Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen

Type Verdrag
Publication 1955-02-03
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De ondergetekenden, Gevolmachtigden van de Regeringen, vertegenwoordigd op de Diplomatieke Conferentie welke te Genève van 21 April tot 12 Augustus 1949 is bijeengekomen tot herziening van het Verdrag, gesloten te Genève op 27 Juli 1929, betreffende de behandeling van krijgsgevangenen, zijn het volgende overeengekomen:

TITEL I. Algemene bepalingen

Artikel 1

De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich dit Verdrag onder alle omstandigheden te eerbiedigen en te doen eerbiedigen.

Artikel 2

Onverminderd de bepalingen welke reeds in tijd van vrede in werking moeten treden, is dit Verdrag van toepassing ingeval een oorlog is verklaard of bij ieder ander gewapend conflict dat ontstaat tussen twee of meer der Hoge Verdragsluitende Partijen, zelfs indien de oorlogstoestand door één der Partijen niet wordt erkend.

Het Verdrag is eveneens van toepassing in alle gevallen van gehele of gedeeltelijke bezetting van het grondgebied van een Hoge Verdragsluitende Partij, zelfs indien deze bezetting geen gewapende tegenstand ontmoet.

Indien één der in conflict zijnde Mogendheden geen partij is bij dit Verdrag, blijven de Mogendheden die wel partij zijn, niettemin in haar onderlinge betrekkingen hierdoor gebonden. Bovendien zullen zij door het Verdrag gebonden zijn ten opzichte van bedoelde Mogendheid, indien deze de bepalingen daarvan aanvaardt en toepast.

Artikel 3

In geval van een gewapend conflict op het grondgebied van één der Hoge Verdragsluitende Partijen, hetwelk geen internationaal karakter draagt, is ieder der Partijen bij het conflict gehouden ten minste de volgende bepalingen toe te passen:

Een onpartijdige humanitaire organisatie, zoals het Internationale Comité van het Rode Kruis, kan haar diensten aan de Partijen bij het conflict aanbieden.

De Partijen bij het conflict zullen er verder naar streven door middel van bijzondere overeenkomsten de andere of een deel der andere bepalingen van dit Verdrag van kracht te doen worden.

De toepassing van bovenstaande bepalingen zal niet van invloed zijn op de juridische status van de Partijen bij het conflict.

Artikel 4
Artikel 5

Dit Verdrag is van toepassing op de in artikel 4 bedoelde personen, zodra zij in handen van de vijand zijn gevallen en tot op het ogenblik waarop hun definitieve invrijheidstelling en repatriëring is voltooid.

In geval van twijfel, of personen die een oorlogshandeling hebben verricht en in handen van de vijand zijn gevallen, behoren tot één van de in artikel 4 opgesomde categorieën, zullen deze personen de bescherming van dit Verdrag genieten in afwachting van de vaststelling van hun status door een bevoegd gerecht.

Artikel 6

Onverminderd de overeenkomsten, uitdrukkelijk voorzien in de artikelen 10, 23, 28, 33, 60, 65, 66, 67, 72, 73, 75, 109, 110, 118, 119, 122 en 132, kunnen de Hoge Verdragsluitende Partijen andere bijzondere overeenkomsten sluiten betreffende alle aangelegenheden waarvoor zij afzonderlijke regelingen wenselijk achten. Geen bijzondere overeenkomst mag de positie van krijgsgevangenen, zoals in dit Verdrag geregeld, ongunstig beïnvloeden, noch de rechten welke dit hun toekent, beperken.

Krijgsgevangenen zullen de voordelen van zodanige overeenkomsten blijven genieten zolang het Verdrag op hen van toepassing is, tenzij uitdrukkelijk het tegendeel is bepaald in bovenbedoelde of nadien gesloten overeenkomsten, dan wel gunstiger maatregelen door één der Partijen bij het conflict ten aanzien van hen zijn genomen.

Artikel 7

Krijgsgevangenen mogen onder geen enkele omstandigheid geheel of gedeeltelijk afstand doen van de rechten welke dit Verdrag en eventueel de bijzondere overeenkomsten, bedoeld in het voorgaand artikel, hun waarborgen.

Artikel 8

Dit Verdrag zal worden toegepast met de medewerking en onder het toezicht van de beschermende Mogendheden die belast zijn met het behartigen van de belangen van de Partijen bij het conflict. Te dien einde kunnen de beschermende Mogendheden, naast haar diplomatiek of consulair personeel, gedelegeerden benoemen uit haar eigen onderdanen of uit die van andere onzijdige Mogendheden. De benoeming van deze gedelegeerden moet worden onderworpen aan de goedkeuring van de Mogendheid bij welke zij hun taak zullen vervullen.

De Partijen bij het conflict zullen zo veel mogelijk de taak van de vertegenwoordigers of gedelegeerden van de beschermende Mogendheden vergemakkelijken.

