Internationale Regeling tot bestrijding van de zogenaamde handel in vrouwen en meisjes, zoals gewijzigd door het Protocol van 4 mei 1949

Type Verdrag
Publication 1951-06-21
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, Zijne Majesteit de Keizer van Duitschland, Koning van Pruisen, in naam van het Duitsche Rijk, Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Zijne Majesteit de Koning van Denemarken, Zijne Majesteit de Koning van Spanje, de President der Fransche Republiek, Zijne Majesteit de Koning van het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Ierland en der Overzeesche Britsche Bezittingen, Keizer van Indië, Zijne Majesteit de Koning van Italië, Zijne Majesteit de Koning van Portugal en der Algarven, Zijne Majesteit de Keizer aller Russen, Zijne Majesteit de Koning van Zweden en Noorwegen, en de Zwitsersche Bondsraad:

bezield door den wensch om zoowel aan meerderjarige door geweld of bedrog misleide vrouwen, als aan minderjarige meisjes of vrouwen afdoende bescherming te verzekeren tegen den misdadigen handel bekend onder den naam van „Handel in Vrouwen en Meisjes”, hebben besloten eene regeling te maken, ten einde bepalingen vast te stellen geschikt ter bereiking van dat doel, en hebben tot Hunne gevolmachtigden benoemd, te weten:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

den heer ridder DE STUERS, Hoogstderzelver Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij den President der Fransche Republiek;

Zijne Majesteit de Keizer van Duitschland, Koning van Pruisen:

Zijne Doorluchtige Hoogheid, Prins VON RADOLIN, Hoogstdeszelfs Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur bij den President der Fransche Republiek;

Zijne Majesteit de Koning der Belgen:

den heer A. LEGHAIT, Hoogstdeszelfs Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij den President der Fransche Republiek;

Zijne Majesteit de Koning van Denemarken:

den heer graaf F. REVENTLOW, Hoogstdeszelfs Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij den President der Fransche Republiek;

Zijne Majesteit de Koning van Spanje:

Zijne Excellentie den heer F. DE LEON Y CASTILLO, Markies DEL MUNI, Hoogstdeszelfs Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur bij den President der Fransche Republiek;

De President der Fransche Republiek:

Zijne Excellentie den heer TH. DELCASSÉ, Afgevaardigde, Minister van Buitenlandsche Zaken der Fransche Republiek;

Zijne Majesteit de Koning van het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Ierland en der Overzeesche Britsche Bezittingen, Keizer van Indië:

Zijne Excellentie Sir EDMUND MONSON, Hoogsdeszelfs Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur bij den President der Fransche Republiek;

Zijne Majesteit de Koning van Italië:

Zijne Excellentie den heer graaf TORNIELLI BRUSATI DI VERGANO, Hoogstdeszelfs Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur bij den President der Fransche Republiek;

Zijne Majesteit de Koning van Portugal en der Algarven:

den heer T. SOUZA-ROZA, Hoogstdeszelfs Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij den President der Fransche Republiek;

Zijne Majesteit de Keizer aller Russen:

Zijne Excellentie den heer DE NELIDOW, Hoogstdeszelfs Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur bij den President der Fransche Republiek:

Zijne Majesteit de Koning van Zweden en Noorwegen:

voor Zweden en voor Noorwegen:

den heer ÅKERMAN, Hoogstdeszelfs Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij den President der Fransche Republiek; en

de Zwitsersche Bondsraad:

den heer CHARLES EDOUARD LARDY, Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister van den Zwitserschen Bond bij den President der Fransche Republiek;

Die, na hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben uitgewisseld, zijn overeengekomen nopens de volgende bepalingen:

Het oorspronkelijke verdrag is tot stand gekomen op 18 mei 1904 (Stb. 1907/79) en is voor het Koninkrijk der Nederlanden in werking getreden op 14 juli 1907 (Trb. 1961/100).

