereenvoudigingen van of uitzonderingen op de in de leden 1, 2, 3, 5 en 6 gegeven voorschriften toegestaan;
  • -. binnen de bebouwde kom die voorschriften geven, welke zij gewenst achten ter vervanging van het in de leden 1, 2, 3, 5 en 6 van dit artikel bepaalde.

Artikel 16

1.

Het teken gevaarlijke helling (I, 12) wordt gebruikt, waar het bevoegde gezag zulks nodig oordeelt ter aanduiding van de nadering van een gevaarlijke helling. De helling moet sterker zijn dan een op tien of de omstandigheden ter plaatse moeten van dien aard zijn, dat de helling gevaar oplevert.

2.

De sterkte der helling wordt in het teken aangegeven, zoals bijvoorbeeld in de figuren I, 12a en I, 12b.

Artikel 17

Het teken wegversmalling (I, 13) wordt gebruikt, waar het bevoegde gezag zulks nodig oordeelt ter aanduiding van de nadering van een punt, waar de rijweg in die mate smaller wordt, dat dit gevaar zou kunnen opleveren.

Artikel 18

Het teken beweegbare brug (I, 14) wordt gebruikt, waar het bevoegde gezag zulks nodig oordeelt ter aanduiding van de nadering van een brug, welke kan worden geopend.

Artikel 19

1.

Het teken opgebroken weg (I, 15) wordt gebruikt ter aanduiding van de nadering van een plaats, waar aan de weg een werk wordt uitgevoerd.

2.

Het begin en het einde van het werk worden des nachts duidelijk aangegeven.

Artikel 20

Het teken mogelijkheid slipgevaar (I, 16) wordt gebruikt, waar het bevoegde gezag zulks nodig oordeelt ter aanduiding van de nadering van een gedeelte van de rijbaan, hetwelk onder bepaalde omstandigheden een glad wegdek kan hebben.

Artikel 21

1.

Het teken oversteekplaats voor voetgangers (I, 17) wordt gebruikt, waar het bevoegde gezag zulks nodig oordeelt ter aanduiding van de nadering van een oversteekplaats voor voetgangers. De wijze, waarop deze oversteekplaatsen zelve zijn aangegeven, wordt vastgesteld door het bevoegde gezag.

2.

Op dit teken zijn de bepalingen van het vijfde lid van artikel 11 van dit Protocol niet van toepassing.

Artikel 22

1.

Het teken kinderen! (I, 18) wordt gebruikt, waar het bevoegde gezag zulks nodig oordeelt ter aanduiding van de nadering van een plaats, waar gewoonlijk veel kinderen zijn, zoals een school of een speelplaats.

2.

Op dit teken zijn de bepalingen van het vijfde lid van artikel 11 van dit Protocol niet van toepassing.

Artikel 23

Het teken pas op voor dieren (I, 19) wordt gebruikt, waar het bevoegde gezag zulks noodzakelijk oordeelt ter aanduiding van een punt, waar de weg in een speciaal gebied komt, waar men rekening moet houden met het tegenkomen van loslopende dieren; het symbool op dit teken kan naar behoefte worden gewijzigd.

Artikel 24

Het teken kruising met niet-voorrangsweg (I, 20) wordt gebruikt, waar het bevoegde gezag zulks op een voorrangsweg of hoofdverkeersweg nodig oordeelt ter aanduiding van de nadering van een kruispunt met een niet-voorrangsweg, zulks in het gebied van een Partij, waar het gebruik van dit teken met de verkeersvoorschriften overeenstemt.

Artikel 25

1.

Het teken ander gevaar (I, 21) wordt gebruikt, waar het bevoegde gezag zulks nodig oordeelt ter aanduiding van de nadering van een ander gevaar dan die, omschreven in de artikelen 12 tot en met 24 van dit Protocol.

2.

Het symbool mag evenwel worden vervangen door een binnen het teken aangebracht opschrift in zwart of andere donkere kleur, waarmede het gevaar zoals beperkte hoogte of breedte, een pont of, vallend gesteente wordt omschreven.

3.

Dit teken draagt steeds of het symbool of een opschrift, dan wel beide.

4.

Beneden het verkeersbord mag daarenboven een rechthoekig bord worden aangebracht met een opschrift of een in het gebied van de betrokken Partij gangbaar symbool.

Artikel 26

Waar atmospherische toestanden het gebruik van een volledig bord niet toelaten, mag een uitgesneden rode driehoek worden gebruikt ter aanduiding van de in de artikelen 12 tot en met 25 bedoelde gevaren. In dat geval wordt steeds beneden de driehoek een rechthoekig bord aangebracht, waarop het toepasselijke symbool of opschrift, dan wel beide het gevaar aanduiden.

Artikel 27

1.

Het teken nadering voorrangsweg (I, 22) wordt gebruikt om een bestuurder erop te wijzen, dat hij de doorgang voor zich langs moet vrijlaten voor voertuigen, gaande langs de weg, welke hij nadert.

2.

Dit teken wordt op wegen zonder voorrang op passende afstand van het kruispunt aangebracht, welke afstand buiten bebouwde kommen ten hoogste 50 meter en daarbinnen ten hoogste 20 meter bedraagt.

Het verdient aanbeveling op zulke wegen bovendien zo dicht mogelijk bij het kruispunt een teken, merk of streep aan te brengen, om aan te duiden, waar men zich moet opstellen.

3.