De vertegenwoordigers of gedelegeerden van de beschermende Mogendheden mogen in geen geval de grenzen van de hun krachtens dit Verdrag opgedragen taak overschrijden; zij moeten in het bijzonder rekening houden met de gebiedende eisen van veiligheid van de Staat bij welke zij hun taak vervullen.

Artikel 9

De bepalingen van dit Verdrag vormen geen belemmering voor de menslievende werkzaamheden welke, met toestemming van de betrokken Partijen bij het conflict, het Internationale Comité van het Rode Kruis of enige andere onpartijdige humanitaire organisatie op zich neemt voor de bescherming van krijgsgevangenen, alsmede voor aan hen te verlenen hulp.

Artikel 10

De Hoge Verdragsluitende Partijen kunnen te allen tijde overeenkomen de taak welke krachtens dit Verdrag op de beschermende Mogendheden rust, toe te vertrouwen aan een organisatie die alle waarborgen van onpartijdigheid en doeltreffendheid biedt.

Indien krijgsgevangenen, om welke reden ook, niet of niet meer de voordelen genieten van de werkzaamheden van een beschermende Mogendheid of van een organisatie, aangewezen overeenkomstig het eerste lid, moet de gevangenhoudende Mogendheid een onzijdige Staat of een organisatie, als bovenbedoeld, verzoeken de taak op zich te nemen, welke krachtens dit Verdrag rust op door de Partijen bij het conflict aangewezen beschermende Mogendheden.

Indien op deze wijze niet in de bescherming kan worden voorzien, moet de gevangenhoudende Mogendheid een humanitaire organisatie, zoals het Internationale Comité van het Rode Kruis, verzoeken de menslievende taak, anders krachtens dit Verdrag door beschermende Mogendheden uitgeoefend, op zich te nemen, dan wel, behoudens de bepalingen van dit artikel, het aanbod van de diensten door een zodanige organisatie aanvaarden.

Iedere onzijdige Mogendheid of iedere organisatie die door de belanghebbende Mogendheid wordt aangezocht dan wel zich met het bovenbedoeld oogmerk aanbiedt, moet zich bij haar optreden bewust blijven van haar verantwoordelijkheid ten opzichte van de Partij bij het conflict, tot welke de door dit Verdrag beschermde personen behoren, en moet voldoende waarborgen bieden, dat zij in staat is de betreffende taak op zich te nemen en deze op onpartijdige wijze uit te voeren.

Van de voorgaande bepalingen mag niet worden afgeweken bij bijzondere overeenkomst tussen Mogendheden van welke zich één ten gevolge van het verloop der krijgsverrichtingen, zelfs tijdelijk, ten opzichte van de andere Mogendheid of haar bondgenoten in haar vrijheid van onderhandelen beperkt ziet, in het bijzonder ingeval het grondgebied van eerstbedoelde Mogendheid, of een belangrijk gedeelte daarvan, is bezet.

Waar in dit Verdrag wordt gesproken van een beschermende Mogendheid, wordt daaronder begrepen een vervangende organisatie in de zin van dit artikel.

Artikel 11

In alle gevallen waarin zij zulks in het belang van de beschermde personen raadzaam achten, in het bijzonder bij meningsverschil tussen de Partijen bij het conflict over de toepassing of uitlegging van de bepalingen van dit Verdrag, zullen de beschermende Mogendheden haar goede diensten verlenen tot oplossing van het geschil.

Te dien einde kan ieder der beschermende Mogendheden, op uitnodiging van één Partij of op eigen initiatief, aan de Partijen bij het conflict een bijeenkomst voorstellen van haar vertegenwoordigers, in het bijzonder van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor krijgsgevangenen, eventueel op passend gekozen onzijdig gebied. De Partijen bij het conflict zijn gehouden gevolg te geven aan de voorstellen welke haar tot dit doel worden gedaan. De beschermende Mogendheden kunnen, zo nodig, de Partijen bij het conflict voorstellen de benoeming van een bepaald persoon, behorend tot een onzijdige Mogendheid of afgevaardigd door het Internationale Comité van het Rode Kruis, die zal worden uitgenodigd aan een zodanige bijeenkomst deel te nemen, goed te keuren.

TITEL II. Algemene bescherming van krijgsgevangenen

Artikel 12

Krijgsgevangenen bevinden zich in de macht van de vijandelijke Mogendheid, maar niet in die van de personen of troepen afdelingen die hen gevangen hebben genomen. Afgezien van de persoonlijke aansprakelijkheid welke mocht bestaan, is de gevangenhoudende Mogendheid verantwoordelijk voor de behandeling welke hun wordt aangedaan.

Krijgsgevangenen mogen door de gevangenhoudende Mogendheid slechts aan een Mogendheid die partij is bij het Verdrag worden overgedragen, en dan alleen nadat de gevangenhoudende Mogendheid zich ervan heeft vergewist, dat die andere Mogenheid bereid en in staat is het Verdrag toe te passen. Wanneer krijgsgevangenen onder die omstandigheden worden overgedragen, berust de verantwoordelijkheid voor de toepassing van het Verdrag bij de Mogendheid die zich bereid heeft verklaard hen op te nemen, gedurende de tijd dat zij aan haar zijn toevertrouwd.