Artikel 1

Ieder der contracteerende Regeeringen verbindt zich eene autoriteit aan te wijzen voor of te belasten met het bijeenbrengen van alle inlichtingen omtrent ronselarij van vrouwen en meisjes met het oog op het plegen van ontucht in den vreemde; deze autoriteit zal de bevoegdheid hebben rechtstreeksche briefwisseling te voeren met de met gelijke bevoegdheden in elken der andere contracteerende Staten bekleede autoriteit.

Artikel 2

Iedere Regeering verbindt zich toezicht te doen houden ten einde in het bijzonder aan de stations, in de havens van inscheping en gedurende de reis de begeleiders van vrouwen en meisjes, bestemd om aan een ontuchtig leven te worden overgeleverd, op te sporen. Te dien einde zullen aan de ambtenaren en aan alle bevoegde personen instructiën worden gegeven om binnen de wettelijke grenzen alle inlichtingen te verstrekken, die dienstig kunnen zijn om op het spoor van zoodanigen misdadigen handel te geraken.

De aankomst van personen die klaarblijkelijk de daders, de medeplichtigen of de slachtoffers zijn van zoodanigen handel, zal, wanneer het geval zich voordoet, ter kennis worden gebracht hetzij van de autoriteiten der plaats van bestemming, hetzij van de betrokken diplomatieke of consulaire ambtenaren, hetzij van iedere andere bevoegde autoriteit.

Artikel 3

De Regeeringen verbinden zich bij voorkomende gevallen en binnen de wettelijke grenzen, proces-verbaal te doen opmaken van de verklaringen der vrouwen of meisjes van vreemde nationaliteit, die zich aan prostitutie overgeven, ten einde hare identiteit en haren burgerlijken staat te doen vaststellen en te onderzoeken wie haar heeft doen besluiten haar vaderland te verlaten. De verkregen inlichtingen zullen met het oog op hare eventueele terugleiding naar haar vaderland worden medegedeeld aan de autoriteiten van het land van herkomst van gezegde vrouwen of meisjes.

De Regeeringen verbinden zich om binnen de wettelijke grenzen en voor zoover het mogelijk blijkt de slachtoffers van dezen misdadigen handel, indien zij van middelen ontbloot zijn, voorloopig met het oog op hare terugleiding naar haar vaderland ter verzorging toe te vertrouwen aan openbare of particuliere instellingen van armenzorg of aan bijzondere personen, die de daarvoor noodige waarborgen aanbieden.

De Regeeringen verbinden zich mede om binnen de wettelijke grenzen en voor zoover het mogelijk blijkt de vrouwen of meisjes die dit vragen of die opgeëischt worden door hen, aan wie gezag over haar toekomt, terug te zenden naar het land van hare herkomst. De terugzending heeft eerst plaats, nadat men zich zal verstaan hebben omtrent hare identiteit en nationaliteit, zoomede omtrent plaats en tijd van aankomst aan de grenzen. Elk der contracteerende landen zal de doorreis op zijn gebied bevorderen.

De briefwisseling betreffende de terugleiding zal zoo mogelijk rechtstreeks plaats hebben.

Artikel 4

Voor het geval dat de vrouw of het meisje, dat naar haar vaderland teruggeleid moet worden, niet bij machte is zelve de kosten vallende op hare overbrenging te betalen, en zij noch echtgenoot, noch ouders, noch voogd heeft die voor haar betalen kunnen, zullen de kosten vallende op hare terugleiding tot aan de grens of tot aan de haven van inscheping in de richting van het land van hare herkomst, ten laste komen van het land, waarin zij verblijf houdt, en komen alle overige kosten ten laste van het land van herkomst.

Artikel 5

Door de bepalingen der artikelen 3 en 4 hiervoren, wordt geen inbreuk gemaakt op de bijzondere tractaten, die tusschen de contracteerende Regeeringen mochten bestaan.

Artikel 6

De contracteerende Regeeringen verbinden zich, om binnen de wettelijke grenzen en voor zoover dit mogelijk blijkt, toezicht te houden op de bureelen en agentschappen, die zich bezighouden met het bezorgen van betrekkingen in het buitenland aan vrouwen of meisjes.