Het teken I, 22 mag worden voorafgegaan door een vooraanduidingsteken, bestaande in het teken I, 22, aangevuld met een rechthoekig bord, waarop de afstand tot het kruispunt is aangegeven, zoals in figuur I, 22a, zulks in het bijzonder, wanneer er geen teken kruispunt (I, 7) is aangebracht. Wanneer zich nog andere kruisingen bevinden tussen het vooraanduidingsteken en de kruising met een voorrangsweg of hoofdverkeersweg wordt het vooraanduidingsteken na elk van deze andere kruisingen herhaald.

HOOFDSTUK III. Categorie II. Tekens, welke een bepaald voorschrift weergeven

Artikel 28

1.

De tot deze categorie behorende tekens geven een verbod of een gebod weer, uitgevaardigd door het bevoegde gezag.

2.

De borden voor de tekens van deze categorie zijn cirkelvormig.

3.

Behoudens voorzover betreft het teken II, A, 16 bedraagt de middellijn tenminste 60 centimeter voor het standaardformaat en tenminste 40 centimeter voor het verkleinde formaat. Voor de tekens II, A. 15, II, A. 17, II, A. 18, II, B. 1 en II, B. 2, mag de middellijn tot 20 centimeter worden verminderd bij gebruik van tussentijdse tekens.

3.

De tekens zijn aangebracht aan de wegzijde, waarlangs het verkeer, waarop zij betrekking hebben, nadert en zijn het verkeer tegemoet gewend. De tekens mogen aan de andere zijde van de weg worden herhaald.

5.

De tekens zijn aangebracht in de onmiddellijke nabijheid van het punt, waar het verbod of gebod aanvangt of voortduurt. Niettemin mogen de tekens, welke een verbod tot afslaan weergeven of een verplichte richting aangeven, op passende afstand te voren worden aangebracht.

6.

De hoogte der tekens bedraagt ten hoogste 2.20 meter en tenminste 60 centimeter.

II. A. Verbodstekens

Artikel 29

Behoudens voorzover elders in dit Protocol of in de figuren anders wordt bepaald, zijn de kleuren van de tekens, welke een verbod weergeven, wit of lichtgeel met rode rand en zwart of donker gekleurd symbool.

Artikel 30

De tekens, welke een verbod voor het verkeer weergeven, zijn de volgende:

  • a. het teken gesloten voor alle voertuigen in beide richtingen (II. A. 1);
  • b. het teken gesloten voor alle voertuigen in één richting (II.; A. 2); dit teken is rood met een witte of lichtgekleurde horizontale balk;
  • c. het teken verbod links- of rechts afslaan (II. A. 3); de pijl is naar rechts of naar links gericht, al naar de strekking van het verbod;
  • d. het teken „VERBOD INHALEN” (II, A.4); dit teken wordt gebruikt om aan te geven dat, onafhankelijk van de algemene regels welke van toepassing zijn op het inhalen, het inhalen van elk wegvervoermiddel met eigen aandrijving (met inbegrip van een trolleybus) voorzover geen motorrijwiel zonder zijspan, is verboden; waar linkshouden als regel geldt, worden de kleuren van de in de figuur aangegeven motorrijtuigen verwisseld.

Artikel 31

De tekens, welke een verbod voor bepaalde soorten voertuigen weergeven, zijn de volgende:

  • a. het teken gesloten voor alle motorrijtuigen, uitgezonderd motorrijwielen zonder zijspan (II. A. 5);
  • b. het teken gesloten voor motorrijwielen zonder zijspan (II. A.6);
  • c. het teken gesloten voor alle motorrijtuigen (II. A. 7);
  • d. het teken gesloten voor vrachtvoertuigen van meer dan ton totaal gewicht (II. A. 8);
  • e. het teken gesloten voor wielrijders (II. A. 9).

Artikel 32

De tekens, welke een beperking aangeven van de afmetingen, het gewicht of de snelheid, toegestaan voor voertuigen, zijn de volgende:

  • a. het teken gesloten voor voertuigen, waarvan de grootste breedte meer dan meter ( voet) bedraagt (II. A. 10);
  • b. het teken gesloten voor voertuigen, waarvan de grootste hoogte meer dan meter ( voet) bedraagt (II.A.11.);
  • c. het teken gesloten voor voertuigen van meer dan ton totaal gewicht (II. A. 12); op een rechthoekig bord, aangebracht beneden dit teken, mogen aanwijzingen betreffende bijzondere verkeersvoorschriften of het maximum tegelijk op een brug toegestane aantal voertuigen worden toegevoegd.
  • d. het teken gesloten voor voertuigen met asdruk van meer dan ton (II. A. 13);
  • e. het teken snelheidsbeperking (II. A. 14); beneden dit teken mag een rechthoekig bord worden aangebracht met een rode rand en een opschrift, vermeldende de motivering van de toegestane maximum snelheid;
  • f. het teken einde snelheidsbeperking (II. A. 15) (witte of lichtgele achtergrond, doorsneden door hellende balk in zwart of donkere kleur) wordt gebruikt ter aanduiding van de plaats, waar het teken snelheidsbeperking zijn geldigheid verliest. Het mag worden aangebracht aan de keerzijde van het teken II. A. 14, ook al zou het dientengevolge niet zijn aangebracht aan de wegzijde, waarlangs het verkeer, waarop het betrekking heeft, nadert.

Artikel 33

1.

Het teken „STOP BIJ KRUISPUNT” wordt gebruikt om aan te geven dat een bestuurder moet stilhouden alvorens zich op een andere weg te begeven en aan de op die weg rijdende voertuigen voorrang dient te verlenen.

2.

Dit teken bestaat uit een naar beneden gerichte rode driehoek, omsloten door een rode cirkel. De driehoek mag het woord „stop” dragen, zoals aangegeven in figuur II. A. 16.

3.