Niettemin moet, ingeval deze Mogendheid in gebreke blijft op enig belangrijk punt de bepalingen van het Verdrag uit te voeren, de Mogendheid die de krijgsgevangenen heeft overgedragen, op mededeling daarvan door de beschermende Mogendheid, doeltreffende maatregelen nemen om in de toestand afdoende verbetering te brengen dan wel verzoeken haar de krijgsgevangenen terug te zenden. Aan dit verzoek moet worden voldaan.

Artikel 13

Krijgsgevangenen moeten te allen tijde menslievend worden behandeld. Iedere onrechtmatige handeling of nalatigheid van de zijde van de gevangenhoudende Mogendheid, welke de dood van een krijgsgevangene die zich in haar macht bevindt, ten gevolge heeft dan wel zijn gezondheid ernstig in gevaar brengt, is verboden en wordt beschouwd als een ernstige inbreuk op dit Verdrag. In het bijzonder mag geen krijgsgevangene lichamelijk worden verminkt of onderworpen aan geneeskundige of wetenschappelijke proefnemingen van welke aard ook, welke door de geneeskundige behandeling van de betrokken krijgsgevangene niet gerechtvaardigd noch in diens belang zouden zijn.

Evenzo moeten krijgsgevangenen te allen tijde worden beschermd, in het bijzonder tegen iedere daad van geweld of vreesaanjaging, tegen beledigingen en de nieuwsgierigheid van het publiek.

Represaillemaatregelen ten aanzien van krijgsgevangenen zijn verboden.

Artikel 14

Krijgsgevangenen hebben onder alle omstandigheden recht op eerbiediging van hun persoon en van hun eer.

Vrouwen moeten met alle aan haar sekse verschuldigde voorkomendheid en in ieder geval even gunstig als mannen worden behandeld.

Krijgsgevangenen behouden de volle burgerlijke bevoegdheid welke zij op het tijdstip van hun gevangenneming genoten. De gevangenhoudende Mogendheid mag de gebruikmaking daarvan, zowel op haar grondgebied als daarbuiten, slechts beperken voor zover de krijgsgevangenschap zulks vereist.

Artikel 15

De gevangenhoudende Mogendheid is gehouden kosteloos te voorzien in het onderhoud der krijgsgevangenen en in de geneeskundige verzorging welke hun gezondheidstoestand noodzakelijk maakt.

Artikel 16

Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag met betrekking tot rang en sekse, en onverminderd iedere bevoorrechte behandeling welke aan krijgsgevangenen mocht worden toegekend op grond van hun gezondheidstoestand, leeftijd of vakkundigheid, moeten alle krijgsgevangenen door de gevangenhoudende Mogendheid op dezelfde wijze worden behandeld, zonder enig voor hen nadelig onderscheid, gegrond op ras, nationaliteit, godsdienst, politieke overtuiging of enig ander soortgelijk criterium.

TITEL III. Gevangenschap

AFDELING I. Aanvang der gevangenschap

Artikel 17

Iedere krijgsgevangene is, bij ondervraging op dit punt, slechts gehouden mededeling te doen van zijn geslachtsnaam, voornamen en rang, geboortedatum en leger- of stamboeknummer of, bij gebreke daarvan, van een daarmede overeenkomende aanwijzing.

Ingeval hij opzettelijk deze regel overtreedt, zou hij zich kunnen blootstellen aan een beperking van de voorrechten, toegekend aan gevangenen van zijn rang of status.

Iedere Partij bij het conflict is verplicht aan een ieder die onder haar jurisdictie staat en krijgsgevangene zou kunnen worden, een identiteitskaart te verstrekken, houdende zijn geslachtsnaam, voornamen en rang, leger- of stamboeknummer of daarmede overeenkomende aanwijzing, en geboortedatum. Deze identiteitskaart kan bovendien dragen de handtekening of vingerafdrukken van de betrokkene dan wel beide, zomede alle verdere aanwijzingen welke de Partijen bij het conflict mochten wensen toe te voegen met betrekking tot de personen die tot haar gewapende macht behoren. Voor zover mogelijk, zullen de afmetingen 6.5 x 10 cm. bedragen en zal de kaart in tweevoud worden opgemaakt. De krijgsgevangene moet de identiteitskaart op verzoek vertonen, maar deze mag hem in geen geval worden ontnomen.

Geen lichamelijke of geestelijke marteling, noch enige andere vorm van dwang, mag worden toegepast op krijgsgevangenen om van hen inlichtingen te verkrijgen van welke aard ook. Krijgsgevangenen die weigeren te antwoorden, mogen niet worden bedreigd, noch beschimpt, noch blootgesteld aan enige onaangename of nadelige behandeling van welke aard ook.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.