Artikel 7

Staten, welke niet ondertekend hebben, kunnen tot deze Regeling toetreden. Te dien einde geven zij kennis van hun voornemen aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die alle Verdragsluitende Staten en alle Leden van de Verenigde Naties hiervan in kennis zal stellen.

Artikel 8

Deze regeling treedt in werking 6 maanden nà de dagteekening van de uitwisseling der akten van bekrachtiging.

Ingeval dat eene der contracteerende partijen deze regeling mocht opzeggen, zal de opzegging alleen kracht hebben ten aanzien van die partij, en zulks eerst 12 maanden nà den dag van opzegging.

Artikel 9

Deze regeling zal worden bekrachtigd en de akten van bekrachtiging zullen te Parijs worden uitgewisseld binnen den kortst mogelijken termijn.

Ten blijke waarvan de wederzijdsche gevolmachtigden deze regeling hebben geteekend en van hunne zegels voorzien.

De Gevolmachtigden onderteekenaars, op dezen dag vereenigd ten einde over te gaan tot de onderteekening der Regeling die ten doel heeft eene afdoende bescherming te verzekeren tegen den „Handel in Vrouwen en Meisjes” hebben de volgende verklaring uitgewisseld in zake de toepasselijkheid der gezegde Regeling in de onderscheiden Koloniën der Verdragsstaten.

Het oorspronkelijke verdrag is tot stand gekomen op 18 mei 1904 (Stb. 1907/79) en is voor het Koninkrijk der Nederlanden in werking getreden op 14 juli 1907 (Trb. 1961/100).

Artikel 1

De landen die bovengenoemde Regeling onderteekend hebben, hebben te allen tijde het recht toe te treden voor hunne Koloniën of vreemde Bezittingen.

Te dien einde kunnen zij hetzij eene algemeene verklaring afleggen, ten blijke dat de toetreding al hunne Koloniën of Bezittingen omvat, hetzij daarin uitdrukkelijk de Koloniën of Bezittingen noemen voor welke de toetreding geldt, dan wel zich bepalen tot vermelding der Koloniën of Bezittingen welke van de toetreding zijn buitengesloten.

Artikel 2

De Duitsche Regeering verklaart zich Hare besluiten nopens Hare Koloniën voor te behouden.

De Deensche Regeering verklaart dat Zij zich het recht voorbehoudt om voor de Deensche Koloniën tot de Regeling toe te treden.

De Spaansche Regeering verklaart zich Hare besluiten nopens Hare Koloniën voor te behouden.

De Fransche Regeering verklaart dat de Regeling toepasselijk zal zijn op alle Fransche Koloniën.

De Regeering van Zijne Britsche Majesteit verklaart zich het recht voor te behouden om tot de Regeling toe te treden en deze op te zeggen voor elke Britsche Kolonie of Bezitting afzonderlijk.

De Italiaansche Regeering verklaart dat de Regeling toepasselijk zal zijn in de Kolonie Erythrea.

De Regeering van Nederland verklaart dat de Regeling toepasselijk zal zijn in alle Nederlandsche Koloniën.

De Portugeesche Regeering verklaart zich de beslissing voor te behouden of later de Regeling in eenige der Portugeesche Koloniën in werking zal treden.

De Russische Regeering verklaart dat de Regeling toepasselijk zal zijn zonder onderscheid in het geheele grondgebied van het Rijk in Europa en in Azië.

Artikel 3

De Regeeringen die later verklaringen mochten hebben af te leggen nopens hunne Koloniën, zullen dit doen op de wijze voorzien bij artikel 7 van de Regeling.

Fait à Paris, le 18 mai 1904, en un seul exemplaire qui restera déposé dans les Archives du Ministère des Affaires Étrangères de la République Française, et dont une copie, certifiée conforme, sera remise à chaque Puissance contractante.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.