De middellijn van dit teken bedraagt ten minste 90 centimeter voor het standaardformaat en ten minste 60 centimeter voor het verkleinde formaat.

4.

Dit teken wordt aangebracht langs wegen zonder voorrang op passende afstand van het kruispunt, welke afstand binnen bebouwde kommen ten hoogste 50 meter en daarbuiten ten hoogste 25 meter bedraagt.

Het verdient aanbeveling op zulk een weg bovendien zo dicht mogelijk bij het kruispunt een teken, merk of streep aan te brengen om aan te duiden, waar men zich moet opstellen.

5.

Het teken II. A. 16 mag worden voorafgegaan door een vooraanduidingsteken, bestaande uit het teken I, 22, aangevuld met een rechthoekig bord, waarop de afstand tot het kruispunt is aangegeven, zoals in figuur I, 22a. Wanneer zich nog andere kruisingen bevinden tussen het vooraanduidingsteken en de kruising met een voorrangsweg of hoofdverkeersweg, wordt het vooraanduidingsteken na elk van deze andere kruisingen herhaald.

Artikel 34

1.

Het teken stop (douane) wordt gebruikt om de nabijheid van een douanepost aan te geven, waar het verplicht is stil te houden. Het woord „Douane” is op het teken aangebracht. De vertaling van het woord „Douane” in de taal van het aangrenzende grondgebied mag worden toegevoegd (II. A. 17).

2.

Dit teken mag worden gebruikt om andere verplichtingen tot stilhouden aan te geven, in welk geval het opschrift „Douane” wordt vervangen door een opschrift, dat de reden van de verplichting tot stilhouden omschrijft.

Artikel 35

1.

Het teken stilstaan en wachten aan bepalingen gebonden (II.A.18) wordt gebruikt om aan te geven, dat het verboden is een voertuig te doen of laten stilstaan of wachten en om aan te geven, dat het doen of laten wachten beperkt is toegestaan. Dit teken bestaat uit een blauw veld diagonaalsgewijs doorsneden door een rode balk en omsloten door een rode rand.

2.

Het teken zonder verklarend opschrift wordt gebruikt om aan te geven, dat het wachtverbod voortdurend geldt.

3.

Op een bord, bevestigd onder het teken, dan wel in het teken zelf, mogen opschriften worden aangebracht, welke nader aangeven:

  • a. de uren, gedurende welke het wachtverbod geldt;
  • b. de duur van het toegestane wachten;
  • c. de dagen, waarop wachten hetzij aan de ene, hetzij aan de andere zijde van de weg is toegestaan;
  • d. de uitzonderingen met betrekking tot bepaalde soorten van voertuigen,

met dien verstande, dat zulke opschriften de algemene strekking van het teken niet aantasten, noch hetzelve dubbelzinnig of onbegrijpelijk maken.

3bis. Om aan te geven dat wachten hetzij aan de ene, hetzij aan de andere zijde van de weg is verboden, kan eveneens het volgende teken „WACHTEN AFWISSELEND AAN BEIDE ZIJDEN” (II, A. 18bis) worden gebruikt:

en, tenzij in de aanwijzingen welke op een afzonderlijk onder het teken aangebracht bord zijn vermeld, anders wordt bepaald, geldt in dat geval het wachtverbod voor de zijde waar het Romeinse cijfer I is aangebracht op de oneven dagen en voor de zijde waar het Romeinse cijfer II is aangebracht op de even dagen.

4.

Een opschrift stop-verbod, aangebracht op een bord beneden het teken of in het teken zelf, geeft aan dat het verboden is een voertuig te doen of laten stilhouden.

5.

Partijen, welke ter aanduiding van het verbod voor voertuigen, al dan niet met bestuurders, om gedurende lange tijd te parkeren, het teken parkeerverbod hebben aangenomen (rode schijf, met daarin een witte of lichtgele schijf waarin de letter P met diagonaal gerichte rode streep), staat het voorlopig vrij hun stelsel wat dat betreft ongewijzigd te laten. Het teken II.A.18 is evenwel het enige, dat in dit Protocol voor dat doel wordt aangenomen en het wordt der Partijen nadrukkelijk aanbevolen het stopverbod of wachtverbod voor voertuigen op hun grondgebied te regelen overeenkomstig de hierboven in de leden 1 tot en met 4 vervatte beginselen.

II. B. Gebodstekens

Artikel 36

1.

De kleur van de gebodstekens bestaat uit een blauwe achtergrond met wit symbool.

2.

De gebodstekens zijn de volgende:

  • a. het teken verplichte richting (II.B.1); het is toegestaan veranderingen in het symbool van dit teken aan te brengen ter voorziening in bijzondere gevallen;
  • b. het teken verplicht rijwielpad (II.B.2) wordt gebruikt om aan te geven, dat wielrijders verplicht zijn een speciaal voor hen bestemd pad te gebruiken.
  • c. Het teken „VERPLICHTE MINIMUM SNELHEID” (II, B. 3); dit teken wordt gebruikt om aan te geven dat voertuigen welke van de desbetreffende weg gebruik maken, zich met niet minder dan de aangegeven snelheid mogen voortbewegen.

HOOFDSTUK IV. Categorie III. Tekens, welke een enkele aanduiding inhouden

Artikel 37

1.

De tekens van deze categorie zijn rechthoekig van vorm.

2.

Wanneer de keuze der kleuren vrij is, mag rood in geen geval overheersen.

III. A. Aanwijzingstekens

Artikel 38

1.

Het teken parkeren (III.A.1) wordt gebruikt ter aanduiding van plaatsen, waar parkeren is toegestaan.

2.

Het bord voor dit teken is vierkant van vorm.

3.

De zijde van het vierkant bedraagt tenminste 60 centimeter voor het teken van standaardformaat en tenminste 40 centimeter voor het teken van verkleind formaat.

4.

Het teken staat het verkeer tegemoet gewend dan wel evenwijdig aan de rijweg.

5.

De kleur van het teken is blauw en die van de letter P wit.

6.

Een rechthoekig bord beneden het teken mag worden gebruikt voor opschriften, welke de periode aangeven, gedurende welke parkeren is toegestaan of de richting naar de parkeerplaats.

Artikel 39

1.

Het teken hospitaal of ziekenhuis wordt gebruikt om de bestuurders van voertuigen erop te wijzen, dat zij de voorzorgen behoren te nemen, vereist wegens de nabijheid van een geneeskundige inrichting en in het bijzonder ter vermijding van onnodig lawaai.

2.

Dit teken bestaat uit het symbool H boven het woord „hospitaal”, als weergegeven in figuur III.A.2.

3.

De kleur van het teken is blauw met het opschrift in wit.

4.

Het teken staat het verkeer tegemoet gewend.

Artikel 40

1.

De tekens ter aanduiding van de hulpposten zijn de volgende:

  • a. het teken hulppost of meldingspost (III, A. 3 en III, A. 4) wordt gebruikt om aan te geven, dat er in de nabijheid een hulp- of meldingspost is, verzorgd door een van overheidswege erkende vereniging;
  • b. het teken reparatiepost (III. A. 5) wordt gebruikt om aan te geven, dat er in de nabijheid een reparatiepost is;
  • c. het teken telefoon (III, A. 6) wordt gebruikt om aan te geven, dat er een telefoonpost in de nabijheid is;
  • d. het teken benzinepomp (III. A. 7) wordt gebruikt om aan te geven, dat er op een afstand, aangegeven op het teken, een benzinepomp aanwezig is.
2.

Het in dit artikel bepaalde teken is zo aangebracht, dat de korte zijden van de rechthoek horizontaal lopen. De kleur is blauw met een zwart of donker gekleurd symbool in een wit vierkant. Van de tekens III. A. 3 en III. A. 4 is het symbool evenwel rood. De zijde van het vierkant bedraagt tenminste 30 centimeter. Bij het teken III. A. 7 is het vierkant vervangen door een rechthoek met de korte zijden horizontaal.

3.

De in het eerste lid onder b, c en d omschreven tekens worden gebruikt overeenkomstig de door het bevoegde gezag gegeven voorschriften.

Artikel 41

1.

De aanvang van een voorrangsweg; mag worden aangeduid met het teken voorrangsweg (III. A. 8).

2.

Ook mag het teken langs voorrangswegen worden herhaald.

3.

Wanneer het teken III. A. 8 is gebruikt aan het begin van de voorrangsweg, wordt het einde van de voorrangsweg; aangeduid door het teken einde voorrangsweg (III. A. 9)

4.

Het teken III. A. 9 mag eveneens worden gebruikt om aan te duiden, dat het einde van de voorrangsweg: nadert. In dat geval wordt beneden het teken een rechthoekig bord aangebracht, waarop de afstand is aangegeven, waarna de voorrang eindigt, zoals in figuur III. A. 9a.

5.

De borden voor de in dit artikel bepaalde tekens bestaan in een vierkant, waarvan één punt naar beneden is gericht.

6.

De zijde van het vierkant bedraagt tenminste 60 centimeter voor het standaardformaat, tenminste 40 centimeter voor het verkleinde formaat en 25 centimeter voor binnen bebouwde kommen herhaalde tekens.

7.

De in dit artikel bepaalde tekens hebben een geel binnenvlak, waaromheen een witte rand, het geheel omsloten door een zwarte of donker gekleurde bies. Bij het teken III. A. 9 is de dwarsbalk zwart of donker van kleur.

8.

De tekens zijn aangebracht aan de wegzijde, waarlangs het verkeer, waarop zij betrekking; hebben, nadert en zij zijn het verkeer tegemoet gewend. De tekens mogen aan de andere zijde van de weg worden herhaald.

III. B. Richtingvooraanduidingstekens en richtingaanduidingstekens

Artikel 42

1.

De richtingvooraanduidingstekens zijn rechthoekig van vorm.

2.

De grootte is zodanig, dat de aanduiding voor bestuurders van snelrijdende voertuigen goed begrijpelijk is.

3.

Deze tekens hebben hetzij een lichte achtergrond met donkergekleurde letters, hetzij een donkere achtergrond met lichtgekleurde letters.

4.

Deze tekens worden langs gewone wegen aangebracht op een afstand van 100 tot 250 meter van het kruispunt. Langs speciale autowegen mag deze afstand tot 500 meter vermeerderd worden.

5.

De figuren III. B. 1a en III. B. 1b zijn voorbeelden van dit teken.

Artikel 43

1.

Richtingaanduidingstekens zijn rechthoekig met de lange zijden horizontaal gericht en zij lopen aan één zijde in een punt uit.

2.

De namen van meerdere plaatsen welke in dezelfde richting liggen kunnen op één teken worden aangegeven.

3.

Wanneer afstanden worden aangegeven, worden de cijfers, waarmede het aantal kilometers (of mijlen) wordt aangeduid, geplaatst tussen de plaatsnaam en de punt.

4.

De kleuren van deze tekens zijn dezelfde als die van de richtingvooraanduidingstekens.

5.

De figuren III. B. 2a en III. B. 2b zijn voorbeelden van dit teken.

III. C. Plaatsaanduidings- en wegaanduidingstekens

Artikel 44

1.

Plaatsaanduidingstekens zijn rechthoekig van vorm met de lange zijden horizontaal gericht.

2.

De grootte van deze tekens is zodanig en zij zijn zodanig aangebracht, dat zij zelfs des nachts zichtbaar zijn.

3.

Deze tekens hebben hetzij een lichte achtergrond met donkergekleurde letters, hetzij een donkere achtergrond met lichtgekleurde letters.

4.

Deze tekens worden geplaatst aan de grens van een bebouwde kom aan de wegzijde, waarlangs het verkeer, waarop zij betrekking hebben, nadert en zij zijn het verkeer tegemoet gewend.

5.

De figuren III. C. 1a en III. C. 1b zijn voorbeelden van dit teken.

Artikel 45

1.

De wegaanduidingstekens met cijfers of letters dan wel een combinatie van beide zijn rechthoekig van vorm.

2.

De opschriften mogen op kilometerpalen of boven of onder andere tekens worden aangebracht of als afzonderlijke tekens worden geplaatst.

3.

De figuur III. C. 2a is een voorbeeld van dit teken.

DEEL III. Aanvullende bepalingen met betrekking tot spoorwegovergangen

Artikel 46

Waar het bevoegde gezag zulks noodzakelijk acht kan een verticaal bord, dat drie rode balken, schuin gericht en tegen een witte of gele achtergrond vertoont, worden aangebracht onder een teken van het type I, 8 of I, 9, mits borden van dezelfde vorm, welke onderscheidenlijk twee rode balken en een rode balk, schuin gericht en tegen een witte of gele achtergrond vertonen, als afzonderlijke tekens op ongeveer tweederde en op eenderde van de afstand tussen het eerste teken en de spoorbaan zijn aangebracht. De figuren I, 8a, I, 9a, I, 8/9b en I, 8/9c zijn voorbeelden van deze borden.

Artikel 47

1.

Wanneer bij een spoorwegovergang een signaalinrichting is aangebracht om te waarschuwen dat een trein nadert of de afsluitbomen of de halve afsluitbomen op het punt staan te worden gesloten, bestaat de inrichting:

  • (a). onder inachtneming van het in lid 4 van dit artikel bepaalde, in een rood flikkerlicht of in twee rode afwisselende flikkerende en aan dezelfde stijl aangebrachte lichten; dit licht of deze lichten worden al dan niet door een geluidssignaal begeleid; of
  • (b). in een eenvoudig geluidssignaal.
  • (a). Alle spoorwegovergangen, voorzien van afsluitbomen of halve afsluitbomen, welke worden bediend van een plaats vanwaar de spoorbomen niet zichtbaar zijn, zijn voorzien van een signaalinrichting als hierboven omschreven in lid 1 (a) of in lid 1 (b).
  • (b). Alle spoorwegovergangen, voorzien van afsluitbomen of halve afsluitbomen, welke automatisch door de nadering van een trein worden bediend, zijn voorzien van een signaalinrichting als hierboven omschreven in lid 1 (a).
3.

Het signaal bedoeld in lid 1 van dit artikel betekent dat geen enkele weggebruiker de spoorbaan mag oversteken.

4.

Op wegen waar de spoorwegovergang zich bij een kruispunt bevindt, dat is voorzien van de in artikel 53 van dit Protocol omschreven lichtsignalen ten behoeve van het verkeer, kunnen in uitzonderingsgevallen de signalen, genoemd in lid 1 van dit artikel worden vervangen door het in artikel 53 omschreven stelsel met drie kleuren of uitsluitend door de gele en rode lichten van dat stelsel; in dat geval hebben de gele en rode lichten voor alle weggebruikers de betekenis welke daaraan in artikel 53 met betrekking tot voertuigen wordt gegeven. Bij een vervanging als hierboven bedoeld kan het in lid 1 of lid 2 van artikel 15 omschreven naderingsteken vervallen indien, tengevolge van plaatselijke omstandigheden, het moeilijk zou zijn dit op zodanige wijze te bevestigen dat het voldoende zichtbaar is.

5.

Op elke spoorwegovergang, voorzien van afsluitbomen of halve afsluitbomen, welke automatisch worden bediend door de nadering van een trein of welke worden bediend van een plaats vanwaar de afsluitbomen of halve afsluitbomen niet zichtbaar zijn, is de snelheid waarmede de afsluitbomen of halve afsluitbomen worden gesloten, zodanig dat weggebruikers die de spoorwegovergang naderen of er zich reeds op bevinden wanneer het signaaltoestel in werking treedt, tijdig kunnen stilhouden alvorens zij de spoorwegovergang bereiken, of in de gelegenheid zijn deze tijdig te verlaten.

Artikel 48

Bij alle spoorwegovergangen, voorzien van afsluitbomen of halve afsluitbomen, worden de afsluitbomen of halve afsluitbomen doorlopend bediend zolang er treinverkeer plaatsvindt. Wordt de hoedanigheid van spoorwegovergang met afsluitbomen of halve afsluitbomen duurzaam vervangen door die van onbewaakte overgang, dan worden de spoorbomen of halve spoorbomen verwijderd, teneinde elk misverstand van de zijde der weggebruikers te voorkomen.

Artikel 49

De apparaten welke overeenkomstig de voorschriften van artikel 47, lid 1 (a) van dit Protocol de nadering van een trein aankondigen, worden in de onmiddellijke nabijheid van de spoorbaan aangebracht en, indien een teken in de vorm van het Andreaskruis wordt gebruikt, zo mogelijk aan dezelfde stijl als dit teken bevestigd. Wanneer de signalen automatisch worden gegeven, worden afdoende maatregelen genomen om defect raken van een signaal te voorkomen, alsmede om elke mogelijkheid tot misverstaan van de strekking van het signaal uit te sluiten, indien dit niet of gebrekkig werkt.

Artikel 50

Spoorwegovergangen zijn niet zonder afsluitbomen of halve afsluitbomen, noch zonder signalen welke de nadering van een trein aankondigen, tenzij de spoorbaan van beide zijden van de overgang voor de weggebruikers duidelijk zichtbaar is, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de snelheid der treinen, zodat de bestuurder van een voertuig, van welke zijde hij de spoorbaan ook nadert, tijd heeft voor de spoorwegovergang stil te houden, wanneer er een trein in zicht is en de weggebruikers die zich bij de nadering van een trein reeds op de overweg bevinden, de overgang tijdig kunnen verlaten.

DEEL IV. Tekens, te geven door de verkeerspolitie

Artikel 51

Verkeersagenten zijn zodanig toegerust en opgesteld, dat zij voor alle weggebruikers zichtbaar zijn.

Artikel 52

1.

De door de verkeersagenten te geven tekens stemmen overeen met een der twee volgende stelsels.

Eerste stelsel

Teken A — stopteken voor voertuigen, welke de verkeersagent van voren naderen: omhoog gestrekte arm met de handpalm naar voren gekeerd.

Teken C — stopteken voor voertuigen, welke de verkeersagent van achteren naderen: een arm zijwaarts gestrekt naar de kant van de rijbaan, waarlangs het betrokken verkeer nadert, met de handpalm naar voren gekeerd.

De tekens A en C mogen gelijktijdig worden gebruikt.

Tweede stelsel

Teken B — stop teken voor voertuigen, welke de verkeersagent van voren naderen: een arm zijwaarts gestrekt naar de kant van de rijbaan, waarlangs het betrokken verkeer nadert, met de handpalm naar voren gekeerd.

Teken C — stopteken voor voertuigen, welke de verkeersagent van achteren naderen: een arm zijwaarts gestrekt naar de kant van de rijbaan, waarlangs het betrokken verkeer nadert, met de handpalm naar voren gekeerd.

De tekens B en C mogen gelijktijdig worden gebruikt.

2.

Bij beide stelsels mag een wenkend gebaar met de hand worden gemaakt om voertuigen te doen voortgaan.

DEEL V. Lichtsignalen ten behoeve van het verkeer

Artikel 53

1.

De lichten van de lichtsignalen ten behoeve van het verkeer hebben de volgende betekenis:

  • a. Bij een stelsel met drie kleuren betekent rood licht, dat voertuigen het signaal niet voorbij mogen rijden en groen licht, dat voertuigen het signaal voorbij mogen gaan; geel licht, wanneer het gebruikt wordt na het groene licht, dat voertuigen het signaal niet voorbij mogen rijden, tenzij het voertuig bij het aangaan van het gele licht het signaal zo dicht is genaderd, dat het uit veiligheidsoogpunt niet meer kan stilhouden vóór het signaal; geel licht, wanneer het wordt gebruikt te zamen met of na het rode licht, dat een verandering van de aanwijzing van het signaal op handen is en niet, dat voertuigen mogen doorrijden.
  • b. Bij een stelsel met twee kleuren betekent rood licht, dat voertuigen het signaal niet voorbij mogen rijden; groen licht, dat voertuigen het signaal voorbij mogen rijden; rood licht, dat verschijnt, terwijl het groene licht blijft branden, hetzelfde als het gele licht, dat op het groene volgt bij het stelsel met drie kleuren.
2.

Wanneer een enkel geel knipperlicht wordt gebruikt, betekent dit: „voorzichtig!”.

3.

De verschillende lichten zijn boven elkaar aangebracht. Als regel is het rode licht boven en het groene licht beneden aangebracht. Bij gebruik van een geel licht is dit laatste tussen het rode en het groene licht aangebracht.

4.

Wanneer lichtsignalen ter zijde van de rijweg zijn aangebracht, bedraagt de afstand tussen de benedenrand van het laagste licht en de rijweg als regel ten minste 2 meter en ten hoogste 3,50 meter; voor zoveel mogelijk behoort elk lichtsignaal aan de overzijde van het kruispunt te worden herhaald. Wanneer de signalen boven de rijweg zijn aangebracht, bedraagt de afstand tussen de benedenrand van het laagste licht en de rijweg ten minste 4,50 meter.

DEEL VI. Op het wegdek aangebrachte tekens

Artikel 54

1.

Wanneer een rijbaan buiten een bebouwde kom in meer dan twee rijstroken is verdeeld, behoren deze duidelijk te onderscheiden te zijn.

2.

Wanneer een rijbaan met drie rijstroken buiten een bebouwde kom gedeelten bevat, waar het zicht onvoldoende is, dan wel bij andere gevaarlijke punten, wordt de totale breedte van de rijbaan slechts in tweeën verdeeld.

3.

Op gedeelten van een rijbaan met twee rijstroken, waar het zicht onvoldoende is, alsmede op andere gevaarlijke punten, behoren de rijstroken duidelijk te onderscheiden te zijn.

4.

Het aangeven van rijstroken als bepaald in het tweede en derde lid betekent, dat een voertuig onder normale verkeersomstandigheden de voor zijn richting bestemde rijstrook niet behoort te verlaten.

Artikel 55

1.

Wanneer de kanten van de rijbaan door middel van lichten of reflectoren zijn aangegeven, kunnen daartoe twee verschillende kleuren worden gebruikt.

2.

Rood of oranje kunnen worden gebruikt om de kant van de rijbaan aan te geven aan de wegzijde, waarlangs het betrokken verkeer nadert en wit ter aanduiding van de kant van de rijbaan aan de overzijde.

3.

Bij gebruik van lichten of reflectoren ter aanduiding van de aanwezigheid van verkeerszuilen of vluchtheuvels op de rijbaan verdienen wit en geel de voorkeur.

DEEL VII. Slotbepalingen

Artikel 56

1.

Dit Protocol is tot 31 December 1949 opengesteld voor ondertekening door de Staten, welke het op 19 September 1949 te Genève voor ondertekening opengestelde Verdrag nopens het wegverkeer hebben ondertekend.

2.

Dit Verdrag wordt bekrachtigd. De bekrachtigingsoorkonden worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties.

3.

Met ingang van 1 Januari 1950 is dit Protocol opengesteld voor toetreding door Staten, welke het Verdrag nopens het wegverkeer hebben ondertekend, alsmede door Staten, welke daartoe toetreden of daartoe toegetreden zijn. Het Protocol is eveneens opengesteld voor toetreding voor en namens afhankelijke gebieden, waarvan de Verenigde Naties het besturend lichaam vormen, indien eveneens toetreding tot het Verdrag voor en namens het betrokken afhankelijke gebied heeft plaats gevonden.

4.

Toetreding geschiedt door nederlegging van een toetredingsoorkonde bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 57

1.

Elke Staat kan bij de ondertekening, de bekrachtiging of de toetreding, alsook te allen tijde daarna in een aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties gerichte kennisgeving verklaren, dat de bepalingen van dit Protocol mede van toepassing zullen zijn voor één of meer der gebieden, voor welker buitenlandse betrekkingen hij verantwoordelijk is. Deze bepalingen worden voor de in de kennisgeving genoemde gebieden van toepassing dertig dagen na ontvangst dier kennisgeving door de Secretaris-Generaal of, bijgeval het Protocol op dat tijdstip nog niet in werking is getreden, op het tijdstip van in werking treden van het Protocol.

2.

Voor zover de omstandigheden zulks toelaten verbinden de Partijen zich zo spoedig mogelijk de nodige maatregelen te treffen, ten einde de toepasselijkheid van dit Protocol uit te strekken tot de gebieden, voor welker buitenlandse betrekkingen zij verantwoordelijk zijn, behoudens, voor zover om grondwettelijke redenen vereist, de toestemming van de Regering dier gebieden.

3.

Elke Staat, welke overeenkomstig het eerste lid van dit artikel een verklaring heeft afgelegd, waarbij dit Protocol van toepassing wordt verklaard voor een gebied, voor welks buitenlandse betrekkingen hij verantwoordelijk is, kan te allen tijde daarna in een tot de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties gerichte kennisgeving verklaren, dat dit Protocol niet langer van toepassing zal zijn voor het in die kennisgeving genoemde gebied. In dat geval zal het Protocol na verstrijken van een jaar sinds de datum der kennisgeving ophouden voor dat gebied van toepassing te zijn.

Artikel 58

Dit Protocol treedt in werking vijftien maanden na nederlegging van de vijfde bekrachtigings- of toetredingsoorkonde. Voor Staten, welke na dat tijdstip dit Protocol bekrachtigen of daartoe toetreden, treedt het in werking vijftien maanden na nederlegging van hun bekrachtigings- of toetredingsoorkonde.

De Secretaris-Generaal der Verenigde Naties stelt de Staten, welke dit Protocol hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden, alsmede andere Staten, welke waren uitgenodigd tot bijwoning van de conferentie van de Verenigde Naties voor wegverkeer en verkeer met motorrijtuigen, in kennis van het tijdstip, waarop dit Protocol in werking treedt.

Artikel 59

Door dit Protocol te bekrachtigen of daartoe toe te treden, verbindt elke Staat, welke Partij is bij het op 30 Maart 1931 te Genève voor ondertekening opengestelde Verdrag tot het brengen van eenheid in de verkeerstekens, zich dat Verdrag op te zeggen binnen drie maanden na het tijdstip van nederlegging van zijn bekrachtigings- of toetredingsoorkonde ter zake van dit Protocol.

Artikel 60

1.

Elk der Verdragsluitende Staten kan een of meer wijzigingen van dit Protocol voorstellen. Van de tekst van een voorgestelde wijziging wordt kennis gegeven aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die hem aan alle Partijen bij dit Protocol doet toekomen met verzoek binnen vier maanden mede te delen of zij:

  • a. verlangen, dat een conferentie ter overweging van de voorgestelde wijziging wordt bijeengeroepen;
  • b. de aanvaarding van de voorgestelde wijziging zonder conferentie voorstaan;
  • c. de verwerping van de voorgestelde wijziging zonder conferentie voorstaan.

De voorgestelde wijziging wordt door de Secretaris-Generaal eveneens doorgezonden aan alle Staten, niet Partij bij dit Verdrag, welke waren uitgenodigd tot bijwoning van de Conferentie der Verenigde Naties voor wegverkeer en verkeer met motorrijtuigen.

2.

De Secretaris-Generaal roept een conferentie van de Partijen bij dit Protocol ter overweging van de voorgestelde wijziging bijeen, indien het bijeenroepen van een conferentie wordt verlangd door tenminste eenderde der Partijen.

De Secretaris-Generaal nodigt behalve de Partijen bij dit Protocol voor de conferentie uit de Staten, niet Partij bij dit Protocol, welke waren uitgenodigd tot bijwoning van de conferentie der Verenigde Naties voor wegverkeer en verkeer met motorrijtuigen, alsmede Staten, wier deelneming naar het oordeel van de Economische en Sociale Raad gewenst is.

De bepalingen van dit lid zijn niet van toepassing ingeval een wijziging van dit Protocol overeenkomstig het vijfde lid van dit artikel is aangenomen.

3.

Een wijziging van dit Protocol, welke door de conferentie met tweederde meerderheid van stemmen is aangenomen, wordt ter kennis van alle Partijen gebracht ter fine van aanvaarding. Elke wijziging treedt negentig dagen na haar aanvaarding door tweederde gedeelte der Partijen in werking voor alle Partijen behalve die, welke voor het in werking treden verklaren de wijziging niet aan te nemen.

4.

De conferentie kan ten tijde van de aanneming van een wijziging van dit Protocol met tweederde meerderheid van stemmen besluiten, dat de wijziging van zodanige betekenis is, dat Partijen, welke hebben verklaard haar niet te aanvaarden en zulks niet alsnog binnen een periode van twaalf maanden na het in werking treden van de wijziging doen, na verloop dier periode ophouden Partij bij dit Protocol te zijn.

5.

Ingeval een tweederde meerderheid der Partijen overeenkomstig het eerste lid onder b van dit artikel de Secretaris-Generaal mededeelt de aanvaarding van de wijziging zonder conferentie voor te staan, wordt deze beslissing door de Secretaris-Generaal aan alle Partijen kennis gegeven. De wijziging wordt dan na verloop van negentig dagen na de datum dier kennisgeving van kracht voor alle Partijen, behalve die, welke binnen die periode aan de Secretaris-Generaal mededelen tegen de wijziging bezwaar te hebben.

6.

Voorzoveel betreft wijzigingen, welke niet onder de werking van het vierde lid van dit artikel vallen, blijven de bestaande bepalingen van kracht voor de Partijen, welke een verklaring overeenkomstig het derde lid van dit artikel hebben afgelegd of overeenkomstig het vijfde lid hun bezwaar tegen de wijziging hebben kenbaar gemaakt.

7.

Partijen, welke met betrekking tot een wijziging een verklaring overeenkomstig het derde lid van dit artikel hebben afgelegd of overeenkomstig het vijfde lid van hun bezwaar hebben kennis gegeven, kunnen deze verklaring onderscheidenlijk dat bezwaar te allen tijde intrekken door een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving. De wijziging is dan voor de betrokken Partij van kracht met ingang van het tijdstip van ontvangst der kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

Artikel 61

Dit Protocol kan met inachtneming van een termijn van een jaar worden opgezegd door een daartoe strekkende kennisgeving aan de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties, die daarvan mededeling doet aan de Staten, welke het Protocol hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden. Na verloop van deze termijn treedt het Protocol voor de Partij, welke het aldus heeft opgezegd, buiten werking.

Artikel 62

Een geschil tussen twee of meer Partijen, de uitleg of de toepassing van dit Protocol betreffende, hetwelk zij door onderhandeling noch anderzins kunnen oplossen, kan door elk der betrokken Partijen schriftelijk bij het Internationale Gerechtshof ter beslissing aanhangig worden gemaakt.

Artikel 63

Geen bepaling van dit Protocol wordt geacht de Partijen te beletten de maatregelen te nemen, welke zij voor hun buiten- of binnenlandse veiligheid noodzakelijk achten, voorzoveel die maatregelen verenigbaar zijn met het Handvest der Verenigde Naties en beperkt blijven tot de vereisten der gegeven omstandigheden.

Artikel 64

1.

Afgezien van de kennisgevingen ingevolge artikel 5, lid 5, artikel 58, artikel 60, leden 1, 3 en 5 en artikel 61, stelt de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties de in het eerste lid van artikel 56 bedoelde Staten in kennis van:

  • a. ondertekeningen, bekrachtigingen en toetredingen overeenkomstig artikel 56;
  • b. kennisgevingen overeenkomstig artikel 57 met betrekking tot de toepasselijkheid van dit Protocol voor bepaalde gebieden;
  • c. verklaringen, waarbij Staten overeenkomstig het derde lid van artikel 60 wijzigingen van het Protocol aanvaarden;
  • d. bezwaren tegen wijzigingen van het Protocol, door Staten overeenkomstig het vijfde lid van artikel 60 ter kennis van de Secretaris-Generaal gebracht;
  • e. het tijdstip van in werking treden van wijzigingen van het Protocol overeenkomstig het derde en vijfde lid van artikel 60;
  • f. het tijdstip, waarop een Staat overeenkomstig het vierde lid van artikel 60 heeft opgehouden Partij bij het Protocol te zijn;
  • g. het intrekken van bezwaren tegen een wijziging overeenkomstig het zevende lid van artikel 60;
  • h. de lijst van Staten, gebonden door een wijziging van het Protocol;
  • i. opzeggingen van het Verdrag tot het brengen van eenheid in de verkeerstekens van 30 Maart 1931 overeenkomstig artikel 59 van dit Protocol;
  • j. opzeggingen van dit Protocol overeenkomstig artikel 61.
2.

Het origineel van dit Protocol wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal, die aan de in het eerste lid van artikel 56 bedoelde Staten gewaarmerkte afschriften ervan doet toekomen.

3.

De Secretaris-Generaal is gemachtigd dit Protocol bij het in werking treden te registreren.

In WITNESS WHEREOF the undersigned representatives, after having communicated their full powers, found to be in good and due from, have signed this Protocol.

DONE at Geneva, in a single copy, in the English and French languages, both texts authentic, this nineteenth day of September, onethousand nine hundred and forty nine.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)